Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CBB:2026:380 
 
Datum uitspraak:18-08-2026
Datum gepubliceerd:18-08-2026
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:24/384
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Last onder bestuursdwang ter beëindiging van een overtreding en ter voorkoming van herhaling, en kostenbesluit. Schapen en lammeren werden onvoldoende beschermd tegen slechte weersomstandigheden en hadden niet de beschikking over een toereikende hoeveelheid gezond en geschikt voer. Beroep ongegrond. Geen sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of het beginsel van equality of arms. De minister heeft voldoende gelegenheid geboden voor het uitvoeren van een contra-expertise. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.
Trefwoorden:bestuursdwang
forfaitair
landbouw
perceel
taxatie
Wetreferenties:Wet dieren
 
Uitspraak
uitspraak


COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/384

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 augustus 2026 in de zaak tussen
Stichting Westlandse Schaapskudde, te Naaldwijk (stichting)
(gemachtigde: mr. J.L. Baar)

en


de minister (nu: de staatssecretaris) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigden: mr. P.M.M. van Bennekom en mr. E.M. Scheffer)

met als derde partij

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid)




Procesverloop in beroep

Met het besluit van 5 januari 2024 (last onder bestuursdwang) heeft de minister aan de stichting een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege overtreding van het Besluit houders van dieren (Bhd).

Met het besluit van 29 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de stichting ongegrond verklaard.

De stichting heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Met het besluit van 2 maart 2026 (kostenbesluit) heeft de minister de kosten van de toepassing van bestuursdwang met betrekking tot meerdere schapen en (pasgeboren) lammeren op € 50.086,23 vastgesteld. De stichting heeft het kostenbesluit betwist.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Over een aantal stukken die de minister verplicht is te overleggen, heeft hij meegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Het College oordeelt dat de gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. De stichting heeft het College toestemming verleend om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen.

De zitting was op 22 mei 2026. Namens de stichting hebben aan de zitting deelgenomen: [naam 1] en de gemachtigde van de stichting. Namens de minister hebben [naam 2] , [naam 3] en de gemachtigden van de minister aan de zitting deelgenomen.

De stichting heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek heeft het College de Staat als partij aangemerkt.



Inleiding


1.1
Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.



1.2
Op 5 januari 2024 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een controle uitgevoerd bij de stichting. De bevindingen van deze controle zijn door de toezichthouders neergelegd in een rapport van bevindingen van 18 januari 2024 (rapport van bevindingen). Dit rapport van bevindingen vermeldt, voor zover hier van belang, de volgende constateringen:

“Controle 5 januari 2024
[…]
Op vrijdag 5 januari 2024 bevonden wij, toezichthouders [naam 2] , [naam 4] , en [naam 5] , ons, omstreeks 10.05 uur, aan de Oranjedijk Hoek van Holland binnen de gemeente Rotterdam. Wij werden vergezeld door toezichthoudend dierenarts van de NVWA [naam 6] […].

Wij zagen dat in een perceel naar schatting tussen de 28 a 31 volwassen schapen,
3 lammeren ouder dan 3 maanden en 9 pasgeboren lammeren, jonger dan 5 dagen oud, werden gehuisvest. […]
Wij zagen dat de schapen en lammeren geen beschutting hadden tegen slechte
weerinvloeden. Het regende en het waaide hard tijdens de controle. Het voelde erg koud aan tijdens de controle. Wij zagen dat de ondergrond doorweekt was door de regen. Ook op de hoger gelegen gedeelten van het perceel was de ondergrond erg nat. Wij hoorden soppende geluiden toen wij door het perceel liepen. Wij zagen diverse plassen water in het perceel. Wij dat pasgeboren lammeren tegen elkaar aan lagen op de natte ondergrond. Wij zagen dat deze
lammeren rilden van de kou. Wij zagen tevens pasgeboren lammeren met gebogen ruggen stonden en rilden van de kou. Wij zagen dat de lammeren doorweekt waren van de regen en de natte ondergrond. Wij zagen een aantal lammeren met een nog niet opgedroogde navelstreng. Wij zagen nageboortes liggen in het perceel. Wij weten gelet op het voorgaande dat de lammeren nog maar hooguit een dag tot enkele dagen oud waren. Wij zagen dat er nog diverse
hoogdrachtige schapen liepen die hoogstwaarschijnlijk op zeer korte termijn moesten lammeren. Wij zagen dit aan de uiterlijke kenmerken van een aantal van de aanwezige schapen. Wij weten dat het aflammeren in deze weersomstandigheden en het ontbreken van juiste huisvesting zeer nadelig kan zijn voor de gezondheid en het welzijn van de lammeren en schapen. [naam 6] bevestigde voorgaande.
[…]
Wij, toezichthouders […], zagen dat het gras op het perceel tot de grond toe afgevreten was. Wij zagen dat de schapen niet bijgevoerd werden. Wij hebben geen tekenen gezien die er op duiden dat er bijvoorbeeld hooi/kuilgras of brokken worden bijgevoerd. Wij zagen dat het grootste gedeelte van deze ooien ogenschijnlijk in een matige tot slechte voedingstoestand verkeerden. Echter konden wij ter plekke geen body conditie score uitvoeren. Wij weten dat er in de winterperiode in het gras zeer weinig voedingswaarde aanwezig is. Wij weten dat hoogdrachtige ooien en ooien met zogende lammeren veel energierijke voeding nodig hebben om zelf in een goede voedingstoestand te blijven en om voldoende melk aan te maken voor de zogende lammeren. Wij zagen dat de schapen/ooien en lammeren niet over voldoende gezond voer konden beschikken. [naam 6] bevestigde voorgaande. […]


