|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2026:3159 | | | | | Datum uitspraak | : | 31-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 06-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | LEE 23-885 23/1001 en 23/2085 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Natuurbeschermingsrecht. Gebiedsbescherming. Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden van de minister van 22 november 2022 blijft in stand. De minister is verplicht om alle beschermde habitattypen en soorten aan te wijzen en kan dat ook nog doen met een correctie na de oorspronkelijke aanwijzing van de Natura 2000-gebieden. Geen strijd met de Habitatrichtlijn. Geen sprake van een ondeugdelijke juridische grondslag. De minister heeft op basis van de habitattypenkaarten en een deskundigenonderzoek voldoende aannemelijk gemaakt dat de typen en soorten op het moment van het aanwijzen aanwezig waren. Geen sprake van een onjuiste procedure. Inspraak en Verdrag van Aarhus. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | akkerbouw | | | landbouw | | | melkvee | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
locatie Groningen
zaaknummers: LEE 23/885, 23/1001en 23/2085
uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank van 31 juli 2026 in de zaak tussen
[Eiseres]
, uit [plaats], eiseres 1,
[Eiseres]
, uit [plaats], eiseres 2.a,
[Eiseres]
, gevestigd in [plaats], eiseres 2.b,
[Eiseres]
, uit [plaats], eiseres 3,
hierna gezamenlijk te noemen: eiseressen,
(gemachtigde: mr. J.J.M. Kroon).
en
de minister voor Natuur en Stikstof (nu: de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), de minister,
(gemachtigde: mr. R.H.M. Sipman).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Vereniging Leefmilieu, gevestigd te Nijmegen, derde-belanghebbende,
(gemachtigde: mr. V. Wösten).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseressen tegen het Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden van de minister van 22 november 2022 (het wijzigingsbesluit).
1.1.
Bij het wijzigingsbesluit heeft de minister ter uitvoering van de richtlijn 92/43/EEG (de Habitatrichtlijn) de aanwijzingsbesluiten van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland gewijzigd.
1.2.
Tegen het wijzigingsbesluit hebben eiseressen beroep ingesteld. Het beroep van eiseres 1 tegen dit besluit is geregistreerd onder het zaaknummer LEE 23/885, het beroep van eiseressen 2.a en 2.b onder het zaaknummer LEE 23/1001 en het beroep van eiseres 3 onder het zaaknummer LEE 23/2085.
1.3.
De formeel bevoegde rechtbank Gelderland heeft deze rechtbank, na overleg met de andere rechtbanken, om proceseconomische gronden gevraagd de zaken die betrekking hebben op de Natura 2000-gebieden die in dit arrondissement liggen, te behandelen, omdat hier de beroepen zijn ingesteld. Deze rechtbank heeft hiermee ingestemd en heeft dat bij brief van 7 april 2023 aan partijen medegedeeld.
1.4.
De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig behandeld op de regiezitting van
5 december 2025. Eiseressen zijn met kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
1.6.
De rechtbank heeft het onderzoek hervat op de zitting van 17 maart 2026. Eiseres 1 is vertegenwoordigd door [naam], bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiseres 2.a en eiseres 2.b zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Eiseres 3 is vertegenwoordigd door [naam], bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, ing. D. Bal en mr. J.J. Jorritsma. Derde-belanghebbende is met kennisgeving niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het wijzigingsbesluit aan de hand van de gronden die eiseressen hebben aangevoerd.
3. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen van eiseressen ongegrond moeten worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1.
De voor de beoordeling van het verzoek belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Feiten
4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
4.1.
Eiseres 1 exploiteert een melkveebedrijf aan het [adres] in [plaats]. Het melkveebedrijf is gelegen binnen een zone van 25 kilometer van de Natura 2000-gebieden “Elperstroomgebied”, “Mantingerzand”, “Dwingelderveld”, “Drents-Friese Wold en Leggelderveld”, “Witterveld” en “Drentsche Aa-gebied”.
4.1.
Eiseres 2.a en 2.b. exploiteren een agrarisch bedrijf met melkvee aan de [adres] in [plaats]. Het agrarische bedrijf is gelegen binnen een zone van 25 kilometer van de Natura 2000-gebieden “Elperstroomgebied”, “Mantingerzand”, “Dwingelderveld”, “Drents-Friese Wold en Leggelderveld”, “Witterveld” en “Drentsche Aa-gebied”.
4.2.
