Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CBB:2026:371 
 
Datum uitspraak:11-08-2026
Datum gepubliceerd:11-08-2026
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:25/77
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Beroep gegrond omdat de minister de motivering in het bestreden besluit niet langer handhaaft. Aangezien de minister de subsidieaanvraag van de onderneming terecht heeft afgewezen omdat niet is voldaan aan de vijfjaarseis, laat het College de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand. De afwijzing van de subsidieaanvraag blijft dus in stand.
Trefwoorden:landbouw
melkvee
melkveehouderij
pluimvee
stallen
stikstofdepositie
subsidies
varkens
veehouderij
vleesvarkens
 
Uitspraak
uitspraak


COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 25/77

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 augustus 2026 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [woonplaats] (onderneming)
(gemachtigde: mr. J.M.M. Kroon)

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. C.J.M. Daniels en C. Zieleman)




Procesverloop in beroep

De onderneming heeft tegen het besluit van 17 december 2024 (bestreden besluit) beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting was op 29 juni 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen en [naam 2] en P [naam 3] namens de onderneming.



Inleiding


1.1
De onderneming exploiteert een melkveehouderij die zij sinds 2022 pacht. De onderneming heeft op 3 juli 2023 subsidie aangevraagd voor de onomkeerbare sluiting van de melkveehouderij ten behoeve van stikstofreductie. De minister heeft deze subsidieaanvraag afgewezen.



1.2
De minister heeft met het bestreden besluit de afwijzing van de subsidieaanvraag op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv) gehandhaafd. De onderneming is het met de afwijzing niet eens.




Het geschil in beroep


Gewijzigde motivering van de minister


2 De minister heeft op de zitting meegedeeld dat hij de motivering in het bestreden besluit niet langer handhaaft. Dit betekent dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid (deugdelijke motivering), van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. Het College zal beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. Hierbij neemt het College de nieuwe onderbouwing voor de afwijzing van de subsidieaanvraag als uitgangspunt. Volgens de minister is niet voldaan aan de zogenoemde vijfjaarseis uit artikel 6, eerste lid, van de Lbv, omdat de stallen in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag gedurende een periode van één jaar en vijf maanden hebben leeggestaan, waarbij geen sprake is van een kortdurende leegstand die bedrijfseconomisch gangbaar is.


Wettelijk kader



3.1
Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Lbv wordt de aanvraag van de veehouder afgewezen indien de veehouder op de veehouderijlocatie niet daadwerkelijk een veehouderij met productierecht drijft en voor zover de desbetreffende productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan het tijdstip van indiening van de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze gebruikt is.



3.2
In de toelichting bij de Lbv (Stcrt. 2023, nr. 14992, blz. 23) staat over de vijfjaarseis, voor zover van belang, het volgende:

“De regeling heeft als doel het verminderen van stikstofdepositie op overbelaste Natura 2000-gebieden die wordt veroorzaakt door melkvee-, varkens- en pluimveehouderijlocaties. In verband hiermee is in de regeling bepaald dat bedrijven of locaties waar feitelijk geen melkvee, pluimvee of varkens worden gehouden, niet in aanmerking komen voor subsidie. Verder worden ook locaties uitgesloten die nog maar relatief kort in gebruik zijn.Uitsluitend productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar vóór de aanvraag (op bedrijfseconomisch gangbare wijze) onafgebroken is gebruikt, komt voor subsidie in aanmerking. Dit hangt samen met het Europese staatssteunkader voor het sluiten van productiecapaciteit, de Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (2022/C 485/01; hierna: de Richtsnoeren). Hierin is als vereiste opgenomen dat uitsluitend staatssteun kan worden verleend voor productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar vóór de sluiting onafgebroken is gebruikt.

[…]

De vereisten van het feitelijk houden van dieren en van het onafgebroken gebruik gedurende vijf jaar betekenen niet dat er steeds dieren in een stal (hebben) moeten staan. Als een stal in het kader van de reguliere bedrijfsvoering tijdelijk leeg staat respectievelijk heeft gestaan, betekent dat niet dat de stal niet wordt respectievelijk is gebruikt. Er is dan nog steeds sprake van gebruik op bedrijfseconomisch gangbare wijze. Te denken valt aan leegstand tussen het afvoeren van een ronde vleesvarkens of -kuikens en de komst van een nieuwe ronde, of aan tijdelijke leegstand als gevolg van een dierziekte. Kortdurende leegstand van een stal hoeft dus geen reden voor afwijzing van de subsidieaanvraag te zijn, zolang de leegstand het gevolg is van omstandigheden die passen in het normale bedrijfsproces.”



3.3
In de Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (2022/C 485/01) is onder meer het volgende opgenomen:

“Uitsluitend ondernemingen die daadwerkelijk hebben geproduceerd, en uitsluitend
productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar vóór de sluiting van de capaciteit onafgebroken is gebruikt, komen voor steun in aanmerking.”



Beoordeling




4.1
Het College heeft in de uitspraken van 29 juli 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:392) en van 19 augustus 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:425) geoordeeld dat de vijfjaarseis inhoudt dat uitsluitend ondernemingen die daadwerkelijk hebben geproduceerd, en uitsluitend productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar voor sluiting van de capaciteit onafgebroken is gebruikt, in aanmerking komen voor steun. Kortdurende leegstand van een stal hoeft geen reden voor afwijzing van de subsidieaanvraag te zijn, zolang de leegstand het gevolg is van omstandigheden die passen binnen het normale bedrijfsproces.



4.2
Niet in geschil is dat de stallen die de onderneming voor haar melkveehouderij pacht in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag gedurende een periode van één jaar en vijf maanden hebben leeggestaan. De onderneming heeft op de zitting verklaard dat zij er zelf voor heeft gekozen de stallen vanwege een mogelijk risico op besmetting van dieren met de dierziekte paratuberculose uit voorzorg langere tijd (één jaar en drie maanden) te laten leegstaan. Daarnaast heeft de onderneming de stallen twee maanden leeg laten staan vanwege coronabesmetting van één van haar bestuurders en de problemen ten gevolge van de coronapandemie bij het vervoeren van dieren en het vinden van personeel. Weliswaar volgt uit de toelichting bij de Lbv dat bij tijdelijke leegstand van de stallen in het kader van de reguliere bedrijfsvoering nog steeds kan worden voldaan aan het vereiste van onafgebroken gebruik van de productiecapaciteit, maar daarvan is hier geen sprake. Alleen al gelet op de duur van de leegstand van één jaar en drie maanden in verband met een mogelijk risico op besmetting van de dieren met paratuberculose kan niet gesproken worden van een kortdurende leegstand die bedrijfseconomisch gangbaar is. De conclusie is dat de onderneming niet voor subsidie op grond van de Lbv in aanmerking komt omdat niet is voldaan aan de vijfjaarseis.


Slotsom




5.1
Zoals uit overweging 2 volgt, is het beroep gegrond omdat de minister de motivering in het bestreden besluit niet langer handhaaft. Gelet op wat hiervoor onder 4.2 is overwogen bestaat aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Dit betekent dat de afwijzing van de subsidieaanvraag in stand blijft.



5.2
Het College zal de minister veroordelen in de door de onderneming gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting; waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1). Verder zal het College de minister opdragen het door de onderneming betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden.





Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 385,- aan de onderneming te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van de onderneming tot een bedrag van € 1.868,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. C.T. Aalbers en mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. H. Caglayankaya, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.







w.g. H.L. van der Beek H. Caglayankaya



De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
Link naar deze uitspraak