Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CG:2026:7 
 
Datum uitspraak:23-07-2026
Datum gepubliceerd:31-08-2026
Instantie:Centrale Grondkamer
Zaaknummers:GP 11.869
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Centrale Grondkamer, pachtrecht. Artikel 7:319 BW, artikel 7:320 BW In dit specifieke geval, waarbij sprake is van een geliberaliseerde pachtovereenkomst van één jaar, acht de Centrale Grondkamer een tussentijds opzeggingsbeding, behoudens bijzondere omstandigheden die in dit geval niet aan de orde zijn en ongeacht de afgesproken pachtprijs, buitensporig. In dit geval heeft de hoogte van de pachtprijs geen invloed op het oordeel of sprake is van een buitensporig beding. De Centrale Grondkamer is van oordeel dat voor schadevergoeding in aanmerking komt de schade die pachter lijdt door de opzegging voor het einde van de pachtovereenkomst. De schade moet daarbij worden berekend aan de hand van een vergelijking van de situatie waarbij niet tussentijds opgezegd zou zijn en de situatie waarbij wel tussentijds is opgezegd. De Centrale Grondkamer wijzigt de pachtovereenkomst en keurt de gewijzigde pachtovereenkomst goed.
Trefwoorden:grondkamer
mestafzet
 
Uitspraak
CENTRALE GRONDKAMER


Datum: 23 juli 2026
Dossiernummer: GP 11.869











Beschikking


in de zaak van:



Provincie Zuid-Holland,
zetelend in Den Haag,
hierna te noemen: verpachtster,
gemachtigde: mr. E.H.M. Harbers, advocaat bij Vangoud Advocaten B.V. in Arnhem,


-tegen-


Eenmanszaak [naam pachter],
gevestigd in [vestigingsplaats],
hierna te noemen: pachter.







De beslissing van de Centrale Grondkamer in het kort


De Centrale Grondkamer heeft in de tussenbeschikking van 18 december 2025 geoordeeld dat in dit geval, waarbij sprake is van een geliberaliseerde pachtovereenkomst van los land met een duur van één jaar, het overeengekomen tussentijds beëindigingsbeding buitensporig is. Die buitensporigheid kan worden opgeheven door aan het beëindigingsbeding toe te voegen dat aan pachter een schadevergoeding toekomt voor de schade die pachter lijdt door opzegging anders dan per het einde van het pachtjaar. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten.

De Centrale Grondkamer blijft bij zijn eerdere beslissing en wijzigt artikel 2 van de pachtovereenkomst en keurt de aldus gewijzigde pachtovereenkomst goed.

Hierna legt de Centrale Grondkamer de beslissing uit. Eerst beschrijft de Centrale Grondkamer onder 1. wat er na de tussenbeschikking van 18 december 2025 in de procedure bij de Centrale Grondkamer is gebeurd. Onder 2. staan de redenen voor de beslissing en onder 3. staat de beslissing in juridische woorden.





1De verdere procedure bij de Centrale Grondkamer


1.1.
In deze procedure staat de vraag centraal of het door partijen overeengekomen tussentijds beëindigingsbeding, zoals verwoord in artikel 2 en artikel 15 van de pachtovereenkomst, in een geliberaliseerde pachtovereenkomst van los land voor de duur van één jaar, is toegestaan.



1.2.
De Centrale Grondkamer heeft op 18 december 2025 een tussenbeschikking gegeven en geoordeeld dat in dit geval het tussentijds beëindigingsbeding in de pachtovereenkomst van één jaar buitensporig is. Die buitensporigheid kan volgens de Centrale Grondkamer worden opgeheven door aan het beëindigingsbeding toe te voegen dat aan pachter een schadevergoeding toekomt voor de schade die pachter lijdt door opzegging anders dan per het einde van het pachtjaar. Het gaat
daarbij om de concrete schade die wordt veroorzaakt doordat opzegging plaatsvindt anders dan per
einde pachtjaar of pachtovereenkomst. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten.