Eiseres 3 exploiteert een akkerbouw- en kalkoenbedrijf aan het [adres] in [plaats]. Het akkerbouw- en kalkoenbedrijf is gelegen binnen een zone van 25 kilometer van de Natura 2000-gebieden “Elperstroomgebied”, “Mantingerzand”, “Dwingelderveld”, “Drents-Friese Wold en Leggelderveld”, “Witterveld” en “Drentsche Aa-gebied”.
4.3.
De minister heeft een ontwerpbesluit tot wijziging van de instandhoudingsdoelstellingen van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland genomen. De minister heeft dit ontwerpbesluit gepubliceerd in de Staatscourant. Verder heeft de minister dit ontwerpbesluit gedurende de periode van 9 maart tot en met 19 april 2018 ter inzage gelegd. Daarbij is een ieder in de gelegenheid gesteld om gedurende deze periode een zienswijze bij de minister in te dienen.
4.2.
Bij het wijzigingsbesluit heeft de minister ter uitvoering van de Hrl de aanwijzingsbesluiten van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland gewijzigd.
Juridisch kader
5. Uit de Hrl volgt dat op het Europees grondgebied een ecologisch netwerk van speciale beschermingszones wordt gevormd. Dat netwerk bestaat uit door lidstaten aan te wijzen Natura 2000-gebieden. Een gebied moet als zodanig worden aangewezen, wanneer in dat gebied een bepaald type natuurlijke habitat of habitat van een bepaalde soort aanwezig is die staat genoemd in bijlage I of II van de Hrl. Lidstaten zijn verplicht om maatregelen te treffen om die habitats te behouden of herstellen.
5.1.
Deze Europeesrechtelijke verplichting is in de nationale wetgeving geïmplementeerd in artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb). In dat artikel staat dat de minister ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, van de Habitatrichtlijngebieden in Nederland aanwijst als speciale beschermingszones, die worden aangeduid als ‘Natura 2000-gebied’. Ook staat in dat artikel dat de minister bevoegd is om een dergelijk aanwijzingsbesluit te wijzigen.
Overgangsrecht
6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is, dan blijft op grond van artikel 2.9, tweede lid, onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.
6.1.
Het wijzigingsbesluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerpbesluit is op 9 maart 2018 ter inzage gelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Omvang van het geding
7. De rechtbank stelt vast dat de oorspronkelijke beroepen van eiseressen zich niet alleen richtten tegen het wijzigingsbesluit, maar ook tegen de wijziging van het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied “Drents Friese Wold & Leggelderveld” voor wat betreft de begrenzing daarvan van de minister van 18 november 2022 (het gewijzigde aanwijzingsbesluit). Het beroep van eiseres 1 tegen dit besluit was geregistreerd onder het zaaknummer LEE 23/1238, het beroep van eiseressen 2.a en 2.b onder het zaaknummer LEE 23/1002 en het beroep van eiseres 3 onder het zaaknummer LEE 23/2085 (waaronder ook het beroep tegen het wijzigingsbesluit is geregistreerd).
7.1.
Ter zitting hebben eiseressen 1, 2.a en 2.b de beroepen tegen het gewijzigde aanwijzingsbesluit met de procedurenummers LEE 23/1238 en 23/1002 ingetrokken. Eiseres 3 heeft het beroep met procedurenummer 23/2085 ingetrokken voor zover dit laatstgenoemde beroep gericht is tegen het gewijzigde aanwijzingsbesluit. Die procedures zijn daarmee beëindigd. De rechtbank zal daarom de beroepen van eiseressen, voor zover gericht tegen het gewijzigde aanwijzingsbesluit, ook niet inhoudelijk beoordelen.
Het geschil
8. Tussen partijen is in geschil of de minister de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden “Elperstroomgebied”, “Mantingerzand”, “Dwingelderveld”, “Drents-Friese Wold en Leggelderveld”, “Witterveld” en “Drentsche Aa-gebied” heeft kunnen wijzigen. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.
Is het wijzigingsbesluit in strijd met de Hrl vastgesteld?
