|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:10420 | | | | | Datum uitspraak | : | 10-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 21-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 25/6834 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Ziektewet. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht heeft bepaald dat eiseres met ingang van de datum in geding geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet, omdat zij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het beroep is ongegrond. | | Trefwoorden | : | tuinbouw | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/6834
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
1.1.
Met het besluit van 13 februari 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV besloten dat eiseres vanaf 29 maart 2024 (de datum in geding) geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
1.2.
Met het besluit van 28 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
1.5.
De rechtbank heeft partijen op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht verzocht of zij instemmen met het achterwege laten van een zitting. Omdat eiseres heeft aangegeven op een zitting wenst te worden gehoord, heeft de rechtbank besloten om een zitting te houden.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2.
2.1.
Eiseres, laatstelijk werkzaam als zorgverlener voor 38 uur per week, heeft zich op 1 maart 2023 ziek gemeld voor dit werk vanwege mentale klachten. Per 31 juli 2023 is aan eiseres een ZW-uitkering toegekend.
2.2.
In het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling heeft eiseres het spreekuur van de primaire verzekeringsarts bezocht. De primaire verzekeringsarts heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld op 20 november 2023, die geldig is vanaf 15 november 2023. Hierin zijn beperkingen aangegeven ten aanzien van de rubrieken 1. Persoonlijk functioneren, 2. Sociaal functioneren, 4. Dynamische handelingen, 5. Statistische houdingen en 6. Werktijden.
De arbeidsdeskundige heeft vervolgens op 13 februari 2024 met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen geconcludeerd dat eiseres niet meer in staat is het eigen werk als zorgverlener te verrichten, maar wel geschikt is voor de geduide functies van Lader/losser (SBC-code 111220), Textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel) (SBC-code 111160) en Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180). Aanvullend wordt eiseres geschikt geacht voor de functie Medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010). Op basis van de middelste van de eerste drie genoemde functies (de mediaanfunctie) is eiseres, volgens de arbeidsdeskundige, in staat om meer dan 65% van het loon te verdienen dat eiseres verdiende voordat zij ziek werd (het maatmaninkomen), te weten 91,42%. Vervolgens heeft het UWV met het primaire besluit bepaald dat eiseres vanaf 29 maart 2024 geen ZW-uitkering meer krijgt.
2.3.
In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 3 februari 2025 geconcludeerd dat de ingebrachte bezwaren leiden tot een gedeeltelijke aanpassing van het eerder ingenomen standpunt door de primaire verzekeringsarts. Als gevolg van de verhoogde prikkelbaarheid acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullende beperkingen noodzakelijk ten aanzien van het uiten van emoties, het hanteren van de emoties van anderen en het werken met hulpbehoevenden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML op deze items aangepast.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ziet in de rapportage van 27 juli 2025 vervolgens geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de primair arbeidsdeskundige, omdat de geduide functies binnen de gewijzigde belastbaarheid passen. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.
Standpunt eiseres
3. Eiseres voert in beroep aan dat zij meer beperkt is dan eerder door het UWV is aangenomen. Volgens eiseres heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende gemotiveerd waarom naar aanleiding van de diagnose fibromyalgie geen beperkingen zijn aangenomen. Daarnaast zijn er vanwege de verhoogde prikkelbaarheid bij eiseres meerdere aanvullende beperkingen aangenomen. Omdat die items samenhangen met de items die zien op het samenwerken en de werkomgeving, is eiseres van mening dat zij ten aanzien van die items sterk beperkt moet worden geacht. Vanwege de aard en ernst van de psychische klachten en de reeds daaraan verbonden beperkingen had volgens eiseres een urenbeperking moeten worden aangenomen. Eiseres stelt dat de functies Lader/losser en Textielproductenmaker vanwege de verhoogde prikkelbaarheid niet geschikt zijn: in beide functies is sprake van constante afleiding en van prikkels door collega’s en het geluid van de radio en/of machines. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep had daarom in overleg moeten treden met de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Toepasselijke wet- en regelgeving
4. Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW, voor zover hier van belang, heeft de verzekerde die geen werkgever heeft, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld indien de verzekerde:
ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, en;
wegens een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
5. In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld voor de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank beoordeelt of het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres, rekening houdend met haar beperkingen, in staat is om op de datum in geding met passende arbeid tenminste 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen.
Zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek
7. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossieronderzoek, waaronder de rapportage met bevindingen van de primair beoordelend verzekeringsarts naar aanleiding van het lichamelijk onderzoek dat hij heeft verricht, en het eigen onderzoek dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verricht tijdens het spreekuurcontact op 3 februari 2025. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek daarmee op een zorgvuldige wijze plaatsgevonden.
