Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:9606 
 
Datum uitspraak:12-08-2026
Datum gepubliceerd:14-08-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 25/4407
Rechtsgebied:Bestuursstrafrecht
Indicatie:Boete opgelegd aan pluimveehouder omdat de kuikens bij vervoer onvoldoende vloeroppervlak hadden. Geen twijfel aan de bevindingen en berekening van de toezichthouder. Uitgegaan van gemiddeld gewicht van alle kuikens uit de stal; niet gebleken dat dit niet representatief zou zijn. Boete wordt wel verder verlaagd vanwege tijdsverloop o.g.v. interne werkinstructie verweerder. De rechtbank ziet geen reden voor verdere matiging.
Trefwoorden:landbouw
pluimvee
stallen
 
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/4407

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 in de zaak tussen


[eiseres], te [plaats], eiser,
(gemachtigde: F.Th.M. Peters),

en


de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder,
(gemachtigde: mr. M. Schouten).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 1.275,- die verweerder met het besluit van 13 december 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de overtreding terecht heeft vastgesteld maar dat het beroep gegrond is omdat de boete moet worden gematigd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.



1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.





Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 29 april 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.




Totstandkoming van het bestreden besluit


3.1.
Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op
8 augustus 2023 is opgemaakt door een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De toezichthouder heeft op 5 december 2022 rond 6:30 uur bij een slachthuis geloste containers met kuikens afkomstig van eiseres gecontroleerd. Over zijn bevindingen bij die controle schrijft de toezichthouder onder meer:
“Ik zag in de container met nummer 1194-19 afkomstig van wagen 35 […] twee lades (de één en twee na bovenste lade van de container), die heel erg vol waren met kuikens en de lade erboven leek bijna leeg. Dit was de op 4 na laatste stapel containers van deze wagen. Ik zag om 08:00 uur toen ik bij de verdover stond, dat in container 1002-19 ook een volle lade zat […]. Ook in vergelijking met de andere lades/containers waren deze drie lades erg vol. Verder zag ik in de erg volle lades dat de kuikens, die al dicht op elkaar zaten ook nog eens extreem aan het hijgen waren van warmte/benauwdheid en meer onrust vertoonden dan de kuikens in de minder volle lades in deze en andere containers [..].

Ik heb de Poultry Welfare Officer (PWO) dit voorval gemeld. Hij meldde mij dat dit de containers van wagen 35 met volgnummers 5 en 6 waren. Op het dagoverzicht vervoer zag ik dat deze wagen van koppels 5 en 6 was […] en dat de kuikens afkomstig waren uit stallen 2 en 3 van [eiseres] […].

Rond 08:15 uur heb ik container 1194-19 niet laten kantelen, maar voorbij de kantelaar de twee volle lades laten tellen. De operator heeft de kuikens eruit gehaald en ik heb ze geteld. Er zaten in totaal 49 en 47 kuikens in de respectievelijk één na en twee na bovenste volle lade van container 1194-19.


Volgens het dagoverzicht vervoer waren er 32 kuikens per lade gepland […]; dit komt neer op een overschrijding t.o.v. de planning van respectievelijk 53 en 47%. Ik heb niet kunnen vaststellen of er dode kuikens in deze lades zaten, aangezien ze allemaal al door de gasverdover waren geweest.

Bij berekening qua aantal kilo’s komt dit neer op een overschrijding van respectievelijk 46,5 en 40,5%. De koppel had een gemiddeld gewicht van 2,467 kg (voor gegevens zie bijlage slachtgegevens; dat de kuikens uit de getelde lades afkomstig waren uit stal 2 bleek mij uit dat op laadbon 202222301 container 1194-19 bij stal 2 staat). Met 49 en 47 kuikens in een lade kom je dan op een gemiddeld gewicht van respectievelijk 120,9 en 115,9 kg in deze lades. Er mag maximaal 82,5 kilo netto per lade geladen worden bij kuikens tussen de 1,6 en 3 kilo lichaamsgewicht (zie Verordening (EG) nr. 1 /2005, Onderdeel E, hoofdstuk 7, Bijlage 1 en bijlage beladingsdichtheid Storteboom).
[…]

