Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:5919 
 
Datum uitspraak:19-08-2026
Datum gepubliceerd:19-08-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:25/1000
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:De rechtbank is van oordeel dat het college de omgevingsvergunning voor het realiseren van een pre-mantelzorgwoning voor een periode van 10 jaar heeft mogen verlenen. Ondanks de matige milieukwaliteit ter plaatse van de pre-mantelzorgwoning vanwege de geurhinder van de nabijgelegen vleeskalverhouderij heeft het college kunnen stellen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook in het (mogelijke) gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op het perceel naast de pre-mantelzorgwoning heeft het college geen aanleiding behoeven te zien om de vergunning te weigeren vanwege de afstand van 50 meter tot de pre-mantelzorgwoning.
Trefwoorden:activiteitenbesluit
agrarisch
bestemmingsplan
buitengebied
geluidhinder
geurhinder
gewassen
intensieve veehouderij
omgevingsvergunning
perceel
stallen
vee
veehouderij
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 25/1000

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. R.A.M. Verkoijen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk, het college,
(gemachtigden: mr. S. Keywani en mr. R.H.A.G. Vervoort).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [woonplaats] (vergunninghouder).


Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor een pré-mantelzorgwoning. Eiseres is het niet eens met deze omgevingsvergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het geschil.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Dit betekent dat vergunninghouder gebruik mag maken van de pré-mantelzorgwoning. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Procesverloop

3. Vergunninghouder heeft een aanvraag ingediend voor het realiseren van een pré-mantelzorgwoning in een bestaand bijgebouw voor de duur van 10 jaar en voor het aanleggen van een uitweg op het perceel aan de [adres] in [plaats] .
Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning met het besluit van 12 december 2023 verleend. Met het bestreden besluit van 20 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning gebleven.

4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

5. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

6. De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: voor eiseres [naam] en [naam] , bijgestaan door mr. Q.L.A. Kuijpers, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college, en vergunninghouder, vergezeld door [naam] .




Beoordeling door de rechtbank


Inwerkingtreding Omgevingswet


7. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 17 oktober 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.


Vooraf


8. Op 17 oktober 2023 heeft vergunninghouder bij het college een aanvraag ingediend tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor een periode van tien jaar voor het realiseren van een pré-mantelzorgwoning van bijna 100 m2 in een bestaande schuur/berging en voor het aanleggen van een inrit/uitweg op het perceel aan de [adres] [adres] in [plaats] . Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied Mill en Sint-Hubert, Herziening 2018” (het bestemmingsplan) zijn de gronden, voor zover hier van belang, bestemd tot “Wonen”. Het bouwwerk voldoet niet aan het bestemmingsplan, omdat op grond van artikel 28.2.1 van de planregels per bestemmingsvlak niet meer dan één woning is toegestaan. Om het bouwplan mogelijk te maken heeft het college bij primair besluit van 12 december 2023 de gevraagde omgevingsvergunning verleend met een instandhoudingstermijn van 10 jaar met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 4, aanhef en onderdeel 11, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (het Bor). Bij de beslissing op het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit (het bestreden besluit) heeft het college dit besluit in stand gelaten.


Toetsingskader


9. De rechtbank stelt voorop dat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder 2º, van de Wabo slechts kan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.


Bespreking beroepsgronden

Strijd met een goede ruimtelijke ordening: aantasting woon- en leefklimaat

10. Eiseres, die een vleeskalverhouderij exploiteert aan de [adres] in [plaats] , is het niet eens met het bestreden besluit. Zij stelt dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en met de ‘Beleidsregel Pré-mantelzorgwoningen 2023 van de gemeente Land van Cuijk’, omdat ter plaatse van de pré-mantelzorgwoning geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Eiseres kan het college niet volgen in zijn stelling dat hiervan wel sprake is, omdat in het bestreden besluit is aangegeven dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de pré-mantelzorgwoning matig tot tamelijk slecht is.

