|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:6720 | | | | | Datum uitspraak | : | 28-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 03-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | ARN 26/3620 | | Rechtsgebied | : | Bestuursprocesrecht | | Indicatie | : | Er is een omgevingsvergunning verleend aan het waterschap voor de herinrichting van het terrein van landgoed de Wildenborch bij Vorden. De omgevingsvergunning ziet onder andere op ophoging, egalisering van gronden en afgraven van de bodem en het aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen. Verzoekers vrezen dat de werkzaamheden wateroverlast en overlast van muggen en knutten tot gevolg zullen hebben. De wijzigingen in het watersysteem zijn vergund in een andere omgevingsvergunning die ziet op wateractiviteiten. Verzoekers zijn daarom opgekomen tegen het verkeerde besluit. Niet gebleken is dat de werkzaamheden zullen zorgen voor extra vernatting van het gebied, zodat ook niet aannemelijk is dat sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van het perceel van verzoekers. De vrees van verzoekers dat de uitvoering van het project tot gevolg zal hebben dat sprake is van een uitbreiding van de habitat van muggen en knutten en daardoor een grotere kans op verspreiding van het West-Nijlvirus volgt de voorzieningenrechter niet. Niet gebleken is dat er een ander habitat wordt gecreëerd dan er al aanwezig is. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bedrijfswoning | | | bestemmingsplan | | | meststoffen | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | waterschap | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/3620
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[verzoekers] , uit [woonplaats], verzoekers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst
(gemachtigde: D. Robbertsen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Waterschap Rijn en IJssel uit Doetinchem
(gemachtigden: P.M. Thijssen, W.A.J. Klutman, drs. P. van Heteren en J.R. Baks).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde-partij], uit Vorden.
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning voor de herinrichting van het terrein van landgoed de Wildenborch. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekers.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekers wat betreft de gestelde te verwachten wateroverlast opkomen tegen het verkeerde besluit omdat deze gronden zien op het besluit van het college van dijkgraaf en heemraden van waterschap Rijn en IJssel van 2 april 2026. Daarnaast volgt de voorzieningenrechter verzoekers niet in het betoog dat de werkzaamheden zullen leiden tot een grotere habitat van muggen en knutten in de nabijheid van het perceel van verzoekers. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 en verder staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de voorzieningenrechter volgt vanaf 8. Aan het eind staat de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Het college heeft op 4 juni 2026 een omgevingsvergunning verleend voor het herinrichten van het terrein van landgoed de Wildenborch (fase II). Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van het college, derde-partij en de gemachtigde van derde-partij.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst kort waar de zaak over gaat. Daarna beoordeelt zij of er aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. Daarvoor is van belang of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk een reden zijn om een voorlopige voorziening te treffen. Of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoeker.
Waar gaat deze zaak over?
4. Het college heeft op 4 juni 2026 een omgevingsvergunning verleend aan het waterschap voor de herinrichting van het terrein van landgoed de Wildenborch (fase II) aan de Wildenborchseweg – Mosselseweg bij Vorden. De omgevingsvergunning ziet onder andere op ophoging, egalisering van gronden en afgraven van de bodem en het aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen.
De voorliggende procedure ziet op een klein deel van het gehele project, namelijk de werkzaamheden op de gronden van [derde-partij] en Jonkers die wonen aan [adres] . Verzoekers wonen aan de [adres] tegenover de percelen waar de omgevingsvergunning op ziet.
4.1.
Van belang is ook dat het college van dijkgraaf en heemraden van waterschap Rijn en IJssel op 2 april 2026 een omgevingsvergunning wateractiviteit heeft verleend aan het waterschap Rijn en IJssel. Die omgevingsvergunning ziet op het uitvoeren van handelingen in een watersysteem, beschermingszone of profiel van vrije ruimte, te weten het uitvoeren van werkzaamheden in kern en beschermingszone van watergangen: Afwatering van het Kranengoor (BER36.065), Afwatering van Groenouwe (BER36.070) en Afwatering Iangs de Eendenkooi (BBO14.000 en BBO14.000.015) van landgoed De Wildenborch nabij de Wildenborchseweg in Vorden waarvoor op grond van de Omgevingswet en/of verordening van het waterschap een vergunning is vereist.
