|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2026:4272 | | | | | Datum uitspraak | : | 30-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 03-08-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 200.354.851/01 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Art. 24 aanhef onder 1 Verordening (EU) 1215/20212, art. 3:69 BW, art. 3:171 BW; art. 3:308 BW, art. 6:265 BW, art 7:333 lid 1 BW, art. 7:363 BW. Geschil tussen erfgenamen en familieleden. Pachtovereenkomst tussen gemeenschap van erfgenamen en één erfgenaam is tot stand gekomen, zelfs zonder volmacht, door bekrachtiging. Tekortkomingen rechtvaardigen ontbinding niet. De van rechtswege verhoogde pacht is niet betaald, maar niet verjaarde bedrag is wel betaald. Manier van tot stand komen in 1996 en van pachtwijzigingsovereenkomst in 2023 onvoldoende om ontbinding te rechtvaardigen. Er is sprake van voldoende persoonlijk gebruik. Neef wordt in de plaats gesteld; deelgenootschap in gemeenschap die verpacht staat niet in de weg aan vorderingen tot indeplaatsstelling. Geen voorwaarde aan indeplaatsstelling dat verjaarde pacht alsnog betaald moet worden. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | erfenis | | | erfgenamen | | | grondkamer | | | pachtkamer | | | pachtwet | | | perceel | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.354.851
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden 11205021
arrest van de pachtkamer van 30 juni 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats 1] ( [buitenland] )
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de pachtkamer in Leeuwarden optrad als eiser en verweerder in voorwaardelijke reconventie
en hierna [appellant] wordt genoemd
advocaat: mr. H.M. van Eerten
tegen
1 [geïntimeerde sub 1]
2. [geïntimeerde sub 2]
die wonen in [woonplaats 2] (gemeente [gemeente 1] )
en waarvan [geïntimeerde sub 2] bij de pachtkamer in Leeuwarden optrad als eiser in voorwaardelijke reconventie
advocaat: mr. A. Kroondijk
3 [geïntimeerde sub 3]
die woont in [woonplaats 3] (gemeente [gemeente 1] )
4. [geïntimeerde sub 4]
die woont in [woonplaats 4] (gemeente [gemeente 1] )
en bij de pachtkamer in Leeuwarden optraden als eisers in reconventie
advocaat: mr. P. Stehouwer
5 [geïntimeerde sub 5]
die woont in [woonplaats 5] (gemeente [gemeente 2] )
6. [geïntimeerde sub 6]
die woont in [woonplaats 6]
en die niet zijn verschenen
[geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] , [geïntimeerde sub 4] , [geïntimeerde sub 5] en [geïntimeerde sub 6] waren bij de pachtkamer in Leeuwarden gedaagden. Afzonderlijk worden zij hierna bij hun voornaam genoemd. Gezamenlijk worden [appellant] , [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] , [geïntimeerde sub 4] , [geïntimeerde sub 5] en [geïntimeerde sub 6] de kinderen genoemd.
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
Naar aanleiding van het arrest van 23 december 2025 heeft op 16 april 2026 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Daarop is nog een reactie namens [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] gestuurd. Partijen hebben het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
2. De kern van de zaak, feiten, vorderingen bij en beslissing van de pachtkamer in Leeuwarden en inzet van het hoger beroep
De kern van de zaak
2.1.
Het hof moet in deze zaak de vragen beantwoorden of een pachtovereenkomst tussen [geïntimeerde sub 2] en de gemeenschap bestaat, of deze pachtovereenkomst moet worden ontbonden vanwege een toerekenbare tekortkoming die de ontbinding rechtvaardigt, of [geïntimeerde sub 1] in de plaats van [geïntimeerde sub 2] gesteld moet worden en of daaraan voorwaarden verbonden moeten worden.
De feiten
2.2.
De partijen zijn, op [geïntimeerde sub 1] na, broers en zusters van elkaar. [geïntimeerde sub 1] is een zoon van [geïntimeerde sub 2] . De kinderen zijn erfgenamen van de in gemeenschap van goederen gehuwde [erflater 1] (hierna: [erflater 1] ), overleden op 27 december 1995, en [erflater 2] , overleden op 18 februari 2000. De ouders hadden een agrarisch bedrijf. De hoeve was gevestigd aan de [adres] te [plaats] . Daarbij behoorde ongeveer 30 ha land.
2.3.
Het bedrijf is op enig moment voortgezet door [erflater 1] en [geïntimeerde sub 2] . Na het overlijden van [erflater 1] hebben [geïntimeerde sub 2] en [appellant] de opstallen gekocht. [appellant] heeft het aandeel van [geïntimeerde sub 2] in die koopsom aan [geïntimeerde sub 2] geleend. [geïntimeerde sub 2] heeft het bedrijf met zijn echtgenote voortgezet in een maatschap. De percelen zijn niet verdeeld, niet na het overlijden van [erflater 1] en niet na het overlijden van [erflater 2] . Na het overlijden van [erflater 1] zijn [geïntimeerde sub 4] en [erflater 2] (voor enige jaren) in de boerderij blijven wonen.
