Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHSHE:2026:1802 
 
Datum uitspraak:08-07-2026
Datum gepubliceerd:20-08-2026
Instantie:Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zaaknummers:25/1182
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Artikel 14, lid 2 WBR. Overdrachtsbelasting 2%-tarief voor aanhorigheid. Boerenerf: alle percelen behoren bij de woning, zijn daarbij in gebruik en daaraan dienstbaar. Beoordeling op tijdstip verkrijging naar beoogd gebruik.
Trefwoorden:agrarisch
belastingrecht
box 1
box 3
eigenwoningschuld
inkomstenbelasting
landbouwbedrijf
overdrachtsbelasting
paarden
perceel
stallen
taxatie
vee
wet op belastingen van rechtsverkeer
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer 25/1182

8 juli 2026


uitspraak


op het hoger beroep van



[belanghebbende]
, wonende te [woonplaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] )

tegen de uitspraak van 3 juni 2025 in de zaak met kenmerk BRE 24/4651 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en


de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.




1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
Belanghebbende heeft een bedrag van € 19.182 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan.



1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. De zaak is tegelijk behandeld met nummer 25/1183 (van de partner van belanghebbende; in deze uitspraak worden belanghebbende en zijn partner ook wel als ‘belanghebbenden’ aangeduid). Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.





2Feiten


2.1.
De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil de volgende feiten vastgesteld:

“4. Bij akte van levering van 6 november 2023 heeft belanghebbende, samen met zijn partner [naam] (de partner), ieder voor de onverdeelde helft, de eigendom verkregen van onroerende zaken aan de [adres] te [woonplaats] (de onroerende zaken). In de akte van levering [staat], voor zover hier van belang, het volgende:
“COMPARANTEN:

1a. de heer (…);


b. mevrouw (…),


ten deze handelend, ieder voor zich in privé, en in hun hoedanigheid van enige beherende vennoten van de vennootschap onder firma:

[V.O.F. 1]

(…);


2a. de heer (…);


b. mevrouw (…); de comparanten sub 1.a en 1.b, handelende als gemeld, en de comparanten sub 2.a en 2.b, hierna, zowel tezamen als ieder afzonderlijk, te noemen: "verkoper";

(…)

OMSCHRIJVING REGISTERGOEDEREN


1. het woonhuis met ondergrond en verdere aanhorigheden, staande en gelegen te [postcode] [woonplaats] , [adres] , kadastraal bekend gemeente [gemeente 1] , sectie [--] nummer [kadastrale gegevens 1] , ter grootte van vijftien are en zeventig centiare (15 a 70 ca);


2. het perceel grond met daarop staande schuren en erf, staande en gelegen te [woonplaats] , nabij [adres] , kadastraal bekend gemeente [gemeente 1] , sectie [--] , nummer [kadastrale gegevens 2] ter grootte van vijfenveertig are en vijfennegentig centiare (45 a 95 ca);


3. het perceel grond (zandbak - gedeelte weiland) gelegen te [woonplaats] , nabij [adres] , kadastraal bekend gemeente [gemeente 1] , sectie [--] , nummer [kadastrale gegevens 3] ter grootte van vijfentwintig are en veertig centiare (25 a 40 ca);


4. het perceel grond (weiland) gelegen te [woonplaats] , nabij [adres] , kadastraal bekend gemeente [gemeente 1] , sectie [--] , nummer [kadastrale gegevens 4] ter grootte van zevenenvijftig are en vijfentwintig centiare (57 a 25 ca), hierna aangeduid met "het verkochte.”
(…)

VOORGAANDE VERKRIJGING


Voormelde registergoederen werden door verkoper verkregen als volgt:


- het sub 1. genoemde registergoed werd door de comparanten sub 1.a en 1.b in privé,


in eigendom verkregen (…);


- het sub 2. genoemde registergoed werd door de comparanten sub 1.a en sub 2.a en 2.b


in eigendom verkregen in hun hoedanigheid van enige beherende vennoten ten behoeve


van voornoemde vennootschap onder firma: [V.O.F. 1] , krachtens de hiervoor onder sub 1. gemelde titel van aankomst;


- de sub 3. en sub 4. genoemde registergoederen werden door de comparanten sub 1.a en sub 2.a en 2.b in eigendom verkregen in hun hoedanigheid van enige beherende


vennoten ten behoeve van voornoemde vennootschap onder firma: [V.O.F. 1] , door


toedeling en levering, bij een akte van kavelruil (…).”