1.3.
In de brief van 20 januari 2026 heeft verpachtster gereageerd op de tussenbeschikking van de Centrale Grondkamer. Verpachtster vraagt de Centrale Grondkamer terug te komen op het voornemen de pachtovereenkomst aan te passen. Indien de Centrale Grondkamer daartoe geen aanleiding ziet, verzoekt verpachtster de Centrale Grondkamer verder te verduidelijken:


wat de reikwijdte van deze beschikking is in het geval de duur korter is dan één pachtjaar,


wat de reikwijdte van deze beschikking is in het geval dat de duur langer is dan één jaar en


wat de reikwijdte/omvang van de verplichting tot vergoeding van de schade is bij een tussentijdse opzegging.





1.4.
De Centrale Grondkamer heeft van pachter geen reactie ontvangen.






2De verdere beoordeling van het geschil in hoger beroep


2.1.
De Centrale Grondkamer ziet in de reactie van verpachtster geen aanleiding terug te komen op het voorlopig oordeel en de voorgestelde wijziging, zoals verwoord in de tussenbeschikking van 18 december 2025.



2.2.
In rechtsoverweging 3.5 van de tussenbeschikking heeft de Centrale Grondkamer als volgt geoordeeld:

“Het opnemen van een tussentijds beëindigingsbeding gedurende een pachtjaar of, indien van toepassing, een pachtperiode die korter is dan een pachtjaar, kan voor pachter echter grote financiële consequenties hebben. Pachter kan financiële schade lijden indien hij zijn pachtseizoen niet kan afronden. Hij heeft zijn bedrijfsvoering immers op het gepachte afgestemd. Bij voorbeeld ten aanzien van mestafzet en subsidieaanvragen. Een tussentijds opzeggingsbeding zoals in de pachtovereenkomst tussen verpachtster en pachter legt het financiële risico van een tussentijdse opzegging volledig bij de pachter. Dat maakt naar het oordeel van de Centrale Grondkamer dat het genot dat de pachter uit hoofde van een zodanige pachtovereenkomst wordt geboden met een verplichting het gebruik tussentijds te beëindigen klaarblijkelijk niet in een redelijke verhouding staat. Een dergelijk tussentijds opzeggingsbeding is daarom, behoudens bijzondere omstandigheden die in dit geval niet aan de orde zijn, en ongeacht de afgesproken pachtprijs, buitensporig. Die buitensporigheid kan, in het geval het een pachtovereenkomst betreft van een jaar of korter, worden opgeheven door aan het tussentijds beëindigingsbeding toe te voegen een zin dat als de pachtovereenkomst wordt opgezegd anders dan per het einde van het pachtjaar of het einde van de pachtovereenkomst, aan pachter een schadevergoeding toekomt voor de schade die pachter lijdt door deze opzegging anders dan per het einde van het pachtjaar of de pachtovereenkomst. Het gaat daarbij om de concrete schade die wordt veroorzaakt doordat opzegging plaatsvindt anders dan per einde pachtjaar of pachtovereenkomst.” Verpachtster wijst erop dat met de zinsnede “opzegging anders dan per einde pachtjaar of pachtovereenkomst” gesuggereerd wordt dat een geliberaliseerde pachtovereenkomst altijd opgezegd moet worden per het einde van het pachtjaar of de pachtovereenkomst. De Centrale Grondkamer heeft met deze zinsnede een tussentijdse opzegging willen omschrijven, dat wil zeggen een opzegging voor het einde van de pachtovereenkomst van een jaar of korter.



2.3.
Dit oordeel is gebaseerd op artikel 7:319 lid 1 sub b BW (buitensporige verplichtingen). Verpachtster heeft gevraagd of de Centrale Grondkamer hiermee terugkomt van zijn beslissingen van 22 november 2017 (TvAR 2018/5925) en 2 maart 2020 (TvAR 2020/8024), waarin is geoordeeld dat een tussentijdse opzegging van een geliberaliseerde pachtovereenkomst mogelijk is onder bepaalde voorwaarden. Deze uitspraken betreffen de toetsing of een pachtovereenkomst bepalingen bevat die in strijd zijn met titel 5 van boek 7 BW op grond van artikel 7:319 lid 1 sub f BW. Met de uitspraak die de Centrale Grondkamer vandaag wijst komt het dan ook niet terug van deze eerdere uitspraken.



