|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:4533 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 31-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | ak_25_2254 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Omgevingswet. Verlening omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning met bijgebouwen. Eiser voert terecht aan dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd waarom voor de erfafscheiding, de inhoud van de woning en de oppervlakte van de bijgebouwen een omgevingsvergunning kan worden verleend. Verder heeft het college in het bestreden besluit onvoldoende rekening gehouden met de belangen van eiser. Het beroep is gegrond. | | Trefwoorden | : | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | herstructurering | | | koopakte | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | rood voor rood regeling | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2254
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2], uit [woonplaats 1], eisers ([eisers], in enkelvoud),
gemachtigde: mr. S. Schaap,
en
het college van burgemeester en wethouders van Hellendoorn, verweerder (het college).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende], uit [woonplaats 2], vergunninghouder ([derde belanghebbende]),
gemachtigde: mr. B.F. Peters.
Samenvatting
1.1
Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning die het college op basis van de Rood voor Rood-regeling aan [derde belanghebbende] heeft verleend voor het bouwen van een woning met bijgebouwen op het perceel naast dat van [eisers]. [eisers] is het niet eens met het vergunde bouwplan, met name omdat dat tot gevolg heeft dat op of net naast zijn erfgrens twee bijgebouwen en een lange erfafscheiding worden gerealiseerd. Hij voert in beroep meerdere beroepsgronden aan. [eisers] is onder meer van mening dat het college op meerdere punten onvoldoende heeft gemotiveerd dat op basis van het gemeentelijke beleid dat is vastgesteld voor de uitvoering van de Rood voor Rood-regeling vergunning kan worden verleend voor het bouwplan van [derde belanghebbende]. Daarnaast is [eisers] van mening dat in het bestreden besluit onvoldoende rekening is gehouden met zijn belangen.
1.2
De rechtbank geeft [eisers] in deze uitspraak op meerdere punten gelijk. Naar het oordeel van de rechtbank voert [eisers] terecht aan dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd waarom voor de erfafscheiding, de inhoud van de woning en de oppervlakte van de bijgebouwen een omgevingsvergunning kan worden verleend, gelet op onder meer de regels die daarover in het gemeentelijke beleid en het geldende bestemmingsplan zijn opgenomen. Verder heeft het college in het bestreden besluit onvoldoende rekening gehouden met de belangen van [eisers]. Het college moet daarom opnieuw op het bezwaar van [eisers] beslissen.
Procesverloop
2.1
Bij besluit van 6 maart 2025 (het primaire besluit) heeft het college aan [derde belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woning met bijgebouwen op het perceel aan de [adres 1] tussen [adres 2] en [adres 1] in [plaats]. Hiertegen heeft [eisers] bezwaar gemaakt.
2.2
Bij besluit van 10 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten, met aanvulling van de motivering van dat besluit.
2.3
[eisers] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.5
[derde belanghebbende] heeft ook op het beroep gereageerd.
2.6
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren [eiser 1] en [eiser 2] aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2]. [derde belanghebbende] heeft ook aan de zitting deelgenomen. Hij werd vergezeld door [naam 3] en bijgestaan door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Aanleiding
3.1
[eisers] woont op het perceel aan de [adres 1]. Op het perceel aan de [adres 2] wonen de schoonouders van [derde belanghebbende]. [derde belanghebbende] wil door middel van gebruikmaking van de zogenaamde Rood voor Rood-regeling een woning met bijgebouwen realiseren op het perceel aan de [adres 1] tussen de nummers [adres 2] en [adres 1] (hierna te noemen: het perceel).
3.2
De voorwaarden voor de toepassing van de Rood voor Rood-regeling staan in het gemeentelijke beleidsdocument ‘Beleid Nieuw Buitengebied’ (hierna: het BNB). De Rood voor Rood-regeling biedt onder voorwaarden de mogelijkheid om ergens een woning met bijgebouwen te realiseren, in ruil voor de sloop van landschap-ontsierende bedrijfsbebouwing. Om hiervoor in aanmerking te komen moet worden voldaan aan de criteria die zijn neergelegd in een stappenplan dat in het BNB is opgenomen.
3.3
[derde belanghebbende] heeft een sloopbewijs gekocht van bedrijfsbebouwing die is verwijderd van het perceel aan de [adres 3]. Op 19 november 2024 heeft hij bij het college voor zijn bouwplan een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. Bij deze aanvraag is onder meer gevoegd het document ‘Ruimtelijke motivering [plaats], [adres 1] tussen [adres 2] en [adres 1]’, van november 2024 (hierna: de Ruimtelijke onderbouwing van november 2024). Hierin staat dat [derde belanghebbende] een vrijstaande woning met berging, schuur en paardenrijbak wil realiseren op het perceel.
3.4
Op het perceel zijn onder meer de bestemmingsplannen ‘Veegplan gemeente Hellendoorn 2024’ en ‘Buitengebied’ van toepassing. Deze bestemmingsplannen zijn sinds 1 januari 2024 onderdeel van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Hellendoorn (hierna: het Omgevingsplan). Volgens het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ heeft het perceel de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde’ en de gebiedsaanduiding ‘Reconstructiewetzone – Verwevingsgebied’. Binnen dit planologisch regime is het bouwplan van [derde belanghebbende] op het perceel niet toegestaan.