4.1.
Tot de gedingstukken behoort een taxatierapport van 28 augustus 2023 (het taxatierapport). In het taxatierapport zijn de onroerende zaken gewaardeerd op € 600.530. In het taxatierapport staat, voor zover hier van belang, het volgende:
“Damwandloods

Bouwjaar: ca. 1981


Grootte: ca. 20 x 30m


Aan de noordkant van de loods bevindt zich nog een aanbouw uit ca. 2000 van ca. 11x 30m.


De loods heeft een dubbele damwandschuifdeur aan de oostzijde. Het dak is gedekt met asbesthoudende platen en diverse lichtplaten. Verder heeft de loods een stenenvoet en een stalenspantconstructie. Het dak is niet geïsoleerd. Het betreft een open ruimte met betonvloer en is in gebruik als machineberging en werkplaats. Het westelijke gedeelte heeft twee bewaarcellen, de één voor 250 en de ander voor 350 ton losgestort product. Er is mechanische koeling met een koelgang met vijf ventilatoren aan de westzijde. De cellen zijn wel geïsoleerd.


De aanbouw heeft een lessenaarsdak gedekt met asbestvrije damwandplaten. Er ligt een betonvloer in en de loods heeft stalen spanten, verder zijn er twee paardenboxen aanwezig die ook toegang geven tot buiten. De rest is in gebruik als bergruimte. De stal is toegankelijk via een damwandschuifdeur in de oost- en noordzijde. Verder is er op het perceel nog een aardenbak van ca. 40 x 20m groot en een achterliggend weiland.”



4.2.
Bij de aangifte overdrachtsbelasting heeft de notaris voor de overdrachtsbelasting op het woonperceel (in de leveringsakte vermeld onder 1 bij de ‘omschrijving registergoederen’) het bijzondere tarief van 2% toegepast en op de percelen genoemd onder 2, 3 en 4 (de overige percelen) het algemene tarief van 10,4%. In de leveringsakte wordt aan het woonperceel een waarde van € 379.000 toegekend.”



2.2.
Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten en voegt daaraan het volgende toe.



2.3.
De kadastrale plattegrond van de onroerende zaken ziet er als onderstaand uit:









2.4.
De verkoopadvertentie op vastgoedplatform Funda van [datum] 2023 heeft de volgende omschrijving:

“Omschrijving
Rust en ruimte voor natuur- en/of paardenliefhebbers!

Prachtige authentieke woonboerderij omgeven door een oase van groen en oude bomen met grote landbouwschuur met paardenboxen, buitenrijbak en weiland op ca 1,5 hectare eigen grond. De karakteristieke woning is gebouwd omstreeks 1906 en verkeert dankzij recente renovaties in een goede staat van onderhoud. Ideaal voor gezinnen die hun geliefde paar(den) aan huis willen houden of voor wie op zoek is naar veel leef en werkruimte!(…)
Indeling:
Centrale gang met originele tegelvloer en trap naar de verdieping, portaal met kelder en toegang tot de opkamer (ideaal als kantoor speel- of slaapkamer) kelder, ruime, gezellige woonkamer met parketvloer en open haard, sfeervolle eetkeuken met pelletkachel en een fraai maatwerk keukenblok in landelijke stijl voorzien van een prachtig fornuis (Falcon) met 5-pits gaskookplaat en diverse ovens, afzuigkap en vaatwasser. Zowel de vloer als het werkblad zijn uitgevoerd met stoere natuursteen. Via de serre met toilet bereik je de aanbouw. Deze voormalige garage is omgebouwd tot extra woon-/werkruimte.
Verdieping:Overloop met toilet, 3 ruime slaapkamers en een ruime badkamer met ligbad, toilet, bidet, douche en badmeubel met dubbele wastafel.

2e verdieping:Bergzolder.

Buiten:Het erf is omzoomd met vele grote bomen en in de verzorgde tuin rond de woning vind je altijd wel een plekje om te genieten tussen de fruitbomen en op de diverse terrassen. De grote
landbouwschuur uit ca 1985 heeft een oppervlak van maar liefst 930 m2 en is voorzien van paardenboxen. Deze biedt volop ruimte voor je hobby’s of werk.

Dankzij de rijbak van 20x40m en de achter gelegen weilanden is dit echt een buitenkans voor
paardenliefhebbers.

