|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2026:3433 | | | | | Datum uitspraak | : | 28-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 12-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | LEE 26/980 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom die door het college is opgelegd aan eisers. De last houdt in dat eisers een aarden wal moeten verwijderen en verwijderd moeten houden. Eisers zijn het niet eens met die beslissing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank die beslissing. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aarden wal is aangelegd zonder de vereiste omgevingsvergunning. Daarmee is sprake van een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Het college was daarom bevoegd om handhavend op te treden door middel van een last onder dwangsom. De opgelegde last onder dwangsom strekt daarnaast niet verder dan noodzakelijk is om de overtreding te beëindigen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. De rechtbank is echter ook van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | bestuursdwang | | | buitengebied | | | landbouw | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | vee | | Wetreferenties | : | Omgevingswet
| | | Algemene wet bestuursrecht
| | | Gemeentewet
| | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/980
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] en [eiseres] , uit [woonplaats eisers] , eisers
(gemachtigde: A. Kwint-Ocelikova),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tynaarlo
(gemachtigden: M.J.F. Nuijens, R.I. Waijer en C. Lubbinge).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: VvE [naam derde-partij 1] uit [vestigingsplaats derde-partij 1] (gemachtigde: S.J. Vegter) en [naam derde-partij 2] uit [woonplaats derde-partij 2] .
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom die door het college is opgelegd aan eisers. De last houdt in dat eisers een aarden wal moeten verwijderen en verwijderd moeten houden. Eisers zijn het niet eens met die beslissing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank die beslissing.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aarden wal is aangelegd zonder de vereiste omgevingsvergunning. Daarmee is sprake van een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Het college was daarom bevoegd om handhavend op te treden door middel van een last onder dwangsom. De opgelegde last onder dwangsom strekt daarnaast niet verder dan noodzakelijk is om de overtreding te beëindigen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. De rechtbank is echter ook van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 14 april 2023 hebben toezichthouders geconstateerd dat er op het perceel van eisers aan de [adres van het perceel van eisers] (het perceel) een aarden wal is opgericht zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Het gaat om een wal van circa 105 meter lang, 6 meter breed en 2 meter hoog. De wal ligt aan de zijkant van een agrarisch perceel, voor de woningen van derde-partijen.
2.1.
Op 5 september 2024 heeft het college aan eisers het voornemen kenbaar gemaakt om handhavend op te treden tegen de aanleg van de wal, door middel van een last onder dwangsom.
2.2.
Op 11 oktober 2024 hebben eisers een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend ter legalisering van de wal. Het college heeft deze aanvraag afgewezen. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen die afwijzing. Met het besluit van 8 april 2025 heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Tegen dat besluit hebben eisers beroep ingesteld. Dat beroep is geregistreerd onder zaaknummer LEE 25/1837. Bij uitspraak van heden worden separaat uitspraak gedaan op dat beroep.
2.3.
Met het besluit van 13 maart 2025 heeft het college aan eisers een last onder dwangsom opgelegd. De last houdt in dat eisers de aarden wal op het perceel binnen 4 weken na dagtekening van de brief moeten verwijderen en verwijderd moeten houden, op straffe van een dwangsom van €2.500,- per week of deel van een week, met een maximum van €25.000,-.
2.4.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dat besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar ingediend. De voorzieningenrechter heeft op 3 juni 2025 het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. Het primaire besluit is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
2.5.
Met het wijzigingsbesluit van 26 augustus 2025 heeft het college het besluit van 13 maart 2025 gewijzigd. Het college heeft de motivering van het besluit aangevuld. Ook heeft het college bepaald dat eisers binnen 12 weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar de aarden wal moeten verwijderen en verwijderd moeten houden, op straffe van een dwangsom van € 2.500 per week of deel van die week, met een maximum van € 25.000.
2.6.
Er heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de commissie bezwaarschriften van de gemeente Tynaarlo (de commissie).
