|
|
|
| ECLI:NL:RBLIM:2026:6183 | | | | | Datum uitspraak | : | 19-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 21-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Limburg | | Zaaknummers | : | ROE 23/3268 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Vergunninghouder wil op haar tenniscomplex lichtmasten en padelbanen realiseren. Verweerder heeft daartoe bij twee afzonderlijke besluiten aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend en maatwerkvoorschriften opgelegd. In één besluit, het bestreden besluit van 26 september 2023, is verweerder bij dit tweetal besluiten gebleven. Eisers zijn het daar niet mee eens en voeren aan dat het vigerende bestemmingsplan op de locatie van het tenniscomplex uitsluitend voorziet in tennisbanen. Omdat een padelbaan geen tennisbaan is, heeft verweerder de vergunning niet kunnen verlenen op grond van artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder a, van de Wabo, aldus eisers. De rechtbank volgt eisers en overweegt dat de uitspraak van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2019:1746) inmiddels achterhaald is ten aanzien van de geluidsbelasting van padelbanen. Dit betekent dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat het bestemmingsplan ter plaatse van het tenniscomplex voorziet in de bouw en het gebruik van padelbanen. Het beroep van één van de eisers is niet-ontvankelijk, omdat zij geen belanghebbende is. Het beroep van de overige eisers is gegrond, zodat zij gelijk krijgen en verweerder het door hen betaalde griffierecht moet vergoeden. | | Trefwoorden | : | activiteitenbesluit | | | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | geluidshinder | | | lichthinder | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | wabo | | | wet milieubeheer | | | | Uitspraak | RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 23/3268
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres 1] , uit [woonplaats 1] , eiseres
[eiser 1]
, uit [woonplaats 1] , eiser
[eiseres 2]
, uit [woonplaats 1] , eiseres
[eiser 2]
, uit [woonplaats 2] , eiser
[eiseres 3]
, uit [woonplaats 2] , eiseres
[eiser 3]
, uit [woonplaats 2] , eiser,
gezamenlijk ‘eisers’ genoemd,
(gemachtigde: [eiseres 1] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal, verweerder
(gemachtigden: J.M.G. Heideman, G.F.L. Breukers en J.G.J. Klerken).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Tennisvereniging Napoleon uit Haelen, vergunninghouder.
Procesverloop
1. Bij besluit van 9 februari 2023 heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend. Bij besluit van 13 februari 2023 heeft verweerder maatwerkvoorschriften opgelegd (het maatwerkvoorschriftenbesluit). Verweerder heeft in één besluit, van 26 september 2023 (het bestreden besluit), op de bezwaren tegen voornoemd tweetal besluiten beslist. Daarin is verweerder bij dit tweetal besluiten gebleven, waarbij het maatwerkvoorschriftenbesluit werd voorzien van een nadere toelichting.
1.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres 1] (tevens optredend als de gemachtigde van eisers), [eiseres 3] en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
2. Vergunninghouder exploiteert een tenniscomplex aan de [adres 1] ,
[vestigingsplaats] .
2.1.
[eiseres 1] is eigenaar van het perceel en de daarop gelegen paardenstal aan de [adres 2] in [woonplaats 2] . De overige eisers zijn omwonenden van het tenniscomplex.
2.2.
Op 2 augustus 2022 ontving verweerder van vergunninghouder een aanvraag voor een omgevingsvergunning, voor het realiseren van acht lichtmasten en twee padelbanen op het tenniscomplex. Bij besluit van 9 februari 2023 heeft verweerder de vergunning verleend.
2.3.
Op 29 november 2022 ontving verweerder van vergunninghouder een melding op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit), voor het aanleggen van twee padelbanen en het verplaatsen van de fietsenstalling op het tenniscomplex. Bij besluit van 13 februari 2023 heeft verweerder maatwerkvoorschriften opgelegd met betrekking tot het voorkomen van lichthinder.
2.4.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit aangaande de vergunning en het maatwerkvoorschriftenbesluit. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar met betrekking tot de vergunning ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen het maatwerkvoorschriftenbesluit is gegrond verklaard en hieraan is, onder in stand lating van de maatwerkvoorschriften, een nadere motivering toegevoegd. Deze nadere motivering betreft de gebiedstypering, die ten grondslag ligt aan de maatwerkvoorschriften.
