Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:23099 
 
Datum uitspraak:03-08-2026
Datum gepubliceerd:01-09-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:SGR 25/4373
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Beroep tegen de hoogte van de toegekende tegemoetkoming in geleden faunaschade; schade veroorzaakt door grauwe ganzen aan perceel winterwortel; het college mocht de KWIN-norm toepassen; beroep ongegrond
Trefwoorden:agrarisch
akkerbouw
gewassen
perceel
taxatie
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 25/4373

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland(gemachtigden:mr. E.M. Reijnders en mr. W.M. Lambooij).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de hoogte van de toegekende tegemoetkoming in geleden faunaschade. Eiser is het niet eens met de hoogte van de toegekende tegemoetkoming. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de toegekende tegemoetkoming.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college bij het toekennen van de tegemoetkoming mocht uitgaan van de KWIN-normen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Eiser heeft op 18 juli 2024 een aanvraag om een tegemoetkoming in geleden faunaschade ingediend.


2.1.
Met het besluit van 7 februari 2025 (het primaire besluit) heeft het college een tegemoetkoming verleend van € 3.338,02.



2.2.
Met het bestreden besluit van 15 mei 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij het primaire besluit gebleven.



2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.4.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, via videoverbinding, en de gemachtigden van het college.






Beoordeling door de rechtbank


Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser heeft een agrarisch handels- en wasbedrijf aan de [straatnaam] in [plaats]. Op 15 juli 2024 heeft eiser geconstateerd dat sprake was van schade veroorzaakt door grauwe ganzen aan zijn perceel winterwortelen. Naar aanleiding hiervan heeft eiser op 18 juli 2024 een aanvraag om een tegemoetkoming in geleden faunaschade ingediend.


3.1.
In opdracht van het college heeft [bedrijfsnaam] B.V., op 22 juli 2024 en 18 november 2024 het perceel van eiser bezocht om de schade te taxeren. De taxateur heeft zijn bevindingen neergelegd in het taxatierapport van 26 november 2024, waarin de schade is begroot op een bedrag van € 3.513,71.



3.2.
Met het primaire besluit heeft het college, na aftrek van het eigen risico, een tegemoetkoming in de schade toegekend van € 3.338,02.



3.3.
Met het bestreden besluit van 15 mei 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij het primaire besluit gebleven.


Toetsingskader

4. Op grond van artikel 15.53, eerste lid, van de Omgevingswet (Ow), voorheen artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming, heeft het college de bevoegdheid om in voorkomende gevallen tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door van nature in het wild levende dieren, te verlenen. De tegemoetkoming wordt alleen verleend als de schade redelijkerwijs niet of niet geheel voor de rekening van de belanghebbende behoort te blijven. De tegemoetkoming wordt naar billijkheid vastgesteld. Het college hanteert bij de besluitvorming de onder het regime van de Wet natuurbescherming vastgestelde “Beleidsregel uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland” (de Beleidsregel). In hoofdstuk 4 van de Beleidsregel zijn regels opgenomen over de tegemoetkoming in geleden faunaschade. Uit de Beleidsregel volgt onder meer dat de hoogte van de schade wordt vastgesteld door een taxateur die van zijn bevindingen een rapport opstelt met inachtneming van de taxatierichtlijnen van BIJ12.Het college heeft een exemplaar van deze richtlijnen overgelegd.


De standpunten van partijen

5. Eiser is het niet eens met de hoogte van de toegekende tegemoetkoming. Eiser betoogt dat het college de tegemoetkoming niet mocht baseren op de norm van € 0,127 per kilo uit het handboek Kwantitatieve Informatie Akkerbouw en Vollegrondsgroenten (de KWIN-norm). Eiser voert hiertoe aan dat hij gemiddeld een hoger bedrag per kilo, namelijk € 0,155 per kilo, ontvangt voor zijn winterwortelen dan de vastgestelde KWIN-norm. Daaruit blijkt dat de KWIN-norm gedateerd is en dus niet toegepast mocht worden, aldus eiser. Eiser betoogt in dit licht bovendien dat de schade pas achteraf, nadat alle afrekeningen zijn ontvangen, bepaald kan worden. Ook voert eiser aan dat uit een teeltcontract, dat dateert van 1 juni 2024, blijkt dat de prijzen ten tijde van de schade al bekend waren.