8. Eiseressen betogen dat het wijzigingsbesluit in strijd met de Hrl is vastgesteld. Eiseressen voeren aan dat de minister artikel 2.1, zesde en zevende lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) aan het wijzigingsbesluit ten grondslag heeft gelegd. Volgens eiseressen volgt deze grondslag niet uit de Hrl zelf. Deze bepaalt slechts - verkort weergegeven - dat elke Lidstaat een lijst van gebieden binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Europese Commissie (EC) toezendt. De EC werkt een ontwerplijst van de gebieden van communautair belang uit die de EC vaststelt. De ontwerplijst wordt binnen zes jaar na de kennisgeving van de Hrl vastgesteld. Nederland heeft al in een verder verleden een lijst van gebieden vastgesteld en de EC heeft de gebieden van communautair belang vlak na de eeuwwisseling vastgesteld. Naar de mening van eiseressen biedt de Hrl geen (verdere) grondslag voor het aanwijzen van aanvullend te beschermen habitattypen. Dit blijkt volgens eiseressen ook uit de redactie van aanwijzingsbesluiten waarin gebieden in eerste instantie zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. Daarin is uitdrukkelijk bepaald dat de aanwijzing is gebaseerd op de artikel 3, eerste lid, en artikel 4, vierde lid, van de Hrl. Deze grondslag is niet vermeld in het wijzigingsbesluit.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond niet. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de aanwijsverplichting in Nederland is geïmplementeerd in artikel 2.1 van de Wnb.
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiseressen niet aannemelijk gemaakt dat het wijzigingsbesluit in strijd met de Hrl is genomen of dat er sprake is van een onjuiste grondslag van het wijzigingsbesluit. De rechtbank is van oordeel dat de grondslag voor het aanwijzen van Natura 2000-gebieden is gelegen in artikel 3, eerste lid, en artikel 4, vierde lid, van de Hrl. Uit die bepalingen van de Hrl vloeit niet voort dat het niet is toegestaan om de aanwijzingsbesluiten te wijzigen. De rechtbank stelt vast dat de aanwijsverplichting in Nederland is geïmplementeerd in artikel 2.1 van de Wnb en dat in het zevende lid van dit artikel is geregeld dat de minister een aanwijzingsbesluit kan wijzigen of intrekken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het wijzigingsbesluit niet in strijd is met de Hrl of op een ondeugdelijke juridische grondslag berust.
Is voor het vaststellen van het wijzigingsbesluit de juiste procedure gevolgd?
9. Eiseressen betogen dat voor het vaststellen van het wijzigingsbesluit niet de juiste procedure is gevolgd. Eiseressen wijzen erop dat de EC in het Uitvoeringsbesluit van 11 juli 2011 een procedure heeft vastgesteld over de aanwijzing van Natura 2000-gebieden. Daarin is bepaald dat voor ieder Natura 2000-gebied een formulier is vereist dat een kaart van het gebied en de naam, de ligging en de omvang daarvan bevat, alsmede de gegevens die door toepassing van de voor de selectie van het gebied gehanteerde criteria zijn verkregen. Geen van de op internet gevonden besluiten geven volgens eiseressen aan dat Lidstaat Nederland bij de EC melding heeft gedaan van de extra habitattypen, die de minister aanwijst. Het is voor eiseressen niet na te gaan welke vegetatiekartering waar en wanneer in kaart is gebracht, wat heeft geleid tot het wijzigingsbesluit. Bij gebrek aan inzicht kunnen eiseressen niet anders stellen dan dat de minister geen inzicht geeft in de procedure, die is gevolgd om tot het wijzigingsbesluit te komen. Ook de overgelegde folder met de daarin te volgen procedure geeft dit inzicht niet. Daarmee is het wijzigingsbesluit in strijd met het Uitvoeringsbesluit van de EC.
9.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de vermelding van alle in een gebied aanwezige habitattypen en soorten in het Standard Data Form (SDF) een verplichting is die volgt uit het Uitvoeringsbesluit van de EC betreffende een gebiedsinformatieformulier voor Natura 2000-gebieden. Eind 2017 was voldoende duidelijk welke habitattypen en soorten toegevoegd en verwijderd moesten worden. Dit is verwerkt in de SDF’s voor de betrokken gebieden. Het ontwerpbesluit is vervolgens op 9 maart 2018 ter inzage gelegd. Naar de mening van de minister is er geen sprake van het volgen van een onjuiste procedure en is er voldoende ruimte geboden voor doeltreffende inspraak.
9.2.