3.5
In het primaire besluit heeft het college aan [derde belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor een bouwactiviteit en een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (activiteiten als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, en eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow)). De nadruk in deze zaak ligt op het verlenen van de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In het primaire besluit heeft het college geconcludeerd dat die kan worden verleend, omdat het bouwplan past in de fysieke leefomgeving en belangen van omwonenden daardoor niet onevenredig worden aangetast. Daarbij heeft het college verwezen naar artikel 5.21, tweede lid, onder b, van de Ow en artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Onderdeel van het primaire besluit is het document ‘Ruimtelijke onderbouwing, Toevoegen van een woning aan de [adres 1] tussen nummer [adres 2] en [adres 1] in [plaats]’, van 5 februari 2025 (hierna: de Ruimtelijke onderbouwing van 5 februari 2025). Hierin heeft het college gemotiveerd waarom de gevraagde omgevingsvergunning volgens hem kan worden verleend. Aan die vergunning zijn meerdere voorschriften verbonden. Verder staat in het primaire besluit dat de rijbak die op de situatietekening bij de aanvraag is aangegeven, met de verleende vergunning niet wordt geregeld.
Het bestreden besluit
4. In het bestreden besluit heeft het college nader gemotiveerd waarom de bestreden omgevingsvergunning volgens hem kan worden verleend. Die aanvullende motivering ziet met name op de toetsing van de aanvraag aan het stappenplan in het BNB en op de landschappelijke inpassing van het bouwplan.
Beoordeling van het beroep
5.1
[eisers] voert tegen het bestreden besluit meerdere beroepsgronden aan. Die bespreekt en beoordeelt de rechtbank hierna afzonderlijk.
5.2
De voor deze zaak belangrijke regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak.
Vertaling naar het Omgevingsplan
6.1
[eisers] voert aan dat het college ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de wijze waarop de bestreden omgevingsvergunning zal worden doorvertaald naar het Omgevingsplan. Volgens [eisers] is het belangrijk dat hierover nu al duidelijkheid komt, omdat [derde belanghebbende] ook vergunning heeft gevraagd voor een paardenrijbak mét verlichting. Weliswaar is de omgevingsvergunning voor dat onderdeel van het bouwplan geweigerd, maar onduidelijk is welke functie nu wordt toegekend aan het deel van het perceel waar de rijbak was beoogd. Ook is onduidelijk op welke wijze de doorvertaling daarvan naar het Omgevingsplan gaat plaatsvinden.
6.2
Op grond van artikel 4.17 van de Ow moet het Omgevingsplan uiterlijk vijf jaar na het onherroepelijk worden van de aan [derde belanghebbende] verleende omgevingsvergunning in overeenstemming worden gebracht met die vergunning. De rechtbank ziet niet in waarom bij het verlenen van de bestreden omgevingsvergunning al had moeten worden aangegeven hoe het Omgevingsplan met die vergunning in overeenstemming zal worden gebracht. Daarvoor ziet de rechtbank geen wettelijke grondslag en [eisers] heeft ook niet aangegeven uit welke bepaling zo’n verplichting zou volgen. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet. Daarbij komt dat deze beroepsgrond met name ziet op de locatie van de paardenrijbak. Hiervoor is in de bestreden omgevingsvergunning geen toestemming verleend. [derde belanghebbende] heeft ter zitting verklaard dat de paardenrijbak niet wordt gerealiseerd, dat hij daarvoor ook geen vergunning meer gaat aanvragen en dat de locatie van de rijbak gewoon ‘groen’ blijft. Naar het oordeel van de rechtbank zijn hiermee ook de feitelijke grondslag voor en het procesbelang van [eisers] bij deze beroepsgrond komen te vervallen.
Wijze van toetsing
7.1
[eisers] voert aan dat het college actiever had moeten toetsen of het bouwplan dan wel de aanvraag voor de omgevingsvergunning voldoet aan de eisen in hoofdstuk 5 van het Bkl. Ter onderbouwing hiervan wijst hij naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 4 april 2025. Volgens [eisers] is het bouwplan niet in overeenstemming met een evenwichtige toedeling van functies.
7.2
Artikel 8.0b, tweede lid, van het Bkl bepaalt dat voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de omgevingsvergunning alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Mede aan de hand van het stappenplan uit het BNB heeft het college de aanvraag van [derde belanghebbende] aan dit criterium getoetst. Dat het college daarbij onvoldoende ‘actief’ heeft getoetst is de rechtbank niet gebleken. [eisers] heeft niet specifiek aangegeven op welk punt de toetsing van de aanvraag door het college onvoldoende actief is geweest. De verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland maakt dit niet anders. In die uitspraak oordeelde de voorzieningenrechter dat het desbetreffende college van burgemeester en wethouders in het kader van een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking zelf het bestaan van een behoefte aan een stedelijke ontwikkeling had moeten onderzoeken. Een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is in de onderhavige zaak echter niet aan de orde. Alleen al om deze reden kan uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland niet worden afgeleid dat het college de aanvraag van [derde belanghebbende] onvoldoende actief zou hebben getoetst. Wat [eisers] hierover aanvoert slaagt niet.
