|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2026:3276 | | | | | Datum uitspraak | : | 03-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 07-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | LEE 24/4388 T | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Woo. Tussenuitspraak. De rechtbank oordeelt dat de minister de toegepaste weigeringsgronden voor (delen van) conceptdocumenten onvoldoende heeft gemotiveerd. De minister krijgt de gelegenheid het besluit te herstellen door per document en per onderdeel de weigering deugdelijk te motiveren. | | Trefwoorden | : | landbouw | | | landbouw, natuur en voedselkwaliteit | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4388 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de NVWA, de minister
(gemachtigde: mr. J.J. Ton).
Samenvatting
1. Eiser heeft een verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) ingediend. Dit heeft geleid tot een besluit van de minister en vervolgens tot een nieuw besluit naar aanleiding van een eerdere uitspraak van de rechtbank. Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen en voert aan dat nog altijd niet alle documenten zijn verstrekt en dat de minister de toegepaste weigeringsgronden onvoldoende heeft gemotiveerd.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de minister aan de weigering bepaalde informatie uit documenten te openbaren een ondeugdelijke motivering ten grondslag gelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) ingediend bij de minister.
2.1.
Bij besluit van 30 mei 2022 (het primaire besluit) heeft de minister op dit verzoek beslist. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij het besluit van 3 oktober 2022 (het oude bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft tegen het oude bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 3 mei 2024 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het oude bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft de minister opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
2.3.
Ter uitvoering van deze uitspraak heeft de minister bij besluit van 9 oktober 2024 opnieuw op het bezwaar beslist (het bestreden besluit).
2.4.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.5.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.6.
De minister heeft de stukken waarvan het de openbaarmaking (deels) heeft geweigerd, overgelegd en met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtbank verzocht te bepalen dat uitsluitend zij kennis mag nemen van de stukken. Op grond van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb is de in het vijfde lid bedoelde toestemming van rechtswege verleend, zodat de rechtbank kennis kan nemen van de stukken.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Zoekslag
3. Eiser voert aan dat nog steeds niet alle documenten openbaar zijn gemaakt. Volgens eiser ontbreken er meerdere stukken en is het ongeloofwaardig dat er geen aanvullende documenten meer zijn, in het bijzonder waar het gaat om WhatsApp-berichten. Eiser stelt dat de minister onvoldoende inzicht heeft gegeven in de verrichte zoekslag en dat niet duidelijk is op welke wijze en op welke locaties naar documenten is gezocht. Volgens eiser had de minister uitgebreider en zorgvuldiger moeten zoeken. Gelet op wat eiser beschouwt als een weigerachtige houding van de minister, heeft eiser er geen vertrouwen in dat er niet meer documenten aanwezig zijn.
4. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er nog aanvullende documenten onder hem berusten. Eiser heeft niet concreet gemaakt welke stukken zouden ontbreken en de enkele verwijzing naar het gebruik van meerdere systemen is daarvoor onvoldoende. Volgens de minister is zorgvuldig gezocht binnen de relevante systemen die voor het betreffende onderwerp worden gebruikt. Daarbij zijn geen aanvullende documenten, zoals e-mails, notities of conceptstukken, aangetroffen. Dat er andere systemen bestaan, betekent niet dat daarin ook relevante documenten aanwezig zijn.
De minister stelt verder dat de zaaksmap volledig is en dat alle op de zaak betrekking hebbende informatie daarin is opgenomen. Ten aanzien van de gestelde aanwezigheid van meer WhatsApp-berichten voert de minister aan dat binnen de organisatie WhatsApp niet wordt gebruikt voor werkgerelateerde communicatie. Voor zover er wel WhatsApp-contact is geweest met derden, is dit vastgelegd in het rapport van bevindingen. Er zijn geen aanwijzingen dat er binnen de reikwijdte van het verzoek (meer) WhatsApp-berichten bestaan.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt, dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene is die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. Bij de beoordeling of een stelling van een bestuursorgaan dat er niet meer documenten zijn, niet ongeloofwaardig voorkomt, zal worden betrokken op welke wijze het onderzoek is verricht.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit en de nadere toelichting uitvoerig heeft uiteengezet op welke wijze naar de verzochte documenten is gezocht. Daarbij is toegelicht in welke systemen is gezocht en welke stappen daarbij zijn gezet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister hiermee de verrichte zoekslag voldoende inzichtelijk gemaakt. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de zoekslag onzorgvuldig of onvolledig is geweest.
5.2.
De enkele stelling van eiser dat er meer documenten, zoals e-mails, notities of WhatsApp-berichten, zouden moeten zijn, is onvoldoende om te concluderen dat dergelijke documenten ook daadwerkelijk onder de minister berusten. Dat binnen de organisatie mogelijk meerdere systemen worden gebruikt, leidt evenmin tot die conclusie. De minister heeft toegelicht dat wordt gezocht binnen de voor het onderwerp relevante systemen en dat geen aanvullende documenten zijn aangetroffen. De rechtbank acht deze toelichting niet ongeloofwaardig.
5.3.