In artikel 6, vierde lid, van het Verdrag van Aarhus is bepaald dat elke Partij voorziet in vroegtijdige inspraak, wanneer alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet in strijd met deze bepaling of met de zorgvuldigheid dat de aanmelding bij de EC is gedaan vóór de terinzagelegging van het ontwerpbesluit. De aanmelding van habitattypen en soorten via het SDF en het actueel houden van deze gegevens is een verplichting voor de minister die voortvloeit uit artikel 4 van de Hrl en het Uitvoeringsbesluit van de EC. Bovendien heeft de minister toegelicht dat de aanmelding van een habitattype of soort bij de EC via het SDF niet zonder meer verplicht tot toevoeging van het habitattype of de soort aan het aanwijzingsbesluit voor het desbetreffende Natura 2000-gebied, omdat betere gegevens aanleiding kunnen geven om in het definitieve besluit af te wijken van de informatie die eerder met het SDF is verstrekt. In een aantal gevallen hebben de zienswijzen over het ontwerpbesluit ertoe geleid dat een voorgenomen toevoeging alsnog is geschrapt, omdat de gebruikte informatie onjuist is gebleken. Gelet op deze toelichting ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat geen mogelijkheid tot tijdige en doeltreffende inspraak is geboden. Verder is de rechtbank van oordeel dat eiseressen niet aannemelijk hebben gemaakt dat de minister onzorgvuldig of niet conform de werkwijze heeft gehandeld. Van het volgen van een onjuiste procedure door de minister is de rechtbank niet gebleken. Deze beroepsgrond van eiseressen slaagt niet.
Bestaat er een verplichting tot het nemen van het wijzigingsbesluit?
10. Eiseressen betogen dat het de vraag is of aanwijzing van extra habitattypen nodig is. Eiseressen voeren aan dat de aanvullend te beschermen habitattypen over het algemeen zeer stikstofgevoelig zijn. Eiseressen vinden het vreemd dat deze waarden nu opeens moeten worden opgenomen, terwijl die noodzaak er kennelijk eerder niet was. Het doet voorkomen dat het beheer ter verbetering van de natuur zich alleen zal richten op stikstof. Er wordt niet toegelicht hoe vele andere factoren van invloed zijn en kunnen bijdragen aan de gewenste verbeteringen. Het gaat volgens eiseressen ook om de maatregelen, die juist binnen deze natuurgebieden negatieve invloedsfactoren bijsturen, zoals bijvoorbeeld het tegengaan van te veel vernatting en daardoor oppervlakkige wortelstelsels, die de vegetatie verdrogingsgevoeliger maakt en daardoor minder weerbaar voor droge zomers. In plaats van nog stikstofgevoeliger habitattypen aan te wijzen, had de minister in de visie van eiseressen ook andere maatregelen kunnen nemen om verzuring tegen te gaan, zoals het tegengaan van verrottingsprocessen en het opruimen van dode materialen. Daarnaast had de minister volgens eiseressen kunnen nagaan welke mineralentekorten er zijn en hoe deze kunnen worden aangevuld.
10.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat het de bedoeling is van het wijzigingsbesluit om te corrigeren van wat ten aanzien van de te beschermen habitattypen van bijlage I en soorten van bijlage II van de Hrl niet goed is gegaan bij het publiceren van de oorspronkelijke aanwijzingsbesluiten. Het betreft vooral het alsnog beschermen van habitattypen en soorten die op het moment van aanwijzen (in voldoende mate en duurzaam) aanwezig bleken te zijn. Deze waarden en de daarvoor gestelde instandhoudingsdoelstellingen worden met dit wijzigingsbesluit aan de betreffende aanwijzingsbesluiten toegevoegd. In een beperkt aantal gevallen bleken typen en soorten op het moment van aanwijzen niet (in voldoende mate en duurzaam) aanwezig te zijn. Deze worden met dit wijzigingsbesluit verwijderd. Naar de mening van de minister heeft hij niet kunnen afzien van het wijzigingsbesluit. De minister voert aan dat het noodzakelijk was om noodzakelijke correcties aan te brengen. Dat dit noodzakelijk was, is ook door de EC in bilaterale contacten expliciet aan de minister duidelijk gemaakt. Het ongecorrigeerd laten van de aanwijzingsbesluiten zou uiteindelijk tot een inbreukprocedure hebben kunnen leiden en de minister heeft dat middels dit wijzigingsbesluit kunnen voorkomen.