Overgangsrecht Omgevingswet
3. De vergunning is gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De Wabo is na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) op 1 januari 2024 komen te vervallen. Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow, bepaalt artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet dat het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing blijft, tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
3.1.
De aanvraag voor de vergunning is door verweerder ontvangen op
2 augustus 2022. De Wabo blijft hier dus van toepassing.
3.2.
Ook op de melding Activiteitenbesluit blijven overeenkomstig het overgangsrecht de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit, zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing.
Belanghebbendheid
4. Voordat kan worden overgegaan tot de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden, dient de rechtbank ambtshalve te toetsen of eisers allen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). [eiseres 1] is dat niet. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
4.1.
Uitgangspunt in het omgevingsrecht is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat – zoals hier, het plaatsen van de lichtmasten en padelbanen – in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ vormt hierop een correctie. Zonder dergelijke gevolgen heeft iemand geen persoonlijk belang bij een besluit, vanwege het gebrek aan voldoende onderscheid ten opzichte van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, wordt gekeken naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zo nodig, worden die factoren in onderlinge samenhang beoordeeld. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
4.2.
Ter zitting is vastgesteld dat [eiseres 1] niet in de buurt van het tenniscomplex woont en ook geen perceel bezit dat kadastraal aangrenzend is aan het tenniscomplex. Dat [eiseres 1] eigenaar is van het perceel en de daarop gelegen paardenstal aan de [adres 2] in [woonplaats 2] , die op circa 200 meter van het tenniscomplex liggen, maakt niet dat zij gevolgen van enige betekenis ervaart. Zij heeft dan ook geen persoonlijk belang bij de besluiten die zien op de vergunning en de maatwerkvoorschriften. Dat in bezwaar verweerder [eiseres 1] wel als belanghebbende heeft aangemerkt, maakt dat niet anders. Des te meer omdat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat in bezwaar – zo blijkt nu, ten onrechte – ervan uit is gegaan dat [eiseres 1] woont aan de [adres 2] in [woonplaats 2] . [eiseres 1] heeft verder nog naar voren gebracht dat het de bedoeling is dat zij in de toekomst zal verhuizen naar de [adres 3] in [woonplaats 2] , waar op dit moment nog [eiser 2] woont. Deze optie is tevens door de notaris vastgelegd, aldus [eiseres 1] . Ook dit leidt niet tot een andersluidend oordeel over de belanghebbendheid van [eiseres 1] . Feit blijft namelijk dat zij op dit moment (nog) niet woont in de buurt van het tenniscomplex en ook geen woning in die nabijheid bezit.
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat [eiseres 1] niet-ontvankelijk is in haar beroep. Waar in de verdere beoordeling wordt verwezen naar ‘eisers’ wordt daarom bedoeld de overige eisers, [eiseres 1] uitgezonderd.
Is de vergunning terecht verleend op grond van het bestemmingsplan?
5. Eisers stellen dat het vigerende bestemmingsplan, Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016, op de locatie van het tenniscomplex uitsluitend voorziet in tennisbanen, geen padelbanen. Zij verwijzen daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 januari 2020, waaruit volgt dat een planregel omwille van de rechtszekerheid letterlijk moet worden uitgelegd. Omdat een padelbaan eenvoudigweg geen tennisbaan is, heeft verweerder de vergunning niet kunnen verlenen op grond van artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder a, van de Wabo, aldus eisers. Verweerder verschuilt zich ten onrechte achter de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, die achterhaald is. Padel was in 2019 nog een relatief nieuwe sport in Nederland, waarover weinig bekend was. Inmiddels is gebleken dat het geluid van padel anders is dan dat van vele andere bekende sporten – waaronder tennis – en dat dit als hinderlijker wordt ervaren door omwonenden, zo blijkt uit de notitie van de Nederlandse Stichting Geluidshinder (NSG) van 27 maart 2023. Bovendien verschilt de ruimtelijke uitstraling van een padelbaan van die van een tennisbaan. Vooropgesteld maakt padel volgens eisers veel meer geluid dan tennis. Volgens de Handreiking Padel en Geluid van januari 2023 is dit ten minste 8 dB(A) meer ten opzichte van tennis. Padelbanen hebben daarnaast een omheining van glas en gaas. Tennisbanen nemen verder twee keer zo veel ruimte in als padelbanen en ook het aantal spelers per baan is bij padel (vier) anders dan bij tennis (twee bij enkelspel of vier bij dubbelspel). Als binnen een bepaald bestemmingsvlak twee padelbanen worden toegestaan in plaats van één tennisbaan, kan dat dus tot vier keer zo veel spelers leiden, met bijbehorende verkeersstromen en andere vormen van (indirecte) hinder. Al met al kan niet worden aangenomen dat de gemeenteraad met het planologisch toestaan van tennisbanen in het bestemmingsplan tevens heeft beoogd om padelbanen toe te staan, zo betogen eisers.
