|
|
|
| ECLI:NL:GHSHE:2026:1803 | | | | | Datum uitspraak | : | 08-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 20-08-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof 's-Hertogenbosch | | Zaaknummers | : | 23/1850 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Leges omgevingsvergunning.
Belanghebbende heeft in 2021 een aanvraag voor een omgevingsvergunning gevraagd. Het betreft een zogenoemd tweede fase vergunning. De eerste fasevergunning is verleend in 2007. Toen is vrijstelling verleend van het destijds geldende bestemmingsplan ‘Kom [woonplaats]’. Het perceel van belanghebbende viel onder dit bestemmingsplan. Dat bestemmingsplan is in 2011 vervangen door het bestemmingsplan ‘Kern [woonplaats]’. Het perceel van belanghebbende viel niet onder dat nieuwe bestemmingsplan. Het perceel is sindsdien niet bestemd (witte vlek). Pas met ingang van 2024 is het perceel weer bestemd.
Het hof is van oordeel dat aangezien na het verstrijken van de periode van tien jaar, niet opnieuw een bestemmingsplan is vastgesteld voor het perceel van belanghebbende, de legessanctie van artikel 3.1, lid 4, Wro van toepassing is indien de verstrekte diensten verband houden met een bestemmingsplan. Van dit laatste is sprake, aangezien in de tweede fase ook is getoetst aan de verleende omgevingsvergunning eerste fase. Ook een splitsing is niet aan de orde, omdat er sprake is van één dienst van de gemeentebestuur.
Het hof vernietigt om die reden de aanslag leges. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | belastingrecht | | | bestemmingsplan | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | vrijstelling | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1850
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 31 oktober 2023, nummer BRE 22/821, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Hilvarenbeek,
hierna: de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de aanslag leges omgevingsvergunning 2021 (hierna: de aanslag) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De heffingsambtenaar heeft vóór de zitting op verzoek van het hof een nader stuk ingediend. Dit stuk is doorgestuurd naar belanghebbende.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, bijgestaan door [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar [heffingsambtenaar] .
1.7.
Het hof heeft het onderzoek op de zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het hof de heffingsambtenaar verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of stukken in te zenden. De heffingsambtenaar heeft daaraan voldaan bij brief van 24 april 2026. Belanghebbende heeft daar vervolgens op gereageerd bij brief van 15 mei 2026.
1.8.
Het hof heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.
2Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft op 15 maart 2021 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een nieuwbouwwoning en het aanleggen van een uitrit op het perceel [adres 1] in [woonplaats] . De omgevingsvergunning is met dagtekening 23 juli 2021 aan belanghebbende verleend. Het betreft een zogenoemde tweede fase vergunning. In de omgevingsvergunning is onder meer het volgende opgenomen:
‘Procedure
De besluitvormingsprocedure is uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De aanvraag is beoordeeld voor de activiteit:
- Bouwen, artikel 2.10
- Uitrit aanleggen of veranderen, artikel 2.18
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Tevens is de aanvraag getoetst aan het Besluit omgevingsrecht en de Ministeriele regeling omgevingsrecht.
Voorschriften behorende bij de activiteit Bouwen tweede fase
Aan de omgevingsvergunning zijn de volgende regels verbonden:
1. de voorschriften als genoemd in de gemeentelijk bouwverordening;
2. de voorschriften van het Bouwbesluit 2012.
Voorschriften activiteit Uitweg tweede fase
Aan de omgevingsvergunning zijn de voorschriften verbonden:
1. Het aanleggen van de uitrit dient op zodanige wijze te geschieden dat er geen gevaarlijke
situaties ontstaan;
2. De APV 2020 van de gemeente Hilvarenbeek.
Overwegingen activiteit Bouwen tweede fase
Aan het besluit liggen de volgende inhoudelijke overwegingen ten grondslag:
- het bouwplan is getoetst aan de verleende omgevingsvergunning eerste fase en het plan
voldoet hieraan;
- het bouwvoornemen door de welstandscommissie positief is beoordeeld;
- wij het advies van deze commissie onverkort overnemen aangezien er geen redenen zijn te
twijfelen aan de deskundigheid van deze commissie;
het bouwvoornemen voldoet aan de voorschriften van de Woningwet, de Bouwverordening
en het Bouwbesluit.
Overwegingen activiteit Uitweg tweede fase
Aan het besluit liggen de volgende inhoudelijke overwegingen ten grondslag:
- het verkeer op de weg wordt door de aanleg van de uitrit niet in gevaar gebracht;
- de aanleg van de uitrit gaat niet ten koste van een openbare parkeerplaats;
- door de aanleg van de uitrit wordt het openbaar groen niet aangetast.’