2.7.
Met het bestreden besluit van 16 maart 2026 heeft het college het bezwaar van eisers tegen de last onder dwangsom ongegrond verklaard en de laatste dag van de nieuwe begunstigingstermijn vastgesteld op 15 april 2026. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening hangende beroep te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening is geregistreerd onder zaaknummer LEE 26/979.
2.8.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde-partijen hebben ook schriftelijk gereageerd.
2.9.
Op 28 mei 2026 is het beroep op een zitting behandeld, gelijktijdig met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening en een beroep tegen een door het college geweigerde omgevingsvergunning die strekt tot legalisatie van de wal. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en hun gemachtigde, de gemachtigden van het college, [naam derde-partij 2] en de gemachtigde van VvE [naam derde-partij 1] . Ter zitting is gebleken dat een nader stuk dat door eisers was ingebracht, abusievelijk niet door de rechtbank was doorgezonden aan derde-partijen. Omdat zorgvuldige behandeling van de beroepen vereist dat derde-partijen alsnog de gelegenheid krijgen om op het stuk te reageren heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst.
2.10.
De voorzieningenrechter heeft op 4 juni 2026 de voorlopige voorziening getroffen dat de last onder dwangsom is geschorst tot zes weken na deze uitspraak op het beroep.
2.11.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op een nadere zitting behandeld, opnieuw gelijktijdig met het beroep tegen weigering van de omgevingsvergunning. Hieraan hebben dezelfde personen deelgenomen als bij de eerdere zitting, waarbij eisers R.B. Landman hebben meegebracht als deskundige. [naam derde-partij 2] is vergezeld door diens deskundige G.J. Bierman.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Op het perceel geldt het Omgevingsplan gemeente Tynaarlo. Het bestemmingsplan ‘Buitengebied Tynaarlo’ is van rechtswege onderdeel van dat omgevingsplan. Op grond van het omgevingsplan gelden voor zover hier relevant op het perceel de enkelbestemming ‘agrarisch’ en de dubbelbestemming ‘waarde – beekdal’.
3.1.
De gronden met de bestemming agrarisch zijn (onder andere) bestemd voor de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven. De voor ‘waarde – beekdal’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van het beekdal.
3.2.
Verder geldt onder de dubbelbestemming ‘waarde – beekdal’ een vergunningplicht voor het ‘uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden’, onder meer voor het ophogen van gronden. De vergunningplicht geldt niet voor het normale agrarisch gebruik.
3.3.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow) is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Een omgevingsplanactiviteit wordt in de bijlage bij artikel 1.1 van de Ow gedefinieerd als:
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
Het college is voor zover hier van belang bevoegd tot het verlenen van een omgevingsvergunning op grond van artikel 5.8 van de Ow.
3.4.
Op grond van artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. Op grond van het tweede lid van die bepaling wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels die het gemeentebestuur uitvoert.
3.5.
Onder een overtreding wordt op grond van artikel 5:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verstaan: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
3.6.
Op grond van artikel 5:31d van de Awb wordt onder een last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
3.7.
Op grond van artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Is er sprake van een overtreding?
4. Eisers stellen dat geen sprake is van een overtreding. De wal is volgens eisers niet in strijd met de bestemmingen ‘agrarisch’ en ‘waarde – beekdal’. Daarbij verwijzen eisers naar verklaringen van hun deskundige. Verder is volgens eisers voor de aanleg van de aarden wal geen vergunning vereist omdat sprake is van normaal agrarisch gebruik. De houtwal dient als beschutting voor vee, als erfafscheiding en als ecologische bufferzone. Deze functies passen binnen natuurinclusieve landbouw.
4.1.
Deze grond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van overtreding van de vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteiten in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow. Het aanleggen en in stand houden van de aarden wal is een omgevingsplanactiviteit omdat de aarden wal in strijd is met het omgevingsplan én omdat op grond van het omgevingsplan voor het ophogen van grond een vergunning is vereist.
