|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:21036 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 06-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | SGR 24/2052 SGR 26/653 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Verzoek om voorlopige voorziening. Verzoekster heeft een verzoek gedaan op grond van de Wet open overheid (Woo). Zij heeft verzocht om het openbaar maken van informatie over toezicht door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op een specifieke pluimveeslachterij [...]. Bij besluit van 3 december 2025 heeft verweerder besloten om de gevraagde documenten (gedeeltelijk) openbaar te maken op grond van de Woo, voor zover deze zijn aangetroffen. Omdat vier belanghebbenden bezwaar hadden gemaakt, heeft verweerder de informatie niet feitelijk verstrekt aan verzoekster. Dit terwijl zij niet om een voorlopige voorziening hadden verzocht (artikel 4.4, vijfde lid, van de Woo). Verweerder heeft hiermee evident in strijd met de Woo gehandeld. De voorzieningenrechter ziet evenwel geen aanleiding om een voorziening te treffen, maar bepaalt wel dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten. Verzoek afgewezen. | | Trefwoorden | : | landbouw | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/653
beslissing van de voorzieningenrechter van 23 juli 2026 in de zaak tussen
Stichting Animal Rights, gevestigd te Den Haag, verzoekster
(gemachtigde: T.J. van Alten),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder
(gemachtigde: mr. drs. G.O. Hoeksma).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [bedrijf 1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1] (gemachtigde: mr. V. Şimşek), en [bedrijf 2] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 2] (gemachtigde: mr. J. van Groningen).
Inleiding
1. Verweerder heeft met het besluit van 3 december 2025 met kenmerk 25-0383 besloten om informatie (gedeeltelijk) openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (Woo), voor zover deze zijn aangetroffen.
1.1.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, zo ook tegen de opschorting van de verstrekking van de informatie. Zij heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank vervolgens gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Ook heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en daarbij verzocht om beperkte kennisneming van de stukken, op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
1.4.
De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft op 3 maart 2026 beslist dat de beperkte kennisname van de door verweerder ingezonden stukken gerechtvaardigd is. Verzoekster heeft de rechtbank toestemming gegeven deze stukken in te zien.
1.5.
Verzoekster heeft op 4 maart 2026 verzocht om het treffen van een ordemaatregel omdat de termijn voor het indien van de gronden van bezwaar afliep. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op 10 maart 2026 afgewezen.
1.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] namens verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van verweerder, [naam 2] namens [bedrijf 1] B.V., en de gemachtigden van de derde-partijen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster heeft op 16 juni 2025 een verzoek gedaan op grond van de Woo. Zij heeft verzocht om het openbaar maken van informatie over toezicht door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit op een specifieke pluimveeslachterij, [bedrijf 1] B.V., over de periode van 1 januari 2022 tot 16 juni 2025. Verzoekster vraagt om in ieder geval de volgende documenten:
Inspectierapporten en rapporten van bevindingen;
Processen-verbaal en overige handhavingsdocumenten, zoals waarschuwingen, lasten onder dwangsom, boeterapporten, (boete)beschikkingen en andere toegepaste bestuurlijke sancties, dan wel ingezette toezichts- en handhavingsinstrumenten;
Veterinaire verklaringen en overige verslaglegging door toezichthouders;
Correspondentie, zowel intern binnen de NVWA als tussen de NVWA en derden (zoals het betrokken bedrijf en eventueel andere toezichthoudende of handhavende instanties);
Beeldmateriaal (foto’s en video’s) dat bij controles is gemaakt of ontvangen.
2.1.
Partijen zijn overeengekomen dat het verzoek wordt gespecificeerd tot het aspect dierenwelzijn. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat uitsluitend inspectierapporten waarbij tekortkomingen zijn geconstateerd openbaar zullen worden gemaakt en dat het verzoek in deelbesluiten zal worden afgehandeld.
2.2.