Controle 9 januari 2024 bij opslaghouder:

[…] [naam 6] heeft samen met de dierenarts van de opslaghouder een body conditie (BCS) score uitgevoerd. De BCS heeft een schaal van 1 tot en met 5. Gewenst is een BCS van 3. […] Nadat bij alle 28 schapen/ooien een BCS uitgevoerd was werd duidelijk dat die
onvoldoende was. Bij 6 schapen/ooien was de BSC 1, bij 9 schapen/ooien 1.25, bij
11 schapen/ooien 1.5, bij 1 schaap/ooi 1.75 en bij 1 schaap/ooi 2.
[…]
Op 9 januari 2024 ontving ik, toezichthouder […], per email een bezoekverslag in een intakeformulier van de praktiserend dierenarts van de opslaghouder. Ik las onder andere het volgende in het bezoekverslag:

"Algemene Indruk: Intake dossier [naam 1] -Naaldwijk 28 Ooien met daarbij 3 oudere lammeren en 15 jonge lammetjes. Zijn bij opslaghouder gebracht vanwege de huisvesting. Stonden op een weiland met te weinig gras en geen schuilmogelijkheid dan wel plek om af te lammeren.
Lammeren in de wei af in deze winterse omstandigheden. Werden ook niet bijgevoerd terwijl voor lacterende ooien met lammeren er onder het zeer belangrijk is om voldoende te vreten en genoeg energie binnen te krijgen. Ze hebben een zeer matige conditie waardoor er ook geen/amper reserves zijn om de lammeren te voeden. Enkele ooien zullen waarschijnlijk binnenkort nog gaan lammeren. Voor specifieke opmerkingen per ooi - zie intake werkdocument. 2x kreupele ooi: zie intakedocument, 1x lammetjes wat kleiner en staat wat krom – wel gedronken en levendig. […]”



1.3
De veterinaire verklaring van 18 januari 2024 die als bijlage bij het rapport van bevindingen is gevoegd, vermeldt voor zover hier van belang het volgende:

“Mijn collega’s en ik, [naam 6] , zagen dat een aantal van de 9 kleine lammeren her en der met een opgebogen krom ruggetje liepen en dat enkele lammetjes ook stonden en lagen te bibberen/rillen. Dit en het feit dat alle lammetjes een zeer matig gevuld buikje toonden duidde erop dat de ooien maar weinig melk produceerden en dat de lammetjes het koud hadden. Daarnaast zagen we ook dat de kleine lammeren maar vooral ook de 3 halfwas lammeren bij diverse ooien probeerden melk te stelen. Dit doen lammeren niet vanuit weelde maar omdat ze te weinig voeding krijgen. […].

[naam 1] heeft zelf aangegeven dat hij zijn dieren hield en houdt volgens zijn eigen inzichten en filosofie. Het is mij in de tijd dat ik sinds eind 2019 bij inspecties bij dieren van [naam 1] betrokken ben, duidelijk geworden dat die manier van dieren houden en behandelen niet gebaseerd is op algemeen gangbare kennis en inzichten zoals die in de houderij van met
name schapen aanwezig is. [naam 1] berokkent door dat gebrek aan kennis en inzicht zijn dieren ernstige tekorten doordat hij bijvoorbeeld zijn dieren in herfst- en winterperiodes en perioden van voedselschaarste niet structureel bijvoert maar laat verschralen. Het zogenaamde verschralen is niets anders dan de dieren ernstige voedseltekorten laten ondergaan met als gevolg sterk vermageren en in een aantal gevallen zelfs verhongeren met de dood tot gevolg.”