11. Eiseres stelt dat sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de pré-mantelzorgwoning om twee redenen, te weten geurhinder en gezondheidsrisico’s wegens het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Deze punten zullen hierna achtereenvolgens worden besproken. Alvorens hiertoe over te gaan merkt de rechtbank op dat zowel in het bestreden besluit als in het beroep wordt verwezen naar de ‘Beleidsregel Pré-mantelzorgwoningen 2023 van de gemeente Land van Cuijk’. De rechtbank heeft geconstateerd dat deze beleidsregel met ingang van 25 oktober 2024 is komen te vervallen, dus vóór het nemen van het bestreden besluit, en is vervangen door de ‘Beleidsregel bijwoning met zelfstandige voorzieningen Land van Cuijk 2024’. De rechtbank stelt echter vast dat in beide beleidsregels is bepaald dat de omgevingsvergunning niet mag leiden tot een verstoring van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, dan wel een verstoring van een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het gebouw waarop de vergunning betrekking heeft. Afgezien daarvan dient bij toepassing van artikel 4, aanhef en onderdeel 11, van bijlage II van het Bor te worden voldaan aan een goede ruimtelijke ordening, zoals hiervoor reeds is aangegeven, waaronder ook een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt verstaan. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 juni 2021 overweegt de rechtbank volledigheidshalve dat met de normen met betrekking tot onder meer geur en geluid, waarop eiseres zich beroept, wordt beoogd zowel de belangen van de omwonenden bij een goed woon- en leefklimaat als de belangen van bedrijven bij een ongehinderde bedrijfsuitoefening te waarborgen. Degene die een bedrijf voert kan, omdat hij geconfronteerd kan worden met klachten van omwonenden over die milieugevolgen, aanvoeren dat op de betrokken locatie vanwege de milieugevolgen van zijn bedrijf geen goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd.


1. Geurhinder
Eiseres brengt naar voren dat vanwege geurhinder afkomstig van haar bedrijf het woon- en leefklimaat ter plaatse van de pré-mantelzorgwoning onaanvaardbaar wordt aangetast. Daarbij wijst zij erop dat de maximale waarde voor de voorgrondbelasting op een geurgevoelig object, die in dit geval bepalend is voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat, op grond van de ‘Verordening geurhinder en veehouderij Land van Cuijk 2024 inclusief normenkaart annex bebouwingscontour geur’ (de gemeentelijke geurverordening) 8,0 ou/m3 bedraagt. De voorgrondbelasting ter plaatse van de pré-mantelzorgwoning bedraagt echter 9,6 ou/m3 en niet 8,8 ou/m3, zoals vermeld in het bestreden besluit. Verder stelt eiseres dat in de beleidsregel ‘Ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder 2024 gemeente Land van Cuijk’ (de beleidsregel) is opgenomen dat bij een achtergrondbelasting gelijk aan of groter dan 19 ou/m3, dat gelijk staat aan 19% geurgehinderden, sprake is van een onvoldoende woon- en leefklimaat. Omdat in dit geval sprake is van een voorgrondbelasting van 9,6 ou/m3, dat eveneens gelijk staat aan 19% geurgehinderden, is hier sprake van een onvoldoende woon- en leefklimaat.

13. Het college heeft in zijn verweer hierover gesteld dat de voorgrondbelasting, die gezien de achtergrondbelasting van 13,4 ou/m3 in dit geval maatgevend is voor de geurhinder, ter plaatse van de pré-mantelzorgwoning inderdaad 9,6 ou/m3 bedraagt en niet 8,8 ou/m3, zoals in het bestreden besluit is aangegeven. Dit verandert de beoordeling in dit besluit dat sprake is van een ‘matige’ milieukwaliteit volgens het college echter niet. Bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat heeft het college gebruik gemaakt van de bijlagen 6 en 7 bij de Handreiking geurhinder en veehouderij. Nu de gemeente Land van Cuijk binnen een concentratiegebied valt, staat een voorgrondbelasting van 9,6 ou/m3 gelijk aan een geurhinderpercentage van 17%, welk percentage correspondeert met de milieukwaliteit ‘matig’. Indien sprake is van een ‘matige’ milieukwaliteit behoeft dit niet te betekenen dat hierom sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Weliswaar wordt bij een geurbelasting van 9,6 ou/m3 de geurnorm overschreden zoals eiseres terecht stelt, maar de overschrijding van de geurnorm is niet maatgevend voor de beoordeling of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het college vindt de milieukwaliteit ‘matig’ in dit geval aanvaardbaar. Daarbij heeft het college betrokken dat de pré-mantelzorgwoning in een overgangsgebied ligt tussen de bebouwde kom van [plaats] en [plaats] , naar het buitengebied toe, en dat de gronden rondom de locatie altijd een agrarische bestemming hebben gehad en er altijd agrarische bedrijvigheid heeft plaatsgevonden. Dit zal in de toekomst zo blijven. In een dergelijk geval mag worden uitgegaan van een hogere mate van acceptatie van geurhinder, aldus het college. Verder acht het college relevant dat de pré-mantelzorgwoning buiten de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied ligt waarvoor op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in de geurverordening een geurnorm van maximaal 35 ou/m3 mag worden vastgesteld. De maximale geurbelasting van 9,6 ou/m3 blijft hier ruimschoots onder. Bovendien betreft het hier slechts één woning die ook nog eens tijdelijk is. Ten slotte merkt het college op dat de beleidsregel waarnaar eiseres heeft verwezen is vastgesteld voor de beoordeling van de achtergrondbelasting en niet van de voorgrondbelasting. De achtergrondbelasting ter plaatse van de pré-mantelzorgwoning bedraagt 13,4 ou/m3, wat volgens de Handreiking gelijk staat aan een geurhinderpercentage van 15%. Hiermee wordt voldaan aan de beleidsregel.