Verweerder heeft op 3 december 2025 een eerste deelbeslissing genomen op het verzoek, daarbij zijn de inspectielijsten, en de rapporten van bevindingen, inclusief het bijbehorende beeldmateriaal, behandeld. Er zijn volgens verweerder 145 documenten aangetroffen (daarbij zijn verschillende documenten per interventie samengevoegd). Verweerder heeft belanghebbenden om een zienswijze gevraagd. Een deel van de informatie wordt niet openbaar gemaakt met een beroep op artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, d, en e, van de Woo.
2.3.
Verweerder heeft in het besluit van 3 december 2025 vermeld dat de feitelijke openbaarmaking (verstrekking) van de informatie waarom is verzocht niet eerder plaatsvindt dan twee weken na de dagtekening van de beschikking, omdat belanghebbenden mogelijk bezwaar hebben tegen de openbaarmaking. Het toesturen en publiceren van de informatie wordt daarnaast uitgesteld tot het moment dat de belanghebbenden geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om bezwaar te maken, of zolang er nog geen beslissing op hun bezwaar is genomen. In de brieven aan de belanghebbenden heeft verweerder ook vermeld dat het niet nodig is om een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. Bij tijdige ontvangst van een (pro forma) bezwaarschrift zal de openbaarmaking van de informatie die betrekking heeft op de bezwaarmaker, automatisch worden opgeschort tot twee weken nadat op het bezwaarschrift is beslist, aldus verweerder. Omdat vier derdebelanghebbenden bezwaar hebben gemaakt, heeft verweerder de informatie nog altijd niet (feitelijk) verstrekt aan verzoekster.
2.4.
Verzoekster heeft op 12 januari 2026 een bezwaarschrift ingediend op nader aan te voeren gronden en verzocht om de termijn voor het indienen van de gronden van bezwaar te verlengen tot vier weken na de datum waarop alle openbaar gemaakte informatie (feitelijk) is verstrekt. Bij brief van 13 januari 2026 heeft verweerder verzoekster laten weten dat zij een langere termijn krijgt voor het indienen van de gronden, tot en met 11 maart 2026. Verzoekster heeft op 10 maart 2026 de gronden van bezwaar aangevuld. Verweerder heeft hierna bevestigd dat het bezwaar ontvankelijk zal worden verklaard. Verzoekster en verweerder zijn overeengekomen dat verweerder pas een beslissing op het bezwaar zal nemen nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan in deze procedure.
2.5.
Bij besluiten van 20 mei 2026 heeft verweerder een beslissing genomen op de bezwaren van drie van de derde-belanghebbenden (II, III en IV). De bezwaren zijn gegrond verklaard, omdat de informatie die betrekking heeft op deze derde-belanghebbenden buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen. De primaire beslissing wordt op dit punt herroepen. Eén van deze drie derde-belanghebbenden heeft tijdens de mondelinge behandeling desalniettemin laten weten nog altijd te willen deelnemen als derde-partij bij deze procedure.
2.6.
Bij besluit van 30 juni 2026 heeft verweerder ook een beslissing genomen op het bezwaar van derde-belanghebbende [bedrijf 1] B.V. (bezwaarmaker I). Haar bezwaren zijn deels gegrond verklaard, omdat informatie die betrekking heeft op de leveranciers en afnemers van de pluimveeslachterij (niet zijnde derde-belanghebbende II, III en IV) buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen. De primaire beslissing wordt op dit punt herroepen. Voor het overige zijn de bezwaren van [bedrijf 1] B.V. ongegrond verklaard. Verweerder heeft in het besluit vermeld dat de feitelijke openbaarmaking niet eerder plaatsvindt dan twee weken na dagtekening van de beslissing op bezwaar. Indien [bedrijf 1] B.V. de openbaarmaking wenst tegen te houden, dient zij binnen twee weken bij de rechtbank naast een beroepschrift tevens een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Verweerder noemt dat hij het toesturen en publiceren van de documenten zal uitstellen tot het moment dat geen gebruik is gemaakt van deze mogelijkheid of tot het moment dat de rechter heeft bepaald dat openbaarmaking plaats kan vinden.
2.5.
Deze uitspraak gaat over de vraag of verweerder het verstrekken van de informatie waarom verzoekster heeft verzocht, mocht blijven uitstellen, terwijl derde-belanghebbenden de voorzieningenrechter niet hebben gevraagd om het treffen van een voorlopige voorziening.