1.4
Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de minister aan de stichting ter beëindiging van een overtreding en ter voorkoming van herhaling een last onder bestuursdwang opgelegd. Aan de last die is opgelegd vanwege overtredingen van artikel 1.6, derde lid, van het Bhd en artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd, is een geldigheidsduur van drie maanden verbonden. De last vermeldt onder meer het volgende:

“Overtreding 1: u heeft 29 volwassen schapen en 14 lammeren die u aan de Oranjedijk te Hoek van Holland niet in een gebouw houdt, geen bescherming geboden tegen slechte weersomstandigheden en daarmee samenhangende gezondheidsrisico’s.

Dit is een overtreding van artikel 1.6, derde lid, van het Besluit houders van dieren.

Herstelmaatregel
U kunt deze overtreding beëindigen door deze 29 schapen en 14 lammeren voldoende bescherming te bieden tegen gezondheidsrisico’s en slechte weeromstandigheden. Dit kunt u bijvoorbeeld doen door de schapen en lammeren te houden op land waar zij continu de beschikking hebben over een droog stuk land en daarbij beschutting bieden tegen neerslag, wind en kou.

Begunstigingstermijn
U moet deze overtreding uiterlijk voor 8 januari 2024, 9.00 beëindigen.
[…]

Last ter voorkoming van herhaling
U dient een overtreding van artikel 1.6, derde lid, te voorkomen voor elk schaap en lam dat u houdt. U kunt herhaling voorkomen door de schapen en lammeren die u houdt voldoende bescherming te bieden tegen gezondheidsrisico’s en slechte weeromstandigheden. Dit kunt u bijvoorbeeld doen door de schapen en lammeren te houden op land waar zij continu de beschikking hebben over een droog stuk land en daarbij beschutting bieden tegen neerslag, wind en kou.

Overtreding 2: u heeft de 29 volwassen schapen en 14 lammeren aan de Oranjedijk een ontoereikende hoeveelheid voer toegediend.

Dit is een van artikel 1.7, eerste lid onder e, van het Besluit houders van dieren.

Herstelmaatregel
U kunt deze overtreding beëindigen door deze schapen en lammeren toereikende hoeveel voer toe te dienen. Daarvoor kunt u de dieren extra ruwvoer toedienen of voldoende brokvoer. Het voer dient op een wijze gevoederd te worden zodat het voer niet besmeurd kan worden met grond/klei, mestresten en urine.

Begunstigingstermijn
U moet deze overtreding uiterlijk voor 8 januari 2024, 9.00 beëindigen.
[…]

Last ter voorkoming van herhaling
U dient een overtreding van artikel 1.7, eerste lid, onder e. van het Besluit houders van dieren te voorkomen voor elk schaap en lam dat u houdt. U kunt herhaling voorkomen door de schapen en lammeren die u houdt een toereikende hoeveelheid voer toe te dienen. Dit kan met ruwvoer of voldoende brokken.

Gevaar voor herhaling
Ik leg de last ook ter voorkoming van herhaling, omdat ik van oordeel ben dat herhaling van de overtredingen voor de hand liggen.

Motivering reikwijdte last ter voorkoming van herhaling
De last ter voorkoming van herhaling geldt voor alle schapen en lammeren die u houdt. Dit komt omdat de norm die u heeft overtreden een algemene zorgnorm is die niet locatiegebonden is. Voor elk dier dat u houdt, op welk land dan ook, geldt deze zorgnorm waar u zich aan moet houden.”



1.5
Op 8 januari 2024 hebben toezichthouders van de NVWA een hercontrole uitgevoerd. De toezichthouders constateerden tijdens deze hercontrole dat de stichting niet had voldaan aan de maatregelen 1 en 2 van de last onder bestuursdwang. Deze bevindingen zijn opgenomen in het rapport van bevindingen van 18 januari 2024. Daarom heeft de minister 28 volwassen ooien, drie lammeren ouder dan drie maanden en 15 pasgeboren lammeren meegevoerd en opgeslagen.