Waarom vragen verzoekers om een voorlopige voorziening te treffen?
5. Verzoekers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning van 4 juni 2026. Zij hebben tegen dat besluit een bezwaarschrift ingediend. Omdat de werkzaamheden in week 30 of week 31 zouden beginnen hebben zij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
Naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige voorziening heeft het waterschap op 22 juli 2026 aan de voorzieningenrechter medegedeeld dat de werkzaamheden zijn gestaakt in afwachting op de uitspraak van de voorzieningenrechter.
Spoedeisend belang
6. Verzoekers vrezen dat door voortzetting van de werkzaamheden een onomkeerbare situatie ontstaat. Daarnaast geeft [derde-partij] aan dat zij er belang bij hebben dat de werkzaamheden op korte termijn kunnen worden uitgevoerd omdat dit tijdens het droge seizoen dient te gebeuren. Dat seizoen eindigt in september. Indien te lang gewacht moet worden lopen de werkzaamheden een jaar vertraging op. Dat betekent dat de derde-partij niet kan voldoen aan de verplichtingen die zij zijn aangegaan met de provincie Gelderland. Het waterschap heeft aangegeven dat vertraging van de werkzaamheden behoorlijk kostenverhogend zal zijn. Er ontstaat volgens het waterschap daardoor forse stagnatieschade.
Gelet op het voorgaande oordeelt de voorzieningenrechter dat er sprake is van spoedeisend belang.
Het toetsingskader
7. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan voor de hele gemeente. Dat omgevingsplan bestaat nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de werkzaamheden worden uitgevoerd, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Landelijk gebied Bronckhorst” van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Bronckhorst. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit valt (onder meer) een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan.
7.1.
Op de in geding zijnde percelen zijn de planregels van het bestemmingsplan Landelijk gebied Bronckhorst van toepassing. De percelen hebben de enkelbestemming “Agrarisch met waarden – Landschap” (artikel 4). De voor de toetsing van de voorliggende procedure van belang zijnde artikelen zijn:
4.7.1
Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren die mogelijk gevolgen hebben voor bodemstructuur, het bodemniveau, het landschap en de waterhuishouding:
ophoging, egalisering van gronden en afgraven van de bodem;
aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
overige werken en werkzaamheden die de waterhuishouding beïnvloeden, zoals bemalen, onderbemalen en het slaan van putten;
aanbrengen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
4.7.3
Voorwaarden
De in 4.7.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien en voorzover door de werken en werkzaamheden geen onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan:
voor de bodemstructuur, het bodemniveau, het landschap en de waterhuishouding;
voor het reliëfrijke karakter van de bolle akkers en de openheid van de open akkers;
van het historische verkavelingspatroon;
van de overige aanwezige waarden zoals opgenomen in 4.1.
4.1
Bestemmingsomschrijving
4.1.1
Algemene bestemmingsomschrijving
De voor 'Agrarisch met waarden - Landschap' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
behoud, herstel en ontwikkeling van landschapswaarden;
de uitoefening van een agrarisch bedrijf;
mestvergistingsinstallatie voor het verwerken van bioafval- en meststoffen van het betreffende agrarisch bedrijf op beperkte schaal, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - 54';
e uitoefening van nevenfuncties bij agrarische bedrijven, zoals weergegeven in de tabel in 4.1.2 onder c en in Bijlage 1 Toegelaten functies;
bestaande tuinen behorend bij de bedrijfswoning(en) en aangrenzende bestemmingen 'Wonen', 'Wonen - 1' en 'Wonen - 2';
(...)
o. waterhuishoudkundige doeleinden;
p. waterberging;
(...)