Privaatrechtelijke belemmering
8.1
[eisers] voert het volgende aan. Zijn perceel aan de [adres 1] grenst aan het perceel. Op de situatietekening die bij de aanvraag om omgevingsvergunning zit, lijkt te zijn uitgegaan van de kadastrale begrenzing tussen deze percelen. Volgens [eisers] loopt er echter een toegangspad van en naar zijn woning, waarvan een deel op het perceel ligt. [eisers] stelt dat volgens de koopakte van zijn perceel op circa 50 cm van het deel van het pad dat op het perceel ligt een erfdienstbaarheid rust. Die erfdienstbaarheid moet worden gerespecteerd. Voor zover op dat deel van het pad geen erfdienstbaarheid zou rusten, is [eisers] van mening dat hij op grond van verjaring eigenaar van dat deel van het pad is geworden. Als het de bedoeling van [derde belanghebbende] is om de stenen erfafscheiding en/of de bijgebouwen op de kadastrale grens te realiseren, dan kan [eisers] zijn woning niet meer bereiken via het pad. Hij is van mening dat het college bij de vergunningverlening rekening had moeten houden met deze privaatrechtelijke situatie. Vanwege deze privaatrechtelijke situatie is de situatietekening onjuist en onuitvoerbaar, aldus [eisers].
8.2
Het college stelt in verweer in reactie op deze beroepsgrond dat de bijgebouwen op circa 1 meter van de kavelgrens komen te staan en dat daarom niet duidelijk is waarom er een privaatrechtelijke belemmering voor de uitvoering van het bouwplan zou zijn. [derde belanghebbende] heeft in de reactie op het beroep van [eisers] bestreden dat op (een deel van) het perceel een erfdienstbaarheid ten behoeve van [eisers] rust.
8.3
De rechtbank overweegt dat een zogenoemde privaatrechtelijke belemmering in de weg kan staan aan de verlening van een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan. De burgerlijke rechter en niet de bestuursrechter moet als eerste beoordelen of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan het uitvoeren van een activiteit. De bestuursrechter zal daarom alleen oordelen dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vergunningverlening in de weg staat als die belemmering evident is. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de bouw van een bouwwerk de toestemming van een ander vereist is en die ander die toestemming niet geeft en ook niet hoeft te geven.
8.4
[eisers] heeft ter onderbouwing van zijn beroepsgrond het taxatierapport overgelegd dat in 1990 is opgesteld, toen hij het perceel en de woning aan de [adres 1] kocht. Volgens [eisers] blijkt uit dit rapport dat het betreffende pad toen al aanwezig was. Wat hier verder ook van zij, uit dit taxatierapport blijkt niet dat toen, in 1990, op het perceel een erfdienstbaarheid ten behoeve van [eisers] was gevestigd. Ook heeft [eisers] niet aangetoond dat daarna zo’n erfdienstbaarheid is gerealiseerd.
8.5
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat in ieder geval niet is gebleken dat er in dit geval een privaatrechtelijke belemmering is, waarvan het evident is dat die aan de uitvoering van het bouwplan in de weg staat. Voor zover [eisers] aanvoert dat het college de bestreden omgevingsvergunning niet had mogen verlenen omdat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering voor de uitvoering van het bouwplan, heeft hij dat niet aangetoond. Deze beroepsgrond slaagt niet.
8.6
Verder merkt de rechtbank op dat [derde belanghebbende] bij zijn reactie op de beroepsgronden van [eisers] het document ‘Ruimtelijk kwaliteitsplan, [plaats], [adres 1] tussen [adres 2] en [adres 1]’ heeft overgelegd. In de pleitnota die de gemachtigde van [eisers] tijdens de zitting heeft voorgedragen heeft deze aangegeven dat de nieuwe situatietekening die in dit ruimtelijk kwaliteitsplan zit de toegangsweg naar het huis van [eisers] lijkt te respecteren. [derde belanghebbende] heeft ter zitting bevestigd dat bij de realisatie van het bouwplan waarvoor nu vergunning is verleend die toegangsweg inderdaad zal worden gerespecteerd. In zoverre lijkt het (materiële) probleem van [eisers] op dit punt te zijn opgelost.
Participatie
9.1
[eisers] is van mening dat het college te beperkt is omgegaan met de verplichte participatie die voortvloeit uit artikel 7.4 van de Omgevingsregeling. Daarbij gaat het erom dat op zijn minst de belangen in een vroeg stadium in kaart worden gebracht en dat een poging wordt gedaan om draagvlak te creëren. Daarnaast staan er volgens [eisers] essentiële fouten in het verslag van de participatiegesprekken die tussen hem en [derde belanghebbende] hebben plaatsgevonden. [eisers] heeft het college daar in bezwaar ook al op gewezen, maar daarmee heeft het college ten onrechte niets gedaan. Ook heeft het college het participatieverslag op oneigenlijke wijze gebruikt. Verder is het organiseren van participatie onderdeel van stap 4 (‘Verbinden’) van het stappenplan in het BNB. Mede gelet hierop had het college volgens [eisers] moeten verifiëren of stap 4 van het stappenplan goed is doorlopen en in het bestreden besluit moeten meewegen dat er geen draagvlak is voor het vergunde bouwplan.
9.2
De rechtbank overweegt dat participatie, zoals bedoeld in artikel 7.4 van de Omgevingsregeling, een aanvraagvereiste is, maar geen onderdeel vormt van de beoordelingsregels voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Voor zover [eisers] betoogt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, omdat dat in strijd met artikel 7.4 van de Omgevingsregeling is, slaagt dat dan ook niet. Op de vraag of het college bij de toetsing van de aanvraag om omgevingsvergunning aan het stappenplan in het BNB op juiste wijze is omgegaan met het door [derde belanghebbende] overgelegde participatieverslag gaat de rechtbank verderop in deze uitspraak in, onder het kopje ‘Toetsing aan het BNB’.