1.6
Op 17 januari 2024 heeft de minister bij een hercontrole opnieuw geconstateerd dat de schapen niet de beschikking hadden over een toereikende hoeveelheid voer en onvoldoende werden beschermd tegen slechte weersomstandigheden. De bevindingen van deze hercontrole zijn neergelegd in het rapport van bevindingen van 25 januari 2024. Daarom heeft de minister 36 schapen meegevoerd en opgeslagen.



1.7
Op 19 januari 2024 heeft de minister bij een controle opnieuw geconstateerd dat de schapen niet de beschikking hadden over een toereikende hoeveelheid voer en onvoldoende werden beschermd tegen slechte weersomstandigheden. De bevindingen van deze hercontrole zijn neergelegd in het rapport van bevindingen van 25 januari 2024. Daarom heeft de minister drie schapen en één lam meegevoerd en opgeslagen.



1.8
De stichting heeft tegen de last onder bestuursdwang bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek met zijn uitspraak van 20 februari 2024, ECL:NL:CBB:2024:118 toegewezen in die zin dat de minister de in bewaring genomen schapen van de stichting niet mag verkopen zolang hij niet heeft beslist op het bezwaar en voor het overige afgewezen.



1.9
Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van de stichting ongegrond verklaard en de last onder bestuursdwang gehandhaafd. De stichting is het daarmee niet eens.



1.10
De kosten voor het toepassen van de bestuursdwang heeft de minister in rekening gebracht met het kostenbesluit, zoals hiervoor vermeld in het procesverloop.




Wettelijk kader

2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.



Beoordeling van het beroep

3 Aan de orde zijn de vragen of de minister de bezwaren van de stichting tegen de last onder bestuursdwang terecht ongegrond heeft verklaard en de kosten van de toepassing van bestuursdwang terecht bij de stichting in rekening heeft gebracht. Het College beantwoordt deze vragen bevestigend en licht dit hieronder toe.


Is de last onder bestuursdwang terecht opgelegd?



4.1
Aan de last onder bestuursdwang heeft de minister het rapport van bevindingen van 18 januari 2024 en de veterinaire verklaring van dezelfde datum ten grondslag gelegd. Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, als de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Als de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.



4.2
In deze zaak heeft de minister aan de stichting een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege overtreding van artikel 1.6, derde lid, en artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd. De stichting betwist dat zij deze bepalingen heeft overtreden. De door de stichting gehouden schapen en lammeren zijn van een ras dat goed bestand is tegen slechte weersomstandigheden en geen behoefte heeft aan bijvoedering. De eisen die aan de bescherming van deze dieren tegen slechte weersomstandigheden en de toediening van voldoende gezond en geschikt voer moeten worden gesteld zijn daarom anders dan gebruikelijk. Volgens de stichting blijkt uit de door haar overgelegde verklaringen van deskundigen en filmbeelden, dat de conditie van de schapen goed was en dat zij dus van voldoende voeding en drenking werden voorzien. Zij verwijst naar de inhoud van de wolvezelanalyse die zij heeft laten uitvoeren en waaruit volgens haar blijkt dat de voedingsconditie (of de gezondheid) van de dieren op orde was in de periode van de controles die tot de last onder bestuursdwang hebben geleid. Daarnaast is volgens de stichting de door de NVWA uitgevoerde beoordeling van de body condition score (bcs) voor haar type schapen niet betrouwbaar genoeg. De conditie zou niet, of niet alleen, aan de lendenwervel, maar (ook) op het borstbeen moeten worden bepaald. Verder zou het volgens de door de stichting ingeschakelde deskundige in de eerste 24 uur na de geboorte een normaal verschijnsel zijn dat lammeren rillen. Dit is volgens hem een fysiologisch proces dat optreedt samen met de afbraak van bruin vet, een vettype dat vrijwel uitsluitend bij pasgeboren dieren aanwezig is. Deze processen dienen als energiebron om de periode te overbruggen totdat de opname van biest en de vertering daarvan goed op gang is gekomen. De stichting meent dat de minister onvoldoende gemotiveerd is voorbijgegaan aan wat zij naar voren heeft gebracht. Tot slot wijst zij erop dat het patiëntendossier summier is, dat de dieren sterk zijn, dat zij weinig gebruik maakt van de dierenarts en dat het sterftecijfer de afgelopen tien jaar onder het landelijk gemiddelde ligt.