Wat vindt verzoekster?
3. Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter om verweerder op te dragen de informatie nu al te verstrekken. Zonder kennisneming van de informatie is het voor verzoekster feitelijk onmogelijk om haar bezwaar daadwerkelijk en effectief te kunnen onderbouwen. De handelwijze van verweerder om de (feitelijke) verstrekking langer dan twee weken op te schorten zonder dat belanghebbenden een voorzieningenprocedure zijn gestart, is in strijd met de systematiek van de Woo. Verweerder dient tegelijk met de bekendmaking van het besluit de informatie te verstrekken, dan wel twee weken nadat de beslissing is bekendgemaakt wanneer naar verwachting een belanghebbende bezwaar heeft tegen openbaarmaking van de informatie. Verzoekster wijst erop dat een eventueel bezwaar door een belanghebbende geen opschortende werking heeft, en belanghebbenden hebben niet verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening hangende hun bezwaarprocedure. Zij wijst onder meer naar een artikel van Follow the Money, en uitlatingen daarin door prof. mr. Annemarie Drahmann, een blogpost, en kamervragen van 14 januari 2025, en eveneens op de omstandigheid dat verweerder deze werkwijze al geruime tijd structureel toepast. Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter om verweerder op te dragen de – blijkens de inventarislijst – 64 documenten en 81 video’s onverwijld te verstrekken, om schorsing van het opschorten van de verstrekking, en om te bepalen dat een redelijk hersteltermijn wordt geboden voor het formuleren van de gronden van bezwaar, te rekenen vanaf het moment van daadwerkelijke verstrekking en kennisgeving. Verzoekster heeft verduidelijkt dat haar verzoek ertoe strekt het rechtsgevolg van het bestreden besluit inhoudende dat de openbaarmaking van de informatie automatisch wordt opgeschort, buiten werking te stellen. Zij verwijst daarbij naar artikel 8:72 van de Awb. Verder vraagt verzoekster in haar verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ook om het vaststellen van een rechtelijke dwangsom.
Wat vindt verweerder?
4. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat de burgerlijke rechter in deze zaak bij uitsluiting bevoegd is, omdat het verstrekken van informatie een feitelijke handeling betreft. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Daartoe voert verweerder aan dat niet is voldaan aan het materiële connexiteitsvereiste. Het verzoek ziet namelijk niet op de inhoud maar op de uitvoering van het bestreden besluit. Verder stelt verweerder dat een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening in het kader van de Woo alleen voor toewijzing in aanmerking komt wanneer ernstig moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het besluit én er een zeer zwaarwegend spoedeisend belang is dat het treffen van een dergelijke voorziening noodzakelijk maakt. Daarvan is in dit geval geen sprake, aldus verweerder.
4.1.
Verweerder wijst erop dat op de bezwaarschriften van de vier bezwaarmakers ondertussen een beslissing is genomen (op 20 mei 2026 en 30 juni 2026). Verzoekster heeft als derde-belanghebbende bij de beslissingen op bezwaar een schriftelijke reactie kunnen geven en afschriften van de beslissingen op bezwaar ontvangen. Voor zover verweerder bekend, is tegen de beslissingen van 20 mei 2026 geen beroep ingesteld. Verweerder zal de informatie conform de beslissing van 30 juni 2026 op het bezwaar van [bedrijf 1] B.V. twee weken na dagtekening van deze beslissing feitelijk aan verzoekster verstrekken, tenzij beroep tegen deze beslissing op bezwaar bij de rechtbank wordt ingesteld én tevens om het treffen van een voorlopige voorziening wordt gevraagd.
4.2.