De provinciale Omgevingsverordening
10.1
[eisers] voert aan dat het bestreden besluit niet voldoet aan het bepaalde in de artikelen 4.5 (zuinig en zorgvuldige ruimtegebruik), 4.8 (ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit) en 4.9 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit) van de Omgevingsverordening Overijssel (hierna: de Omgevingsverordening). Het bouwplan sluit namelijk niet aan op bestaand bebouwd gebied als bedoeld in de Omgevingsverordening. Daarnaast is niet gebleken dat er geen betere of andere locaties zijn voor het realiseren van de woning met bijgebouwen ter compensatie van de gesloopte bedrijfsbebouwing op het perceel aan de [adres 3]. Dat komt mede doordat de afspraken die [derde belanghebbende] en het college in het kader van de Rood voor Rood-regeling hebben gemaakt - dan wel de overeenkomst die zij in dat verband hebben gesloten - geen onderdeel zijn van de stukken die ter beschikking zijn gesteld aan [eisers]. Daarnaast heeft het college volgens [eisers] onvoldoende onderbouwd dat de ontwikkeling waarvoor nu vergunning is verleend bijdraagt aan behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied, dat is gekenmerkt als ‘Jong heide- en broekontginningslandschap’. Hij is van mening dat de komst van de bebouwing de kenmerkende ruimtematen van de omgeving aantast, onder meer doordat tussen zijn perceel en het perceel een lange muur wordt gerealiseerd. Volgens [eisers] blijkt uit geen enkel deskundig advies dat het vergunde bouwplan tot verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving kan leiden en ook ontbreekt iedere borging van de landschappelijke inpassing van het plan.
10.2
Het college stelt in verweer dat het BNB een nadere gemeentelijke uitwerking is van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO), die de provincie Overijssel (hierna: de provincie) via de Omgevingsverordening heeft vastgesteld. Met de toepassing van de Rood voor Rood-regeling, zoals die is neergelegd in het BNB, wordt namelijk de mogelijkheid geboden om een woning met bijgebouwen te realiseren, waarbij de ruimtelijke kwaliteit van het landschap wordt verbeterd, onder meer doordat landschap-ontsierende bedrijfsbebouwing wordt gesloopt.
10.3
[derde belanghebbende] stelt in zijn reactie op deze beroepsgrond dat over de locatiekeuze intensief contact met de provincie heeft plaatsgevonden en dat de provincie in maart 2023 een positief advies heeft gegeven over het perceel als de locatie waarop de compensatiewoning met bijgebouwen wordt gerealiseerd. Daarbij heeft de provincie volgens [derde belanghebbende] ook getoetst aan de Omgevingsverordening en het provinciale beleid.
10.4
De rechtbank stelt vast dat [eisers] in zijn beroepschrift heeft erkend dat het BNB en het daarin opgenomen stappenplan voor de beoordeling van een aanvraag op grond van de Rood voor Rood-regeling een nadere uitwerking is van de KGO, zoals die in de Omgevingsverordening is vastgesteld. Daarbij stelt de rechtbank tevens vast dat de criteria uit de artikelen 4.5, 4.8 en 4.9 van Omgevingsverordening waarop [eisers] een beroep doet ook in het BNB worden genoemd (kort weergegeven: het bouwplan moet aansluiten bij een bestaand bebouwingscluster, de ontwikkeling moet bijdragen aan behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, het landschapstype ‘Jong heide- en broekontginningslandschap’, de eis van een goede landschappelijke inpassing). Gelet hierop, moet de rechtbank in deze zaak met name beoordelen of het college terecht heeft geconcludeerd dat op basis van de criteria voor toepassing van de Rood voor Rood-regeling, zoals die in het BNB zijn neergelegd, voor het bouwplan van [derde belanghebbende] een omgevingsvergunning kan worden verleend. Wat [eisers] aanvoert over strijd met de artikelen 4.5, 4.8 en 4.9 van de Omgevingsverordening zal de rechtbank daarom niet beoordelen als afzonderlijke beroepsgrond maar voor zover relevant (impliciet) betrekken bij haar overwegingen hierna in het kader van de beoordeling van de toetsing aan het BNB. Deze beroepsgrond – op zichzelf beschouwd – slaagt niet.
De gemeentelijke Omgevingsvisie
11.1
Op 20 februari 2014 heeft de raad van de gemeente Hellendoorn de structuurvisie / omgevingsvisie ‘Hellendoorn, Natuurlijk Avontuurlijk’ vastgesteld (hierna: de Omgevingsvisie). Volgens [eisers] is het bestreden besluit in strijd met de Omgevingsvisie, omdat de projectlocatie (het perceel) geen zogenaamde inbreidingslocatie betreft en ook geen ‘zoekgebied voor woningbouw’. Daarbij wijst [eisers] er tevens op dat het perceel volgens de Omgevingsvisie is gelegen in het identiteitsgebied ‘Rond Boeren’. Gelet op wat in de Omgevingsvisie is aangegeven over dit identiteitsgebied, is volgens [eisers] niet duidelijk hoe en waarom het vergunde bouwplan zal bijdragen aan het behoud en de versterking van de leefbaarheid in het buitengebied.
11.2
De rechtbank ziet niet in waarom de bouw van één woning met bijgebouwen op het perceel in strijd zou zijn met de Omgevingsvisie. Dat heeft [eisers] niet overtuigend aangetoond. Overigens stelt de rechtbank vast dat het identiteitsgebied ‘Rond Boeren’ en de omschrijving daarvan ook onderdeel zijn van het stappenplan in het BNB, zodat hetgeen [eisers] op dit punt heeft aangevoerd hierna aan de orde zal komen bij de beoordeling van de toetsing aan het BNB. Deze beroepsgrond – op zichzelf beschouwd – slaagt niet.