4.3
Het College oordeelt dat de minister terecht heeft vastgesteld dat de stichting artikel 1.6, derde lid, en artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd heeft overtreden, zodat de minister bevoegd was om hiertegen handhavend op te treden. De bevindingen die gedetailleerd in het rapport zijn beschreven en in 1.2 weergegeven worden ondersteund door de bij het toezichtrapport gevoegde veterinaire verklaring van de dierenarts en foto’s. Daar komt bij dat artikel 1.6, derde lid, en artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd aan houders van dieren weliswaar de ruimte laten om zelf invulling te geven aan de wijze waarop zij aan de normen uit het Bhd voldoen, maar dat neemt niet weg dat de doelen – in dit geval voldoende schuilgelegenheid en een toereikende hoeveelheid gezond en geschikt voer – wel moeten worden bereikt. Volgens de nota van toelichting bij deze bepalingen gaat het om normen met een universele gelding waarvan het voor zich spreekt dat deze in acht moeten worden genomen. De normen zijn te beschouwen als basiseisen die bij het houden van dieren in ieder geval in acht genomen moeten worden. Dat betekent dat ook deze lammeren en schapen bescherming moet worden geboden tegen slechte weersomstandigheden, ook al zijn zij daar wellicht beter dan andere soorten tegen bestand, en dat zij over voldoende gezond en geschikt voer moeten kunnen beschikken.



4.4
Uit het rapport van bevindingen van 18 januari 2024 blijkt dat de stichting niet aan deze basiseisen voor het houden van dieren heeft voldaan. Zo vermeldt het rapport van bevindingen dat het tijdens de controle op 5 januari 2024 regende, hard waaide en dat het koud aan voelde. De ondergrond van het perceel was doorweekt door de regen, met diverse plassen water. Er was geen beschutting tegen slechte weerinvloeden. De lammeren stonden met gebogen ruggen en rilden van de kou. Sommige lammeren waren hooguit een paar dagen oud en diverse schapen waren hoogdrachtig. De toezichthoudend dierenarts heeft bevestigd dat het aflammeren in deze weersomstandigheden en ontbreken van de juiste huisvesting zeer nadelig kan zijn voor de gezondheid en het welzijn van de lammeren en schapen. Het rapport van bevindingen vermeldt verder dat het gras op het perceel tot de grond toe afgevreten was en de schapen niet werden bijgevoerd. In de winter heeft het gras weinig voedingswaarde. Het grootste deel van de schapen (ooien) verkeerde ogenschijnlijk in een matige tot slechte voedingstoestand. Dit wordt bevestigd door de bcs die op 9 januari 2024, vier dagen na de controle, is uitgevoerd op de meegevoerde schapen. Een gewenste score is 3. Een score van 1 betekent “slecht” en een score van 2 “matig”. Alle schapen scoorden niet hoger dan 2, waarvan 26 schapen een score hadden van 1,5 of minder. Hoogdrachtige ooien en ooien met zogende lammeren hebben veel energierijke voeding nodig om zelf in een goede voedingstoestand te blijven en om voldoende melk aan te maken voor de lammeren. Uit de veterinaire verklaring van 18 januari 2024 blijkt dat de lammeren zeer matig gevulde buikjes toonden, wat erop duidde dat de ooien maar weinig melk produceerden. Ook blijkt uit de veterinaire verklaring dat kleine lammeren en halfwas lammeren bij diverse ooien melk probeerden te stelen. Dit duidt erop dat zij te weinig voeding kregen.
De bevindingen zijn nauwkeurig en uitvoerig beschreven en sluiten aan bij wat te zien is op de bij het rapport gevoegde foto’s.



4.5
De stichting heeft verwezen naar diverse verklaringen van door haar ingeschakelde dierenartsen, te weten de verklaringen van mr. drs. [naam 7] van 10 februari 2024, 15 februari 2024, 20 maart 2024, 25 juli 2025 (wolvezelanalyse) en 21 mei 2026, de ongedateerde verklaring van [naam 8] en naar de door de stichting gemaakte filmbeelden van 7, 8, 17 en 18 januari 2024. Deze informatie doet het College niet twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouders en de dierenarts van de NVWA op 5 januari 2024.


