Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:OGEAA:2026:233 
 
Datum uitspraak:26-08-2026
Datum gepubliceerd:08-09-2026
Instantie:Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Zaaknummers:AUA202602497 en AUA202602 AUA202602497 en AUA202602
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Bouwvergunning geschorst totdat opnieuw bezwaar is beslist.
Trefwoorden:bouwvergunning
perceel
san
 
Uitspraak
Uitspraak van 26 augustus 2026
Lar nrs. AUA202602497 en AUA202602498

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek in de zin van artikel 54 van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar)
en, met toepassing van artikel 57 van de Lar, op het beroep van:
:


1.
[Verzoeker 1],

2.
[Verzoeker 2],

3.
[Verzoeker 3],

4.
[Verzoeker 4],

5.
[Verzoeker 5],

6.
[Verzoeker 6],

7.
[Verzoeker 7],
wonende in Aruba,
VERZOEKERS,
gemachtigden: de advocaten mrs. M.R.M. Reinkemeyer en A.A. Ruiz,

gericht tegen:



DE MINISTER, BELAST MET INFRASTRUCTUUR,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ),


met als derde belanghebbende: MIKA N.V., vergunninghouder,
gevestigd te Aruba,
gemachtigde: mr. M.D. Tromp.





INLEIDING

1.1
Bij beslissing op bezwaar (bestreden beslissing) van 29 juni 2026 heeft verweerder het bezwaarschrift van verzoekers, gericht tegen de bouwvergunning van 12 september 2024, niet-ontvankelijk althans ongegrond verklaard.



1.2
Hiertegen hebben verzoekers op 17 juli 2026 beroep ingesteld bij het gerecht en hebben verzoekers zich tot het gerecht gewend met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.



1.4
Op 13 juli 2026 heeft verweerder een gewijzigde bouwvergunning verleend. Verzoekers hebben daartegen bezwaar gemaakt. Het verzoek ziet ook op deze gewijzigde bouwvergunning.



1.4
Het gerecht heeft het verzoek behandeld ter zitting van 12 augustus 2026. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.



1.5
De uitspraak is bepaald op heden.




BEOORDELING


Wat zijn de relevante feiten?


3.1
Bij beschikking van 12 september 2024 heeft verweerder aan Mika N.V. een bouwvergunning verleend voor de nieuwbouw van een [restaurant] restaurant met drive thru faciliteit, gelegen te [straatnaam] op het perceel kadastraal bekend als [kadastraal nummer], plaatselijk bekend als [adres].



3.2
Daartegen hebben verzoekers op 22 mei 2025 een pro-forma bezwaar gemaakt. Op 16 juli 2025 hebben verzoekers de gronden van hun bezwaar aangevuld.



3.3
Bij de bestreden beslissing heeft verweerder het bezwaar van verzoekers niet-ontvankelijk althans ongegrond verklaard.



3.5
Op 26 maart 2026 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor een wijziging van de verleende bouwvergunning. De wijzigingen betreffen met name de uiterlijke verschijning van het gebouw vanwege eisen door de franchisegever. Bij beschikking van 13 juli 2026 heeft verweerder de gewijzigde bouwvergunning verleend. Verzoekers hebben tegen deze bouwvergunning bezwaar gemaakt. Op dit bezwaar is nog niet beslist.


Wat vindt verweerder?

4. Verweerder voert aan dat de bouwvergunningen rechtmatig zijn verleend. De Welstandscommissie, de Brandweer en het Korps Politie Aruba (KPA) hebben positief geadviseerd. Verzoekers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij hinder zullen ondervinden van het restaurant. Het Ruimtelijk Ontwikkelingsplan met voorschriften (ROPv) staat een restaurant toe aan een hoofdweg. Het bouwplan voldoet aan de voorschriften over de bouwhoogte en de bestemming.


Wat vinden verzoekers en wat vragen zij?

5. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat zij een spoedeisend belang hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening. Zij voeren aan dat de bouwvergunningen zijn verleend en dat de daartegen aangewende rechtsmiddelen geen schorsende werking hebben. Zonder schorsing kan de vergunninghouder de reeds aangevangen bouwwerkzaamheden voortzetten, hetgeen kan leiden tot onomkeerbare gevolgen. Indien het restaurant wordt voltooid en in gebruik wordt genomen, kan de oorspronkelijke situatie slechts door sloop worden hersteld. Een dergelijke maatregel is ingrijpend en kostbaar. Volgens verzoekers voldoet het bouwplan niet aan de voorschriften van het ROPv. Een drive thru restaurant kan op deze plaats niet worden gebouwd. Volgens verzoeker zullen zij veel hinder ondervinden van het restaurant.
Verzoekers verzoeken het gerecht daarom bij wijze van voorlopige voorziening, de bouwvergunningen te schorsen. Daarnaast verzoeken zij het gerecht om op grond van artikel 56 van de Lar te bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt.


Beslissing op het verzoek en het beroep.