Toetsing aan het BNB
12.1
Volgens [eisers] is in dit geval niet voldaan aan de criteria voor toepassing van de Rood voor Rood-regeling en het stappenplan dat daarvoor in het BNB is opgenomen. Ter onderbouwing hiervan voert hij in de eerste plaats aan dat de verslaglegging door [derde belanghebbende] van de participatie onjuist is. [eisers] wil niet dat de lange muur en de bijgebouwen op zijn erfgrens worden geplaatst, terwijl in het participatieverslag staat dat dit juist door hem zou zijn voorgesteld. Het college heeft ten onrechte niet geverifieerd of de inhoud van het participatieverslag juist is. Hierdoor is niet voldaan aan stap 4 van het stappenplan (‘Verbinden’). Daarnaast wordt om meerdere redenen ook niet voldaan aan de stappen 5 en 6 van het stappenplan (‘Wensen’ en ‘Balans’). Zo wordt in de Ruimtelijke onderbouwing van november 2024 kort verwezen naar afspraken die de gemeente Hellendoorn en [derde belanghebbende] hebben gemaakt, maar die afspraken zijn niet openbaar en ook niet aan [eisers] kenbaar gemaakt. Dat geldt ook voor het sloopbewijs dat [derde belanghebbende] zou hebben gekocht. Hierdoor is voor [eisers] niet te controleren of de Rood voor Rood-regeling op juiste wijze is toegepast. Verder volgt uit het BNB dat het de voorkeur heeft dat een compensatiewoning wordt gebouwd op de slooplocatie zelf en niet op een elders gelegen compensatiekavel. Uit het bestreden besluit blijkt niet waarom in dit geval niet op de slooplocatie kan worden gebouwd. Ook is voor de compensatiekavel ten onrechte geen aansluiting gezocht bij de bestaande dorpskernen. Onduidelijk is of naar een dergelijke locatie is gezocht. Verder wordt in dit geval de nieuwe woning niet aansluitend bij een bestaand bebouwingscluster gebouwd, maar wordt die in het bebouwingscluster geplaatst. Hierdoor verdwijnen de open ruimten tussen de woningen op de percelen aan de [adres 2] en [adres 1]. Dit voldoet volgens [eisers] niet aan het criterium ‘aansluitend bij een bestaand bebouwingscluster’. Ook heeft het college niet aangetoond dat de landschappelijke kwaliteit door het bouwplan aantoonbaar wordt vergroot. [eisers] is van mening dat de landschappelijke kwaliteit en het open karakter van de omgeving door het bouwplan juist worden aangetast en dat niet is gezorgd voor een goede landschappelijke inpassing daarvan. Dat voor die landschappelijke inpassing een ruimtelijk kwaliteitsplan zou zijn opgesteld, zoals in het bestreden besluit wordt gesteld, klopt niet. Er is alleen een situatieschets en de Ruimtelijke onderbouwing van november 2024, waarin kort op de landschappelijke inpassing wordt ingegaan. Ten slotte voert [eisers] aan dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom vergunning kan worden verleend voor bijgebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van 150 m² en een woning met een inhoud van meer dan 750 m³. Dat is volgens [eisers] namelijk meer dan op basis van het Omgevingsplan en het BNB is toegestaan.
12.2
Het college stelt in reactie op deze beroepsgrond dat uit het BNB volgt dat het de voorkeur geniet dat een compensatiewoning op de sloopkavel zelf wordt gerealiseerd, maar dat dat niet per se hoeft. Een bouwkavel kan ook op een andere locatie worden gecreëerd, mits wordt aangesloten bij een bebouwingscluster en de landschappelijke kwaliteit aantoonbaar wordt vergroot. Aan die eisen wordt volgens het college in dit geval voldaan. De landschappelijke kwaliteit wordt verbeterd doordat landschap-ontsierende bebouwing is verwijderd op de locatie aan de [adres 3] en de totale bebouwing qua aantallen m² wordt gereduceerd. Verder wordt, om de nieuwe woning landschappelijk in te passen, aangesloten bij het bestaande groen aan de voorkant van het perceel van [eisers]. Door dit groen aan te vullen, verbetert de landschappelijke kwaliteit. Daarom wordt de nieuwe bebouwing ook dichter bij het perceel van [eisers] gesitueerd. Tussen de nieuwe woning en de bebouwing op het perceel aan de [adres 2] blijft daardoor ruimte over voor doorzicht in het landschap. Met deze landschappelijke inpassing wordt volgens het college voldaan aan de identiteit van het gebied. Over de inhoud van de vergunde woning stelt het college dat die moet voldoen aan wat daarover in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is bepaald. Daarbij wijst het college erop dat in het primaire besluit is aangegeven dat op grond van het gelijkheidsbeginsel en om eenduidigheid in inhoudsmaatvoering te houden is meegewerkt aan het toestaan van een vergroting van de volgens het bestemmingsplan toegestane woninginhoud van 750 m³ met 10%. Volgens het college is dat in lijn met artikel 31.3, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Ten slotte stelt het college dat de paragrafen 5.1.3 en 5.1.4 van het BNB de mogelijkheid bieden om vergunning te verlenen voor een oppervlakte van meer dan 150 m² aan bijgebouwen.