Wel is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit is genoemn in strijd met het motiveringsbeginsel in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet echter aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Welk wettelijk voorschrift is overtreden?
4.2.
Ingevolge artikel 5:9, aanhef en onder a, van de Awb vermeldt een besluit tot oplegging van een bestuurlijke sanctie de overtreding alsmede het overtreden wettelijk voorschrift. Deze verplichting brengt met zich mee dat het bestuursorgaan zorgvuldig dient na te gaan welke norm is geschonden en, in verband daarmee, waaruit die schending feitelijk bestaat.
4.2.1.
Het wijzigingsbesluit en het bestreden besluit vermelden dat sprake is van een overtreding omdat de aarden wal is aangelegd zonder de vereiste vergunning voor een omgevingsplanactiviteit in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow. Die vergunning is volgens het college vereist omdat de aarden wal in strijd is met de op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan op het perceel rustende bestemmingen, te weten de bestemming ‘agrarisch’ én de dubbelbestemming ‘waarde – beekdal’. Daarbij verzuimt het college te vermelden dat een activiteit in strijd met het omgevingsplan een (vergunningplichtige) omgevingsplanactiviteit is ingevolge de definitie van omgevingsplanactiviteit (onder c) in artikel 1.1 van de Ow.
4.2.2.
Daarnaast is, blijkens het primaire besluit, volgens het college sprake van een overtreding omdat voor het oprichten van de houtwal een omgevingsvergunning is vereist voor een omgevingsplanactiviteit. Dit wordt in het wijzigingsbesluit en de beslissing op bezwaar niet expliciet benoemd. Omdat het primaire besluit niet is herroepen ligt ook dit ter beoordeling voor.
Strijd met de bestemming ‘agrarisch’
4.3.
Op grond van artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, zijn de voor ‘agrarisch’ aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven. Met het college is de rechtbank van oordeel dat een aarden wal in deze omvang en grootte niet past binnen de uitoefening van het grondgebonden agrarische bedrijf, ook niet als rekening wordt gehouden met de natuurinclusieve bedrijfsvoering zoals eisers die voorstaan.
4.3.1.
Dat, zoals eisers hebben aangevoerd, het geheel van de aarden wal in samenhang met de beplanting zorgt voor beschutting en luwte ten behoeve van de dieren, doet daar niet aan af. Beschutting en luwte kan ook worden gerealiseerd door (alleen) de aanplant van bomen en struiken in (niet opgehoogde) grond; de aarden wal op zichzelf draagt niet bij aan de uitoefening van het grondgebonden agrarische bedrijf. Hetzelfde geldt voor de functie van de wal als veekering en voor het vergroten van biodiversiteit.
4.3.2.
Gelet op het bovenstaande is de aarden wal naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de bestemming ‘agrarisch’ in het omgevingsplan.
Strijd met de bestemming ‘waarde – beekdal’
4.4.
Op grond van artikel 37.1 van de planregels zijn de voor ‘waarde – beekdal’ aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van het beekdal. Hieronder wordt begrepen het behoud, herstel en ontwikkeling van de volgende essentiële ruimtelijke kenmerken: grote mate van kleinschaligheid; vrij meanderende beken; samenhangend complex van essen, bossen, heides en moderne ontginningen.
4.4.1.
In bezwaar is door eisers verwezen naar een rapport van hun deskundige waarin is benadrukt dat de wal juist bijdraagt aan cultuurhistorische en ecologische waarden, door aan te sluiten bij traditionele houtwallen en doorzichten in het beekdal niet te blokkeren.
4.4.2.