14. Niet in geschil is tussen partijen dat in dit geval de voorgrondbelasting van 9,6 ou/m3 maatgevend is. Evenmin is de achtergrondbelasting in geschil. Met betrekking tot de voorgrondbelasting van 9,6 ou/m3 heeft het college ter zitting gesteld dat dit, bij nader inzien, correspondeert met de door eiseres gestelde 19% geurgehinderden, maar daarmee nog steeds met een matige milieukwaliteit. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt juist is. Voor zover het college in zijn verweerschrift heeft verwezen naar de bandbreedte uit artikel 6, eerste lid, van de Wgv voor wat maximaal aanvaardbaar kan zijn wat de geurbelasting betreft, overweegt de rechtbank het volgende. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2026 overweegt de rechtbank dat hier relevant is dat de gemeenteraad in de geurverordening voor dit deel van de gemeente gekozen heeft voor een maximaal aanvaardbare geurbelastingwaarde van 8,0 ou/m3. Dat is een indicatie dat de raad op milieuhygiënische gronden in dit deel van de gemeente een veel lagere geurbelastingswaarde maximaal aanvaardbaar vindt dan de volgens de Wgv in dit geval hoogst mogelijke waarde van 35 ou/m3. Bij het bepalen van zijn standpunt wanneer een geurbelasting een ontoelaatbaar nadelig gevolg voor het milieu is, moet het college die maximale waarde uit de gemeentelijke geurverordening betrekken evenals de omstandigheden van de situatie ter plaatse.
De rechtbank stelt vast dat het college bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in zijn verweerschrift niet alleen heeft volstaan met een enkele verwijzing naar de omstandigheid dat de geurbelasting blijft binnen de bandbreedte van maximaal 35 ou/m3die artikel 3 van de Wgv biedt om in een gemeentelijke geurverordening als geurbelastingswaarden op te nemen bij de ligging van een geurgevoelig object in een concentratiegebied buiten de bebouwde kom, maar ook heeft gekeken naar de omstandigheden ter plaatse. Het college heeft bij zijn beoordeling of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat mogen betrekken dat de pré-mantelzorgwoning in een overgangsgebied ligt tussen de bebouwde kom van [plaats] en [plaats] , naar het buitengebied toe, wat als zodanig niet is betwist, en de agrarische bestemming van de gronden rondom de locatie, waardoor mag worden uitgegaan van een hogere mate van acceptatie van geurhinder. Dat vergunninghouder in het verleden reeds meermaals bezwaar- en beroepsprocedures heeft ingesteld tegen verleende vergunningen aan eiseres ten behoeve van haar agrarisch bedrijf kan, wat hiervan ook zij, hierbij niet worden betrokken, omdat het gaat om een willekeurige persoon die welbewust op het platteland gaat wonen en had moeten en kunnen weten dat daar enige mate van geurhinder vanwege het houden van vee kan worden verwacht. Weliswaar wordt de gemeentelijke geurnorm in dit geval met 1,6 ou/m3 overschreden, maar het college heeft terecht gesteld dat de overschrijding van de geurnorm niet maatgevend is voor de beoordeling of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In dat kader verwijst de rechtbank naar genoemde uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2026, waarin is gesteld dat de maximale waarde in de gemeentelijke geurverordening zeker niet gelijk is aan de grens van ‘zonder meer ontoelaatbaar nadelig’. Het college heeft dan ook kunnen stellen dat ondanks de matige milieukwaliteit er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De rechtbank stelt echter vast dat het college zich in het verweer ten aanzien van de vraag of sprake is een overschrijding van de geurnorm op een ander standpunt stelt dan in het bestreden besluit, waarin is gesteld dat geen sprake is van een dergelijke overschrijding. Als gevolg hiervan heeft het college in het bestreden besluit ook niet gemotiveerd waarom desalniettemin sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met deartikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Deze beroepsgrond slaagt.