12.3
De rechtbank overweegt als volgt over de verschillende punten die [eisers] met deze beroepsgrond naar voren brengt.
Erfafscheiding
12.4.1
Uit de stukken en wat ter zitting is besproken is de rechtbank gebleken dat de beide bijgebouwen 10 meter lang zijn en op 10 meter afstand, in het verlengde van elkaar worden geplaatst. De bijgebouwen worden op 1,10 meter van de grens tussen het perceel en het perceel van [eisers] geplaatst. Voor het eerste bijgebouw en tussen beide bijgebouwen komen erfafscheidingen met sedumbegroeiing, met elk een lengte van 10 meter en een hoogte van 2 meter. De erfafscheidingen en de achterzijden van de bijgebouwen zijn geschakeld en verspringen iets doordat zij niet op precies dezelfde afstand tot de erfgrens worden geplaatst. [derde belanghebbende] heeft toegelicht dat hiermee is beoogd ruimte te creëren om onderhoud te plegen aan de achterzijde van de bijgebouwen. De aaneenschakeling van de erfafscheidingen en de achterzijden van de bijgebouwen leidt er feitelijk volgens [eisers] toe dat op of net naast zijn perceelsgrens een wand met een totale lengte van circa 40 meter wordt opgericht. De geschakelde erfafscheidingen en achterzijden van de bijgebouwen zullen hierna worden aangeduid als ‘de erfafscheiding’.
12.4.2
In het primaire besluit staat dat de erfafscheiding tot 1 meter vóór de voorgevel van de woning komt te staan. Dat wijkt af van het principe dat een 2 meter hoge schutting minimaal 1 meter achter de voorgevel moet staan. Het college heeft in het primaire besluit geconcludeerd dat voor de erfafscheiding medewerking kan worden verleend aan het afwijken van het bestemmingsplan, vanwege ‘de participatie die heeft plaatsgevonden en er een afscheiding met sedumbegroeiing is besproken’. Verder staat in hoofdstuk 13 van de Ruimtelijke onderbouwing van november 2024 dat de initiatiefnemer ([derde belanghebbende]) met omwonenden ([eisers]) heeft gesproken over de voorgenomen ontwikkeling, dat op verzoek van omwonenden is besloten om de bestaande bomen te laten staan en dat omwonenden daarmee akkoord zijn met de voorgenomen ontwikkeling.
12.4.3
Aan de vergunningverlening ligt dus onder meer de conclusie ten grondslag dat [eisers] akkoord is met het bouwplan en het door [derde belanghebbende] opgestelde participatieverslag is expliciet onderdeel van de motivering voor het toestaan van de erfafscheiding. [eisers] heeft echter zowel in beroep als ook al in bezwaar de inhoud van het participatieverslag en de inhoud van hoofdstuk 13 van de Ruimtelijke onderbouwing van november 2024 betwist en aangegeven dat hij bezwaren heeft tegen de lange muur die op zijn erfgrens wordt gerealiseerd. Verder stelt de rechtbank vast dat in het participatieverslag niet staat – zoals wel is vermeld in de Ruimtelijke onderbouwing van november 2024 – dat [eisers] akkoord is met het bouwplan van [derde belanghebbende]. In het bestreden besluit is het college niet concreet ingegaan op de bezwaren van [eisers] tegen de erfafscheiding. Ook is het college in het bestreden besluit niet expliciet ingegaan op de stelling van [eisers] dat de inhoud van het participatieverslag niet juist is. Verder heeft het college in het bestreden besluit geen concrete aanvullende motivering gegeven voor het toestaan van de erfafscheiding, in afwijking van de bestemmingsplanregels.
12.4.4
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de vergunningverlening voor wat betreft de erfafscheiding berust op een onjuiste motivering. Dit gebrek is in het bestreden besluit niet hersteld. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit onderdeel van deze beroepsgrond slaagt.
12.4.5
Voor zover [eisers] aanvoert dat de omgevingsvergunning niet mocht worden verleend, omdat niet is voldaan aan stap 4 van het stappenplan, slaagt dat niet. Die stap schrijft voor dat van initiatiefnemers wordt verwacht dat bij de voorbereiding van het opstellen van plannen de omgeving wordt betrokken. Dat is in dit geval gebeurd, zodat niet kan worden gezegd dat het college de omgevingsvergunning niet mocht verlenen, omdat niet zou zijn voldaan aan stap 4.
Woninginhoud
12.5
Voor wat betreft de inhoud van de woning heeft het college aan de vergunningverlening ten grondslag gelegd dat, door de inhoudsmaat met 10% te vergroten, de binnen de gemeente gebruikelijke totstandkoming van de inhoud (buitenwerks) wordt benaderd. Op grond van het gelijkheidsbeginsel en de wens om eenduidigheid in de inhoudsmaatvoering te behouden, acht het college vergroting van de inhoudsmaat met 10% rechtvaardig. De rechtbank stelt echter vast dat het college ter onderbouwing hiervan geen vergelijkbare gevallen heeft genoemd zodat niet inzichtelijk is op basis van welk referentiekader het college tot deze conclusie is gekomen. Nu het college tevens heeft verklaard dat de inhoud van de woning moet voldoen aan wat daarover in het bestemmingsplan is bepaald, is de rechtbank van oordeel dat [eisers] terecht aanvoert dat onvoldoende is gemotiveerd waarom op basis van het gelijkheidsbeginsel vergunning is verleend voor een woning met een grotere inhoud dan de 750 m³ die volgens het bestemmingsplan bij recht is toegestaan. Het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd, zodat ook dit onderdeel van deze beroepsgrond slaagt.