Deze woning is ondanks het bouwjaar voorzien van alle gemakken op het gebied van comfort en energie. Met gevel-, plafondisolatie, dubbele beglazing, en centrale verwarming met HR toestel geniet je hier van modern wonen in een karakteristiek en sfeervol kader!

De huidige bestemming betreft agrarische doeleinden. De gemeente [gemeente 2] is bereid mee te werken om een wijziging bestemminsplan naar wonen.”



2.5.
Het Hoofd afdeling Wonen & Werken heeft op 15 augustus 2023 namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente 2] aan de toenmalige bewoner van de woning geschreven:

“Besluit
Het college heeft besloten om medewerking te verlenen aan het wijzigen van de bestemming 'Agrarisch' naar 'Wonen - voormalig agrarisch bedrijf' op de locatie [adres] te [woonplaats] , op voorwaarde dat de bodemkwaliteit voldoet en dat ter plaatse van de woning aantoonbaar sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.”



2.6.
In de akte van levering van 6 november 2023 (zie ro. 4 van de rechtbankuitspraak) zijn belanghebbenden (als “privé personen”) tezamen als koper van de registergoederen aangeduid. Zij hebben in die akte verklaard dat zij het registergoed sub l. anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaan gebruiken.



2.7.
Het Hoofd afdeling Wonen & Werken heeft op 22 januari 2024 namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente 2] het besluit genomen om de bestemming op het perceel [adres] te [woonplaats] te wijzigen van 'agrarisch' naar 'wonen' met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf'. Bij dat besluit behoort een Toelichting wijzigingsplan met de volgende foto:











3Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of er een te hoog bedrag aan overdrachtsbelasting is geheven.

Meer specifiek is in geschil of belanghebbende recht heeft op toepassing van het verlaagde tarief van 2% ex artikel 14, tweede lid, Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR; tekst 2023) voor de verkrijging van alle onroerende zaken aan de [adres] te [woonplaats] .




4Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil het volgende overwogen:

“4.4. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR), zoals deze wet in het onderhavige jaar luidde, bedraagt de overdrachtsbelasting 10,4 percent. Ingevolge het tweede lid bedraagt – voor zover hier van belang – de overdrachtsbelasting 2 percent voor de verkrijging van een woning, als de verkrijger de woning na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken. Het verlaagde tarief kan ook worden toegepast op tot de woning behorende aanhorigheden indien de aanhorigheden tegelijk met de woning worden verkregen waarop het verlaagde tarief van toepassing is. Dit geldt ook voor aanhorigheden die tegelijkertijd met de woning maar via een aparte akte, al dan niet van een ander dan de verkoper van de woning, worden verkregen. Van belang is dat de juridische verkrijging van woning en aanhorigheden gelijktijdig, waaronder mag worden verstaan op dezelfde dag, plaatsvindt.


4.5.
Van een aanhorigheid is sprake indien een onroerende zaak ten tijde van de verkrijging naar objectieve maatstaven behoort bij de woning, daarbij in gebruik is en daaraan dienstbaar is. Niet relevant is of de verkrijger subjectief het inzicht heeft of de bedoeling heeft dat die zaak daaraan voldoet of zal voldoen. Met het begrip aanhorigheden wordt aangesloten bij de uitgangspunten die gelden voor de eigenwoningregeling in de inkomstenbelasting.



4.6.
Belanghebbende is van mening dat voor de overige percelen ten onrechte het algemene tarief is toegepast. Volgens belanghebbende is sprake van aanhorigheden. Belanghebbende wijst erop dat alle percelen bereikbaar zijn middels één oprit die afsluitbaar is met een hek. Bovendien is het object aangekocht als een woonboerderij en staan alle onderdelen ter beschikking om bij de woning te worden gebruikt ter uitoefening van hobby’s dan wel als opslagruimte. Daarnaast beschikt de schuur niet over eigen nutsvoorzieningen. Verder is belanghebbende van mening dat de activiteiten van de vorige eigenaren niet relevant zijn. De omstandigheid dat de schuur en de woning in een andere stijl zijn gebouwd, kan niet doorslaggevend zijn voor de vraag of sprake is van een aanhorigheid. Naar de mening van belanghebbende heeft de inspecteur aan deze aspecten te veel gewicht toegekend.