Medische beoordeling
8. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig of onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van eiseres en dat per de datum in geding meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. De rechtbank volgt daarom niet het betoog van eiseres dat haar medische klachten en beperkingen niet volledig zijn onderkend. Uit de rapportage van 3 februari 2025 en de in beroep overgelegde aanvullende rapportage van 22 oktober 2025 blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende rekening heeft gehouden met traumagerelateerde psychische problematiek en de aspecifieke pijnklachten aan het bewegingsapparaat (inmiddels geduid als fibromyalgie). Zo is eiseres aangewezen op zowel fysiek als mentaal relatief licht belastende arbeid, waarbij rekening is gehouden met de beperkingen op het gebied van conflicthantering, emoties uiten en klantcontact alsmede de beperkingen als gevolg van woede-uitbarstingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft wel aanvullende beperkingen opgenomen ten aanzien van de verhoogde prikkelbaarheid, waardoor eiseres aanvullend beperkt wordt geacht ten aanzien van het uiten van emoties, het hanteren van de emoties van anderen en het werken met hulpbehoevenden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat er geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen die aanleiding geven om meer of ernstigere beperkingen aan te nemen. De diagnose fibromyalgie leidt ook niet tot meer specifieke beperkingen in statische en dynamische belastbaarheid. De rechtbank acht de gegeven toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dit punt voldoende. In de aanvullende rapportage van 22 oktober 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook toegelicht dat de stelling van eiseres dat zij ernstig beperkt moet worden geacht op het gebied van samenwerken slechts omdat andere items sterk beperkt zijn, niet kan worden gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat ieder FML-item zelfstandig moet worden beoordeeld naar de daarbij geldende definitie in relatie tot de aanwezige pathologie. Ondanks dat beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van het samenwerken en de omgang met anderen, kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet gesteld worden dat eiseres volledig buiten staat is om met anderen samen te werken. Er moet dan wel sprake zijn van een duidelijk afgebakende deeltaak en ook moet worden voldaan aan de overige voorwaarden voor tussenpersoonlijke interacties in de FML. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog benadrukt dat de verhoogde prikkelbaarheid niet hetzelfde is als een verhoogde gevoeligheid voor bepaalde sensorische prikkels. Uit de beschikbare medische informatie kan ook niet worden opgemaakt dat sprake is van een dergelijke overgevoeligheid bij eiseres en daarom zijn geen specifieke beperkingen op het gebied van geluidsbelasting aangenomen. Ten aanzien van de urenbeperking heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat een inhoudelijke aanpassing op het gebied van de psychische problematiek in combinatie met de pijnklachten de voorkeur heeft boven een beperking van de duurbelastbaarheid en dat geen indicatie werd gezien voor verdere beperking van de duurbelastbaarheid omdat eiseres met beperkingen in de FML is aangewezen op mentaal, fysiek en energetisch heel licht belastende werkzaamheden.
9. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat bij de opgestelde FML in voldoende mate rekening is gehouden met de op of rond de datum in geding objectiveerbare aanwezige medische problematiek en de hieruit voortvloeiende beperkingen. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres in beroep geen (nieuwe) medische informatie heeft ingebracht waaruit blijkt dat zij op de datum in geding meer beperkingen heeft dan in de FML is opgenomen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de beperkingen zoals vermeld in de FML van 3 februari 2025 juist zijn.
Arbeidsdeskundige beoordeling
10. Anders dan eiseres stelt, is de rechtbank van oordeel dat het UWV heeft kunnen oordelen dat de geduide functies Lader/losser en Textielproductenmaker geschikt zijn voor eiseres. Eiseres is niet beperkt geacht voor overgevoeligheid voor sensorische prikkels, zoals bijvoorbeeld geluid, en ook niet voor het vasthouden van de aandacht, waardoor de functies binnen haar belastbaarheid vallen. De rechtbank maakt een dergelijke overgevoeligheid ook niet op uit de medische informatie uit het dossier. Weliswaar is eiseres beperkt geacht voor samenwerken als gevolg waarvan zij wel met anderen kan werken (en dan slechts met een eigen van tevoren afgebakende deeltaak), in beide functies wordt dit onderdeel echter niet overschreden. De rechtbank ziet dan ook niet in waarom de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep had moeten overleggen met de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
11. Vergelijking van het inkomen dat eiseres in de geduide functies zou kunnen
verdienen met het inkomen dat eiseres in haar eigen werk zou hebben verdiend als zij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verdiencapaciteit van meer dan 65%. Dit betekent dat het UWV terecht heeft bepaald dat eiseres met ingang van 29 maart 2024 geen recht (meer) heeft op een ZW-uitkering.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|