2.4.
In januari 1996 is door een notaris een boedelvolmacht opgesteld waarbij [appellant] aan [geïntimeerde sub 4] volmacht heeft gegeven speciaal om hem te vertegenwoordigen terzake van de nalatenschap van [erflater 1] om – samengevat – uitkeringen te innen, rekeningen bij banken op te zeggen, zaken te verkopen, mee te werken aan scheiding en deling en alles te doen wat raadzaam wordt geacht voor een juiste afwikkeling. In de volmacht staat dat de opsomming van handelingen waarvoor de volmacht is gegeven niet tot strekking heeft andere handelingen uit te sluiten.”
2.5.
Op 7 juni 1996 is een pachtovereenkomst gesloten tussen de erven [erflater 1] als verpachters en [geïntimeerde sub 2] als pachter met betrekking tot de hiervoor bedoelde percelen land. Het gaat blijkens de overeenkomst om de percelen kadastraal bekend gemeente [gemeente 3] , sectie [sectieletter] nummers [nummer] (04.24.60 ha), [nummer] (06.45.60 ha), [nummer] (08.81.70 ha), [nummer] (01.37.10 ha), [nummer] (06.28.04 ha) en [nummer] (03.17.30 ha), totaal 30.34.34 ha). Hierna worden deze percelen tezamen “de percelen” genoemd. Deze pachtovereenkomst is aangegaan voor de duur van 24 jaar, ingaande 1 januari 1996, tegen een pachtprijs van fl. 19.875,- per jaar, exclusief waterschapslasten. Artikel 2 bepaalt dat de pachtprijs jaarlijks vooraf voor 1 januari moet worden betaald. De pachtovereenkomst is in februari 1997 goedgekeurd door de Grondkamer. De pachtovereenkomst is namens de erven [erflater 1] ondertekend door [geïntimeerde sub 4] .
2.6.
[geïntimeerde sub 1] is na zijn studie volledig gaan werken in het bedrijf van zijn vader [geïntimeerde sub 2] en zijn moeder en is in 2011 tot de maatschap van zijn ouders toegetreden.
2.7.
In de loop der jaren hebben er diverse overleggen tussen de kinderen plaatsgevonden. Op 18 juni 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden waarbij [appellant] , [geïntimeerde sub 4] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] aanwezig waren. Daarbij is gesproken over achterstallige pacht. In vervolg hierop heeft [appellant] op 7 juli 2020 een door hem gemaakt overzicht van achterstallige pacht aan [geïntimeerde sub 2] gezonden.
2.8.
Ook is er schriftelijk gecommuniceerd tussen [appellant] en anderen. Bij brief van 19 februari 2023 van [appellant] aan [geïntimeerde sub 4] heeft [appellant] , voor zover voor de beoordeling van belang, aan [geïntimeerde sub 4] bericht dat hij zijn eigen rechten ging behartigen.
2.9.
Op 25 februari 2023 heeft opnieuw een overleg plaatsgevonden tussen alle kinderen behalve [appellant] . Op dit overleg is de mogelijkheid tot indeplaatsstelling van [geïntimeerde sub 1] als pachter in plaats van [geïntimeerde sub 2] besproken. [appellant] had voordien aangegeven alleen mee te willen werken aan een geliberaliseerde pachtovereenkomst met [geïntimeerde sub 1] . [geïntimeerde sub 5] heeft tijdens dit overleg aangegeven in te kunnen stemmen met indeplaatsstelling, maar dat [appellant] daarbij betrokken zou moeten worden.
2.10.
Bij ‘pachtwijzigingsovereenkomst indeplaatsstelling pacht’ van 4 april 2023 tussen de erven [erflater 1] , [geïntimeerde sub 2] als afgaand pachter en [geïntimeerde sub 1] als opkomend pachter is [geïntimeerde sub 1] in de plaats getreden van [geïntimeerde sub 2] met ingang van 1 mei 2023. Daarbij is opgemerkt dat het perceel gemeente [gemeente 3] [sectieletter] [nummer] kadastraal vernummerd is tot gemeente [gemeente 3] [sectieletter/nummer] en dat dit perceel 1 m2 kleiner is geworden, zodat de totaal oppervlakte in pacht 30.34.33 hectare bedraagt. [geïntimeerde sub 1] treedt in alle rechten en plichten van [geïntimeerde sub 2] . Deze overeenkomst is namens de erven [erflaters] ondertekend door [geïntimeerde sub 4] als gevolmachtigde. De overeenkomst is ongewijzigd goedgekeurd door de grondkamer in mei 2023. Hierna wordt deze overeenkomst de “pachtwijzigingsovereenkomst” genoemd.