10.2.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond niet. De rechtbank volgt eiseressen niet in hun betoog. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen was de minister verplicht om alle in bijlagen I en II van de Hrl genoemde habitattypen en soorten die ten tijde van de aanwijzing in meer dan verwaarloosbare mate voorkwamen in de Habitatrichtlijngebieden in de aanwijzingsbesluiten op te nemen en daarvoor instandhoudingsdoelstellingen te formuleren. Met het wijzigingsbesluit heeft de minister nader uitvoering gegeven aan die verplichting, door onvolledigheden en eerder gemaakte fouten ten aanzien van de - al aangewezen - Habitatrichtlijngebieden te herstellen. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant dat de Hrl daartoe niet zou verplichten. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Hrl ook niet in de weg staat aan het toevoegen van habitattypen en soorten aan eerder aangewezen Natura 2000-gebieden.
Is het wijzigingsbesluit voldoende gemotiveerd?
11. Eiseressen betogen dat het wijzigingsbesluit onvoldoende is gemotiveerd. Eiseressen voeren aan dat er sprake is van een gebrek aan onderbouwing van de grondslag van het wijzigingsbesluit. Verder voeren eiseressen aan dat er sprake is van een gebrekkig inzicht in het gebiedsinformatieformulier en in de vegetatiekartering die hebben geleid tot de vaststelling van het wijzigingsbesluit.
11.1.
De rechtbank is van oordeel dat het wijzigingsbesluit voldoende is onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met de habitattypenkaarten in beginsel voldoende aannemelijk gemaakt dat de habitattypen in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig waren in het gebied ten tijde van de aanwijzing. Het is vervolgens aan eiseressen om aannemelijk te maken dat deze habitattypenkaarten zodanige leemten of gebreken bevatten dat de minister deze kaarten niet bij de besluitvorming mocht betrekken. Daarin zijn eiseressen niet geslaagd.
11.2.
Het is weliswaar voorstelbaar dat het lastig is om te controleren of een habitattypenkaart klopt. Dit omdat dit betekent dat jaren na de vaststelling van de aanwijzingsbesluiten moet worden gecontroleerd of een habitattype ten tijde van de aanwijzing al aanwezig was, maar dat betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat dit niet mogelijk is. Deze beroepsgrond van eiseressen slaagt niet.
Belangenafweging
12. Eiseressen betogen dat op grond van artikel 2, derde lid, van de Hrl in de op grond van de Hrl genomen maatregelen rekening moet worden gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden. Eiseressen voeren aan dat het wijzigingsbesluit niet ingaat op deze waarden. Het is volgens eiseressen niet kenbaar of en hoe de minister met deze aspecten rekening heeft gehouden. In dit verband wijzen eiseressen erop dat zij beschikken over een natuurtoestemming. De vrees van eiseressen zit in de passende maatregelen die de provincie Drenthe gaat nemen ter uitvoering van de instandhouding of herstelopgave van de aangewezen habitattypen. Bij aanwijzing van aanvullende habitattypes zoals H3160 (KDW 714), H7110 (KDW 500-786), H3110 (KDW 429) en andere zeer stikstofgevoelige habitattypes kan er aanleiding ontstaan om passende maatregelen versneld te nemen, mogelijk ook intrekking van natuurtoestemmingen.
12.1.
Verder wijzen eiseressen erop dat bij de eerdere aanwijzingen groot belang werd gehecht aan de aanwijzing van gebieden, de te beschermen habitattypen en verbeterdoelstellingen en werden latere beheermaatregelen in de vorm van beheerplannen daarvan los gezien. Inmiddels is uit de jurisprudentie duidelijk geworden wat de aanwijzing tot gevolg kan hebben. De aanwijzing kan niet meer los worden gezien van de daarna te nemen maatregelen, ook al ligt formeel de uitvoering daarvan bij de provincie. Indien bescherming van natuur zo gaat, komt het er volgens eiseressen op neer dat de verplichtingen uit de Hrl in zulke dunne plakjes worden opgesneden dat de minister (namens de Staat) de eerste tranche (aanwijzing) zou kunnen uitvoeren en de latere tranches (uitvoering, vergunningverlening) allemaal bij de provincie legt, die met een onmogelijk opgave blijft zitten, omdat die is gebonden aan de eerdere aanwijzing door de minister (Lidstaat Nederland).
