|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:4731 | | | | | Datum uitspraak | : | 12-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 12-08-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202503681/1/R2 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Bij besluit van 6 december 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne aan [belanghebbende A] en [belanghebbende B] medegedeeld dat van rechtswege een omgevingsvergunning is gegeven voor het bouwen van een trainingsruimte voor paarden aan de [locatie 1] in Liessel. [appellant] woont aan de [locatie 2] in Liessel tegenover het perceel waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. Weijers is het niet eens met deze vergunning, omdat hij vreest voor geuroverlast door het gebruik van de trainingsruimte voor paarden. Het geschil is beperkt tot de vraag of de trainingsruimte moet worden aangemerkt als dierenverblijf. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de trainingsruimte zodanig wordt gebruikt dat sprake is van een dierenverblijf in de zin van artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij. Volgens [appellant] is de trainingsruimte voor paarden wel aan te merken als dierenverblijf en is deze binnen de in artikel 3.5.1, onder g, van het wijzigingsplan "[locatie 1], Liessel" gestelde afstand op het bouwvlak voorzien, waardoor de omgevingsvergunning in strijd is met het wijzigingsplan. | | Trefwoorden | : | geurhinder | | | omgevingsvergunning | | | paarden | | | perceel | | | veehouderij | | | wabo | | | | Uitspraak | 202503681/1/R2.
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Liessel, gemeente Deurne,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank OostBrabant van 2 juni 2025 in zaak nr. 24/3508 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Deurne.
Procesverloop
Bij besluit van 6 december 2023 heeft het college aan [belanghebbende A] en [belanghebbende B] medegedeeld dat van rechtswege een omgevingsvergunning is gegeven voor het bouwen van een trainingsruimte voor paarden aan de [locatie 1] in Liessel.
Bij besluit van 29 augustus 2024 heeft college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 6 december 2023 herroepen en opnieuw een omgevingsvergunning verleend.
Bij uitspraak van 2 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 augustus 2024 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college en [belanghebbende A] en [belanghebbende B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant], het college en [belanghebbende A] en [belanghebbende B] hebben een nader stuk ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingsrecht
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 11 augustus 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant] woont aan de [locatie 2] in Liessel tegenover het perceel waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. Weijers is het niet eens met deze vergunning, omdat hij vreest voor geuroverlast door het gebruik van de trainingsruimte voor paarden.
Het geschil is beperkt tot de vraag of de trainingsruimte moet worden aangemerkt als dierenverblijf.
Is de trainingsruimte een dierenverblijf?
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de trainingsruimte zodanig wordt gebruikt dat sprake is van een dierenverblijf in de zin van artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Volgens [appellant] is de trainingsruimte voor paarden wel aan te merken als dierenverblijf en is deze binnen de in artikel 3.5.1, onder g, van het wijzigingsplan "[locatie 1], Liessel" gestelde afstand op het bouwvlak voorzien, waardoor de omgevingsvergunning in strijd is met het wijzigingsplan. Dat de trainingsruimte moet worden aangemerkt als dierenverblijf leidt [appellant] af uit de toelichting bij het wijzigingsplan. Daarin staat namelijk dat in de trainingsruimte gedurende langere periodes per dag paarden getraind en gereden worden. Daarnaast volgt volgens [appellant] uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1495) dat een paddock, wat volgens Weijers een omheinde wei of buitenrijbak is, is aan te merken als dierenverblijf wegens het intensieve gebruik dat ervan wordt gemaakt. Omdat in een trainingsruimte ook intensief met paarden wordt getraind, is de trainingsruimte volgens Weijers vergelijkbaar met een paddock en is er daarom sprake van een dierenverblijf.
3.1. Artikel 3.5.1, onder g, van de planregels van het wijzigingsplan luidt: "Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en/of opstallen voor: een dierenverblijf in de zin van artikel 1 van de Wgv binnen een afstand van 20 m gemeten vanaf de grens van het bouwvlak aan de zijde van de Neerkantseweg."
Op grond van artikel 1 van de Wgv wordt onder dierenverblijf verstaan: "al dan niet overdekte ruimte waarbinnen dieren worden gehouden."
3.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat sprake zal zijn van een zodanig gebruik van de trainingsruimte dat hierom van een dierenverblijf moet worden gesproken. De trainingsruimte wordt namelijk alleen gebruikt voor het trainen en berijden van paarden en niet voor het houden van paarden, omdat daarvoor de paardenboxen zijn bedoeld. Na de training gaan de paarden terug op stal. De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat een rij- en trainingshal voor paarden niet kan worden aangemerkt als dierenverblijf in de zin van de Wgv, omdat een dergelijke hal niet dient voor het houden van dieren, maar voor het africhten, trainen en berijden van paarden gedurende beperkte tijd per dag. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 23 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:3111), onder 12.5. Dat in de toelichting bij het wijzigingsplan staat dat paarden voor langere periodes per dag worden getraind, betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat er ook paarden worden gehouden in de trainingsruimte. Tot slot overweegt de Afdeling dat de paddock, waarnaar [appellant] verwijst in de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2022, werd gebruikt als dierenverblijf en dus niet vergelijkbaar is met de trainingsruimte.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boermans
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026
429-1186 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|