Ik zag op de laadbon 202222301 van wagen 35 dat alle stapels van stal 2 (koppel 5) waren behalve de laatste stapel van deze wagen, deze was van stal 3 (koppel 6). De kuikens in containernummer 1194-19 waren afkomstig uit stal 2 (koppel 5) (zie bijlage laadbon). Ik had bij de Poultry welfare officer en bij de operator geverifieerd dat de container met nummer 1194-19 van vrachtwagen 35 (met volgnummers 5 en 6) van koppels 5 en 6 was.

[…]

Gezien de hoeveelheid kuikens in meerdere lades was er sprake van ruimtegebrek per dier, waardoor de kuikens erg op elkaar gedrukt zaten in deze lades. De overbelading van de lades heeft onnodig lijden bij de kuikens veroorzaakt, omdat de kuikens door het ruimtegebrek het erg warm/benauwd hadden. Doordat de kuikens zichtbaar aan het hijgen waren en erg onrustig waren weet ik dat ze het erg benauwd en warm hadden. Dit is lijden, want als er minder dieren in gezeten hadden was dat niet het geval geweest. In de andere lades (niet overvol) zag ik geen kuikens die het erg warm/benauwd hadden, maar kuikens die rustig naast elkaar zaten en niet tot een beetje hijgden, maar daar zag ik niet het hele lijf meehijgen en de onrust bij de kuikens om lucht/ruimte te krijgen.

Tijdens het vangen door de vangploeg (zie bijlage dagoverzicht vervoer en laadbon 202222301) zijn er teveel kuikens in meerdere lades gedaan. Verder was er onregelmatig geladen, want er waren ook legere lades.


Hierdoor werd niet voorkomen dat de kuikens in de overbeladen lades tijdens het verplaatsen lijden bespaard bleef en dat hun veiligheid was gegarandeerd, met als gevolg zeer veel benauwde kuikens in deze lades. De houder op de plaats van vertrek is hiervoor verantwoordelijk.”



3.2.
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “Het is verboden dieren te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren letsel en onnodig lijden berokkent. De dieren beschikten, gelet op hun grootte en op het voorgenomen transport, niet over voldoende vloeroppervlak en stahoogte.”
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren, en met artikel 3, aanhef en onder g, van de Transportverordening. Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 1.275,-.





Beoordeling door de rechtbank


Heeft verweerder bewezen dat eiseres de overtreding heeft begaan?

4. Eiseres voert aan dat de kuikens in de betreffende lade niet zijn gewogen, maar alleen geteld, na verdoving. Nergens staat in het rapport beschreven op welke wijze geborgd is dat exact de kuikens zijn geteld die in de betreffende containers zaten. Vervolgens zijn de gewichten van de kuikens bepaald door deductie en eiseres vindt die rekenmethodiek niet valide. In de stal zijn namelijk twee plaatsen waar kippen beduidend minder snel groeien: bij de ingang en aan de buitenranden. Dat heeft alles te maken met rust/onrust en bereikbaarheid van water en voedsel, alsmede het natuurlijke gegeven dat niet alle dieren even snel groeien. Dat verklaart in deze zaak waarom het maar enige containers betreft. Daarbij komt dat lichtere kuikens (vaak) een voller en dichter verenkleed hebben dan zware kuikens. Dit alles betekent dat overbelading alleen betrouwbaar en controleerbaar is vast te stellen middels weging. Dit is echter niet gebeurd en daarom betwist eiseres de bevindingen.


4.1.
In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder mag daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.