De vorderingen van partijen bij de pachtkamer in Leeuwarden
2.11.
[appellant] heeft bij de pachtkamer in Leeuwarden gevorderd dat (i) voor recht verklaard wordt dat op basis van de pachtwijzigingsovereenkomst geen geldige indeplaatsstelling van [geïntimeerde sub 1] voor [geïntimeerde sub 2] heeft plaatsgevonden en (ii) dat [geïntimeerde sub 1] wordt veroordeeld om de percelen te ontruimen op straffe van een dwangsom. Als de indeplaatsstelling niet rechtsgeldig is, maar de oude pachtovereenkomst met [geïntimeerde sub 2] nog bestaat, dan wil [appellant] dat deze pachtovereenkomst met [geïntimeerde sub 2] wordt ontbonden en dat [geïntimeerde sub 2] wordt veroordeeld het gepachte te ontruimen, op straffe van een dwangsom.
2.12.
[geïntimeerde sub 2] heeft een voorwaardelijke tegenvordering ingesteld: als de pachtwijzigingsovereenkomst niet deugdelijk tot stand is gekomen, wil [geïntimeerde sub 2] dat [geïntimeerde sub 1] alsnog voor hem in de plaats gesteld wordt.
2.13.
[geïntimeerde sub 4] en [geïntimeerde sub 3] hebben bij de pachtkamer in Leeuwarden een tegenvordering ingesteld: zij wilden dat de pachtkamer in Leeuwarden een taxateur zou benoemen die de waarde van de percelen in gepachte staat zou taxeren en dat vervolgens de nalatenschappen van [erflater 1] en [erflater 2] zouden worden verdeeld, zodat [geïntimeerde sub 4] zijn aandeel in geld krijgt uitgekeerd en aan [geïntimeerde sub 3] worden toegescheiden landerijen ter waarde van haar aandeel, met verrekening van eventuele over- en onderbedeling met de overige deelgenoten.
De beslissing van de pachtkamer in Leeuwarden
2.14.
De pachtkamer in Leeuwarden heeft ten aanzien van de vorderingen van [appellant] voor recht verklaard dat op basis van de pachtwijzigingsovereenkomst geen geldige indeplaatsstelling van [geïntimeerde sub 2] door [geïntimeerde sub 1] heeft plaatsgevonden en de overige vorderingen (ontruiming van het gepachte door [geïntimeerde sub 1] of ontbinding van de pachtovereenkomst met [geïntimeerde sub 2] en ontruiming van het gepachte door [geïntimeerde sub 2] ) afgewezen. Zij heeft de voorwaardelijke tegenvordering van [geïntimeerde sub 2] toegewezen en [geïntimeerde sub 1] in de plaats van [geïntimeerde sub 2] gesteld. Zij heeft zich onbevoegd verklaard ten aanzien van de vordering van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] en de zaak ten aanzien van die vordering naar de rechtbank verwezen.
De inzet van het hoger beroep
2.15.
[appellant] komt tegen dit vonnis in hoger beroep. Hij wil dat het vonnis gedeeltelijk vernietigd wordt, voor zover daarin [geïntimeerde sub 1] in de plaats van [geïntimeerde sub 2] is gesteld, zijn vordering tot ontbinding is afgewezen en zijn ontruimingsvorderingen tegen [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] zijn afgewezen en hij wil dat voor recht verklaard wordt dat de pachtovereenkomst uit 1996 met [geïntimeerde sub 2] niet rechtsgeldig tot stand is gekomen en dus nietig is, althans dat deze pachtovereenkomst wordt ontbonden en dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] alsnog worden veroordeeld om het gepachte te ontruimen op straffe van een dwangsom. Als dat niet wordt toegewezen wil [appellant] , na eiswijziging in zijn memorie van grieven, dat aan de indeplaatsstelling van [geïntimeerde sub 1] voor [geïntimeerde sub 2] de voorwaarde wordt verbonden dat [geïntimeerde sub 2] de achterstallige pacht betaalt, die volgens [appellant] tot 4 maart 2025 € 121.464,17 bedraagt, te vermeerderen met de na 2020 verschuldigde pachttermijnen en wettelijke rente (op basis van een pachtprijs anno 2020 van € 20.540 en jaarlijks aan te passen conform het Pachtprijzenbesluit), althans zoals nader te kwantificeren.
2.16.
