|
|
|
| ECLI:NL:RBLIM:2026:7960 | | | | | Datum uitspraak | : | 22-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 27-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Limburg | | Zaaknummers | : | ROE 25/566 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Het college heeft aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een tuinhuis, in afwijking van het omgevingsplan (BOPA). Eiser is het daar niet mee eens. Volgens hem is niet (deugdelijk) getoetst aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL), gelet op de ter plaatse aanwezige steenuil. De rechtbank oordeelt dat het
ETFAL-vereiste bij een BOPA een aspect van uitvoerbaarheid omvat en dat het college dit heeft miskend. Het college had op voorhand in redelijkheid moeten inzien of het nieuwe tuinhuis kan worden gerealiseerd. Daarbij kon het in beginsel volstaan met beschikbare gegevens uit een gebiedsinventarisatie en beperkt onderzoek. Nu niet is voldaan aan het ETFAL-vereiste, kan het bestreden besluit reeds op die grond geen stand houden. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | | Uitspraak | RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/566
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, het college
(gemachtigde: mr. C. Michels).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [naam vergunninghoudster] , vergunninghoudster, en [naam 1] , echtgenoot van vergunninghoudster.
Procesverloop
1. Bij besluit van 2 oktober 2024 heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend. Bij het bestreden besluit van 29 januari 2025 heeft het college de vergunning gehandhaafd.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] , vergezeld door [naam 2] en
[naam 3] , en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
2. Vergunninghoudster woont samen met haar echtgenoot aan de [adres 1] , [woonplaats] . Zij zijn eigenaar van de percelen, bekend als [kadasternummer 1] en [kadasternummer 2] .
3. Eiser woont aan de [adres 2] , [woonplaats] . Hij is eigenaar van het perceel, bekend als [kadasternummer 3] .
4. Vergunninghoudster heeft op 11 juni 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vervangen van een tuinhuis aan de [adres 1] (sectie [kadasternummer 2] ) in [woonplaats] . In de aanvraag staat dat het beoogde tuinhuis hoort bij de woning op het adres [adres 3] in [woonplaats] , waar de dochter van vergunninghoudster, voornoemde [naam 2] , woont.
4.1.
Het college heeft de vergunning verleend via een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (OPA). Overeenkomstig het vigerende omgevingsplan gemeente Venlo heeft het perceel waar vergunninghoudster het tuinhuis wil bouwen de enkelbestemming ‘Agrarisch gebied’. Volgens het besluit van 2 oktober 2024 zorgt het overgangsrecht ervoor dat dit geen belemmering is voor vergunningverlening.
4.2.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de vergunning. Bij het bestreden besluit heeft het college de vergunning in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering. Het college komt daarin terug op het eerder ingenomen standpunt dat de overgangsbepalingen van het omgevingsplan voorzien in de herbouw en het gebruik van het tuinhuis. Voor het bestaande tuinhuis en het gebruik daarvan voor woondoeleinden is namelijk geen vergunning gevonden. Het college verleent de vergunning alsnog via een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA), waarbij vergunningverlening strookt met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL), zo luidt het bestreden besluit.
Belanghebbendheid
5. Voordat wordt toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden, toetst de rechtbank ambtshalve of eiser belanghebbende is overeenkomstig artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Hoewel zijn woonperceel
( [kadasternummer 3] ) niet aangrenzend is aan het perceel waar de vergunning op ziet ( [kadasternummer 2] ), is eiser belanghebbende in voornoemde zin. Zijn perceel ligt op een afstand van ongeveer 65 meter vanaf het beoogde tuinhuis en eiser heeft daar – al dan niet beperkt – zicht op. De rechtbank overweegt dat het aannemelijk is dat eiser feitelijke gevolgen ondervindt van de bouw van dit tuinhuis. Zo kan het de gebruiksmogelijkheden op zijn perceel beïnvloeden, bijvoorbeeld doordat het beoogde recreatieve gebruik van het tuinhuis – waarover [naam 2] ter zitting heeft verklaard – gevolgen kan hebben voor zijn woongenot.
Voldoet de vergunning aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
6. Eiser betoogt onder andere dat ter plaatse broedende steenuilen zijn verjaagd door de voor het tuinhuis voorbereidende werkzaamheden in mei 2024. Daardoor zijn er dat jaar geen jonge steenuilen geboren. Volgens eiser liggen aan het bestreden besluit ten onrechte geen maatregelen of een leefgebiedenanalyse ten grondslag ten behoeve van de (verdere) bouw van het tuinhuis, bijvoorbeeld tijdens het broedseizoen. De rechtbank begrijpt dat eiser met deze beroepsgrond bedoelt dat niet is voldaan aan een ETFAL en dat het college de omgevingsvergunning (zonder maatregelen of een voorafgaande leefgebiedenanalyse) niet had kunnen verlenen.
7. Het college is het hier niet mee eens. Vergunninghoudster (en haar echtgenoot) zijn verantwoordelijk voor het naleven van hun zorgplicht onder de natuurwetgeving. De Gedeputeerde Staten van de Provincie Limburg zijn het bevoegd gezag als er een vergunningplicht op basis van de flora- en faunawetgeving geldt. Dat geldt ook voor handhaving, wanneer de regelgeving op dit gebied niet wordt nageleefd. Vergunninghoudster heeft bovendien een betrouwbare verklaring overgelegd van de Vogelwerkgroep IVN Maasduinen. De nestkast op perceel [kadasternummer 2] is gecontroleerd op
25 mei 2024, nadat er activiteiten hadden plaatsgevonden ten behoeve van het nieuwe tuinhuis. Volgens de verklaring is er toen een broedende steenuil aangetroffen. Er is verder een nieuwe nestkast opgehangen en de Vogelwerkgroep is betrokken. Het college betoogt dat er geen reden was om van vergunninghoudster iets aanvullends te eisen.