4.7.
De inspecteur is primair van mening dat de verschuldigde overdrachtsbelasting bij aangifte niet te hoog is vastgesteld. De inspecteur verwijst naar de passage ‘voorgaande verkrijging’ uit de akte van levering, waarin staat dat [V.O.F. 1] de schuren (damwandloods met aanbouw) heeft verkregen met het oog op gebruik ervan binnen het landbouwbedrijf. Volgens de inspecteur is door onder meer de omvang van de schuren, het bouwjaar en de uitstraling geen sprake van aanhorigheid ten tijde van de verkrijging. De schuren werden zelfstandig gebruikt door [V.O.F. 1] en ook door [V.O.F. 2] . De vennoten van [V.O.F. 1] en [V.O.F. 2] zijn als verkopers opgenomen in de akte van levering. Het schurenperceel en de paardenbak en het weiland zijn destijds verkregen door [V.O.F. 1] voor de landbouwactiviteiten terwijl het woonperceel in privé is verkregen. In [V.O.F. 2] werd ten tijde van de verkrijging een zorgboerderij uitgeoefend onder gebruikmaking van de schuren, de paardenbak en het weiland.
Met betrekking tot een gedeelte van de tuin bij de woning dat is gelegen op het perceel waar zich ook de schuren bevinden (in de leveringsakte vermeld onder 2 bij de ‘omschrijving registergoederen’, hierna: het schurenperceel), is de inspecteur van mening dat dit gedeelte wel als aanhorigheid bij de woning is aan te merken. Voor de toerekening van de waarde aan dat tuingedeelte wijst de inspecteur op het taxatierapport waarin de totale waarde van het object vast is gesteld op € 600.530 terwijl belanghebbende een koopsom van € 675.000 heeft betaald. Volgens de inspecteur zou de toerekening van de koopsom aan de verschillende onderdelen in de verhouding van de waarden die de taxateur aan die onderdelen heeft toegekend ertoe leiden dat, zelfs indien voor dat tuingedeelte uit zou worden gegaan van het verlaagde tarief van 2%, per saldo meer overdrachtsbelasting verschuldigd zou zijn dan hetgeen bij aangifte is afgedragen (zie onderstaande tabel).















Waarde taxatie


Verhouding t.o.v. totale waarde


Toerekening koopsom


Tarief


Overdrachts-belasting




Woonperceel


€ 325.000


54,12%


€ 365.302


2 %


€ 7.306




Tuingedeelte


€ 2.900


0,48%


€ 3.260


2 %


€ 65




Overige verkrijging


€ 272.630


45,40%


€ 306.438


10,4%


€ 31.869




Totaal


€ 600.530


100,00%


€ 675.000





€ 39.240






Voor het geval de rechtbank uitgaat van de waarde van het woonperceel van € 379.000 zoals is vastgesteld in de akte van levering, dan is de inspecteur subsidiair van mening dat de verschuldigde overdrachtsbelasting met betrekking tot het tuingedeelte op het schurenperceel nog moet worden verminderd.



4.8.
De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast dat sprake is van aanhorigheden en dat een beroep kan worden gedaan op het verlaagde tarief van 2% bij belanghebbende ligt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat het verlaagde tarief over een groter deel van de koopsom moet worden toegepast dan in de akte van levering is gedaan. De rechtbank heeft daarbij het volgende, in onderling verband bezien (waarbij niet elk onderdeel op zichzelf bezien doorslaggevend hoeft te zijn), in aanmerking genomen:


dat de overige percelen, zoals volgt uit de akte van levering, kennelijk bedrijfsmatig werden geëxploiteerd;


de grootte van de schuren (de damwandloods met aanbouw);


de afstand tussen de verschillende onderdelen ten opzichte van de woning;


de verschillende bouwstijlen.


Alles in samenhang bezien, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat met betrekking tot de overige percelen sprake is van aanhorigheden, met uitzondering van het tuingedeelte dat op het schurenperceel is gelegen (zie hierna in 4.9). De omstandigheid dat in de schuur geen nutsvoorzieningen aanwezig zijn of dat het object bereikbaar is middels één oprit, maakt dit niet anders.