6. Deze beroepsgrond slaagt. Dit betekent dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat het bestemmingsplan ter plaatse van het tenniscomplex voorziet in de bouw en het gebruik van padelbanen. Daartoe is het volgende van belang.
6.1.
Op de locatie van het tenniscomplex en specifiek op de locatie waar de beoogde padelbanen gesitueerd zijn, rust overeenkomstig het bestemmingsplan de bestemming ‘Sport’ en de aanduiding ‘tennisbaan’. Artikel 22.1, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan bepaalt dat de voor ‘Sport’ aangewezen grond met de aanduiding ‘tennisbaan’ uitsluitend voor de uitoefening van sportactiviteiten in de vorm van tennisbanen met de daarbij behorende voorzieningen, zoals een clubgebouw, kantine en kleedkamers bestemd is. Niet in geschil is dat padel een sport(activiteit) is. Het verschil in de lezing van partijen ziet op de uitleg van de aanduiding ‘tennisbaan’. Om vast te stellen dat padel hieronder valt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet meer louter worden verwezen naar voornoemde uitspraak van de Afdeling uit 2019. De Afdeling gaf in die uitspraak, waarin zij oordeelde dat padelbanen onder de functieaanduiding tennisbanen vallen, als redengevend op dat ‘ook de geluidsbelasting van padelbanen in zijn algemeenheid niet zodanig is, dat kan worden gezegd dat om die reden sprake zou zijn van wezenlijk andere ruimtelijke gevolgen dan bij tennisbanen’. De rechtbank volgt eisers in het standpunt dat deze uitspraak op dit punt inmiddels achterhaald is. In de Handreiking Padel en Geluid van januari 2023 wordt bijvoorbeeld geconstateerd dat ‘de praktijk laat zien dat het geluid van padel te veel afwijkt van het geluid van tennis’ (pagina 4). De Handreiking gaat daarbij uit van de waarde van 91 dB(A) als representatief voor het geluidsbronvermogen van één padelbaan. Evenzo geeft het akoestisch onderzoek dat verweerder ten grondslag heeft gelegd aan de vergunning aan dat ‘is gebleken dat het padelspel een aanzienlijk hogere geluidemissie met zich meebrengt dan tennis’ (pagina 3). Daarnaast zijn ook in de rechtspraak sinds de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 uitspraken verschenen die onderschrijven dat padel een eigen geluidsemissie kent, die als onaangenaam wordt ervaren.
6.2.
Opgemerkt zij verder dat de twee uitspraken waarnaar verweerder ter zitting heeft verwezen niet relevant zijn in dit specifieke geval. Onder de bestemmingsplannen in die uitspraken waren de voor ‘Sport’ aangewezen gronden onder meer bestemd voor ‘sportvelden’, wat meer omvat dan de in deze zaak van toepassing zijnde functieaanduiding ‘tennisbaan’.
6.3.
Alles overwegende, heeft verweerder niet zonder meer op grond van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 kunnen oordelen dat padel onder de functieaanduiding ‘tennisbaan’ valt, in de zin van artikel 22.1, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan. Verweerder heeft dan ook ten onrechte de vergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder a, van de Wabo, zodat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft.
7. Omdat het beroep op dit punt slaagt, behoeven de overige beroepsgronden die zien op de vergunning geen bespreking meer.
Kleeft aan de opgelegde maatwerkvoorschriften een gebrek?