Ook de stelling van eiser dat sprake is van een weigerachtige houding van de minister biedt geen concrete aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling dat er niet meer documenten zijn. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat, in afwijking van de uitkomsten van de zoekslag, nog andere documenten onder de minister berusten.
5.4.
Gelet op het voorgaande slaagt deze beroepsgrond niet.
Weigeringsgronden
6. Eiser voert aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de openbaarmaking van de concepten in hun geheel zijn geweigerd. Volgens eiser is niet inzichtelijk gemaakt waarom niet kan worden volstaan met gedeeltelijke openbaarmaking, bijvoorbeeld door het weglakken van bepaalde gegevens. Daarnaast stelt eiser dat hij wil kunnen controleren of de inhoud van de concepten daadwerkelijk overeenkomt met de definitieve versies, zoals de minister heeft gesteld. Door de concepten volledig te weigeren, wordt deze controle volgens eiser onmogelijk gemaakt.
7. De minister stelt zich op het standpunt dat de gevraagde concepten op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo niet openbaar worden gemaakt, omdat openbaarmaking zou leiden tot onevenredige benadeling van het belang van de Staat. Volgens de minister is in dit verband van belang dat ambtenaren in vrijheid en openheid met elkaar moeten kunnen communiceren in het kader van intern beraad, zonder dat zij er rekening mee hoeven te houden dat niet-definitieve stukken openbaar worden. De minister stelt verder dat de concepten inhoudelijk overeenkomen met de definitieve versies en slechts geringe, voornamelijk taalkundige, wijzigingen bevatten. Voor zover de inhoud relevant is, is deze reeds openbaar (gemaakt) via de definitieve documenten. Openbaarmaking van de concepten heeft volgens de minister daarom geen zelfstandige toegevoegde waarde voor eiser. Gelet hierop weegt het belang van bescherming van het interne beraad en het goed functioneren van de Staat zwaarder dan het belang van openbaarmaking. Openbaarmaking van concepten zou er volgens de minister toe kunnen leiden dat ambtenaren terughoudender worden in hun communicatie, hetgeen het besluitvormingsproces en daarmee het functioneren van de overheid schaadt.
8. De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft de weigering om de concepten openbaar te maken gebaseerd op artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo. Naar het oordeel van de rechtbank is deze weigering onvoldoende gemotiveerd.
8.1.
De rechtbank acht daarbij van belang dat de minister zich op het standpunt stelt dat de concepten inhoudelijk overeenkomen met de definitieve versies en slechts geringe, voornamelijk taalkundige, wijzigingen bevatten. Deze stelling verdraagt zich zonder nadere motivering niet met het standpunt dat openbaarmaking van diezelfde concepten zou leiden tot onevenredige benadeling van het belang van de Staat. Indien de inhoud van de concepten overeenkomt met de al openbaar gemaakte definitieve stukken, valt niet in te zien waarom openbaarmaking van de concepten het functioneren van de Staat zou schaden.
8.2.
Daarnaast heeft de minister niet inzichtelijk gemaakt waarom is gekozen voor een algehele weigering van de concepten. Niet is gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met gedeeltelijke openbaarmaking, bijvoorbeeld door het weglakken van passages waarvoor een weigeringsgrond geldt. De rechtbank is van oordeel dat de minister per document, en zo nodig per onderdeel daarvan, dient te beoordelen of een weigeringsgrond van toepassing is en dit deugdelijk moet motiveren.
8.3.
Voor zover de minister zich (mede) op het standpunt stelt dat eiser geen belang heeft bij openbaarmaking van de concepten, overweegt de rechtbank dat dit geen criterium is dat de Woo hanteert voor de beoordeling van een verzoek.
8.4.
Ten slotte geldt dat, voor zover de minister een beroep doet op artikel 5.2, van de Woo (persoonlijke beleidsopvattingen), hij concreet zal moeten maken welke passages in de concepten als zodanig moeten worden aangemerkt en waarom deze niet voor openbaarmaking in aanmerking komen. Daarbij dient de minister per document of onderdeel daarvan inzichtelijk te maken op welke grond openbaarmaking wordt geweigerd.
8.5.
De rechtbank stelt vast dat de minister hiermee nog steeds niet heeft voldaan aan de opdracht uit de eerdere uitspraak van de rechtbank, waarin reeds is overwogen dat de weigering van de conceptdocumenten nader en concreet moest worden gemotiveerd.
Herstelmogelijkheid
9. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De minister zal kritischer moeten kijken wanneer hij een weigeringsgrond toepast. Per document en per gelakte passage zal de minister moeten motiveren waarom artikel 5.1, tweede lid, onder e en i, van de Woo aan de orde is voor die informatie. Voorts zal de minister waar nodig het tijdsverloop als bedoeld in artikel 5.3 van de Woo bij het herstel moeten betrekken. Als de minister opnieuw al dan niet gelakte stukken openbaar maakt, dan is vanzelfsprekend dat hij dezelfde documentnummering blijft aanhouden als tot nu toe is toegepast. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.
9.1.
De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
9.2.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).
9.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt de minister op binnen vier weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt
van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt de minister in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze
tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en
aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3088.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1743.
Vergelijk onder meer de uitspraken van de Afdeling van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:367 en 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:480. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|