4.2.
De rechtbank begrijpt uit het rapport van bevindingen dat de toezichthouder drie volle lades met kuikens zag, waaronder twee lades in dezelfde container. De toezichthouder heeft in het rapport het nummer van deze container genoemd en beschrijft dat zij later de container met hetzelfde nummer niet heeft laten kantelen waarna de operator de kuikens uit de twee volle lades heeft gehaald en de toezichthouder de kuikens heeft geteld. De rechtbank ziet dan ook geen reden om eraan te twijfelen dat de toezichthouder de kuikens uit de twee volle lades heeft geteld en ook alleen die betreffende kuikens. Verder heeft de toezichthouder aan de hand van de laadbon behorende bij die container vastgesteld dat het kuikens uit stal 2 betrof. Die laadbon is ook bij het rapport gevoegd. Uit de eveneens bij het rapport gevoegde slachtgegevens bleek de toezichthouder dat het gemiddeld gewicht van de kuikens 2,467 kg was. Eiseres vindt dat bij de berekening van de belading van een lade niet mag worden uitgegaan van dit gemiddelde gewicht van alle kuikens uit dezelfde stal, maar dit volgt de rechtbank niet. Zoals het CBb eerder heeft geoordeeld kan van verweerder niet worden verlangd dat hij iedere kuiken afzonderlijk weegt en mag verweerder, uit een oogpunt van praktische uitvoerbaarheid van de handhaving van de beladingsnorm, in redelijkheid uitgaan van het gemiddeld gewicht per dier. De rechtbank is ook niet gebleken dat in dit geval het gemiddelde gewicht van de stal niet voldoende representatief zou zijn voor de kuikens in de betreffende twee lades. Eiseres heeft gesteld dat in de twee lades sprake kan zijn geweest van lichtere kuikens dan gemiddeld, afkomstig uit een specifiek deel van de stal, maar heeft dit niet onderbouwd. Ook heeft zij haar stelling in bezwaar dat een gewichtsverschil van 0,7 kg per kuiken mogelijk is, in het geheel niet onderbouwd. Los daarvan acht de rechtbank gezien de in het rapport beschreven waarnemingen van de toezichthouder het ook niet aannemelijk dat de kuikens in de twee lades wel voldoende ruimte hadden. Zo beschrijft de toezichthouder dat de kuikens dicht op elkaar zaten, extreem aan het hijgen waren en meer onrust vertoonden dan in de minder volle lades. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat sprake was van overbelading in de twee lades en dat eiseres dus de overtreding heeft begaan.


Hoogte en evenredigheid van de opgelegde boete

5. Verder voert eiseres aan dat het voornemen en het rapport van bevindingen pas 22 maanden na de constatering van de toezichthouder aan eiseres bekend zijn gemaakt. Dit tijdsverloop is zodanig, dat dit een matigingsgrond voor de boete oplevert. Verweerder heeft de boete reeds gematigd met 15%, maar eiseres vindt dit geen recht doen aan de gevolgen van deze vertraging. Zo is eiseres bijna 2 jaar in het ongewisse geweest dat er iets op welzijnsterrein zou spelen terwijl in de versteken 22 maanden ongeveer 15 keer kuikens zijn weggeladen. Iedere preventieve werking is zo aan de handhaving komen te ontvallen.