2. Spuitzones

15. Eiseres stelt dat binnen 50 meter rondom de locatie van de pré-mantelzorgwoning en de daarbij behorende tuin gronden met een agrarische bestemming zijn gelegen. Op grond van de doeleinden van deze bestemming is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van deze gronden mogelijk en die worden ook daadwerkelijk gebruikt, aldus eiseres. Zij wijst erop dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling een minimale afstand van 50 meter dient te worden aangehouden tussen een gevoelige functie en de agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt. Het aanhouden van een kortere afstand is alleen mogelijk als het bestuursorgaan de eventuele gevolgen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse heeft onderzocht. Van een dergelijk onderzoek is hier niet gebleken, aldus eiseres. Gelet hierop heeft het college niet kunnen oordelen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

16. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiseres dit argument niet in de bezwaarfase naar voren heeft gebracht, zodat het feit dat in het bestreden besluit hierop niet is ingegaan niet als een gebrek kan worden beschouwd.
17. Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat ook wat het aspect gewasbeschermingsmiddelen betreft kan worden gesteld dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de pré-mantelzorgwoning is gegarandeerd. In dit verband wijst het college erop dat de percelen 13 en 41 niet in eigendom zijn van eiseres en evenmin door haar worden gebruikt, zodat ten aanzien van deze percelen het relativiteitsvereiste aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgrond, voor zover dat ziet op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, in de weg staat.

18. Over perceel 15 stelt het college dat dit perceel op ongeveer 28 meter van de pré-mantelzorgwoning ligt en door eiseres wordt gebruikt voor een intensieve veehouderij. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling wordt een afstand van 50 meter als spuitvrije zone tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermings-middelen worden gebruikt in het algemeen niet onredelijk geacht. Op het zuidelijke deel van perceel 15, direct tegenover de pré-mantelzorgwoning, ligt een klein stukje braakliggende grond. 22 meter van dit perceel valt binnen de 50-meterzone. Op dit deel van het perceel worden op dit moment geen gewassen geteeld en worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Het is niet voorzienbaar dat op dit deel van het perceel alsnog bedrijfsmatig agrarische activiteiten zullen plaatsvinden waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. In dat kader wijst het college op het sinds 2019 gewijzigde bestemmingsplan, dat voorziet in een uitbreiding van het bouwvlak aan de noordwestzijde van het perceel en een verkleining van het bouwvlak aan de zuidoostzijde. Het bouwvlak is gewijzigd, omdat eiseres aan de noordwestzijde van haar perceel een loods wil bouwen, waarvoor op 31 maart 2022 een omgevingsvergunning is verleend. Op grond van artikel 3.4.6 van het bestemmingsplan “Buitengebied Mill en Sint Hubert, herziening 2018” mag de uitbreiding van het bouwvlak uitsluitend in gebruik worden genomen indien de natuur- en/of landschapselementen zoals opgenomen in een bijlage bij dit bestemmingsplan zijn gerealiseerd, worden beheerd en in stand worden gehouden. Dit landschappelijke inpassingsplan moet worden gerealiseerd aan de zuidoostzijde van het perceel, tegenover de pré-mantelzorgwoning. Dat is, zo stelt het college, met een functieaanduiding geborgd. De landschappelijke inpassing verplicht het planten van beukenhagen, struwelen en elf fruitbomen. Nu voor de loods aan de noordwestzijde van het perceel al een omgevingsvergunning is verleend en voor het gebruiken van deze loods de zuidoostzijde van het perceel gebruikt moet worden voor de landschappelijke inpassing, acht het college het daarom niet voorzienbaar dat in de looptijd van de omgevingsvergunning ter plaatse van perceel 15 agrarische bedrijvigheid zal plaatsvinden waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Wat betreft het mogelijke gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de elf fruitbomen heeft het college gesteld dat slechts vier fruitbomen zich binnen 50 meter van de pré-mantelzorgwoning zullen bevinden. Deze fruitbomen moeten in stand worden gehouden in het kader van landschappelijke inpassing en worden niet in het kader van agrarische bedrijvigheid geplant. Daarnaast zal het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op deze vier bomen van een omvang zijn die vergelijkbaar is met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in het kader van het onderhouden van een tuin. Voorts geldt dat de dominante windrichting zuidwest is en de bomen alleen handmatig kunnen worden bespoten, waardoor de driftverspreiding naar de pré-mantelzorgwoning beperkt zal zijn. Ten slotte brengt het college naar voren dat als op perceel 15 toch bedrijfsmatig gewassen zouden worden geteeld waarbij gewasbeschermingsmiddelen zouden worden toegepast, geldt dat het betreffende deel van het perceel in omvang zodanig beperkt is dat het ongeschikt is voor machinale bespuiting. Handmatig toepassen van gewasbeschermingsmiddelen leidt tot een lage drift. Daarnaast vindt het college relevant dat de dominante windrichting zuidwestelijk is, terwijl de pré-mantelzorgwoning ten zuidwesten van perceel 15 is gelegen en dat op basis van artikel 3.78a van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) driftreducerende technieken moeten worden toegepast.