4.5.1
Om te beginnen hebben de dierenartsen [naam 7] en [naam 8] hun verklaringen opgesteld op basis van de door de stichting gemaakte filmbeelden en hebben zij, anders dan de toezichthouders, de dieren en situatie niet op 5 januari 2024 (fysiek) ter plekke gezien. De beelden die zij hebben bekeken, zijn ook niet van de situatie op 5 januari 2024 zelf, de datum waarop de controle plaatsvond die heeft geleid tot oplegging van de last onder bestuursdwang. Deze omstandigheden maken dat hun verklaringen over wat de schapen en lammeren nodig hadden, veel minder overtuigend zijn dan bevindingen van de toezichthouders en de dierenarts van de NVWA,



4.5.2

[naam 7] heeft verklaard dat bijvoederen voor schapen van dit ras over het algemeen niet nodig is. Uit de bevindingen van de toezichthouders blijkt dat dat in dit concrete geval anders was. Zij hebben waargenomen dat het perceel tot de grond was afgevreten. Daarnaast hebben zij en de dierenarts waargenomen dat de schapen in een matig tot slechte voedingstoestand verkeerden en dat de lammeren matig gevulde buikjes hadden. De onvoldoende voedingstoestand wordt bevestigd door de vastgestelde bcs. De stelling van [naam 7] dat de conditiescore voor schapen van dit ras beter op de manier uitgevoerd kan worden zoals voor geiten is ontwikkeld (op het borstbeen), kan, wat daar ook van zij, niet afdoen aan de waarneming van de toezichthouders. In de conclusie bij de door hem uitgevoerde wolvezelanalyse schrijft [naam 7] dat deze analyse geen aanknopingspunten biedt voor een periode van ondervoeding van de bemonsterde schapen. Deze uitkomst is niet voldoende om te twijfelen aan de door de toezichthouders en dierenarts in het veld waargenomen voedingstoestand van de schapen en doet ook niet af aan de vastgestelde, lage, bsc van de schapen. [naam 7] en [naam 8] hebben ook gesteld dat de vacht van dit schapenras voldoende bescherming biedt tegen slechte weersomstandigheden. Daar staat tegenover dat de dierenarts van de NVWA erop heeft gewezen dat de dieren dan wel in een goede gezondheid en voedingstoestand moeten verkeren. Dit was bij deze schapen niet het geval terwijl de schapen en lammeren ook niet over een droge ligplaats konden beschikken.




4.6
Wat de stichting naar voren heeft gebracht over de gezondheid en sterfte van haar dieren gedurende de laatste tien jaren levert ook geen grond op voor twijfel aan het rapport van bevindingen en de veterinaire verklaring. De minister heeft het standpunt van de stichting bestreden en erop gewezen dat sprake is van een onvolledige registratie door de stichting met betrekking tot (sterfte van) haar dieren. De stichting heeft daarop haar standpunt niet verder onderbouwd. Daarbij komt dat ook als er (nog) geen sprake is van sterfte of als de dieren niet ziek zijn geworden, de dieren moeten worden beschermd tegen slechte weeromstandigheden en gezondheidsrisico’s en een toereikende hoeveelheid gezond en geschikt voer moeten krijgen toegediend.



4.7
Tot slot merkt het College in dit verband nog het volgende op. Op 21 mei 2026 heeft de stichting een nader stuk ingediend met een reactie van [naam 7] op het verweerschrift van de minister. [naam 7] gaat in dit stuk met name in op de kanttekeningen die zijn geplaatst bij de wolvezelanalyse. Op de zitting heeft de minister te kennen gegeven dat hij vanwege het late tijdstip van indiening van dit stuk niet voldoende in staat was hierop te reageren. Het College heeft toen meegedeeld dat als het College zou overwegen aan de reactie van [naam 7] betekenis toe te kennen voor de uitkomst van het geding, de minister eerst nog in de gelegenheid zou worden gesteld om hierop schriftelijk te reageren. Nu hiervan gelet op het oordeel van het College zoals vermeld onder 4.5.2 geen sprake is, ziet het College geen aanleiding om tot heropening van het onderzoek over te gaan.



4.8
In wat de stichting naar voren heeft gebracht, vindt het College onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de bevindingen die in het rapport van bevindingen en de veterinaire verklaring zijn opgenomen. De minister heeft daarom terecht vastgesteld dat de stichting artikel 1.6, derde lid, en artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd heeft overtreden. Hij was dan ook bevoegd tot het opleggen van de last onder bestuursdwang en heeft de bezwaren van de stichting tegen deze last terecht ongegrond verklaard.