Deze eiswijziging in de memorie van grieven van [appellant] en een nadere eiswijziging zijn na het vorige tussenarrest aan alle partijen, ook die niet zijn verschenen, tijdig bij deurwaardersexploot betekend. In de laatste, nadere, eiswijziging is het bedrag dat [geïntimeerde sub 2] moet betalen als voorwaarde voor indeplaatsstelling verhoogd van € 121.464,17 naar € 179.359, te vermeerderen met de na mei 2020 verschuldigde pachttermijnen en wettelijke rente (op basis van een pachtprijs anno 2020 van € 20.500 en jaarlijks aan te passen conform het Pachtprijzenbesluit).
3De toelichting op de beslissing van het hof
Internationale bevoegdheid
3.1.
Omdat [appellant] niet in Nederland woont moet ambtshalve de rechtsmacht beoordeeld worden. Partijen hebben zich hierover niet uitgelaten. Op grond van artikel 24 aanhef en onder 1 van de Herschikte EEX-Verordening (Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissing in burgerlijke en handelszaken), is de Nederlandse rechter bevoegd omdat de onroerende zaken waarover het pachtgeschil gaat in Nederland liggen.
De eiswijziging bij de mondelinge behandeling van 16 april 2026
3.2.
[appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep een akte van eiswijziging genomen. Hij wil zijn eis wijzigen conform zijn nadere eiswijziging zoals ook al uiteengezet in het betekeningsexploot genoemd in rov. 2.16.
3.3.
Deze eiswijziging is in strijd met de twee-conclusie-regel die in artikel 347 lid 1 Rv ligt besloten en wordt dus niet toegelaten. Dat een uitzondering op deze regel van toepassing is, is niet voldoende toegelicht en de andere partijen dan [appellant] hebben ook niet met deze eiswijziging ingestemd, maar daartegen bezwaar gemaakt. Omdat het hof de vordering van [appellant] waar deze eiswijziging op ziet ook niet toewijst, heeft dat verder voor de uitkomst geen gevolgen. Het hof gaat dus uit van de eis zoals gewijzigd in de memorie van grieven.
Is in 1996 een rechtsgeldige pachtovereenkomst tot stand gekomen tussen de erven en [geïntimeerde sub 2] ?
3.4.
[appellant] stelt aan de orde dat volgens hem in 1996 geen rechtsgeldige pachtovereenkomst tot stand is gekomen. Zijn broer [geïntimeerde sub 4] was volgens hem niet bevoegd om deze pachtovereenkomst aan te gaan op grond van de door [appellant] afgegeven boedelvolmacht.
3.5.
Als aan [appellant] al toegegeven moet worden dat de aan [geïntimeerde sub 4] gegeven volmacht hem niet de bevoegdheid gaf om de percelen aan [geïntimeerde sub 2] te verpachten, leidt dat niet tot de conclusie dat geen rechtsgeldige pachtovereenkomst is aangegaan omdat het hof van oordeel is dat [geïntimeerde sub 2] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat deze pachtovereenkomst door de deelgenoten in de gemeenschap is bekrachtigd.
3.6.
Wanneer iemand zonder daartoe bevoegd te zijn als gevolmachtigde in naam van een ander heeft gehandeld, kan laatstgenoemde de rechtshandeling bekrachtigen en haar daardoor hetzelfde gevolg verschaffen als zou zijn ingetreden wanneer zij krachtens een volmacht was verricht (artikel 3:69 BW).
3.7.
Niet of althans onvoldoende betwist is dat in 1996 na het overlijden van vader [erflater 1] tussen moeder en de kinderen is overlegd wat te doen. De erfenis is niet verdeeld. [appellant] en [geïntimeerde sub 2] hebben daarna de gebouwen gekocht, waarbij [appellant] aan [geïntimeerde sub 2] het benodigde geld heeft voorgeschoten. Ook heeft [appellant] niet betwist dat hij wist dat [geïntimeerde sub 2] de landerijen pachtte en dat hij daar “niet onwelwillend” tegenover stond. Met de contractvorming heeft hij zich echter niet bemoeid. [appellant] is een fiscaal jurist. Hij heeft zelf na het overlijden van vader volmachten gekregen van moeder en de andere kinderen voor administratieve en financiële zaken en de afronding van het samenwerkingsverband tussen vader [erflater 1] en [geïntimeerde sub 2] . [appellant] heeft daarna ook nog geholpen met het opzetten van de maatschap van [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] . Ook na het overlijden van moeder heeft geen verdeling plaatsgevonden van de erfenis(sen) en is, zo begrijpt het hof, het gebruik van [geïntimeerde sub 2] voortgezet tegen betaling van pachtpenningen. Van enig protest van een van de kinderen of moeder tegen de pacht of een verzoek om het contract in te zien is niet gebleken, terwijl toch moeder en [geïntimeerde sub 4] in de boerderij woonden, [appellant] betrokken was bij de boerderij en bij administratieve zaken die met de nalatenschap te maken hadden. In een stukje geschreven door [appellant] en aan [geïntimeerde sub 1] gestuurd op 24 januari 2020, dat door [appellant] in het geding is gebracht (productie 6 in hoger beroep), staat ook: “de omliggende landbouwgronden worden gepacht van de Erven [erflaters] (…)”. Het hof stelt vast dat in 2020 de verhoudingen zijn veranderd toen een geschil is ontstaan met [appellant] over de door [geïntimeerde sub 2] betaalde pacht. Gezien de gang van zaken voor 2020, gezien de familierelatie en betrokkenheid van alle kinderen bij een verpachting aan [geïntimeerde sub 2] , is het hof van oordeel dat [geïntimeerde sub 2] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de pachtovereenkomst, als al niet geldig aangegaan, stilzwijgend was bekrachtigd. Ook als moeder na het overlijden van vader geen volmacht aan [geïntimeerde sub 4] heeft gegeven, leidt dat niet tot een andere conclusie, omdat [geïntimeerde sub 2] er op grond van deze zelfde omstandigheden gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat ook moeder instemde met de met hem gesloten pachtovereenkomst.