19. Over perceel 47 merkt het college op dat de afstand tussen dit perceel en de pré-mantelzorgwoning ongeveer 50 meter bedraagt. Bovendien geldt dat langs de noordwestelijke grens van dit perceel een haag aanwezig is, waardoor de driftverspreiding van gewasbeschermingsmiddelen wordt beperkt. Daarnaast is, zoals gezegd, de dominante windrichting zuidwest, waardoor eventuele driftverspreiding van gewasbeschermings-middelen zich minder snel in de richting van de pré-mantelzorgwoning zal verplaatsen en is ook hier van belang dat eiseres bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen volgens artikel 3.78a van het Abm driftreducerende technieken moet toepassen. Ook om die reden is een afstand van (ongeveer) 50 meter aanvaardbaar.

20. De rechtbank overweegt over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen allereerst het volgende. Er bestaan geen wettelijke bepalingen over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. In het kader van de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke ordening dient een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen plaats te vinden, het milieubelang niet uitgezonderd, waarbij de aan te houden afstand tussen de gronden waarop gewassen worden verbouwd en nabijgelegen gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object aanwezig zal zijn.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt niet onredelijk wordt geacht. Het is mogelijk deze afstand te verkleinen indien daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Die motivering moet gebaseerd zijn op een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek.
21. Voor zover eiseres in beroep heeft beoogd de percelen 13 en 41, die niet haar eigendom zijn en ook niet door haar worden gebruikt, te betrekken in deze procedure, overweegt de rechtbank dat het college terecht heeft gesteld dat in artikel 8:69a van de Awb, dat ziet op het relativiteitsvereiste, ligt besloten dat degene die vernietiging van een besluit beoogt, zich in beginsel niet met succes kan beroepen op belangen van anderen. Daargelaten of op deze percelen gewasbeschermingsmiddelen (kunnen) worden gebruikt, ziet de rechtbank vanwege het feit dat deze percelen niet in eigendom zijn van eiseres en ook niet door haar worden gebruikt hierom geen aanleiding tot een vernietiging van het bestreden besluit.

22. Ten aanzien van perceel 15 overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat de vergunde loods waarover het college in zijn verweer rept zal worden gebruikt voor de opslag van stro en werktuigen en dat de fundering al is gelegd. Aldus is eiseres gehouden het landschappelijk inpassingsplan te realiseren, zoals dat is opgenomen in een bijlage bij het bestemmingsplan. Het college heeft op grond hiervan kunnen stellen dat het niet voorzienbaar is dat op dit deel van het perceel alsnog bedrijfsmatige agrarische activiteiten zullen plaatsvinden waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Voor zover eiseres ter zitting heeft gesteld dat op het zuidelijke deel van de gronden dat binnen de 50 meter valt er meer dan het voorgeschreven geringe aantal fruitbomen zou kunnen worden geplant, overweegt de rechtbank dat zij niet aannemelijk acht dat dit aantal dusdanig groot kan worden dat moet worden geoordeeld dat sprake is van een (bedrijfsmatige) boomgaard. Daarbij heeft de rechtbank de omvang van het zuidelijke deel van de gronden betrokken en het voorgeschreven inplantingsplan, op grond waarvan op dit deel van de gronden ook de aanleg van een poel is vereist. Dit nog daargelaten of de watergang naast dit perceel een bestaande beperking betekent voor de spuitmogelijkheden, zoals ter zitting door vergunninghouder naar voren is gebracht.Op grond van wat hiervoor is overwogen, heeft het college in redelijkheid kunnen stellen dat niet behoeft te worden gevreesd voor een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de pré-mantelzorgwoning wegens het gebruik van perceel 15.