4.9
De beroepsgronden slagen niet.


Zorgvuldigheid en equality of arms




5.1
De stichting stelt dat er sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat de door haar ingeschakelde dierenarts niet in de gelegenheid is gesteld om de dieren na inbewaringneming in de opvang aan een fysiek onderzoek te onderwerpen. De stichting heeft de overtredingen betwist en na bewaring herhaaldelijk verzocht die dieren te mogen laten onderzoeken. Zo is het voorstel gedaan om een dierenarts dat onderzoek te laten uitvoeren zonder dat de stichting daarbij zou zijn en zonder dat de locatie van de dieren aan haar bekend zou worden gemaakt. De opslaghouder zou daar echter geen toestemming voor hebben verleend vanwege doodsbedreigingen (niet door de stichting) in andere kwesties. Hierdoor kon de contra-expertise niet plaatsvinden zonder dat een passend alternatief voorhanden was. Er was volgens de stichting geen gegronde reden om een dergelijke contra-expertise, die volgens de stichting wenselijk is in verband met het beginsel van equality of arms, te weigeren. Dat de contra-expertise pas enige tijd na de inbeslagname zou hebben plaatsgevonden, maakt volgens de stichting niet uit. Daaraan had een deskundige dierenarts in zijn rapportage aandacht kunnen besteden.



5.2
Het College is van oordeel dat er geen sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of het beginsel van equality of arms.


5.2.1
Allereerst volgt het College de stichting niet in haar standpunt dat zij niet in staat is gesteld een contra-expertise uit te laten voeren. Zoals de minister naar voren heeft gebracht, waren de bevindingen die tot het opleggen van de last hebben geleid al op 5 januari 2024 gedaan en is de last op dezelfde datum opgelegd. Op dat moment stonden de schapen nog op de percelen van de stichting en door de last en het telefoontje van de toezichthouders wist de stichting toen welke overtredingen haar verweten werden en wat van haar verwacht werd. De stichting had haar schapen dan ook op vrijdag 5 januari 2024 of anders voordat de dieren op 8, 17 en 19 januari 2024 werden meegevoerd en opgeslagen, zelf kunnen laten onderzoeken door haar eigen dierenarts. De minister heeft onbestreden gesteld dat de stichting voor het eerst op de zitting bij de voorzieningenrechter op 15 februari 2024 te kennen heeft gegeven dat zij een contra-expertise wilde laten uitvoeren. Verder geldt dat titel 5.2 van de Awb geen verplichting bevat een belanghebbende in de gelegenheid te stellen tot het doen uitvoeren van een contra-expertise bij de opslaghouder. Toch heeft de minister de stichting daartoe in de gelegenheid gesteld. Omdat de opslaghouder waar de dieren van de stichting zich inmiddels bevonden vanwege doodsbedreigingen door een andere houder van wie de dieren bij hem waren ondergebracht niet wenste mee te werken aan een contra-expertise op zijn terrein, heeft de minister bepaald dat deze contra-expertise op een externe locatie kon plaatsvinden. De dieren moesten daarvoor op kosten van de stichting naar die locatie worden verplaatst. Van deze door de minister geboden mogelijkheid heeft de stichting geen gebruik gemaakt.



5.2.2
Daarnaast acht het College de mogelijkheid die de minister heeft geboden om de contra-expertise op een externe locatie te doen en om daarbij de kosten van een verplaatsing naar die locatie voor rekening van de stichting te laten komen in de gegeven omstandigheden niet onredelijk, omdat de dieren inmiddels waren meegevoerd en opgeslagen en de stichting de dieren zelf eerder had kunnen laten onderzoeken toen zij nog onder haar hoede waren. Het College is van oordeel dat de minister de stichting voldoende gelegenheid heeft geboden voor het uitvoeren van een contra-expertise. Dat de contra-expertise niet bij de opslaghouder kon plaatsvinden en dat extra kosten voor vervoer moesten worden gemaakt, maakt niet dat er geen reële mogelijkheid was voor het laten uitvoeren van een contra-expertise.



5.2.3
De beroepsgrond slaagt niet.






Kostenbesluit





6.1
Op grond van artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb is het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege mede gericht tegen het kostenbesluit, nu de stichting dit besluit betwist.



6.2
Volgens artikel 5:25, eerste lid, van de Awb geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.



6.3
Uit de stukken blijkt dat op 8 januari 2024, 17 januari 2024 en 19 januari 2024 bestuursdwang is toegepast en respectievelijk 28 volwassen ooien, drie lammeren ouder dan drie maanden en vijftien pasgeboren lammeren, 36 schapen, en drie schapen en één lam
zijn meegevoerd. Omdat de last onder bestuursdwang in stand blijft en er verder geen gronden zijn gericht tegen de toepassing van bestuursdwang, was het meevoeren en opslaan van de schapen en lammeren rechtmatig.