Afwatering
8. Verzoekers voeren aan dat zij vrezen dat de uit te voeren herinrichting van het terrein van landgoed de Wildenborch tot onomkeerbare veranderingen zal leiden in het gebied bij hun woning. Verzoekers vrezen dat zij extra wateroverlast zullen krijgen op hun perceel. Dit komt volgens verzoekers door de werkzaamheden in het gebied ten zuiden van hun woning. Door de werkzaamheden zal volgens verzoekers de richting van de afwatering veranderen doordat de duiker in de nabijheid van hun woning zal worden verhoogd. Voorheen konden de gronden van verzoekers afwateren op de ten zuiden van de Mosselseweg gelegen percelen terwijl de afwatering na de werkzaamheden door de verhoging van de duiker in westelijke richting zal plaatsvinden. Dat betekent dat de afwatering zal plaatsvinden via de watergang langs de Mosselseweg. Deze watergang heeft volgens verzoekers geen verloop. Daarom verwachten verzoekers dat het water daarin stil blijft staan en zij in een soort badkuip terecht komen. Dat zal volgens verzoeker leiden tot langdurige wateroverlast die in het voorjaar en mogelijk een deel van de zomer effect zal hebben op hun perceel en erf. Verzoekers verwachten dat de eigen regenafvoer onder water komt te staan, hetgeen onwenselijk is.
8.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het toetsingskader voor de beoordeling van de voorliggende omgevingsvergunning is opgenomen in artikel 4.7.3 van bestemmingsplan “Landelijk gebied Bronckhorst”. De voorzieningenrechter stelt daarnaast vast dat de omgevingsvergunning van 4 juni 2026 ziet op bodemwerkzaamheden die de aanleg mogelijk maken van de wijzigingen in het watersysteem die zijn vergund in de omgevingsvergunning wateractiviteit van 2 april 2026. In de omgevingsvergunning wateractiviteit van 2 april 2026 zijn onder andere de demping van watergangen en aanpassingen aan duikers in het gebied vergund waardoor de afwatering van het gebied zal wijzigen. Verzoekers hebben de mogelijkheid gehad om rechtsmiddelen tegen in te dienen tegen de omgevingsvergunning van 2 april 2026. Dat hebben verzoekers niet gedaan omdat zij toentertijd nog in overleg waren met het waterschap. Omdat verzoekers geen bezwaarschrift hebben ingediend, en ook andere belanghebbenden dat niet hebben gedaan, is de omgevingsvergunning van 2 april 2026 onherroepelijk geworden. Dat betekent dat de vergunde wijzigingen van de waterhuishouding, waaronder bijvoorbeeld de verhoging van duikers, daarom in de voorliggende procedure niet aan de orde kunnen komen.
De voorzieningenrechter ziet voorshands geen aanknopingspunten voor het oordeel dat een onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan van de in artikel 4.7.3. van de planregels van bestemmingsplan “Landelijk gebied Bronckhorst” genoemde waarden. Weliswaar staan in artikel 4.1.1 van bestemmingsplan “Landelijk gebied Bronckhorst”, waterhuishoudkundige doeleinden en waterberging opgenomen maar materieel is dit geregeld in de omgevingsvergunning van 2 april 2026. Verzoekers zijn wat dit punt betreft opgekomen tegen de verkeerde omgevingsvergunning. Gelet op het voorgaande heeft de bezwaargrond geen redelijke kans van slagen.
Muggen en knutten
9. Verzoekers voeren aan dat zij vrezen dat door de uit te voeren werkzaamheden een extra habitat wordt gecreëerd voor muggen en knutten. Volgens verzoekers wordt door de werkzaamheden nat bos gecreëerd in de nabijheid van hun woning. Verzoekers voeren aan dat dit soort ontwikkelingen op minimaal 50 à 70 meter van een woning zouden mogen plaatsvinden. Verzoekers wijzen daarbij op de risico’s van aanwezigheid van muggen omdat zij volgens verzoekers mogelijk het West-Nijlvirus kunnen verspreiden. Volgens verzoekers heeft het waterschap hun zorgen over de volksgezondheid door muggentoename niet serieus genomen. Volgens verzoekers heeft het waterschap ten onrechte geen analyse en nulmeting uitgevoerd in relatie tot muggenoverlast en gezondheidsrisico’s. Daarbij is het waterschap voorbij gegaan aan verantwoordelijkheden die voortvloeien uit de Wet publieke gezondheid (de Wpg). Verzoekers wijzen er ook op dat in een vergelijkbaar vernattingsproject wel onderzoek is gedaan en advies ingewonnen betreffende muggen en knutten.
9.1.