23. Over perceel 47 overweegt de rechtbank het volgende.
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Buitengebied Mill en Sint Hubert”, op grond waarvan het perceel is bestemd tot “Agrarisch”. Op grond van artikel 3.1 van de planregels zijn op deze gronden onder meer agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen en agrarische (vollegronds) teeltbedrijven toegelaten. Uit het bestemmingsplan volgen geen beperkingen ten aanzien van het gebruik van bestrijdingsmiddelen op dit perceel. Ter zitting verschilden partijen van mening over de precieze afstand tussen dit perceel en de pré-mantelzorgwoning van vergunninghouder. De rechtbank concludeert op basis van het verhandelde ter zitting, waarbij een afdruk van google maps is overgelegd, dat deze afstand in elk geval nagenoeg 50 meter bedraagt. Het college heeft daarom kunnen stellen dat ter plaatse van de pré-mantelzorgwoning aan een goed woon- en leefklimaat wordt voldaan indien op perceel 47 gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op.De rechtbank heeft aan de hand van de verbeelding en de overgelegde afdruk van google maps vastgesteld dat het perceel van vergunninghouder in zijn geheel is bestemd tot “Wonen”. Ingevolge artikel 28.1 van het bestemmingsplan zijn de voor ‘Wonen’ aangewezen gronden onder meer bestemd voor terras, tuinen, erven en terreinen. Volgens vaste rechtspraak is de functie "tuinen" aan te merken als een voor gewasbeschermings-middelen gevoelige functie. De verleende omgevingsvergunning ziet echter alleen op het gebruik van een voormalig bijgebouw als pré-mantelzorgwoning. Deze vergunning verandert niets aan de bestemming/gebruik van het overige deel van het perceel van vergunninghouder. De gronden die tot “Wonen” zijn bestemd konden en kunnen ook door de bewoners van het hoofdgebouw worden gebruikt als tuin. Ter plaatse van deze gronden binnen 50 meter van de grens van perceel 47 was dus in beginsel al geen sprake van een goed woon- en leefklimaat bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, waarbij de rechtbank de door het college genoemde bijkomende omstandigheden die zouden maken dat wel sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het midden laat. Eiseres wordt door de verleende omgevingsvergunning daarom niet verder in haar bedrijfsvoering beperkt dat zij nu reeds is. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Strijd met een goede ruimtelijke ordening: beperking bedrijfsvoering



1. Geluidhinder

24. Eiseres voert aan dat zij op grond van de aan haar verleende omgevingsvergunning in de representatieve bedrijfssituatie ter plaatse van een geluidgevoelig object dient te voldoen aan een geluidnorm voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 40 dB(A) in de dagperiode. Op de gevel van de pré-mantelzorgwoning bedraagt de geluidbelasting ten gevolge van haar bedrijfsvoering in de dagperiode 41 dB(A). De overschrijding leidt ertoe dat zij wordt beperkt in haar bedrijfsvoering.

25. Het college heeft in het verweerschrift gesteld dat op grond van voorschrift 4.2.1 van de aan eiseres verleende revisievergunning van 22 oktober 2022 de geluidbelasting in de dagperiode ter plaatse van geluidgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan 40 dB(A). Uit de geluidberekening die de maatschap heeft overgelegd volgt dat de geluidbelasting op de pré-mantelzorgwoning voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode 41 dB(A) bedraagt.
Het college is voornemens om de geluidnorm van 40 dB(A) te versoepelen naar 41 dB(A) door de revisievergunning aan te passen om aldus te voorkomen dat eiseres wordt belemmerd in haar bedrijfsvoering. Het college heeft daartoe de bevoegdheid op grond van artikel 8.97, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het besluit tot het wijzigen van de revisievergunning zal zo spoedig mogelijk worden genomen, aldus het college. Ter zitting is gebleken dat het daartoe strekkende conceptbesluit nog slechts ondertekend behoeft te worden en dat vergunninghouder tegen dit besluit geen bezwaar heeft.
26. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig is genomen. Hoewel een overschrijding van de geluidnorm met 1 dB zeer gering is, wat eiseres ook erkent, is het toch een overschrijding en dient eiseres haar bedrijfsvoering aan te passen om te voorkomen dat zij de geluidnorm van 40 dB(A) in de dagperiode overschrijdt. Alvorens tot het nemen van het bestreden besluit te kunnen overgaan had de geluidnorm dan ook reeds versoepeld dienen te zijn. Deze beroepsgrond slaagt.