Het college verwijst in het bestreden besluit naar de uitgangspunten in het Cultuurhistorisch Kompas Drenthe, waarin het belang wordt benadrukt van open zichtlijnen, het behoud van microreliëf en het versterken van bestaande houtwalpatronen. Volgens het college moeten de houtwalpatronen “worden versterkt, maar in relatie tot de opstrekkende verkaveling in het buitengebied.” In het bestreden besluit staat dat de wal “op een willekeurige plek op het perceel is gepositioneerd en daarmee een verstoring is van het ruimtelijk en cultuurhistorisch patroon.”
Het Cultuurhistorisch Kompas Drenthe is een beleidsvisie die is vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Drenthe. Daargelaten in hoeverre dit document kan of moet worden betrokken bij de uitleg van het planvoorschrift, blijkt uit de motivering niet wáárom de wal is gesitueerd op een willekeurige plek. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit in zoverre ondeugdelijk gemotiveerd, mede gelet op de overgelegde verklaring van een deskundige door eisers.
4.4.3.
Bij het aanvullende verweerschrift heeft het college deskundigenverklaringen overgelegd van landschapsarchitecten G.J. Bierema en P. Schengenga en van een programmaleider Natuurkwaliteit en Landschap van het Drents Landschap. Uit de verklaringen volgt kort gezegd dat de beoogde houtwal op het perceel niet vergelijkbaar is met houtwallen zoals die vroeger in Drenthe werden aangelegd als veekering. Uit de verklaring van Bierema blijkt bovendien dat in dit voormalige kleine beekdal nooit houtwallen hebben gelegen en evenmin in het nadien gevormde heide-ontginningslandschap. Ook schaadt de wal de transparante erfgrens van het voormalige boerenerf [naam boerenerf] .
4.4.4.
Ter zitting hebben eisers en hun deskundige de in 4.4.3 beschreven verklaringen niet weersproken. Wel is door de deskundige van eisers gewezen op eerder toegestane aantastingen van het landschap, waaronder een nabijgelegen bos en de woningen van derde-partijen. Deskundige Bierema heeft daar ter zitting op gereageerd door aan te geven dat altijd sprake is van een transformatie van het landschap, maar dat de aangevraagde houtwal niet past in het landschapspatroon en een grote afwijking is. Ook deskundige Schengenga stelt in zijn verklaring dat de houtwal onevenredig afbreuk doet aan landschappelijke waarden.
4.4.5.
Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van de rechtbank de aarden wal ook in strijd met de bestemming ‘waarde – beekdal’ in het omgevingsplan.
Strijd met de vergunningplicht voor het ophogen
4.5.
De vergunningplicht voor het ophogen van gronden geldt gelet op artikel 37.3, onder b, aanhef en onder 1, van de planvoorschriften niet voor normaal agrarisch gebruik. ‘Normaal agrarisch gebruik’ is in artikel 1, onder ttt, van de planvoorschriften gedefinieerd als het regulier gebruik, dat gelet op de bestemming regelmatig noodzakelijk is voor een goede grondgebonden agrarische bedrijfsvoering en grondgebonden agrarisch gebruik van de gronden. In het primaire besluit, noch in het wijzigingsbesluit of de beslissing op bezwaar is gemotiveerd waarom geen sprake zou zijn van normaal agrarisch gebruik in de zin van deze bepaling. Ook om die reden is sprake van strijd met het motiveringsbeginsel.
4.5.1.
In het verweerschrift en ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het aanleggen van de aarden wal niet is aan te merken als normaal agrarisch gebruik omdat deze activiteit niet regelmatig plaatsvindt. Daarom gold er een vergunningplicht voor het aanleggen van de aarden wal. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen in haar uitspraak van vandaag, op het beroep met zaaknummer LEE 25/1837, onder 4.2.1.4, is het aanleggen van de aarden wal niet aan te merken als normaal agrarisch gebruik omdat dit niet regelmatig plaatsvindt. Daarom was een vergunning vereist voor het aanleggen van de aarden wal. Omdat eisers dit hebben gedaan zonder de benodigde vergunning is sprake van een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.