De voorzieningenrechter begrijpt hetgeen verzoekers hebben aangevoerd zo dat zij betogen dat er door de verleende omgevingsvergunning van 4 juni 2026 een onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan van hun perceel.
De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de omgevingsvergunning van 4 juni 2026 onder andere de hydrologische beschrijving uit 2025 ten grondslag is gelegd waarin de toekomstige oppervlaktewatersituatie en de toekomstige grondwatersituatie zijn onderzocht. Hieruit blijkt dat de aanpassingen van het gebied erop gericht zijn om water langer vast te kunnen houden in het gebied waardoor de grondwaterstand hoger wordt. Volgens het college blijkt uit de beschrijving dat de woning en het perceel van verzoekers niet in de effectencontour liggen. Daarom is het college ervan uit gegaan dat de werkzaamheden geen effecten hebben die onevenredig zijn voor verzoekers.
Tijdens de zitting hebben het waterschap, het college en de eigenaren van het aan te passen perceel aangegeven dat het desbetreffende gebied vooral in de winter en in het voorjaar nat is. Dat gaat om de periode van december tot en met maart. De eigenaren van de aan te passen percelen geven ook aan dat de percelen tot en met mei nat kunnen blijven. In die periode staat het grondwater hoog en dat heeft tot gevolg dat het (regen)water niet goed weg kan zakken. Aan het einde van het voorjaar zakt het grondwater vervolgens snel naar een lager niveau. Vanaf dat moment wordt het gebied droger. Het waterschap heeft tijdens de zitting aangegeven dat op grond van de omgevingsvergunning van 4 juni 2026 in het gebied slenken gegraven worden om te zorgen dat er meer water in het gebied geïnfiltreerd kan worden waardoor er een hoger grondwaterniveau ontstaat. Daarvoor wordt in het bestaande terrein 10 tot 35 cm afgegraven. Op die plekken kan het iets langer duren voordat na een regenbui het regenwater is afgevoerd, voor de rest van het gebied zal het iets sneller droog worden. Nog steeds zal de natte periode duren van december tot ergens in het voorjaar. Uit de gedingstukken blijkt dat het project er niet op gericht is om het gebied te vernatten maar om het niveau van het grondwater ter plaatse te verhogen en daardoor het water langer in het gebied vast te kunnen houden. Volgens het waterschap zal er geen langdurige plasvorming ontstaan.
Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter voorshands tot de conclusie dat door de uitvoering van het project geen dusdanige wijzigingen tot gevolg heeft dat het tot extra vernatting leidt, zodat ook niet aannemelijk is dat sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van het perceel van verzoekers.
De vrees van verzoekers dat de uitvoering van het project tot gevolg zal hebben dat sprake is van een uitbreiding van de habitat van muggen en knutten en daardoor een grotere kans op verspreiding van het West-Nijlvirus volgt de voorzieningenrechter niet. Niet gebleken is dat er een andere habitat wordt gecreëerd dan er al aanwezig is. Het waterschap zal watergangen verplaatsen en slenken realiseren waar een extra biotoop ontstaat voor kikkers, een predator van muggen en knutten. De kikkers zullen zich verplaatsen in het gebied. De verwachting is dat het aanleggen van bos ook zorgt voor extra vogels, die ook een natuurlijke vijand van muggen en knutten zijn. Doordat deze predatoren er gevestigd zijn en blijven of zelfs het leefgebied van predatoren vergroot wordt kunnen deze zorgen voor het vangen van de muggen en knutten. Het college heeft in het verweerschrift aangegeven dat wat betreft de zorgen die verzoekers hebben over muggen en knutten die ziekten over kunnen dragen, bekend is dat dit mogelijk is. Volgens het college is het niet zo dat door de ontwikkelingen het de verwachting is dat er zich onevenredig veel meer muggen en knutten in het gebied zullen vestigen die kunnen zorgen voor de overdracht van ziekten op mens en dier. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college gelet op het voorgaande ook geen aanleiding hoeven zien een nulmeting uit te voeren naar het huidige aantal muggen en knutten ter plaatse.
Gelet op het voorgaande heeft de bezwaargrond geen redelijke kans van slagen.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de omgevingsvergunning van kracht blijft en het waterschap de werkzaamheden mag voortzetten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|