5.1.
In de Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is voor deze overtreding een standaardboete van € 1.500,- vastgesteld. Verweerder heeft in het boetebesluit dit bedrag met 15 % verlaagd naar € 1.275,- omdat eiseres meer dan 14 maanden na de constatering daarvan op de hoogte is gesteld. In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat die matiging in overeenstemming was met de destijds geldende interne werkinstructie maar dat op basis van de thans geldende interne Werkinstructie matiging langdurige processen verdere matiging moet worden toegepast omdat bovendien de termijn tussen de dagtekening van het rapport van bevindingen en het boetebesluit meer dan 37 weken bedraagt. Verweerder stelt zich daarom thans op het standpunt dat de standaardboete met 20 % moet worden gematigd en vraagt de rechtbank de boete vast te stellen op € 1.200,-. Eiseres heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij deze matiging met 20 % te weinig vindt gezien het tijdsverloop. De rechtbank is het met eiseres eens dat het tijdsverloop in dit geval zeer aanzienlijk is geweest. Het rapport van bevindingen is acht maanden na de overtreding opgesteld en vervolgens is dit rapport met het voornemen ruim 13 maanden later naar eiseres verzonden en is eiseres dus toen pas op de hoogte gebracht van de constateringen van de toezichthouder. Daarmee is eiseres 22 maanden in het ongewisse geweest van de vastgestelde overtreding. De rechtbank ziet daarin evenwel geen reden voor verdere matiging van de boete. Eiseres benoemt de preventieve werking en wijst erop dat nadien 15 rondes kuikens naar het slachthuis zijn vervoerd, maar dit treft geen doel reeds nu eiseres ter zitting heeft verklaard dat er geen boetes meer zijn opgelegd voor overbelading. Daarbij mag van een pluimveehouder die regelmatig zijn kuikens naar het slachthuis laat vervoeren worden verwacht dat hij op de hoogte is van de regelgeving over de belading van de kuikens en erop toeziet dat bij het vervoer van zijn kuikens de normen daarvoor niet worden overschreden. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat eiseres door het tijdsverloop zodanig in haar belangen is geschaad dat de boete meer dan 20 % zou moeten worden gematigd. Met het rapport en alle daarbij gevoegde stukken, foto’s en video’s had eiseres voldoende materiaal om zich goed te kunnen verweren en de bevindingen tegen te kunnen spreken. Eiseres heeft hiervoor ook voldoende gelegenheid gehad middels de zienswijze, de bezwaarprocedure en in onderhavige procedure. Niet is gebleken dat eiseres in haar verdediging is geschaad. De rechtbank zal het standaardboetebedrag voor deze overtreding matigen met 20 %.





Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Omdat de rechtbank het boetebedrag verlaagt wordt het bestreden besluit in zoverre vernietigd en het boetebesluit in zoverre herroepen. De rechtbank stelt de boete vast op € 1.200,-.

7. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200,-.





Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het besluit van 29 april 2025, voor zover dat ziet op de hoogte van de boete;


herroept het primaire besluit, voor zover dat ziet op de hoogte van de boete;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit;


stelt de boete vast op € 1.200,-;


bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;


veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten van eiseres.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.




griffier rechter


Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Transportverordening

Artikel 3, aanhef en onder g

Het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent.
Bovendien moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
g) de dieren beschikken, gelet op hun grootte en op het voorgenomen transport, over voldoende vloeroppervlak en stahoogte;


Artikel 6, derde lid

De vervoerders vervoeren de dieren in overeenstemming met de technische voorschriften in bijlage I.


Bijlage I, Hoofdstuk VII, onderdeel E (voor zover relevant)

E. Pluimvee
Beladingsdichtheid voor het vervoer van pluimvee in containers
De minimumvloeroppervlaktes worden als volgt vastgesteld:







Pluimvee, behalve eendagskuikens: gewicht in kg


Oppervlakte in cm2 per kg




1,6 tot < 3


160








Wet dieren

Artikel 6.2, eerste lid

Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.


Artikel 8.7

Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.



Regeling houders van dieren

Artikel 4.8

Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet, worden aangewezen de artikelen 3 tot en met 9 en 12, van verordening (EG) nr. 1/2005 (…).



Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren
Artikel 2.2, eerste en onder b, en derde lid
1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:
b. categorie 2: € 1500



Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren


Bijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren

Regeling houders van dieren Categorie
Artikel 4.8, voor zover dat artikel betrekking heeft op de artikelen 2
3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 12 alsmede Bijlagen I, II en IV, voor zover
genoemd in de genoemde artikelen, van verordening (EG) nr. 1/2005


Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG


Zie onder meer ECLI:NL:CBB:2023:302 en ECLI:NL:CBB:2025:474


In ECLI:NL:CBB:2017:102 (r.o. 4.8)


Gelezen in samenhang met artikel 2.2 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren


Code BJZ-TBM-036, versie 08 van 8 oktober 2025
Link naar deze uitspraak