Toepassing 6:22 van de Awb
4.6.
In het bovenstaande oordeelt de rechtbank dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijk motivering. Artikel 6:22 van de Awb bepaalt dat een besluit ondanks gebreken in stand kan blijven, mits aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Eisers zijn naar het oordeel van de rechtbank niet benadeeld door de schending van de motiveringsplicht en het college heeft in het aanvullend verweerschrift de gebreken hersteld.
Strekt de last niet verder dan nodig is om de overtreding te beëindigen?
5. Eisers hebben ter zitting gesteld dat, voor zover het college stelt dat een wal van deze omvang niet past binnen de bestemming ‘agrarisch’, de opgelegde last verder strekt dan nodig om de overtreding te beëindigen. Mogelijk zou een lagere wal wel passen binnen de bestemming, mede gelet op hetgeen door deskundigen is opgemerkt over de traditionele verschijningsvormen van houtwallen. In dat geval zou de last niet moeten strekken tot het verwijderen en verwijderd houden van de hele wal, maar bijvoorbeeld tot het verlagen van de wal, zodat deze kan worden aangemerkt als een houtwal die traditioneel als veekering werd gebruikt en daarmee past binnen de bestemming.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Een lagere aarden wal zou in beginsel functioneel kunnen zijn binnen een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering en daarmee niet in strijd met de bestemming ‘agrarisch’. Maar met het college is de rechtbank van oordeel dat uit de deskundigenverklaringen blijkt dat de wal gelet op de ligging - ongeacht de hoogte - in strijd is met de bestemming ‘waarde – beekdal’ in het omgevingsplan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Gelet op het gebrek in het bestreden besluit (rechtsoverweging 4.1) moet het college wel het griffierecht aan eisers vergoeden. Ook ziet de rechtbank daarin aanleiding om het college te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van eisers. Voor de berekening van de proceskosten verwijst de rechtbank naar de uitspraak in het beroep met zaaknummer LEE 25/1837.
7. Het bestreden besluit was geschorst als gevolg van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juni 2026 in zaak LEE 26/979. Als gevolg van deze uitspraak vervalt deze schorsing en herleeft de opgelegde last. Om te voorkomen dat eisers onmiddellijk dwangsommen verbeuren treft de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening. De last onder dwangsom wordt geschorst tot twaalf weken na de verzending van deze uitspraak. Met deze termijn sluit de rechtbank aan bij de begunstigingstermijn in het wijzigingsbesluit. Dit betekent dat eisers na het verstrijken van deze periode de gestelde dwangsommen verbeuren indien zij niet aan de opgelegde last voldoen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
schorst bij wijze van voorlopige voorziening de werking van het besluit van het college tot oplegging van een last onder dwangsom tot twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
veroordeelt het college tot betaling van € 3.301,89 aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Knuttel, rechter, in aanwezigheid van mr. E.D.M. Nijbroek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2026.
griffier
rechter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen (artikel 8:77, derde lid, van de Awb).
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop een afschrift van deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Gemeentewet
Artikel 125
Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.
De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.