2.4.
De Centrale Grondkamer gaat voorbij aan het meest verstrekkende standpunt van verpachtster om terug te komen op het oordeel dat sprake is van een buitensporig beding. Een verplichting is buitensporig in de zin van artikel 7:319 lid 1 aanhef en onder b BW als zij, mede gelet op de hoogte van de overeengekomen pachtprijs, kennelijk (overduidelijk, klaarblijkelijk) niet in een redelijke verhouding staat tot het genot dat de pachter uit hoofde van de pachtovereenkomst wordt geboden. In dit specifieke geval, waarbij sprake is van een geliberaliseerde pachtovereenkomst van één jaar, acht de Centrale Grondkamer een tussentijds opzeggingsbeding, behoudens bijzondere omstandigheden die in dit geval niet aan de orde zijn en ongeacht de afgesproken pachtprijs, buitensporig. Daarbij heeft de Centrale Grondkamer meegewogen dat de gronden ingericht zullen worden voor natuur en het feit dat pachter hiervan op de hoogte is. De Centrale Grondkamer is van oordeel dat in dit geval de hoogte van de pachtprijs geen invloed heeft op het oordeel of sprake is van een buitensporig beding.



2.5.
Door verpachtster is de vraag opgeworpen of een tussentijds beëindigingsbeding bij een geliberaliseerde pachtovereenkomst met een duur langer dan een jaar wel mogelijk is. Aan de Centrale Grondkamer is enkel een geliberaliseerde pachtovereenkomst met een duur van één jaar voorgelegd. Deze vraag ligt hier dus niet voor. Het is aan de grondkamer(s) om verplichtingen uit pachtovereenkomsten met andere voorwaarden te beoordelen op de vraag of zij buitensporig zijn, met toepassing van de maatstaf genoemd in 2.4. Daarbij dan ook rekening kan worden gehouden met de omstandigheden van het geval.



2.6.
Verder is voor verpachtster niet duidelijk welke schade als concrete schade moet worden aangemerkt. De Centrale Grondkamer is van oordeel dat voor schadevergoeding in aanmerking komt de schade die pachter lijdt door de opzegging voor het einde van de pachtovereenkomst. De schade moet daarbij worden berekend aan de hand van een vergelijking van de situatie waarbij niet tussentijds opgezegd zou zijn en de situatie waarbij wel tussentijds is opgezegd.


Conclusie




2.7.
De Centrale Grondkamer zal artikel 2 van de pachtovereenkomst aanvullen en de aldus gewijzigde pachtovereenkomst goedkeuren.





3De beslissing

De Centrale Grondkamer, beschikkende in hoger beroep:
wijzigt artikel 2 van de pachtovereenkomst in die zin dat aan dit artikel de volgende zin wordt toegevoegd:

Als de pachtovereenkomst wordt opgezegd voor het einde van de pachtovereenkomst komt aan pachter een schadevergoeding toe voor de schade die pachter lijdt door deze opzegging voor het einde van de pachtovereenkomst. Het gaat daarbij om de concrete schade die wordt veroorzaakt doordat opzegging plaatsvindt voor het einde van de pachtovereenkomst.


keurt de aldus gewijzigde pachtovereenkomst goed.

Deze beschikking is gegeven op 23 juli 2026 door mrs. M.S.A. van Dam, S.B. Boorsma en J.U.M. van der Werff en de deskundige leden ir. W.G. Nijlant en ir. J.H. Jurrius, in tegenwoordigheid van mr. M. Knipping-Verbeek als griffier. Deze beschikking is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. J.U.M. van der Werff.
Link naar deze uitspraak