Verweerder heeft met de beslissing van 30 juni 2026 (op het bezwaar van een van de twee derdepartijen) het besluit van 3 december 2025 gedeeltelijk herroepen; de informatie wordt uitgesteld openbaar gemaakt. Volgens verweerder kan verzoekster met deze procedure hangende haar bezwaar dus niet langer bereiken wat zij wenst te bereiken. Het procesbelang van verzoekster is met het besluit van 30 juni 2026 komen te ontvallen. Alleen in een voorlopige voorzieningen-procedure hangende beroep kan zij volgens verweerder nog bereiken wat zij wenst te bereiken.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
5. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat in deze concrete zaak verzoekster een spoedeisend belang bij de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening niet kan worden ontzegd. Zij betrekt daarbij dat de Woo uitgaat van het recht op toegang tot publieke informatie, zonder dat de Woo-verzoeker daartoe een belang hoeft te stellen, en dat de wet zelf – zoals uit het navolgende blijkt – het belang van een spoedige openbaarmaking al onderstreept. Ondanks dat het besluit al ruim een half jaar oud is, is de informatie nog altijd niet verstrekt. De voorzieningenrechter merkt hierbij nog op dat de vraag of verzoekster voldoende spoedeisend belang heeft een andere is dan de vraag of haar belangen dusdanig zwaarwegend zijn dat het verzoek ook daadwerkelijk moet worden toegewezen.
Wettelijk kader
7. De voorzieningenrechter zal eerst ingaan op de systematiek van de Woo en vervolgens ingaan of in deze concrete zaak aanleiding bestaat om het verzoek om voorlopige voorziening toe wijzen.
7.1.
Artikel 4.4, eerste lid, van de Woo schrijft voor dat het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk op het verzoek om informatie beslist, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop het bestuursorgaan de Woo-verzoeker meedeelt dat een belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld een zienswijze naar voren te brengen. De opschorting eindigt op het moment dat een belanghebbende een zienswijze naar voren heeft gebracht of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Op grond van het vierde lid stelt het bestuursorgaan de Woo-verzoeker zo spoedig mogelijk op de hoogte wanneer de opschorting is geëindigd en vermeldt hij daarbij ook de termijn waarbinnen de beschikking alsnog moet worden gegeven. Indien het bestuursorgaan heeft besloten de informatie te verstrekken, dan wordt de informatie volgens het vijfde lid tegelijk met de bekendmaking van het besluit aan de Woo-verzoeker verstrekt. Dit is slechts anders als de verwachting bestaat dat een belanghebbende bezwaar heeft tegen de verstrekking van de informatie. In dat geval wordt de informatie pas verstrekt twee weken nadat de beslissing bekend is gemaakt. Als de belanghebbende binnen die termijn om een voorlopige voorziening heeft verzocht, dan wordt de openbaarmaking van de informatie opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan of tot het verzoek is ingetrokken.
Waarborgen in de Woo
8. De systematiek van de wet beoogt niet alleen de belangen van de Wooverzoeker maar ook de belangen van de derde-belanghebbenden te borgen. Uit de memorie van toelichting bij de wet blijkt ook dat de wetgever het wenselijk heeft geacht dat derdebelanghebbenden hun belangen kunnen verdedigen. Zo worden materieel de belangen van derde-belanghebbenden meegewogen in het al dan niet toepassing geven door het bestuursorgaan aan een uitzonderingsgrond voor de openbaarmaking van informatie. Procedureel worden derde-belanghebbenden beschermd doordat zij in staat worden gesteld hun zienswijze naar voren te brengen voordat een beslissing wordt genomen, en doordat zij in bezwaar kunnen gaan tegen een beslissing. Daarnaast kunnen zij de voorzieningenrechter vragen om een voorlopige voorziening te treffen en daarmee de verstrekking van de informatie uitstellen, totdat op hun bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter zal dan in de regel beoordelen of het bezwaar of beroep van de derdebelanghebbende een redelijke kans van slagen heeft. Deze systematiek bevat voldoende waarborgen voor derde-belanghebbenden.
8.1.
Dat derde-belanghebbenden in staat moeten worden gesteld om hun belangen te verdedigen, mag volgens de wetgever echter niet ten koste gaan van de snelle afhandeling van een verzoek om informatie. De termijnen in de wet zijn immers juist bedoeld om het bestuursorgaan aan te zetten tot spoedige behandeling (en daarmee spoedige openbaarmaking).