2.2.
In een eerdere fase is namens [woonstichting] een aanvraag voor een vergunning ingediend. Bij besluit van 6 maart 2007 is een vrijstelling onder voorwaarden verleend van de bepalingen van het bestemmingsplan ‘Kom [woonplaats] ’, vastgesteld op 22 november 1985, ten behoeve van de realisatiemogelijkheid van in totaal vier bouwkavels voor ‘ruimte voor ruimte woningen’ op een perceel waartoe ook het perceel van [adres 1] behoort (hierna: het Vrijstellingsbesluit van 6 maart 2007). Het betreft een zogenoemde ‘eerste fase’ vergunning.
2.3.
Ter zake van de aanvraag van de omgevingsvergunning ‘tweede fase’ zijn aan belanghebbende leges in rekening gebracht. Het aanslagbiljet vermeldt – voor zover hier van belang – de volgende omschrijving:
“2.3.1.1.1 Bouwactiviteiten € 10.434,90
2.3.17.1.B. Advies deelaspect bodem € 659,25
2.3.9
Art. 2.2 1,e Uitweg/inrit Activiteit € 139,45
Totaal te betalen € 11.233,60”
2.4.
Het bestemmingsplan ‘Kom [woonplaats] ’ uit 1985 is in 2011 vervangen door het bestemmingsplan ‘Kern [woonplaats] ’. Het perceel waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft, ligt niet binnen de begrenzing van dit bestemmingsplan.
2.5.
Het bestemmingsplan ‘Kern [woonplaats] ’ uit 2011 is in 2024 vervangen door een nieuw bestemmingsplan ‘Kern [woonplaats] ’. Het perceel van belanghebbende valt sindsdien wel binnen de begrenzing van het bestemmingsplan. In de toelichting op dit nieuwe bestemmingsplan wordt melding gemaakt van ‘witte vlekken’. Dit is een gebied waarbinnen geen bestemmingsplan of beheersverordening is opgenomen. Er vigeert dus geen planologische regelgeving en de gronden zijn dus nog niet bestemd. In het verleden zijn wel vergunningen verleend voor het toestaan van het huidige gebruik. Eén van de witte vlekken omvat het perceel van belanghebbende.
3Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag geheel of gedeeltelijk moet worden vernietigd omdat de legessanctie als bedoeld in artikel 3.1, lid 4, Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) van toepassing is.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de aanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1.
Het perceel waarop de aanvraag van belanghebbende voor een omgevingsvergunning betrekking heeft, viel onder het bestemmingsplan ‘Kom [woonplaats] ’ uit 1985. Het hof leidt dit af uit een door de heffingsambtenaar overgelegde plankaart. De bestemming was toen ‘agrarisch bouwblok’. Het volgt ook uit het Vrijstellingsbesluit van 6 maart 2007 op de vergunningaanvraag eerste fase, waaruit blijkt dat de vergunningaanvraag is getoetst aan het vigerende bestemmingsplan ‘Kom [woonplaats] ’ en uit de Ruimtelijke onderbouwing [adres 2] , [woonplaats] van 21 december 2006.
4.2.
In 2011 is een nieuw bestemmingplan vastgesteld onder de naam ‘Kern [woonplaats] ’. Het perceel van belanghebbende valt niet binnen de grenzen van dit bestemmingsplan. Het valt ook niet onder een ander bestemmingsplan, zoals blijkt uit de toelichting op het nieuwe bestemmingsplan ‘Kern [woonplaats] ’ uit 2024 (zie 2.5). De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift in eerste aanleg een afbeelding getoond waarop het perceel van belanghebbende is aangegeven en waarbij om het perceel een zwarte lijn met stippen is aangegeven en wat volgens de heffingsambtenaar – en de rechtbank is hem daarin gevolgd – aan zou duiden dat het perceel binnen de grenzen van het bestemmingsplan valt. De herkomst van dit kaartje heeft de heffingsambtenaar niet duidelijk kunnen maken en de door het hof geraadpleegde kaart op www.ruimtelijkeplannen.nl toont die markering niet. Gelet op de toelichting op het nieuwe bestemmingsplan ‘Kern [woonplaats] ’ uit 2024 is het hof dan ook van oordeel dat het perceel van belanghebbende niet was bestemd.
4.3.
In artikel 3.1, lid 4, Wro is het volgende bepaald (hierna: de legessanctie):
“Indien niet voor het verstrijken van de periode van tien jaar, genoemd in het tweede of het derde lid, de raad onderscheidenlijk opnieuw een bestemmingsplan heeft vastgesteld dan wel een verlengingsbesluit heeft genomen, vervalt de bevoegdheid tot het invorderen van rechten terzake van na dat tijdstip door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan.”