3.8.
Als [appellant] voor 2020 niet op de hoogte was van de precieze inhoud van de schriftelijke pachtovereenkomst, leidt dat in het licht van de omstandigheden die hiervoor zijn genoemd niet tot een andere conclusie. [appellant] heeft zich erop beroepen dat hij ervan uitging dat er sprake was van een eenmalige pachtovereenkomst op grond van artikel 70f lid 5 Pachtwet, omdat dat gunstiger voor de boedel was. Hij biedt echter geen aanknopingspunten waaruit blijkt dat deze verwachting in 1996 of op enig later moment bij hemzelf, één van de andere kinderen of moeder een rol gespeeld heeft bij het maken van afspraken met [geïntimeerde sub 2] of waarom ook [geïntimeerde sub 2] van die verwachting uit moest gaan of daar rekening mee moest houden. Ook is niet gesteld of gebleken dat één van de kinderen zich gedragen heeft alsof de pachtovereenkomst van beperkte duur zou zijn. Bijvoorbeeld is niet gebleken dat ooit over verlenging is gesproken.
Moet de pachtovereenkomst worden ontbonden?
3.9.
[appellant] stelt aan de orde dat de pachtovereenkomst moet worden ontbonden, omdat (i) [geïntimeerde sub 2] een achterstand heeft in de betaling van de pacht (inclusief pachtersdeel waterschapslasten en ruilverkavelingsrente), (ii) hij de pachtovereenkomst in 1996 en de pachtwijzigingsovereenkomst met de indeplaatsstelling van 2023 op slinkse wijze heeft bewerkstelligd en (iii) omdat [geïntimeerde sub 2] in de pachtwijzigingsovereenkomst afstand heeft gedaan van zijn pachtrechten en hij dus het gepachte niet meer persoonlijk exploiteert. [geïntimeerde sub 2] (en [geïntimeerde sub 1] ) betwisten dit en ook [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] betwisten dit. Het hof begrijpt die betwisting zo, dat er daarmee ook een (stilzwijgend) beroep op gedaan wordt dat een eventuele tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt. Het hof merkt op dat [appellant] zelf daarop ook geanticipeerd heeft in zijn memorie van grieven door aan te geven dat de tekortkoming de ontbinding wél rechtvaardigt.
3.10.
Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 3:171 BW iedere deelgenoot bevoegd is tot het instellen van rechtsvorderingen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. [appellant] kan dan ook alleen, zonder de medewerking van de andere broers en zussen, de ontbinding van de pachtovereenkomst vorderen. Artikel 6:265 BW bepaalt dat iedere tekortkoming in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het hof moet beoordelen of de tekortkoming, gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder het concrete belang van de pachter bij het voortduren van de pachtovereenkomst, van voldoende gewicht is om de overeenkomst te ontbinden.
3.11.
Niet betwist is dat [geïntimeerde sub 2] de verhogingen van rechtswege van de pacht (artikel 7:333 lid 1 BW) langere tijd niet heeft doorgevoerd in zijn pachtbetalingen. In 2020 heeft [appellant] dit aan de orde gesteld en becijferd dat de achterstallige pacht € 87.000 bedroeg. [geïntimeerde sub 2] heeft vervolgens een bedrag van € 35.226 betaald, een bedrag dat overeenstemt met de door [appellant] becijferde achterstallige pacht voor de jaren 2015 tot en met 2020. Daarna is ook nog een bedrag betaald van € 2.599 aan rente over het te laat betaalde bedrag. Geen van de andere broers en zussen heeft zich daartegen verzet. [appellant] kan zich daarin niet vinden, omdat hij vindt dat ook de te weinig betaalde pacht van voor 2015 betaald moet worden met rente.
3.12.