2. Beperking uitbreidingsmogelijkheden
27. Eiseres stelt dat uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening niet alleen rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de pré-mantelzorgwoning voor haar bedrijfsvoering in de bestaande situatie, maar ook met de maximale planologische mogelijkheden. Hoewel het college op zich terecht stelt dat haar bedrijf ook zonder de pré-mantelzorgwoning een beperkte uitbreidingsmogelijkheid kent van 0,1 ou/m3 kunnen de uitbreidingsmogelijkheden groter zijn dan 0,1 ou/m3 indien rekening wordt gehouden geurreducerende technieken. Bij realisatie van de pré-mantelzorgwoning wordt de maximale geurnorm met 1,6 ou/m3 overschreden. Dit betekent dat eiseres meer geurreducerende technieken zal moeten toepassen om uitbreidingsruimte te creëren dan voorheen het geval was. Verder merkt eiseres op dat zij wel degelijk concrete uitbreidingsplannen had, waarvoor op 26 september 2023 een aanvraag is gedaan bij het college van gedeputeerde staten. Hier is ten onrechte geen rekening mee gehouden. Dat het een aanvraag gebiedsbescherming op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) betrof, is geen reden om te stellen dat geen sprake is van concrete uitbreidingsplannen.
28. Het college heeft hierover in het bestreden besluit gesteld dat uit berekeningen blijkt dat met de bestaande bedrijfsvoering ook met de aanwezigheid van de pré-mantelzorgwoning wordt voldaan aan de voor haar geldende geurnormen.
Wat de planologische uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderij betreft, heeft het college gesteld dat het ter plaatse aanwezige bouwvlak geen ruimte biedt om richting de pré-mantelzorgwoning dierenverblijven op te richten. Bovendien heeft eiseres geen rechtstreekse bouwtitel voor een uitbreiding, maar kan een uitbreiding slechts op grond van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid worden gerealiseerd gelet op het bepaalde in artikel 3.2.2, onder g, en artikel 3.3.5 van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied Mill en Sint Hubert Herziening 2018”. Verder is volgens het college voor de uitbreidingsmogelijkheden van belang dat op grond van de gemeentelijke geurverordening
voor de veehouderij een geurnorm van 8 ou/m3 geldt. Uit de berekeningen van de OBDN volgt dat de geurbelasting van de veehouderij op de hoofdwoning 7,9 ou/m3 bedraagt en die op de pre-mantelzorgwoning 8,8 ou/m3. Weliswaar betekent dit dat de pré-mantelzorgwoning maatgevend is voor de geurbelasting en dat deze een extra belemmering vormt ten opzichte van de bestaande hoofdwoning, maar deze beperking is naar de mening van het college slechts minimaal omdat de veehouderij vanwege de geurbelasting van 7,9 ou/m3 op de bestaande hoofdwoning slechts een zeer beperkte uitbreidingsmogelijkheid heeft van 0,1 ou/m3. De veehouderij van eiseres kan echter nog uitbreidingsruimte creëren door het plaatsen van luchtwassers waardoor de veehouderij de geuremissie met maximaal 45% kan verminderen.
Uit rechtspraak van de Afdeling volgt, aldus het college, dat met uitbreidingsmogelijkheden vooral rekening moet worden gehouden als er concrete plannen zijn om deze mogelijkheden te benutten. Tot op heden is er alleen een aanvraag gebiedsbescherming ingevolge de Wnb ingediend op 26 september 2023. Het college acht deze aanvraag nog onvoldoende concreet. Verder is nog geen aanvraag voor een milieubelastende activiteit ingediend.
In het verweerschrift heeft het college gesteld dat, anders dan in het bestreden besluit is aangegeven, de geurbelasting op de bestaande woning aan de [adres] 8,4 ou/m3 bedraagt, zodat reeds sprake is van een overbelaste situatie.

29. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is tussen partijen dat eiseres ten gevolge van de verleende omgevingsvergunning niet wordt belemmerd in haar huidige, vergunde bedrijfsvoering. Wat de maximaal planologische mogelijkheden betreft is de rechtbank niet gebleken dat eiseres op grond van het bestemmingsplan rechtstreeks, dus zonder af te hoeven wijken van het bestemmingsplan, de bedrijfsbebouwing kan uitbreiden. Weliswaar heeft eiseres ter zitting gesteld dat op het bouwblok nog veel mogelijkheden zijn gezien de ruimte tussen de stallen, maar in artikel 3.2.2, onder g, van het bestemmingsplan is bepaald dat de gezamenlijke oppervlakte van dierenverblijven voor veehouderijen niet meer mag bedragen dan de gezamenlijke oppervlakte van de dierenverblijven die (1.) op het tijdstip van vaststelling van dit bestemmingsplan legaal aanwezig zijn of (2.) legaal in uitvoering zijn of die gebouwd mogen worden krachtens een voor het tijdstip van vaststelling van dit bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning. Van een omgevingsvergunning voor uitbreiding als bedoeld onder (2.) is niet gebleken.Wat het aspect milieu betreft is niet in geschil dat er (nog) geen andere aanvragen zijn ingediend voor uitbreiding van de bedrijfsvoering dan de aanvraag gebiedsbescherming op grond van de Wnb van 26 september 2023. Met die aanvraag is volgens het college gevraagd om twee alternatieve bedrijfssituaties te vergunnen. De eerste bedrijfssituatie betreft de huidige situatie, zoals vergund met de revisievergunning van 22 oktober 2010. Bij de tweede bedrijfssituatie is het huisvestingssysteem voor de vleeskalveren nog niet vastgesteld. Eiseres heeft deze beschrijving van de Wnb-aanvraag niet bestreden. Nu er geen andere aanvragen zijn ingediend dan de Wnb-aanvraag en eiseres ook anderszins niet inzichtelijk heeft gemaakt welk concreet uitbreidingsplan zij heeft, heeft het college in redelijkheid kunnen stellen dat geen sprake is van een concreet uitbreidingsplan. Verder is niet in geschil dat ook zonder de aanwezigheid van een pré-mantelzorgwoning al sprake is van een overbelaste situatie. Weliswaar heeft eiseres terecht gesteld dat de pré-mantelzorgwoning dichterbij haar bedrijfsbebouwing is voorzien dan de hoofdwoning, maar de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat er dusdanig meer geurreducerende maatregelen moeten worden getroffen bij een mogelijke uitbreiding van de bedrijfsvoering door de aanwezigheid van de pré-mantelzorgwoning dan het geval zou zijn geweest zonder die woning, dat het college hierom niet de gevraagde omgevingsvergunning heeft mogen verlenen.
Deze beroepsgrond slaagt niet.



Conclusie en gevolgen
30. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit omdat het college de gebreken in het verweerschrift heeft hersteld dan wel dit na de zitting heeft gedaan. Dit betekent dat vergunninghouder gebruik mag maken van de aan hem verleende omgevingsvergunning.

31. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,00 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.


Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het besluit van 20 maart 2025;- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,00 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan eiseres.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, rechter, in aanwezigheid van mr.J.F.M. Emons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.













griffier


de rechter is verhinderd te tekenen







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



BIJLAGE


Wet algemene bepalingen omgevingsrecht


Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°.met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°.in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
b. t/m d. (..).
2. (..).


Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht


Artikel 4
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
(..);
11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en
met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.


Wet geurhinder en veehouderij


Artikel 3
1. Een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen:
a. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht;
b. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;
c. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht;
d. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht.

Artikel 6
1. Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 3, eerste lid, met dien verstande dat deze andere waarde:
a. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;
b. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 35,0 odour units per kubieke meter lucht;
c. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht;
d. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 20,0 odour units per kubieke meter lucht.




Vanaf 12 december 2023 tot en met 11 december 2033.


ECLI:NL:RVS:2021:1340.


ECLI:NL:RVS:2026:4569.


Thans artikel 4.723c van het Besluit activiteiten leefomgeving.


Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:276.


Zie daartoe onder meer de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706.


Zie eveneens uitspraak onder voetnoot 6.


Zie het besluit van het college van 17 maart 2026 tot ambtshalve wijziging van de voorschriften van de revisievergunning van 22 oktober 2010, Gemeenteblad 2026, 151208.
Link naar deze uitspraak