4.4.
Artikel 3.1a Wro bepaalt dat artikel 3.1, lid 4, Wro niet van toepassing is op bestemmingsplannen die elektronisch raadpleegbaar zijn.
4.5.
Het hof is – evenals de rechtbank – van oordeel dat de in 2021 gedane aanvraag voor de tweede-fase vergunning, moet worden beoordeeld aan de hand van de Wro, waarin de legessanctie is opgenomen.
4.6.
Het bestemmingsplan ‘Kern [woonplaats] ’ uit 2011 is weliswaar elektronisch raadpleegbaar op www.ruimtelijkeplannen.nl, maar zoals hiervoor is geoordeeld, valt belanghebbendes perceel niet onder dit bestemmingsplan. Dit betekent dat nu voor het perceel van belanghebbende na het verstrijken van de periode van tien jaar, niet opnieuw een bestemmingsplan is vastgesteld, de legessanctie van toepassing is indien de vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten verband houden met het bestemmingsplan.
4.7.
De heffingsambtenaar heeft subsidiair gesteld dat de verleende diensten geen verband houden met het bestemmingsplan. Volgens de heffingsambtenaar is bij de vergunning eerste fase sprake geweest van een toetsing aan het toen geldende bestemmingsplan en was een dergelijke toetsing in de tweede fase niet meer aan de orde. Volgens de heffingsambtenaar heeft in de tweede fase slechts een toetsing van de bouwtechnische aspecten en de uitrit aan de kader uit fase 1 plaatsgevonden.
4.8.
Uit de verleende omgevingsvergunning van 23 juli 2021 volgt dat het bouwplan is getoetst aan de verleende omgevingsvergunning eerste fase en dat het plan daaraan voldoet. Tevens is gekeken naar de bouwtechnische aspecten en de uitrit. Uit het feit dat is getoetst aan de in de eerste fase verleende omgevingsvergunning, volgt dat de door de gemeente verleende diensten voor de gevraagde tweede fase vergunning verband houden met een bestemmingsplan. De noodzaak om de tweede fase vergunning aan te vragen vloeit immers voort uit de inhoud van het (oude) bestemmingsplan Kom [woonplaats] uit 1985. Vervolgens komt nog de vraag op of voor een deel van de verleende diensten toch leges mag worden geheven omdat voor een deel geen sprake zou zijn van diensten in verband met een bestemmingsplan. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is. De onderhavige leges worden geheven ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunning. Het in behandeling nemen van zo’n aanvraag moet worden aangemerkt als één door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte dienst die verband houdt met het bestemmingsplan. De omstandigheid dat het gemeentebestuur in het kader van de verdere behandeling van de aanvraag werkzaamheden van verschillende aard moet verrichten en verschillende toetsingskaders moet hanteren, is in dit verband van geen belang.
Tussenconclusie
4.9.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de aanslag moet worden vernietigd.
Ten aanzien van het griffierecht
4.10.
De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 50 respectievelijk € 136 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.
Ten aanzien van de kosten van het bezwaar
4.11.
De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar het verzoek om vergoeding van de kosten van dat bezwaar afgewezen. De kosten van bezwaar dienen alleen te worden vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een onrechtmatigheid die aan het bestuursorgaan te wijten is. Die onrechtmatigheid bestaat in dit geval uit het ten onrechte heffen van leges. Het hof veroordeelt daarom de heffingsambtenaar in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.
4.12.
Het hof stelt de kosten van bezwaar op 1 (punt) x € 666 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 666.
Ten aanzien van de proceskosten
4.13.
Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is.
4.14.
Het hof stelt deze tegemoetkoming voor het geding bij de rechtbank op 2 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.868 en voor het geding bij het hof op 2,5 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 2.335.
4.15.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
5Beslissing
Het hof:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vernietigt de aanslag;
bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 186 vergoedt;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het bezwaar van € 666;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 4.203.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, M.E. Smorenburg en C.W.M.M. Verkoijen, in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
F. Marcolina T.A. Gladpootjes
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Bijlage 5 bij de brief van 24 april 2026.
Bijlage 6 bij de brief van 24 april 2026.
Zoals die tot 1 januari 2024 gold.
Idem.
Idem.
Vergelijk Hoge Raad 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2877, r.o. 2.4.3.
Hoge Raad 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2877, r.o. 2.4.5.
Artikel 7:15, lid 2, Awb.
1 punt voor bezwaarschrift, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke reactie, zie Besluit proceskosten bestuursrecht. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|