6.4
De stichting is het echter niet eens met de bij het kostenbesluit in rekening gebrachte kosten van de toegepaste bestuursdwang. Zo komen de taxatiefacturen 2024001, 2024003 en 2024004 de stichting bovenmatig voor. Volgens de stichting is niet duidelijk hoe in deze facturen op een tijdsbesteding van vier (2024003 en 24004) en zes uur (2024001) is uitgekomen voor het bezoek aan de opslaghouder voor een taxatie van drie schapen en één lam (2024003), 36 schapen (2024004) en 48 schapen (2024001), en het uitwerken van een summier rapport. Ook in verhouding tot de factuur 2024014 voor de taxatie van 106 dieren (vijf uur à € 120,- = € 600,-), welke zij op zichzelf niet betwist, zijn volgens de stichting de voor de tijdsbesteding in rekening gebrachte kosten (€ 720,- respectievelijk € 480,- en € 480,-) gelet op het aantal dieren en uren onevenredig hoog. Daarnaast heeft de stichting gewezen op overweging 2.2 van de uitspraak van het College van 19 september 2023, ECLI:NL:CBB:2023:514, waaruit volgens haar zou volgen dat vanwege een interne gedragsregel de taxatiekosten niet langer bij de overtreder in rekening worden gebracht.



6.5
Op de zitting heeft de minister uiteengezet dat zijn interne gedragsregel is dat taxatiekosten niet in rekening worden gebracht bij houders van hobbydieren, maar wel bij ondernemers. De stichting is geen houder van hobbydieren. Verder heeft de minister toegelicht dat de in rekening gebrachte uren van de taxatie bestaan uit reistijd (heen en terug), de duur van de taxatie zelf, het opstellen van het rapport en overige administratieve afwikkelingen. De minister heeft tevens uitgelegd dat de factuur 2024014 een hertaxatie betreft, een tweede taxatie in verband met de overdracht, van dieren die daarvoor allemaal al waren gezien.



6.6
Het College ziet gelet op de toelichting van de minister geen aanleiding voor het oordeel dat de taxatiekosten onredelijk hoog waren. Het College ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat het met de kostenbesluit in rekening gebrachte kosten redelijkerwijs niet of niet geheel voor rekening van de stichting behoren te komen. De minister heeft dus terecht geen aanleiding gezien om (deels) af te zien van kostenverhaal.



6.7
De beroepsgronden slagen niet.




Slotsom


7 Het College zal het beroep tegen het bestreden besluit en het kostenbesluit ongegrond verklaren. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.


Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn




8.1
De stichting heeft op de zitting verzocht om schadevergoeding in verband met het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.



8.2
In zaken als hier aan de orde geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduur gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.



8.3
De termijn is begonnen op de datum waarop de minister het bezwaarschrift ten aanzien van de last onder bestuursdwang heeft ontvangen, te weten op 24 januari 2024. Dit betekent dat op het moment van deze uitspraak de redelijke termijn van twee jaar met bijna zeven maanden is overschreden. Van factoren die aanleiding geven de overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd achten, is geen sprake. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, brengt dit mee dat de stichting recht heeft op een schadevergoeding van € 1.000,-.



8.4
De overschrijding van de redelijke termijn is geheel aan de rechterlijke fase toe te rekenen, omdat de bestuurlijke fase korter dan een half jaar heeft geduurd. Gelet hierop zal de Staat worden veroordeeld tot vergoeding van € 1.000,- aan immateriële schade aan de stichting.



8.5
De Staat zal worden veroordeeld in de door de stichting gemaakte proceskosten voor het doen van het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het College stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467,- (één punt met een wegingsfactor van 0,5 en een waarde per punt van € 934,-).





Beslissing

Het College:


verklaart het beroep tegen het bestreden besluit en het kostenbesluit ongegrond;


veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan de stichting van een vergoeding van € 1.000,- voor immateriële schade;


veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van de stichting tot een bedrag van € 934,-.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, mr. M.P. Glerum en mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. F.J.J. van West de Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.







w.g. M. van Duuren w.g. F.J.J. van West de Veer







Bijlage


Besluit houders van dieren


Artikel 1.6 Houden van dieren

[…]
3. Een dier wordt, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming
geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico's en zo nodig
roofdieren.
[...]

Artikel 1.7 Verzorgen van dieren

Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier:
[…]
e. een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van dier;
[...]
Link naar deze uitspraak