Volgens [geïntimeerde sub 2] (en [geïntimeerde sub 1] ) zijn de pachtpenningen en andere verschuldigde bedragen van voor 2015 verjaard. Volgens [appellant] niet. Het hof is van oordeel dat de achterstallige pacht van voor 2015 is verjaard: pachtpenningen verjaren immers op grond van artikel 3:308 BW na verloop van vijf jaren nadat ze opeisbaar zijn geworden. Er is in dit geval sprake van een vordering op grond van een pachtovereenkomst en niet van een vordering tot verdeling op grond van artikel 3:178 BW, zoals [appellant] betoogt. En de vordering tot betaling van de pachtpenningen is niet een vordering tot het betalen van een redelijke vergoeding tot gebruik van een goed door één van de deelgenoten. Of en in hoeverre en op welke manier ook de verjaarde pachtpenningen in de verdeling van de gemeenschap betrokken moeten worden op grond van artikel 3:184 BW staat ter beoordeling van de rechtbank die de verdelingsvordering behandelt. Aan bespreking van het beroep van [geïntimeerde sub 2] (en [geïntimeerde sub 1] ) op finale kwijting en rechtsverwerking komt het hof gelet op het vorenstaande niet toe.
3.13.
De maatschap van [geïntimeerde sub 2] , zijn vrouw en [geïntimeerde sub 1] heeft de door [appellant] becijferde niet betaalde maar ook niet verjaarde pacht betaald, met rente. Nu het hof heeft geoordeeld dat van verjaring sprake is, heeft [geïntimeerde sub 2] dus de tekortkoming hersteld voor zover die nog opvorderbaar was. De andere deelgenoten dan [appellant] zijn met de omvang van dat herstel blijkbaar ook tevreden. Zij zijn weliswaar niet bevoegd om namens [appellant] daarmee in te stemmen, maar bij de waardering van hoe zwaar de tekortkomingen moeten wegen, speelt deze opstelling van de andere broers en zussen wel een rol. Ook weegt het hof mee dat de kinderen geen goede afspraken hebben gemaakt over het beheren van de pachtrelatie met [geïntimeerde sub 2] en het doen van rekening en verantwoording aan elkaar over dat beheer. Dat [geïntimeerde sub 2] onvoldoende pacht heeft betaald valt hem aan te rekenen, maar alle kinderen hebben bijgedragen aan een situatie waar zakelijke belangen en familiebetrekkingen door elkaar heen lopen, zonder dat op een goede manier verantwoordelijkheden zijn belegd en op een regelmatige basis rekening en verantwoording is gedaan van wat ieder der kinderen ten aanzien van deze onverdeelde nalatenschap heeft gedaan. Dat wordt niet anders door de onbetwiste stelling van [appellant] dat [geïntimeerde sub 2] wist dat de pacht van rechtswege verhoogd werd maar ervoor gekozen heeft om daar niets mee te doen, omdat ook in die omstandigheid niet verjaarde pachtpenningen alsnog zijn betaald met rente.
3.14.
Ook de manier waarop de pachtovereenkomst in 1996 en de pachtwijzigingsovereenkomst in 2023 zijn aangegaan is onvoldoende grond om een ontbinding van de pachtovereenkomst te rechtvaardigen. Dat bij het aangaan van de pachtovereenkomst in 1996 op een zodanige slinkse wijze is opgetreden dat dit ontbinding rechtvaardigt is niet komen vast te staan. Eerder is komen vast te staan dat alle kinderen en moeder wisten dat [geïntimeerde sub 2] zou pachten. Dat [geïntimeerde sub 4] deze pachtovereenkomst vervolgens op grond van zijn volmacht heeft getekend, betekent niet dat [geïntimeerde sub 2] op slinkse wijze deze pachtovereenkomst heeft bewerkstelligd. Meer vraagtekens zijn te stellen bij de totstandkoming van de pachtwijzigingsovereenkomst van 2023. Deze is echter niet rechtsgeldig aangegaan zodat [appellant] daarvan ook geen last heeft. En ook daarbij geldt dat de andere kinderen het over of [geïntimeerde sub 1] wel of niet in de plaats gesteld moet worden anders denken en ook hier zakelijke en familiebanden nauw met elkaar verweven zijn. Ook die manier van optreden van [geïntimeerde sub 2] is daarom al met al onvoldoende om een ontbinding te rechtvaardigen.
3.15.
[appellant] heeft ook betoogd dat de pachtovereenkomst ontbonden moet worden omdat [geïntimeerde sub 2] het gepachte niet meer persoonlijk gebruikt: De pachtwijzigingsovereenkomst voorziet er namelijk in dat [geïntimeerde sub 2] afstand doet van de pacht ten gunste van [geïntimeerde sub 1] . Ook nu de pachtwijzigingsovereenkomst niet rechtsgeldig is aangegaan, betekent dat volgens [appellant] dat [geïntimeerde sub 2] het gepachte niet meer gebruikt zoals het een goed pachter betaamt. [geïntimeerde sub 2] heeft ook niet tijdig om indeplaatsstelling gevraagd omdat hij daarvoor het bedrijf feitelijk al aan [geïntimeerde sub 1] heeft overgedragen.