8. Eisers hebben voorts van de opgelegde maatwerkvoorschriften de gebiedstypering betwist die daaraan ten grondslag ligt. Onder verwijzing naar de Richtlijn Lichthinder 2020 van de Nederlandse Stichting Voor Verlichtingskunde heeft verweerder gemotiveerd dat is gekozen voor de normering ‘stedelijk gebied’, omdat het tenniscomplex en de omliggende woningen in de nabijheid van een industrieterrein en agrarische gronden gelegen zijn. De stedelijke bebouwing van Horn, Roermond en Buggenum die het gebied in geschil omringt, maakt dat van een landelijk gebied geen sprake is, aldus verweerder bij het bestreden besluit. Volgens eisers moet echter worden uitgegaan van de normering ‘landelijk gebied’. Door de gebiedstypering ‘stedelijk gebied’ is ten onrechte uitgegaan van andere uitgangspunten bij het opleggen van de maatwerkvoorschriften, aldus eisers.
9. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hoewel het tenniscomplex en de woningen van eisers volgens het bestemmingsplan worden omringd door gronden met de bestemming ‘Natuur’, ‘Agrarisch met waarden – 4’ en ‘Maatschappelijk – Begraafplaats’ maakt dit niet dat hier evident sprake is van een ‘landelijk gebied’ in de zin van de Richtlijn Lichthinder 2020. Redengevend daarbij is dat uit deze Richtlijn volgt dat onder de normering E2 (landelijk gebied) wordt verstaan “gebieden met een lage omgevingshelderheid, in het algemeen natuurgebieden en landelijke gebieden ver van woonkernen”, en onder de normering E3 (stedelijk gebied) “gebieden met een gemiddelde omgevingshelderheid, in het algemeen stedelijke (woon)gebieden”. Aangezien het gebied in kwestie onder meer een tenniscomplex omvat, is niet onbegrijpelijk dat verweerder hier heeft beargumenteerd dat sprake is van een E3/‘stedelijk gebied’ in voornoemde zin. Eisers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verweerder op dit punt onzorgvuldig heeft gehandeld, dan wel dat sprake is van een gebrekkige motivering. De beroepsgrond die ziet op het maatwerkvoorschriftenbesluit slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep van [eiseres 1] is niet-ontvankelijk. Het beroep van de overige eisers is gegrond. Eisers, [eiseres 1] uitgezonderd, krijgen dus gelijk.
10.1.
Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten bestaat geen aanleiding, nu daar niet om is gevraagd en eisers bovendien geen gebruik hebben gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Verweerder moet wel het door eisers, [eiseres 1] uitgezonderd, betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep van [eiseres 1] niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van de overige eisers gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van in totaal € 184,- moet vergoeden aan eisers, [eiseres 1] uitgezonderd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Trifunović, voorzitter, en mr. C. Drent en
mr. K.M.J.A. Smitsmans, leden, in aanwezigheid van mr. A. Kloos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 19 juni 2026.
griffier
De voorzitter is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 19 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:2
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Invoeringswet Omgevingswet
Artikel 4.3
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van toepassing:
ls tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt,
als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.
Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016
Artikel 22.1
De voor ‘Sport’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. het uitoefenen van sportactiviteiten;
(…)
ter plaatse van de aanduiding ‘tennisbaan’ uitsluitend voor de uitoefening van sportactiviteiten in de vorm van tennisbanen met de daarbij behorende voorzieningen, zoals een clubgebouw, kantine en kleedkamers;
Artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 2.1, eerste lid en tweede lid onder h, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.
Vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271.
Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3521.
Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:211, rov. 3.2.
De Afdeling 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1746.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:316, rov. 5.1, waar de Afdeling onder meer aan de hand van de Handreiking van Padel en Geluid van januari 2023 heeft geoordeeld “dat sprake is van gewijzigde planologische inzichten over de akoestische inpasbaarheid van padelbanen in de omgeving van woningen.” Ook de voorzieningenrechter in de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 22 juli 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:4717, rov. 5.6, oordeelde dat padel een lawaaisport is, aangezien “inmiddels vrij algemeen is aanvaard dat padel een hoog geluidbronvermogen heeft en dat dit geluid niet als aangenaam wordt ervaren.”
De uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag van 16 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5508, en de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 26 november 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6404. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|