Belangenafweging habitattypen en soorten
13. Zoals hiervoor is overwogen, was de minister naar het oordeel van de rechtbank verplicht om alle in bijlagen I en II van de Hrl genoemde habitattypen en soorten die ten tijde van de aanwijzing in meer dan verwaarloosbare mate voorkwamen in de Habitatrichtlijngebieden in de aanwijzingsbesluiten op te nemen en daarvoor instandhoudingsdoelstellingen te formuleren. Met het wijzigingsbesluit heeft de minister nader uitvoering gegeven aan die verplichting, door onvolledigheden en eerder gemaakte fouten ten aanzien van de - al aangewezen - Habitatrichtlijngebieden te herstellen. Gelet op die verplichting is er naar het oordeel van de rechtbank bij het toevoegen van habitattypen en soorten geen ruimte om rekening te houden met economische, sociale of culturele belangen. Deze grond van eiseressen slaagt niet.
Belangenafweging bij het bepalen van instandhoudingsdoelstellingen
14. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat bij de wijze van het formuleren van instandhoudingsdoelstellingen rekening mag worden gehouden met, onder andere, economische overwegingen.De rechtbank is van oordeel dat eiseressen in dit geval niet hebben onderbouwd waarom in dit geval bij het bepalen van de instandhoudingsdoelstellingen onvoldoende rekening is gehouden met sociaal, economische en agrarische belangen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister bij het formuleren van de instandhoudingsdoelstellingen heeft toegelicht dat hij wel rekening heeft gehouden met deze belangen, nu in de meeste gevallen is gekozen voor de laagst mogelijke doelstelling (‘behoud’) en niet voor de voor eiseressen ingrijpendere uitbreidings- of verbeterdoelstelling.
15. Voor zover eiseressen verwijzen naar de toevoeging van stikstofgevoelige habitattypen met een verbeterdoelstelling in de Natura 2000-gebieden, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat de enkele keuze voor een verbeterdoelstelling onvoldoende is voor het oordeel dat de minister geen rekening heeft gehouden met de door eiseressen genoemde belangen. De rechtbank acht van belang dat uit het wijzigingsbesluit voor deze habitattypen volgt dat voor de verbeterdoelstelling is aangesloten bij de landelijke doelstelling. Verder heeft de minister toegelicht dat het wijzigingsbesluit in beginsel geen gevolgen heeft voor het bestaande legale gebruik in de nabijheid van de Natura 2000-gebieden omdat dat gebruik mag worden voortgezet. Ook heeft de minister, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2010, toegelicht dat hij niet op bedrijfsniveau inzichtelijk hoeft te maken welke gevolgen een (gewijzigde) aanwijzing heeft buiten het aangewezen gebied. Dat is door eiseressen niet gemotiveerd bestreden. Het betoog van eiseressen slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
16. Gelet op de voorgaande overwegingen zijn de beroepen van eiseressen ongegrond. Eiseressen krijgen dus geen gelijk en het wijzigingsbesluit blijft in stand. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen van eiseressen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, voorzitter, mr. S. Ketelaars-Mast en mr. M.S. van den Berg, leden, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Habitatrichtlijn
Artikel 1
(…),
e. Onder staat van instandhouding van een natuurlijke habitat wordt verstaan: de som van invloeden die op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of die van invloed kunnen zijn op het voortbestaan op lange termijn van de betrokken typische soorten op het in artikel 2 bedoelde grondgebied. De “staat van instandhouding” wordt als gunstig beschouwd wanneer:
- het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en
- de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en
- de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is als bedoeld in letter i.
(…),
i. De staat van instandhouding van een soort wordt als “gunstig beschouwd” wanneer uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden.
(…).
Artikel 2
1. Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is.
2. De op grond van deze richtlijn genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantesoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen.
3. In de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen wordt rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden.
Artikel 3
1. Er wordt een coherent Europees ecologisch netwerk gevormd van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk, dat bestaat uit gebieden met in bijlage I genoemde typen natuurlijke habitats en habitats van in bijlage II genoemde soorten, moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen . Het Natura 2000-netwerk bestrijkt ook de door de Lid-Staten overeenkomstig Richtlijn 79 /409 /EEG aangewezen speciale beschermingszones.
2. Elke Lid-Staat draagt bij tot de totstandkoming van Natura 2000 al naar gelang van de aanwezigheid op zijn grondgebied van de typen natuurlijke habitats en habitats van soorten als bedoeld in lid 1. Hij wijst daartoe, overeenkomstig artikel 4 en met inachtneming van de doelstellingen van lid 1, gebieden als speciale beschermingszones aan.