3.16.
Het hof gaat daarin niet mee: [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gebruiken het gepachte nog steeds in een maatschap met de echtgenote van [geïntimeerde sub 2] . Het hof oordeelt dat onvoldoende gemotiveerd betwist is dat [geïntimeerde sub 2] nog op het bedrijf werkt. Voor de afwezigheid van een arbeidsvergoeding in voorgaande jaren is ook een uitleg gegeven: de slokdarmkanker van [geïntimeerde sub 2] . Die ziekte is een omstandigheid die bij de beoordeling of er sprake is van voldoende persoonlijk gebruik een rol speelt. Duidelijk is dat [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] het bedrijf aan het overdragen zijn en daar ook al gedeeltelijk uitvoering aan gegeven hebben. Het hof oordeelt hieronder dat [geïntimeerde sub 1] in de plaats gesteld zal worden van [geïntimeerde sub 2] . In het licht van die omstandigheden is er geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming, althans rechtvaardigt deze tekortkoming een ontbinding niet.
3.17.
Het hof heeft zich afgevraagd of alle gestelde tekortkomingen gezamenlijk een ontbinding van de pacht rechtvaardigen. Het komt – uiteindelijk – tot de conclusie dat dit niet zo is. In het licht van wat hiervoor is overwogen bij de individuele tekortkomingen en de gecompliceerde familieverhoudingen is het hof van oordeel dat de tekortkomingen ook gezamenlijk een ontbinding niet rechtvaardigen.
3.18.
Het hof merkt wel op dat het op de weg van [geïntimeerde sub 2] – en in het licht van het oordeel over indeplaatsstelling hieronder, van [geïntimeerde sub 1] – ligt om in het vervolg zelfstandig en uit eigen beweging de pachtovereenkomst onberispelijk na te komen, ook wat betreft het vaststellen van de juiste pachtprijs (inclusief de verhogingen van rechtswege), desnoods met inschakeling van een deskundig adviseur, en zorg te dragen voor de tijdige betaling daarvan. Tekortkomingen uit het verleden kunnen worden meegewogen bij de beoordeling of een tekortkoming in de toekomst de ontbinding rechtvaardigt.
Kon [geïntimeerde sub 2] een vordering tot indeplaatsstelling van [geïntimeerde sub 1] instellen?
3.19.
[appellant] komt ertegenop dat de pachtkamer in Leeuwarden de indeplaatsstelling van [geïntimeerde sub 1] heeft uitgesproken. Volgens hem had [geïntimeerde sub 2] voor deze vordering de instemming van alle deelgenoten nodig, omdat hij die vordering ook als deelgenoot heeft ingesteld. In ieder geval is [appellant] van mening dat het instellen van deze vordering in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die deelgenoten jegens elkander in acht horen te nemen.
3.20.
Het hof volgt [appellant] daarin niet. Als pachter mocht [geïntimeerde sub 2] tegen de gemeenschap een vordering tot indeplaatsstelling instellen. Dat hij ook zelf een deelgenoot is, staat daaraan niet in de weg. De vordering tot indeplaatsstelling is ook tegen de gemeenschap als verpachter ingesteld en niet namens de gemeenschap. De redelijkheid en billijkheid die deelgenoten jegens elkaar in acht moeten nemen staat aan een dergelijke vordering niet in de weg, ook niet in de omstandigheden van dit geval om dezelfde redenen als die hiervoor zijn gegeven waarom ontbinding van de pachtovereenkomst in dit geval niet gerechtvaardigd is.
Biedt [geïntimeerde sub 1] voldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering of moet op grond van de billijkheid de indeplaatststelling worden afgewezen?
3.21.
[appellant] komt op tegen het oordeel van de pachtkamer in Leeuwarden dat [geïntimeerde sub 1] in de plaats van [geïntimeerde sub 2] gesteld wordt. Artikel 7:363 BW bepaalt dat een pachter zich tot de rechter kan wenden met de vordering onder andere zijn zoon in zijn plaats als pachter te stellen (lid 1). De rechter beslist naar billijkheid, met inachtneming van de overige bepalingen van dit artikel (lid 3). De rechter wijst de vordering af, indien de voorgestelde pachter niet voldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering biedt (lid 5).
3.22.