8. De rechtbank volgt eiser in het standpunt dat ten aanzien van het ETFAL-vereiste aan het bestreden besluit een gebrek kleeft. Dat betekent dat deze beroepsgrond slaagt en eiser op dat punt gelijk krijgt. Daarbij is het volgende van belang.
8.1.
De rechtbank stelt voorop dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb hier geen belemmering vormt. Daargelaten dat al is vastgesteld dat het perceel van eiser nabij dat van het beoogde tuinhuis ligt (en daarmee de waargenomen broedende steenuil), is de rechtbank ter zitting gebleken dat de steenuil niet louter op het perceel [kadasternummer 2] verblijft. Deze is meer algemeen te vinden in de omgeving waar eiser en vergunninghoudster wonen. Dat maakt dat niet kan worden gezegd dat de rechtsnorm, die besloten ligt in de relevante flora- en faunawetgeving, evident niet strekt tot bescherming van de belangen van eiser.
8.2.
Partijen zijn het er verder over eens dat het nieuwe tuinhuis niet binnen de gebruiks- en bouwregels past van het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Venlo. Hierdoor is sprake van een zogeheten omgevingsplanactiviteit, die het college heeft vergund via een BOPA.
8.3.
Bij een BOPA mag het college een vergunning alleen verlenen als het project
– hier, de bouw van het nieuwe tuinhuis – voldoet aan het ETFAL-vereiste. Een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ kan daarbij zien op beide maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow), namelijk het benutten én het beschermen van de fysieke leefomgeving.
8.4.
Vaststaat dat het college van Gedupeerde Staten van de Provincie (meestal) het bevoegd gezag is bij natuurvergunningen. De Ow voorziet daarnaast niet in een ‘aanhaken’ van de omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten bij de BOPA. Dit betekent volgens de rechtbank dat het college hier niet gehouden was om te beoordelen of vanwege de steenuil sprake is van een vergunningplichtige flora- en fauna-activiteit. Zo een onderzoekslast zou bovendien haaks staan op het gesplitste en (ten opzichte van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) meer flexibele vergunningstelsel onder de Ow, dat snellere en betere besluitvorming nastreeft. Evenwel overweegt de rechtbank dat het ETFAL-vereiste, waaraan het college moet toetsen bij een BOPA, een aspect van uitvoerbaarheid omvat. Dit houdt in dat het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien of het nieuwe tuinhuis kan worden gerealiseerd. Daarbij kon het in beginsel volstaan met beschikbare gegevens uit een gebiedsinventarisatie en beperkt onderzoek.
8.5.
Partijen zijn het erover eens dat de steenuil met enige regelmaat op perceel [kadasternummer 2] zit. Daar staan ook meerdere steenuilennestkasten. Eveneens is onbetwist dat in mei 2024 in ieder geval één broedende steenuil is waargenomen. Het lag dan ook op de weg van het college om iets te zeggen over de gevolgen van de bouw van het nieuwe tuinhuis voor de steenuil. Omdat het college in het geheel niet aan het aspect van uitvoerbaarheid heeft getoetst, is evident niet voldaan aan het ETFAL-vereiste.
8.6.
De verwijzing van het college naar de verklaring van Vogelwerkgroep IVN Maasduinen, maakt dat niet anders. Vergunninghoudster heeft de bouw van het tuinhuis
– die bovendien slechts voorbereidende werkzaamheden omvatte – op 23 mei 2024 stilgezet. De enkele verklaring van de Vogelwerkgroep, dat op 25 mei 2024 een broedende steenuil is waargenomen op perceel [kadasternummer 2] , biedt onvoldoende om vast te stellen dat de bouw van het tuinhuis geen gevolgen heeft voor de steenuil. In tegendeel, dit had juist aanleiding moeten zijn om de gevolgen van de bouw voor de steenuil te onderzoeken (zij het beperkt). Het bestreden besluit is dus gebrekkig ten aanzien van het ETFAL-vereiste.
9. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgrond van eiser met betrekking tot de steenuil slaagt. Het bestreden besluit kan reeds op die grond geen stand houden. De overige beroepsgronden behoeven dus geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. Aan het bestreden besluit kleeft een gebrek ten aanzien van het ETFAL-vereiste. Het college heeft de vergunning voor het afwijken van het omgevingsplan daarom niet mogen verlenen. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt.
10.1.
Voor een veroordeling van het college in de proceskosten bestaat geen aanleiding, nu daar niet om is gevraagd en eiser bovendien geen gebruik heeft gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het college moet wel het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- moet vergoeden aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Trifunović, rechter, in aanwezigheid van
F.G.A. Claessen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 22 juni 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 22 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikelen 5.1, eerste lid, onder a, en 22.1 van de Omgevingswet.
Vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:249, rov. 14.
Vgl. uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706.
Bijlage A bij artikel 1.1 Ow.
Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, p. 139.
Artikel 1.3 Ow.
Staatsblad 2018, 290.
Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:354, rov. 5.2. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2935, rov. 6, die ziet op het oude recht in de artikelen 2.20a en 2.27 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in samenhang met artikel 6.10a Besluit omgevingsrecht (verklaring van geen bedenkingen). In de huidige wetgeving is een soortgelijke procedure te vinden in de artikelen 5.33 en 16.15 Ow (advies) en artikel 16.16 Ow (instemming), als ook artikel 4.25, eerste lid, onder e, van het Omgevingsbesluit (voor natuur, en flora en fauna). | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|