(…)
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:1
In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
(…)
Artikel 5:31d
Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Artikel 5:32
Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
(…)
Omgevingswet
Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
Een omgevingsplanactiviteit,
(…)
Bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet
omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende:
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan;
Bestemmingsplan Buitengebied Tynaarlo
Artikel 3 Agrarisch
3.1
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven;
de uitoefening van intensieve veehouderijbedrijven, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’;
de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in combinatie met een bestaande niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;
e uitoefening van een agrarisch loonbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch loonbedrijf’;
cultuurgrond;
met daaraan ondergeschikt:
veldschuur, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – veldschuur’;
ijsbaan, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘ijsbaan’;
kleinschalige verblijfsrecreatie, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘kampeerterrein’;
mestopslagplaats, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - mestopslagplaats';
het opwekken van elektriciteit en/of de productie van bio-ethanol door middel van (co-)vergisting, met dien verstande dat dit uitsluitend is toegestaan voor zover gebruik wordt gemaakt van eigen geproduceerde mest en eigen en/of van derden afkomstige co-substraten worden toegevoegd, en de opgewekte energie en/of ethanol wordt ingezet op het eigen bedrijf;
gebruiksgerichte paardenhouderij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘paardenhouderij’;
het wonen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering, al dan niet in combinatie met:
een aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten in de milieucategorieën 1 en 2, die zijn genoemd in de bij deze regels behorende Staat van bedrijven, dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid;
een bed and breakfast;
wonen in voormalige agrarische bedrijfswoningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning’;
kleinschalige begraafplaats, ter plaatse van de aanduiding ‘begraafplaats’;
recreatief medegebruik;
behoud van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden;
het behoud en de bescherming van mogelijke archeologisch en cultuurhistorisch waardevolle pingoruïnes;
met de daarbij behorende:
wegen en waterlopen, fiets- en voetpaden, parkeervoorzieningen en overige infrastructurele voorzieningen;
nutsvoorzieningen;
waterhuishoudkundige voorzieningen;
groenvoorzieningen;
met dien verstande dat:
ter plaatse van de aanduiding 'houtwal' mede het behoud, het herstel en de ontwikkeling van opgaand groen is begrepen;
ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ mede het behoud en herstel van de monumentale bebouwing is begrepen;
het behoud van monumentale bomen wordt nagestreefd, ter plaatse van de aanduiding 'monumentale boom'.
De bestemming Recreatief medegebruik is beperkt tot de inrichting en het gebruik van dagrecreatieve voorzieningen in de vorm van voet-, fiets- en ruiterpaden, picknickplaatsen, parkeervoorzieningen, de inrichting van visoevers en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen.
Artikel 37 Waarde – Beekdal
37.1
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘waarde – beekdal’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van het beekdal.
Hieronder worden het behoud, herstel en ontwikkeling van de volgende essentiële ruimtelijke kenmerken begrepen:
grote mate van kleinschaligheid;
vrij meanderende beken;
samenhangend complex van essen, bossen, heides en moderne ontginningen.
37.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden of aanlegplaatsen;
het graven en dempen van sloten en andere watergangen, het vergroten of verkleinen van het doorstromingsprofiel, het aanbrengen of verwijderen van kunstwerken, zoals dammen en stuwen;
het aanbrengen van opgaande beplanting;
ophogen, ontgronden, egaliseren en diepploegen;
het wijzigen van het greppelsysteem en het aanbrengen van drainage;
het verharden van wegen en paden;
het verharden of verwijderen van onverharde wegen.
Het sub a vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
het normale onderhoud en/of het normale agrarische gebruik betreffen;
reeds in uitvoering zijn of aanwezig zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;
ter uitvoering van het Inrichtingsplan Groene Buffer Peizermade, basisplan plus, 7 juli 2011 van Arcadis, zoals opgenomen als bijlage bij de toelichting (ruimtelijke onderbouwing Groene Buffer Peizermade), worden uitgevoerd.
Voor zover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken.
De sub a bedoelde vergunning mag geen onevenredige afbreuk doen aan de in lid 37.1 omschreven waarden.
Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juni 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2162.
Zaaknummers respectievelijk LEE 26/979 en LEE 25/1837.
Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juni 2026, ECLI:NL:RBNNE:2025:5925.
Dat volgt uit artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Artikel 3.1 (agrarisch) en artikel 37.1 (waarde-beekdal) van het bestemmingsplan.
Artikel 37.3 van het bestemmingsplan.
Uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2105.
Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2592, r.o. 3.1. over het passeren van een motiveringsgebrek en uitspraken van de Afdeling van 28 augustus 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE6927 en 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1970, over het passeren van een schending van artikel 5:9 van de Awb.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2847, r.o. 1.1. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|