4.9.
Met betrekking tot het tuingedeelte dat is gelegen op het schurenperceel, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is met partijen eens dat op dit gedeelte is aan te merken als aanhorigheid bij de woning en dat daarop het lagere tarief van toepassing is. Belanghebbende heeft echter zelf geen berekening overgelegd waaruit volgt welk deel van de koopsom is toe te rekenen aan dat tuingedeelte. Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd verklaard de berekening van de inspecteur (zie 4.7) niet te betwisten. Gelet op de berekening van de inspecteur, kan de toepassing van het lagere tarief over het tuingedeelte niet leiden tot een gegrond beroep aangezien de bij de aangifte voldane overdrachtsbelasting lager is dan hetgeen volgt uit de berekening van de inspecteur (zie 4.7). Gelet hierop dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Het subsidiaire standpunt van de inspecteur behoeft dan geen behandeling meer.”





5Beoordeling van het geschil in hoger beroep


5.1.
De verkrijging door belanghebbenden van het perceel met kadastraal nummer [kadastrale gegevens 1] (in de leveringsakte onder 1 omschreven) met daarop het woonhuis, kwalificeert als verkrijging van een woning waarop het 2%-tarief voor de overdrachtsbelasting van toepassing is. Voor de overige percelen geldt dat 2%-tarief uitsluitend indien het gaat om aanhorigheden die tot de woning behoren (artikel 14, lid 6, WBR; tekst 2023). Verkregen zijn verder de volgende percelen met kadastraal nummer:



[kadastrale gegevens 2] (in de leveringsakte onder 2 omschreven) met daarop de schuren en verder bestaande uit erf (hierna: de schuren);



[kadastrale gegevens 3] (in de leveringsakte onder 3 omschreven) met daarop de paardenbak en verder bestaande uit weiland (hierna: de paardenbak), en



[kadastrale gegevens 4] (in de leveringsakte onder 4 omschreven) bestaande uit weiland (hierna: het weiland).


Het gaat om de vraag of de schuren, de paardenbak en het weiland zijn aan te merken als aanhorigheden die tot de woning behoren. Aangezien het gaat om een beroep op een gunstige regeling, het verlaagde tarief, is het aan belanghebbende om de bevestigende beantwoording van die vraag aannemelijk te maken.



5.2.
In de parlementaire geschiedenis van artikel 14 WBR is over het begrip ‘aanhorigheden’ onder meer het volgende opgemerkt (TK 2012–2013, 33 402, nr. 3, blz. 40):

“Artikel VII, onderdeel B (artikel 14 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer)
Dit artikel regelt ten aanzien van het tarief van de overdrachtsbelasting de uitbreiding van het woningbegrip tot alle aan de woning behorende aanhorigheden. Het betreft aanhorigheden zoals de tuin, garages, schuren en dergelijke. De aanhorigheden mogen een eigen kadastraal nummer hebben en hoeven zich dus niet op hetzelfde (kadastrale) perceel als de woning te bevinden. (…)
Met het begrip aanhorigheden wordt aangesloten bij de uitgangspunten die gelden voor de eigenwoningregeling in de inkomstenbelasting. Op grond van artikel 3111, eerste lid, van de Wet IB 2001 worden ook de tot een eigen woning behorende aanhorigheden tot de eigen woning gerekend. Voor het woningbegrip in de overdrachtsbelasting geldt hetzelfde uitgangspuntOf sprake is van een aanhorigheid is feitelijk. De uitleg van het begrip «aanhorigheid» heeft zich in de jurisprudentie voldoende ontwikkeld. Bij twijfel of er sprake is van een aanhorigheid kan voor duidelijkheid met de inspecteur contact worden opgenomen.”

En (TK 2012–2013, 33 402, nr. 7, blz. 27-28):

“In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat het kenmerk van een «aanhorigheid» is dat het bij het gebouw behoort, dat het daarmee in gebruik is en daaraan dienstbaar is. Als er een geografische en organisatorische verbondenheid is met de woning, is sprake van een aanhorigheid. Een feitelijke verbondenheid is daarvoor dus niet vereist. Er moet sprake zijn van een «ter beschikking staan». Dat betekent dat voor het begrip aanhorigheid een feitelijk gebruik inderdaad niet wordt vereist. Het gebruikt kunnen worden is voldoende. En dan mag de aanhorigheid inderdaad niet ter beschikking gesteld zijn aan een ander omdat dan geen sprake meer is van dienstbaar zijn aan de woning. (…)Het begrip aanhorigheid is voor de Belastingdienst niet nieuw. Hetzelfde begrip geldt immers ook voor de toepassing van artikel 3 111 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het begrip «aanhorigheid» is zodoende voldoende duidelijk voor de Belastingdienst. Het gaat hierbij om een feitelijk begrip dat in de jurisprudentie afdoende is uitgekristalliseerd.”



