Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2024:1098 
 
Datum uitspraak:15-02-2024
Datum gepubliceerd:26-08-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 22/5582
Rechtsgebied:Bestuursstrafrecht
Indicatie:Boete voor fecale bezoedeling in een slachterij, overtreding van Vo 853/2004.
Trefwoorden:landbouw
landbouw, natuur en voedselkwaliteit
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 22/5582

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2024 in de zaak tussen

[eiseres] uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. F.Th.M. Peters),

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. ing. H.D. Strookman).




Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 2.500,- omdat zij volgens verweerder bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften heeft overtreden. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 13 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2024. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.




Overwegingen

1. In het rapport van bevindingen van 1 november 2021 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gerapporteerd dat hij/zij zich op 26 oktober 2021 omstreeks 11:45 uur naar aanleiding van regulier toezicht bevond op het slachthuis van eiseres. In dat rapport is, voor zover hier van belang, het volgende beschreven:

“Tijdens mijn inspectie bevond ik mij in de grote koelcel boven de eerste snijzaal. In deze koelcel worden de karkassen na het slachtproces alleen teruggekoeld en worden er geen andere handelingen aan het karkas verricht.

Ik zag daar dat er een varkenskarkas met goedkeurstempel uitgeraild werd naar de snijzaal. Hierop zag ik een plakkaat met mest op de elleboog en zag tevens mestbezoedeling in de snijrand daarboven (zie foto). Dit betreft een heterdaadbevinding.

Ik heb [naam] , die bij mij aanwezig was, de bezoedeling weg laten snijden voor het karkas naar beneden ging in de uitsnijderij.

Bij mijn controle na afloop van het slachtproces zag ik dat het karkas zichtbaar was verontreinigd. Zichtbare verontreinigingen werden niet onmiddellijk verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect.”

2. Op basis van dit rapport van bevindingen heeft verweerder bij het primaire besluit aan eiseres een boete opgelegd van € 2.500,- voor het volgende beboetbare feit: een karkas was zichtbaar verontreinigd. Deze zichtbare verontreinigingen werden niet onmiddellijk verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 2.4, eerste lid, onder d, van de Regeling dierlijke producten, in verbinding met artikel 3, eerste lid, en Bijlage III, sectie I, Hoofdstuk IV, punt 7 en 10, van Verordening (EG) nr. 853/2004 waarvoor een boete van € 2.500,- kan worden opgelegd.


2.1.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

3. Eiseres kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en heeft daartegen de volgende gronden aangevoerd. Eiseres heeft gesteld dat er wel is voldaan aan de eis van “onmiddellijke verwijdering”, omdat het aannemelijk is dat dat de bezoedeling niet zichtbaar is geweest in de slachtlijn en de bezoedeling na eerste waarneming in de uitsnijdlijn wordt verwijderd. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de mestbezoedeling zichtbaar is in de snijrand van de reeds verwijderde bezoedeling. Eiseres heeft gesteld dat deze verwijdering heeft plaatsgevonden voor de postmortemkeuring. Het karkas is daarna voorzien van een goedkeuringsstempel. Daaruit leidt eiseres af dat de bezoedeling na het wegsnijden voor de postmortemkeuring niet meer zichtbaar was.



3.1.
In de uitspraak van 30 november 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:1029), waarnaar verweerder in het verweerschrift heeft verwezen, heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in rechtsoverweging 6.2. het volgende overwogen:

“Verordening nr. 853/2004, Hoofdstuk IV van bijlage III, sectie I, genaamd ‘Hygiëne bij het slachten’, beschrijft het slachtproces voor als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren in chronologische volgorde. De onderdelen 1 tot en met 6 van hoofdstuk IV hebben betrekking op de antemortemfase en de onderdelen 7 tot en met 15 op de uitslachtfase. De onderdelen 16 en 17 hebben betrekking op de fase na de postmortemkeuring. Gelet op deze chronologische beschrijving van de slachtfase zien onderdeel 7 en onderdeel 10 van hoofdstuk IV naar het oordeel van het College op de uitslachtfase. Dit betekent dat vóór de postmortemkeuring, die het einde van deze fase van het slachten markeert, aan het bepaalde in onderdeel 7 en onderdeel 10 van hoofdstuk IV moet zijn voldaan (zie de uitspraak van het College van 19 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:426).”




3.2.
Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de fecale bezoedelingen zijn aangetroffen na afloop van het slachtproces. De toezichthouder bevond zich op dat moment in de koelcel boven de eerste snijzaal. In die koelcel worden karkassen na het slachtproces teruggekoeld en er worden in die koelcel geen andere handelingen aan het karkas verricht. Verder blijkt uit het rapport van bevindingen dat de bezoedelingen zichtbaar waren. De rechtbank ziet geen aanleiding eiseres te volgen in haar stelling ter zitting dat de bezoedeling pas zichtbaar was na het opdrogen van het karkas, nu de toezichthouder niet alleen een mestbezoedeling in de snijrand heeft aangetroffen, maar ook een plakkaat met mest op de elleboog. De bezoedelingen waren voor de toezichthouder zichtbaar en de toezichthouder heeft de mestbezoedelingen op een foto aangeduid (omcirkeld).



3.3.
Verweerder heeft terecht op basis van het rapport van bevindingen vastgesteld dat eiseres artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 2.4, eerste lid, onder d, van de Regeling dierlijke producten, in verbinding met artikel 3, eerste lid, en Bijlage III, sectie I, Hoofdstuk IV, punt 7 en 10, van Verordening (EG) nr. 853/2004 heeft overtreden en was bevoegd eiseres daarvoor een boete op te leggen.

4. Voor zover eiseres heeft verzocht om de boete te matigen, ziet de rechtbank daarvoor geen aanleiding, nu niet is gebleken van een gering risico voor de volksgezondheid. De rechtbank betrekt hierbij dat de bezoedeling op aanwijzing van de toezichthouder werd weggesneden op een moment dat het karkas alle opknap- en controlepunten reeds was gepasseerd en voorzien was van een goedkeuringsstempel waarmee het geschikt was verklaard voor humane consumptie. Het karkas had op dat moment schoon moeten zijn, om te voorkomen dat het karkas met fecale bezoedeling in de voedselketen terecht zou komen. Dat de bezoedeling na constatering van de overtreding alsnog is weggesneden, betekent daarom niet dat er sprak is van een gering risico of geringe gevolgen voor de volksgezondheid.





Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr.S.L. Mehlbaum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2024.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Link naar deze uitspraak