De gehanteerde uitvoeringspraktijk door verweerder
9. In deze zaak is als gevolg van de werkwijze van verweerder sprake van een tegenovergestelde situatie; niet de derde-belanghebbende waar de informatie op ziet, heeft een verzoek aan de voorzieningenrechter gedaan, maar de Woo-verzoekster. Zij komt op tegen de uitvoeringspraktijk van verweerder waarbij verweerder hangende de bezwaarprocedures van derde-belanghebbenden de verstrekking van de informatie blijft uitstellen. Dit terwijl de derde-belanghebbenden niet om een voorlopige voorziening hebben verzocht (zoals is bepaald in artikel 4.4, vijfde lid, van de Woo).
9.1.
Met verzoekster stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder in deze procedure een afwijkende werkwijze heeft gevolgd voor de feitelijke verstrekking, anders dan is beschreven in de Woo. Onlangs heeft de landsadvocaat verweerder er in haar advies van 25 mei 2026 al op gewezen dat de Woo, en met name de tekst van artikel 4.4, vijfde lid, van de Woo, geen ruimte biedt voor een uitvoeringspraktijk als hier gehanteerd, waarbij de feitelijke verstrekking langer dan twee weken wordt uitgesteld wanneer derdebelanghebbenden binnen twee weken na het Woo-besluit bezwaar maken, zonder dat zij daarnaast óók om een voorlopige voorziening hebben gevraagd. Verweerder heeft inmiddels te kennen gegeven dat hij het advies van de landsadvocaat volgt en dat zijn uitvoeringspraktijk weer in lijn wordt gebracht met wat de wetgever in de Wet open overheid heeft bepaald. Dit laat echter onverlet dat verweerder voor het hier voorliggende besluit evident in strijd met de Woo heeft gehandeld.
9.2.
Mocht verweerder in deze en andere zaken de gang van zaken willen herstellen, zal dit – zoals namens [bedrijf 1] B.V. terecht is betoogd – uiteraard moeten gebeuren met inachtneming van de belangen van derde-belanghebbenden en zal verweerder hen op de hoogte moeten stellen van de wijzigingen in de uitvoeringspraktijk, en hen daarbij moeten laten weten dat de gevraagde informatie alsnog feitelijk wordt verstrekt, tenzij zij binnen twee weken de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening vragen.
Verzoek om schorsen van de uitgestelde openbaarmaking
10. Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter verweerder op te dragen de informatie te verstrekken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het al dan niet feitelijk verstrekken van (deels) openbaar gemaakte informatie een feitelijke handeling betreft, en hier in beginsel geen bezwaar of beroep bij de bestuursrechter tegen openstaat. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder hierin gelijk. De bestuursrechter heeft niet de mogelijkheid om de feitelijke uitvoering van een (onherroepelijk) openbaarmakingsbesluit te gelasten en daaraan een dwangsom te verbinden. Dit is aan de burgerlijke rechter.
10.1.
Verzoekster heeft in dit kader verder betoogd dat het haar niet zo zeer gaat om de feitelijke verstrekking van de gevraagde informatie, maar om het buitenwerkingstellen van het rechtsgevolg van het bestreden besluit inhoudende dat de openbaarmaking van de informatie automatisch wordt opgeschort. De mededeling in het openbaarmakingsbesluit dat verweerder gebruikmaakt van uitgestelde openbaarmaking, omdat hij verwacht dat derdebelanghebbenden bezwaar hebben tegen de openbaarmaking, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenwel geen rechtsgevolg van het besluit, maar slechts een aankondiging hoe verweerder voornemens is feitelijk uitvoering te geven aan de rechtsgevolgen van het besluit, te weten de verplichting tot het openbaar maken van de aangetroffen informatie.
10.2.
Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat voor zover het schorsen van de uitgestelde openbaarmaking al tot de mogelijkheden van de voorzieningenrechter zou behoren, daar in deze zaak niet langer aanleiding voor lijkt te bestaan. Verweerder wijst er namelijk op dat inmiddels een beslissing op het bezwaar van [bedrijf 1] B.V. is genomen en daarbij tevens heeft vermeld dat de feitelijke verstrekking van de informatie niet eerder plaatsvindt dan twee weken na de dagtekening van de beslissing op bezwaar. Als zij de openbaarmaking wenst tegen te houden, dan zal zij beroep moeten instellen en om een voorlopige voorziening moeten vragen, zo staat vermeld in de beslissing op bezwaar van 30 juni 2026. De eerdere werkwijze van verweerder waarbij een verzoek om voorlopige voorziening door een derde-belanghebbende geen vereiste was voor het uitstellen van de openbaarmaking, lijkt met de beslissing op bezwaar van 30 juni 2026 dus niet langer te gelden. In zoverre lijkt daarmee te zijn voldaan aan de tegenwerpingen van verzoekster.
10.3.
Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat verweerder in de nadere reactie van 6 juli 2026 het volgende te kennen heeft gegeven:
Verweerder zal de documenten conform de beslissing op bezwaar van 30 juni 2026 twee weken na dagtekening van de beslissing op bezwaar feitelijk aan
verzoekster verstrekken, tenzij beroep tegen deze beslissing op bezwaar bij de rechtbank wordt ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingediend dat strekt tot schorsing van de beslissing op bezwaar. In dat geval zal verweerder de documenten feitelijk verstrekken nadat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening heeft afgewezen of het verzoek om voorlopige voorziening is ingetrokken. Ook is het mogelijk dat verweerder naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening toezegt de documenten niet feitelijk te zullen verstrekken tot een aantal weken na de uitspraak van de rechtbank in de bodemprocedure.
De laatste zin van dit citaat lijkt te suggereren dat het verweerder vrij staat te bepalen dat de verstrekking wordt uitgesteld tot nadat op het beroep is beslist. Deze vrijheid heeft verweerder evenwel niet. In dat geval stelt verweerder namelijk opnieuw de verstrekking verder uit dan de wet toelaat, zonder rechterlijke tussenkomst. Het is alleen de rechtbank, of de voorzieningenrechter op verzoek van de derdebelanghebbende, die mag bepalen dat de verstrekking wordt uitgesteld tot na een uitspraak in de bodemprocedure. Verweerder mag hooguit uitstellen totdat de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening heeft beslist.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
11. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het geven van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel ten aanzien van de inhoud van het Woo-besluit. Inmiddels zijn de beslissingen op het bezwaar van de verschillende derde-belanghebbende genomen en is het primaire besluit waartegen het bezwaar van verzoekster zich richt deels herroepen. Indien tegen deze besluiten rechtsmiddelen zijn aangewend, zoals verzoekster stelt, kan het rechtmatigheidsoordeel in die procedures, na een debat hieromtrent met de betrokken derdebelanghebbenden, worden gegeven.
Conclusie en gevolgen
12. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de gevraagde voorziening te treffen en wijst het verzoek af. Zij ziet wel aanleiding om te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten, omdat de door verweerder hier gehanteerde werkwijze evident in strijd is met de Wet open overheid. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Beslissing van 10 maart 2026 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2026:10876.
Verweerder wijst op artikel 4.4, vijfde lid, van de Woo.
Verzoekster wijst op artikel 4.4, vijfde lid, van de Woo.
Jan Daalder, ‘Inspectie zet rechter buitenspel en overtreedt de wet onder druk van boerenlobby’ ftm.nl,12 januari 2026.
Tim van Alten, ‘Hoe de NVWA de Woo uitholt’, https://www.juridealist.nl/artikelen/hoe-de-nvwa-de-woo-uitholt/, 12 januari 2026.
Kamervragen Tweede Kamer, 2026Z00466.
Artikel 1.1 van de Woo.
Zoals de rechtbank Den Haag eerder ook heeft overwogen in haar uitspraak van 20 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14632, r.o. 8.1.
Kamerstukken II, 2013/14, 33 328, nr. 9, p. 37.
Kamerstukken II, 2013/14, 33 328, nr. 9, p. 37-38.
Advies werkwijze Woo ‘geen vovo in bezwaar’ (aan NVWA), van 25 mei 2026, zaaknummer 11026063.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2055, r.o. 7.1, en van 9 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2014:2529, r.o. 8. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|