5.3.
In de jurisprudentie heeft het begrip ‘aanhorigheden’ de volgende uitleg gekregen (citaat uit HR 16 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5412), die zijn gelding heeft behouden (o.a. A-G Wattel 29 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1096 en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:64).

“3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de stal, nu deze vanuit de historie een bedrijfsgebouw is en thans door belanghebbende wordt gebruikt voor het houden van schapen, geen aanhorigheid in de zin van artikel 42a, lid 2, van de Wet op de. inkomstenbelasting 1964 (tekst 1989) is en voorts, - kennelijk voortbouwend op dit oordeel, waarin ligt besloten dat de stal als zelfstandig gebouw door belanghebbende werd gebruikt - dat gezien dit voortdurende gebruik ten behoeve van het vee niet gezegd kan worden dat de stal als eigen woning aan belanghebbende ter beschikking staat.3.3. Het oordeel dat de stal geen aanhorigheid in vorenbedoelde zin is, wordt in cassatie bestreden.Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een dergelijke aanhorigheid is van belang of de stal behoort bij de als woning in gebruik zijnde boerderij, daarbij in gebruik is, en daaraan dienstbaar is. Of de stal behoort bij deze woning hangt daarbij weer af van diverse omstandigheden, zoals de afstand tussen de stal en de woning, de bouwkundige situatie, en de bereikbaarheid van de stal vanuit de woning of vanaf de daarbij behorende grond. Derhalve is het Hof uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent het begrip aanhorigheid door te oordelen dat de stal geen aanhorigheid is op de enkele grond dat de stal steeds een bedrijfsgebouw is geweest en door belanghebbende wordt gebruikt voor het uit liefhebberij houden van schapen.”



5.4.
Het eerste criterium dat zich in de jurisprudentie heeft gevormd is dat van het ‘behoren bij’ de woning. Of de schuren, de paardenbak en/of het weiland behoren bij de woning hangt af van diverse omstandigheden, zoals de feitelijke situatie, de afstand, de bouwkundige situatie en de bereikbaarheid vanuit de woning of daarbij behorende grond. Er dient een zekere geografische verbondenheid te zijn. Zoals op de kadastrale plattegrond (zie 2.3) en ook op de foto bij het bestemmingswijzigingsplan (2.7) is te zien, liggen de percelen tegen elkaar en zijn zij op een bepaalde manier met elkaar vervlochten. Er is slechts één toegang (een oprit) tot alle percelen; deze kunnen alle slechts via de gezamenlijke oprit vanaf de [straat] worden bereikt. De percelen tezamen zijn ingedeeld als een klassiek boerenerf met op het voorerf een siertuin en woongebouw en daar niet ver vandaan een plaats voor grote schuren of stallen met daarachter het weiland of ruimte voor dieren. Het is daarbij niet ongebruikelijk dat de stal of schuur een andere constructie of bouwstijl heeft dan de woonboerderij. Naar het oordeel van het Hof is bij een dergelijk erf in beginsel sprake van onroerende zaken die behoren bij de (boerderij)woning.



5.5.
De andere twee criteria zien op de organisatorische en functionele verbondenheid. Het komt daarbij aan op de vragen of de schuren, de paardenbak en/of het weiland bij de woning in gebruik zijn en daaraan dienstbaar zijn. Hoewel het gaat om onroerende zaken die naar hun aard en inrichting bedrijfsmatig gebruikt kunnen worden en in het verleden ook aldus zijn gebruikt, zijn zij tezamen met de woning als geheel verkocht en door belanghebbenden als geheel gekocht en daarbij overwegend gepresenteerd als woonboerderij met ruimte voor hobby-dieren (zie 2.4). Tevens is de bestemmingswijziging van ‘agrarisch’ naar ‘wonen’ reeds door de voorgaande eigenaren ingezet (zie 2.5) en hebben de verkrijgers deze gefinaliseerd in ‘wonen’ met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf' (zie 2.7). Er is één aansluiting op het elektriciteitsnet en de waterleiding voor alle percelen, die via de woning loopt. Belanghebbenden gebruiken de onroerende zaken uitsluitend voor privédoeleinden en er zijn geen derden-gebruikmakers. De schuren staan de woning ter beschikking en vergroten de opslagruimte daarvan. Dat de schuren een aanzienlijk grotere inhoud hebben dan de woning maakt niet dat zij niet functioneel bij de woning in gebruik zijn of daaraan dienstbaar kunnen zijn. De hobbymatig gehouden paarden vinden in de schuren onderdak en hebben als buitenruimte de paardenbak en het weiland. Alle onroerende zaken zijn dan ook in gebruik bij en dienstbaar aan de woning.