Oppervlakte bijgebouwen
12.6.1
In de paragrafen 5.1.3 en 5.1.4 van het BNB staat dat het bij burgerwoningen bij recht is toegestaan om 100 m² aan bijgebouwen te plaatsen en dat dit op basis van de regeling voor vergunningvrij bouwen soms kan worden vergroot tot 150 m².
12.6.2
Het college heeft niet bestreden dat in dit geval meer dan 100 m² aan bijgebouwen is vergund. Uit de stukken blijkt echter niet of en, zo ja, op welke wijze de regeling voor vergunningvrij bouwen daarbij een rol heeft gespeeld. Het college heeft niet gemotiveerd waarom in dit geval een grotere oppervlakte aan bijgebouwen wordt toegestaan dan de 100 m² die het BNB toestaat. Hieruit volgt dat het bestreden besluit ook op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. Dit onderdeel van deze beroepsgrond slaagt ook.
Sloopbewijs
12.7.1
[derde belanghebbende] heeft verklaard dat hij op 15 maart 2023 een sloopbewijs heeft aangekocht voor 1.000 m² aan gesloopte gebouwen (voormalige agrarische bedrijfs-gebouwen) op het perceel aan de [adres 3]. Het college heeft op de zitting desgevraagd verklaard dat dergelijke sloopbewijzen in procedures voor of over de verlening van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een compensatiewoning nooit worden overgelegd. Het college heeft niet gemotiveerd waarom dit niet zou hoeven of moeten.
12.7.2
De rechtbank is van oordeel dat [eisers] terecht stelt dat, omdat het sloopbewijs geen onderdeel van de stukken in deze procedure is, niet kan worden gecontroleerd of het bouwplan voldoet aan de criteria in het BNB en of de Rood voor Rood-regeling juist is toegepast. Hierbij acht de rechtbank van belang dat ter zitting is gebleken dat niet duidelijk is of het sloopbewijs dat [derde belanghebbende] heeft gekocht, is bedoeld voor de eerste (en enige) of de tweede compensatiewoning die mag worden gerealiseerd op basis van het aantal gesloopte vierkante meters aan bedrijfsbebouwing op het perceel aan de Koersweg. Mede gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat het college, als het zijn huidige standpunt hierover handhaaft, in het nieuw te nemen besluit op het bezwaar van [eisers] moet motiveren waarom het sloopbewijs geen onderdeel hoeft te zijn van de procedure over de omgevingsvergunning voor het realiseren van een compensatiewoning. Hetzelfde geldt voor eventuele afspraken die tussen [derde belanghebbende] en het college zijn gemaakt of voor een eventuele overeenkomst die zij in het kader van de Rood voor Rood-regeling hebben gesloten. Als daarover stukken bestaan zal het college moeten motiveren waarom die volgens hem geen onderdeel van de stukken in deze zaak hoeven te zijn. Dit punt van deze beroepsgrond slaagt ook.
De overige onderdelen van deze beroepsgrond
12.8
De overige punten die [eisers] onder deze beroepsgrond aanvoert slagen niet. Het BNB biedt de mogelijkheid om een compensatiewoning te realiseren op een andere kavel dan de sloopkavel, als aan de voorwaarden in het beleid wordt voldaan. Van die mogelijkheid heeft [derde belanghebbende] in dit geval gebruik gemaakt. De rechtbank ziet niet in waarom dat niet zou mogen of waarom het college onvoldoende zou hebben gemotiveerd dat dat mag. Ook ziet de rechtbank niet in waarom het college in dit geval nader onderzoek had moeten doen naar de vraag of er andere of betere locaties zijn voor het realiseren van de compensatiewoning, nu dat niet een eis is die het BNB stelt. Verder is niet in geschil dat het vergunde bouwplan onderdeel wordt van een bestaand bebouwingscluster als bedoeld in het BNB. Dat het bouwplan niet aan een rand van dat cluster wordt gerealiseerd, maar ‘in’ het cluster, acht de rechtbank niet in strijd met het beleid. De rechtbank is verder van oordeel dat in de Ruimtelijke onderbouwing van november 2024 voldoende is gemotiveerd waarom de ligging van het perceel in ‘Jong heide- en broekontginningslandschap’ niet aan verlening van de vergunning in de weg staat. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het college heeft aangetoond dat de landschappelijke kwaliteit door het bouwplan wordt vergroot, gelet op de sloop van de bedrijfsgebouwen op het perceel aan de Koersweg en het plan dat is opgesteld voor de ‘groene’ inpassing van het bouwplan in de omgeving. De situatietekening en wat daarover is aangegeven in de Ruimtelijke onderbouwing van november 2024 acht de rechtbank daarvoor voldoende. Daarbij is van belang dat het bouwplan per saldo een vergroting van de landschappelijke kwaliteit oplevert; in dat licht moeten de afzonderlijke onderdelen van het bouwplan worden beschouwd. Verder is de situatietekening voor de inpassing van het plan opgenomen in de Ruimtelijke onderbouwing van november 2024, die onderdeel is van de omgevingsvergunning. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende geborgd dat het inpassingsplan moet worden uitgevoerd.