[appellant] stelt dat [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] onvoldoende gegevens hebben verstrekt om te kunnen beoordelen of er voldoende waarborgen voor een goede bedrijfsvoering zijn. Maar tijdens de mondelinge behandeling is namens [appellant] gezegd dat het argument dat [geïntimeerde sub 1] niet voldoende waarborg biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering niet gehandhaafd wordt. [appellant] brengt ook naar voren dat de niet tijdige en volledige betaling van de pachtpenningen, ruilverkavelingsrente en waterschapslasten en de slinkse manier waarop de pachtovereenkomst en de pachtwijzigingsovereenkomst zijn aangegaan en het niet voldoen van de pachtpenningen aan de boedelrekening maar aan de deelgenoten afzonderlijk aan indeplaatsstelling in de weg staan.
3.23.
Het hof volgt [appellant] ook daarin niet. De tekortkomingen rechtvaardigen een ontbinding niet. De redenen die maken dat deze tekortkomingen geen ontbinding rechtvaardigen, maken ook dat deze tekortkomingen niet aan indeplaatsstelling in de weg staan. Voor zover [appellant] [geïntimeerde sub 1] ook specifieke tekortkomingen verwijt, zoals onvoldoende betaling van waterschapslasten in 2025, zijn deze onvoldoende concreet gemaakt. Niet is duidelijk gemaakt hoeveel en wanneer dan betaald had moeten zijn. Dat aan de individuele deelgenoten betaald is, staat ook aan indeplaatsstelling niet in de weg. Voor zover de gemeenschap daardoor al in haar belangen is geschaad, is onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] op dit punt iets te verwijten valt. Het ligt op de weg van de deelgenoten gezamenlijk, waaronder [appellant] , om eenduidig aan de pachter te communiceren op welke rekening(en) zij betaald willen worden. Het probleem in deze zaak zit er juist in dat de deelgenoten niet eenduidig communiceren, niet gezamenlijk tot beslissingen komen, en ook niet in staat lijken te zijn tot een oplossing van hun problemen te komen.
3.24.
Het hof zal de beslissing van de pachtkamer in Leeuwarden om [geïntimeerde sub 1] in de plaats te stellen daarom bekrachtigen.
Moet aan de indeplaatsstelling de voorwaarde van betaling van de uitstaande pachtpenningen en ruilverkavelingsrente worden verbonden?
3.25.
[appellant] heeft ten slotte in hoger beroep gevorderd dat aan de indeplaatsstelling de voorwaarde wordt gekoppeld dat [geïntimeerde sub 2] de achterstallige pacht tot 4 maart 2025 moet voldoen. Het gaat dan volgens [appellant] om de achterstanden tot 1 januari 2021 met wettelijke rente daarover en voor de periode vanaf 2020 de pacht uitgaande van € 20.540 per jaar zoals aangepast op grond van de verhogingen van rechtswege van artikel 7:333 lid 1 BW. Als dat niet wordt toegewezen heeft [appellant] gevorderd dat aan de indeplaatsstelling als voorwaarde wordt verbonden dat [geïntimeerde sub 2] de door de verdelingsrechter nader te kwantificeren achterstallige pacht zal hebben voldaan.
3.26.
Het hof zal deze vordering afwijzen. In de pachtrelatie tussen pachter en verpachter (de gemeenschap) zijn deze vorderingen voor achterstallige pacht van voor 2020 verjaard. In de omstandigheden van dit geval biedt een voorwaarde aan indeplaatsstelling niet de mogelijkheid verjaring ongedaan te maken. Bij een voorwaarde tot betaling van niet-verjaarde pachtpenningen heeft de gemeenschap onvoldoende belang: de in de plaats gestelde pachter zet de lopende overeenkomst voort en treedt in de rechten en verplichtingen van zijn voorganger. Indeplaatsstelling impliceert contractsoverneming: de oude pachter wordt uit de overeenkomst ontslagen en de nieuwe pachter treedt in al diens uit de pachtovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen. Voor zover er nog een vordering bestaat op [geïntimeerde sub 2] voor niet betaalde pacht, kan die na de indeplaatsstelling tegen [geïntimeerde sub 1] worden ingesteld.
Bewijsaanbieding
3.27.
[appellant] heeft een algemeen bewijsaanbod gedaan, dat niet ziet op specifieke feitelijke stellingen. Het hof passeert dit bewijsaanbod, omdat het onvoldoende gespecificeerd is, maar ook omdat geen bewijs van stellingen is aangeboden die, wanneer bewezen, tot een andere conclusie zouden leiden.
Conclusie
3.28.
Het hoger beroep van [appellant] slaagt niet. Het hof zal het vonnis van de pachtkamer in Leeuwarden bekrachtigen.
3.29.
Het hof bepaalt dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat partijen familie van elkaar zijn.
4De beslissing
Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer van de Rechtbank Noord Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 4 maart 2025;
4.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A. van Dam, L. Hamer en G.J. Meijer en de deskundige leden ing. P. Kerkstra en B.Th.W. Lamers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|