5.6.
Opmerking verdient nog het volgende. Bij een tijdstipbelasting, zoals de overdrachtsbelasting, is (enkel) het moment van verkrijging bepalend voor de belastingheffing. Op het tijdstip van de verkrijging, is de gebruiksstaat van onroerende zaken doorgaans zoals deze voordien was, dus de situatie zoals deze voorafgaande aan de overdracht was bij de overdragende eigenaren. Dit retrospectief doet echter geen recht aan de bedoeling van de wetgever om voor het begrip ‘aanhorigheid’ in de overdrachtsbelasting naadloos aan te sluiten bij datzelfde begrip in de inkomstenbelasting (zie 5.2). Immers wordt bij een tijdvakbelasting, zoals de inkomstenbelasting, naar de gebruiksstaat in het gehele kalenderjaar gekeken. Bij de vraag of iets een aanhorigheid bij de eigen woning (artikel 3.111, lid 1, Wet IB 2001) is, ligt het voor de hand om te kijken naar de situatie zoals die is na de verkrijging. Het gaat dan namelijk om de vraag welke onroerende zaken als eigen woning in box 1 kunnen worden aangemerkt (en daarmee samenhangend, of er een kwalificerende eigenwoningschuld is), of dat de onroerende zaken (en daarop betrekking hebbende schulden) in box 3 thuishoren. Voor het beantwoorden van de vraag of sprake is van een aanhorigheid voor de toepassing van de overdrachtsbelasting gaat het dan ook om het beoogde gebruik daarvan door de verkrijger ten tijde van de verkrijging.



5.7.
Het in 5.4 tot en met 5.6 overwogene brengt het Hof tot het oordeel dat zowel de schuren, als de paardenbak en het weiland behoren bij, in gebruik zijn bij en dienstbaar zijn aan de woning van belanghebbenden. Dat betekent dat belanghebbende is geslaagd in de bewijslast om aannemelijk te maken dat de schuren, de paardenbak en het weiland zijn aan te merken als aanhorigheden die tot de woning behoren. Belanghebbende heeft dan ook voor de verkrijging van alle onroerende zaken recht op het verlaagde tarief van 2% overdrachtsbelasting.


Slotsom



5.8.
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is. Het op aangifte voldane bedrag van de over de verkrijging van het aandeel in de onroerende zaken van belanghebbende verschuldigde overdrachtsbelasting zal worden verminderd naar 2% over (1/2 x € 675.000 =) € 337.500, is een bedrag van € 6.750.





6Kosten

Het Hof zal vanwege de gegrondverklaring van het hoger beroep een vergoeding van de (proces)kosten aan belanghebbende toekennen. Deze vergoeding bestaat op grond van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht uit:(1) een vergoeding voor de kosten van beroepsmatige bijstand in beroep en in hoger beroep, waarbij deze zaak als samenhangend met nummer 25/1183 wordt aangemerkt. Dit leidt tot een vergoeding van (4 punten x € 934 x wegingsfactor 1 =) € 3.736 voor beide zaken. Deze vergoeding wordt voor de helft in elke zaak toegekend, dus € 1.868 in deze zaak.
(2) de reiskosten van belanghebbende naar de zitting bij de rechtbank en bij het Hof van in totaal € 165.
In totaal een vergoeding van € 2.033 in deze zaak.

Tevens dient de inspecteur de kosten van het bij de rechtbank en het Hof betaalde griffierecht te vergoeden in totaal € 194.




7Beslissing

Het Hof:


vernietigt de uitspraak van de rechtbank;


vernietigt de uitspraak op bezwaar;


vermindert het bedrag van de verschuldigde overdrachtsbelasting naar € 6.750;


veroordeelt de inspecteur in de (proces)kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.033, en


gelast de inspecteur het betaalde griffierecht van € 194 aan belanghebbende te vergoeden.



De uitspraak is gedaan door mrs. M. Ferrier, voorzitter, F.J.P.M. Haas en J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A.S. Roozeboom als griffier. De beslissing is op 8 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.


Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.


Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Link naar deze uitspraak