Belangenafweging
13.1
[eisers] voert aan dat nergens in het bouwplan, de situatietekening of de bestreden besluitvorming zijn belangen zijn meegenomen en rekening is gehouden met zijn woon- en leefklimaat. De nieuwe woning en bijgebouwen en de lange erfafscheiding worden zoveel mogelijk aan de kant van het perceel van [eisers] geplaatst, terwijl hij juist aan [derde belanghebbende] heeft gevraagd om zoveel mogelijk ruimte en zichtlijnen open te houden. [eisers] is dan ook van mening dat het bestreden besluit berust op een onjuiste dan wel onvoldoende belangenafweging. Volgens hem is het bestreden besluit, onder meer vanwege de voorgenomen plaatsing van de lange erfafscheiding, in strijd met het evenredigheids-beginsel. Ter onderbouwing van deze beroepsgrond wijst [eisers] op de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025.
13.2
De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit de belangen van [eisers] niet kenbaar zijn meegewogen. Uit de stukken blijkt niet dat het college de gevolgen van het bouwplan (waaronder in het bijzonder de lange erfafscheiding op of nabij de erfgrens) voor [eisers] inzichtelijk heeft gemaakt. Ook is het college nergens in de stukken ingegaan op de vraag of die gevolgen redelijk zijn in verhouding tot de met de vergunningverlening te dienen doelen. Het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig voorbereid en in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb. Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
14.1
Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd voor wat betreft de erfafscheiding, de woninginhoud, de oppervlakte van de bijgebouwen, het niet overleggen van het sloopbewijs en eventuele andere stukken in het kader van de Rood voor Rood-regeling en de belangenafweging. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en het college opdragen om opnieuw op het bezwaar van [eisers] te beslissen. Voor het doen van een tussenuitspraak ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat die de mogelijkheid voor partijen om, indien zij dat willen, met elkaar in overleg te treden wellicht zou beperken.
14.2
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het door [eisers] betaalde griffierecht aan hem vergoeden. Daarnaast moet het college een proceskostenvergoeding aan hem betalen. Gebleken is dat de proceskosten van [eisers] uitsluitend bestaan uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de vergoeding hiervoor vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt: € 934; wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt het college op om opnieuw op het bezwaar van [eisers] te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;
gelast het college het griffierecht van € 194 aan [eisers] te vergoeden;
veroordeelt het college in de proceskosten van [eisers] tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Berlo, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 7:12
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.
(…)
Omgevingswet
Artikel 4.3 (grondslag rijksregels)
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de volgende activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving:
a. bouwactiviteiten, sloopactiviteiten en het gebruik en het in stand houden van bouwwerken,
(…).
Artikel 4.17 (actualisering in verband met omgevingsplanactiviteit)
Het omgevingsplan wordt in ieder geval vijf jaar na het onherroepelijk worden van een omgevingsvergunning voor een voortdurende buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waaraan geen termijn is verbonden als bedoeld in artikel 5.36, eerste lid, met die vergunning in overeenstemming gebracht als het gaat om:
een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het in stand houden van een bouwwerk,
een omgevingsplanactiviteit, anders dan onder a, die niet in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven functieaanduiding.
Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
(…)
2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een bouwactiviteit,
(…)
Artikel 5.18 (beoordelingsregels aanvraag artikel 5.1-activiteiten bij algemene maatregel van bestuur)
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1.
2. Daarbij kunnen regels worden gesteld over de motivering van de beslissing tot het verlenen of weigeren.
(…)
Artikel 5.20 (artikel 5.18 beoordelingsregels aanvraag bouwactiviteit)
1. Voor een bouwactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op:
het waarborgen van de veiligheid,
het beschermen van de gezondheid,
duurzaamheid en bruikbaarheid.
2. De regels strekken ertoe dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels over bouwactiviteiten, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, of daarover gestelde maatwerkregels, voor zover die regels betrekking hebben op de kwaliteit van bouwwerken.
Artikel 5.21 (artikel 5.18 beoordelingsregels aanvraag omgevingsplanactiviteit)
1. Voor een omgevingsplanactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op de doelen van de wet.
2. De regels strekken er in ieder geval toe dat:
de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van daarvoor in het omgevingsplan gestelde regels,
de omgevingsvergunning ook kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
(…)
Artikel 16.55 (aanvraagvereisten)
(…)
7. De gemeenteraad kan gevallen van activiteiten aanwijzen waarin participatie van en overleg met derden verplicht is voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarvoor het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is, kan worden ingediend.
Omgevingsregeling
Artikel 7.4 (participatie)
1. Bij de aanvraag wordt aangegeven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken.
2. Als burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken, verstrekt de aanvrager bij de aanvraag gegevens over hoe zij zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Artikel 8.0a (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen)
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Omgevingsverordening Overijssel
Artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik)
1. Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:
er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied;
de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en
mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.
2. Omgevingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen in de Groene Omgeving die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen, als aannemelijk gemaakt is dat:
(her)benutten van bestaande bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; en
mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op stedelijke functies waarvoor extra ruimtebeslag op de Groene Omgeving plaatsvindt in de vorm van uitleg van dorpen en steden.
Artikel 4.8 (ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit)
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.
Artikel 4.9 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit)
1. Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin:
het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de Omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast;
wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de Omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en
inzichtelijk wordt gemaakt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (Bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.
(…)
Omgevingsplan gemeente Hellendoorn
Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en
de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
1. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
2. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
(…).
ECLI:NL:RBNNE:2025:1419, rechtsoverwegingen 10.5 en 10.6.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5239, rechtsoverweging 3.1.
ECLI:NL:RVS:2025:543. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|