Artikel 4
1. Op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens stelt elke Lid-Staat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. Voor diersoorten met een zeer groot territorium komen deze gebieden overeen met de plaatsen, binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van die soorten , die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Voor aquatische soorten met een groot territorium worden deze gebieden alleen voorgesteld indien het mogelijk is een zone duidelijk af te bakenen die de fysische en biologische elementen vertoont welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Zo nodig stellen de Lid-Staten aanpassingen van de lijst voor in het licht van de resultaten van het in artikel 11 bedoelde toezicht.
De lijst wordt binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie toegezonden met informatie over elk gebied. Deze informatie omvat een kaart, de naam, de ligging en de oppervlakte van het gebied, alsmede de gegevens die zijn verkregen uit toepassing van de in bijlage III (fase 1) vermelde criteria, en wordt verstrekt op basis van een door de Commissie volgens de procedure van artikel 21 opgesteld formulier.
(…),
4. Wanneer een gebied volgens de procedure van lid 2 tot een gebied van communautair belang is verklaard, wijst de betrokken Lid-Staat dat gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als speciale beschermingszone en stelt hij tevens de prioriteiten vast gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat van bijlage I of van een soort van bijlage II alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging
Artikel 6
1. De Lid-Staten treffen voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen.
Wet natuurbescherming
Artikel 1.5
1. Onze Minister stelt een nationale natuurvisie vast.
2. De nationale natuurvisie bevat de hoofdlijnen van het te voeren rijksbeleid gericht op het behoud en het zo mogelijk versterken van de biologische diversiteit, het duurzame gebruik van de bestanddelen daarvan en de bescherming van waardevolle landschappen, in nationaal en internationaal verband, en het behoud en het zo mogelijk versterken van de recreatieve, de educatieve en de belevingswaarde van natuur en landschap, in samenhang met het beleid om te komen tot een verduurzaming van de economie.
(…)
5. De nationale natuurvisie bevat voor zover mogelijk een kwantificering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de in Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden te beschermen habitats en soorten en verschaft in samenhang daarmee en in samenhang met de staat van instandhouding van deze habitats en soorten inzicht in voorgenomen wijzigingen van de besluiten tot aanwijzing van die Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden.
Artikel 1.8
1. Onze Minister ziet toe op de staat van instandhouding van de natuurlijke habitats, de habitats van soorten en de dier- en plantensoorten, genoemd in onderscheidenlijk de bijlagen I, II, IV en V bij de Habitatrichtlijn, en van de vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de Vogelrichtlijn, en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten.
Artikel 2.1
1. Onze Minister wijst gebieden aan als speciale beschermingszones ter uitvoering van de artikelen 3, tweede lid, onderdeel a, en 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn en de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn. De speciale beschermingszones worden aangeduid als “Natura 2000-gebied”.
2. Ingeval een gebied geheel of gedeeltelijk wordt beheerd door één van Onze andere Ministers, neemt Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid in overeenstemming met die andere Minister.
3. Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt als bijlage een kaart opgenomen waarop de begrenzing van het desbetreffende gebied nauwkeurig is aangegeven.
4. Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. Daartoe behoren in elk geval de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van:
a. de leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn, of
b. de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn.
5. Op de voorbereiding van een besluit tot aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
6. Onze Minister draagt, mede in het licht van de toepassing van artikel 1.8, eerste lid, en gevolg gevend aan het inzicht, bedoeld in artikel 1.5, vijfde lid, zorg voor de actualisatie van de besluiten, bedoeld in het eerste lid.
7. Onze Minister kan een besluit als bedoeld in het eerste lid wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de eerste volzin is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, behalve in geval van wijzigingen van ondergeschikte aard. Bij een besluit tot gedeeltelijke intrekking of wijziging kan als bijlage een kaart worden opgenomen waarop de gewijzigde begrenzing van het desbetreffende gebied nauwkeurig is aangegeven.
Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
Artikel 3, eerste lid, van de Habitatrichtlijn (Hrl).
De rechtbank leidt uit artikel 1 van de Wet voorzieningen in verband met ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris af dat aan de minister voor Natuur en Stikstof - als minister zonder portefeuille - dezelfde bevoegdheden toekomen als aan de minister van LNV.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2958, r.o. 3.1.
Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraken van 12 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1239 en van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2958.
Bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:864 en van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2958.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2958.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2958, r.o. 6.2.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:164, r.o. 5.2.
ECLI:NL:RVS:2010:BN8553. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|