5.1.
Het college heeft toegelicht dat er bij het berekenen van een tegemoetkoming in geleden faunaschade wordt uitgegaan van de KWIN-norm, tenzij sprake is van contractteelt met een vooraf met de afnemer vastgelegde contractprijs. Het college stelt zich op het standpunt dat in dit geval geen sprake is van contractteelt met een vooraf met de afnemer vastgelegde contractprijs. Volgens het college valt verder niet in te zien waarom eiser het teeltcontract niet eerder dan in de bezwaarfase over heeft kunnen leggen.


Mocht het college de KWIN-norm toepassen?

6. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het niet onredelijk is dat het college bij het bepalen van de opbrengst van een gewas in beginsel uitgaat van de zogeheten KWIN-cijfers en slechts van dit uitgangspunt afwijkt als de grondgebruiker een contract overlegt waaruit een vooraf vastgestelde, andere prijs blijkt. In dit licht is de rechtbank van oordeel dat het beleid van het college dat in beginsel wordt uitgegaan van de KWIN-norm en dat gevallen waarin vooraf met de afnemer contractprijzen zijn vastgesteld hierop een uitzondering kunnen vormen, niet onredelijk is. De rechtbank acht het verder ook niet onredelijk dat het college in het geval van een uitzondering op grond van een contractprijs verlangt dat vastgesteld kan worden wat de prijs van een gewas is op het moment van inzaaien.



6.1.
Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in het betoog dat het college de bij de aflevering daadwerkelijk betaalde prijs voor de gewassen zou moeten hanteren voor de berekening van de schade. Ook het betoog van eiser dat wel degelijk sprake is van een voorafgaand aan de teelt vastgelegde contractprijs, slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser de door het college verlangde duidelijkheid met betrekking tot de vooraf vastgelegde prijs niet geboden. Eiser heeft, naar niet door hem betwist, zowel bij zijn aanvraag om een tegemoetkoming in geleden faunaschade als bij de bezoeken van de taxateur aan zijn perceel geen contract overgelegd, maar heeft ten tijde van de taxatie gesteld dat het contract eraan zat te komen. Uit het alsnog overgelegde contract met ondertekeningsdatum 1 juni 2024 en de daarin genoemde weekprijzen per 100 kilo kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid welk bedrag eiser voorafgaand aan de teelt zou ontvangen bij verkoop van de gewassen. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser volgens de aanvraag de gewassen op 3 juni 2024 heeft ingezaaid. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat het inzaaien van een gewas in juni betekent dat dit gewas in november wordt geoogst, maar dat dit nog niet betekent dat deze teelt ook in november wordt geleverd tegen de op dat moment geldende contractuele weekprijzen. De teelt kan bijvoorbeeld ook gekoeld worden opgeslagen en op een ander moment worden geleverd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser geen bewijs van een voorafgaand aan de teelt contractueel gegarandeerde prijs heeft overgelegd.



6.2.
De rechtbank is daarom, gelet op het overwogene onder 6., van oordeel dat het college zich bij de toekenning van de tegemoetkoming mocht baseren op de KWIN-norm. De rechtbank acht daarbij bovendien van belang dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat geen aanspraak op een volledige schadevergoeding kan worden ontleend.


6.3.
De rechtbank overweegt verder dat eiser ook niet concreet heeft onderbouwd dat de KWIN-norm gedateerd is en niet past bij de feitelijke marktsituatie. Het college heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de KWIN-norm (grote) fluctuaties juist opvangt, waardoor een redelijk meerjarig gemiddelde ontstaat. Er zijn ook jaren waarin de marktprijs lager ligt dan de KWIN-norm, en dan hanteert het college evengoed de (hogere) KWIN-prijs, hetgeen dan juist gunstig is voor aanvragers.



6.4.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat wat eiser heeft aangevoerd geen grond biedt voor het oordeel dat het college bij het toekennen van de tegemoetkoming niet uit mocht gaan van de KWIN-norm.




Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 15.53, tweede lid, van de Ow.


Artikel 4.1, tweede lid, van de Beleidsregel.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4934, onder 4.1.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2636, onder 4.1.
Link naar deze uitspraak