6. Partijen hebben ter zitting ermee ingestemd om op grond van artikel 57 van de Lar tevens einduitspraak te doen op het beroep tegen de bestreden beslissing. Na eerst twee andere punten te hebben sproken, zal het gerecht daarom vervolgens de beroepsgronden bespreken die tegen de bestreden beslissing zijn aangevoerd.


Zijn verzoekers belanghebbenden?

7. Verweerder heeft betoogd dat verzoekers geen belanghebbenden zijn bij de verleende vergunningen. Het gerecht volgt dit niet. Verzoekers wonen in de directe omgeving van het perceel waarop het restaurant moet komen. Zij wonen op korte afstand, direct ernaast of aan de overkant van de weg. Zij krijgen uitzicht op het bouwwerk en ondervinden de gevolgen van het gebruik daarvan. Om deze reden hebben zij een rechtstreeks en persoonlijk belang bij de verleende vergunningen.


Geldt de Bouw- en woningverordening (Bwv) of de Bouw- en sloopverordening (Bsv)?



8.1
Vervolgens dient het gerecht eerst nog na te gaan welke wetgeving van toepassing is op de verlening van de bouwvergunning en de gewijzigde vergunning. Artikel 22 van de Bouw- en woningverordening en het daarmee overeenstemmende artikel 10 van de Bouw- en sloopverordening geven, limitatief, de gronden waarop een aanvraag voor een bouwvergunning kan worden geweigerd. Met artikel 20, eerste lid, van het Landsbesluit van 14 september 2023 (AB2023,no40) is, onder meer, artikel 22 van de Bouw- en woningverordening vervallen verklaard. Dit Landsbesluit is in werking getreden op 16 september 2023. Op grond van het Landsbesluit van 23 december 2025 (AB2025,no50) is artikel 10 van de Bouw- en sloopverordening in werking getreden met ingang van 1 januari 2026. Dat zou betekenen dat in de periode van 16 september 2023 tot 1 januari 2026 noch de weigeringsgronden van de Bouw- en woningverordening, noch de weigeringsgronden van de Bouw- en sloopverordening hebben gegolden. Bouwaanvragen zouden dan in deze periode niet geweigerd kunnen worden. Duidelijk is, dat dat niet de bedoeling kan zijn geweest van de besluitgever. Daarnaast is deze niet gelijktijdige wijze van vervallen verklaren en inwerkingtreding van overeenkomende bepalingen niet in overeenstemming met artikel 34, tweede en derde lid, van de Bouw- en sloopverordening. Deze bepaling is in werking getreden op 26 november 2022 op grond van artikel 12 van het Landsbesluit van 18 november 2022 (AB2022,no.142). Op grond van artikel 34, tweede en derde lid, van de Bouw- en sloopverordening worden bij de inwerkingtreding van bepalingen uit de Bouw- en sloopverordening de overeenkomende bepalingen uit de Bouw- en woningverordening vervallen verklaard. Door artikel 22 van de Bouw en woningverordening al vervallen te verklaren voordat het daarmee overeenkomende artikel 10 van de Bouw en sloopvergunning in werking is getreden, is artikel 20, eerste lid, van het Landsbesluit van 14 september 2023 in strijd met artikel 34 van de Bouw- en sloopverordening dat voorschrijft dat dit gelijktijdig, zelfs met hetzelfde landsbesluit, dient te gebeuren. Artikel 20, eerste lid, van dat Landsbesluit is daarom onverbindend tot 1 januari 2026 wat betreft het vervallen verklaren van artikel 22 van de Bouw- en woningverordening. De weigeringsgronden van artikel 22 van de Bouw- en woningverordening gelden nog tot 1 januari 2026. Vanaf 1 januari 2026 gelden de weigeringsgronden van artikel 10 van de Bouw- en sloopverordening en zijn de weigeringsgronden van artikel 22 van de Bouw- en woningverordening vervallen.



8.2
Voor deze zaak betekent dit dat voor de bouwvergunning de weigeringsgronden van artikel 22 van de Bwv gelden, omdat deze vergunning is verleend vóór 1 januari 2026. Voor de gewijzigde bouwvergunning geldt artikel 10 van de Bsv, omdat deze vergunning is aangevraagd en verleend ná 1 januari 2026.


Bevoegdheid tot vergunningverlening

9. Verzoekers hebben aangevoerd dat de minister die de bouwvergunningen heeft verleend, daartoe niet bevoegd is, omdat het ministerie van Huisvesting, Infrastructuur, Interne Diensten en Telecommunicatie niet is ingesteld bij landsverordening. De Staatsregeling van Aruba schrijft dat wel voor.



9.1
Op grond van artikel 15 van de Bwv worden bouwvergunningen verleend door de minister, belast met publieke werken. De minister van Huisvesting, Infrastructuur, Interne Diensten en Telecommunicatie is de minister die met publieke werken is belast en is daarom bevoegd bouwvergunningen te verlenen op grond van de Bwv.



9.2
Op de gewijzigde bouwvergunning zijn bepalingen van de Bsv van toepassing. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Bsv beslist de Directeur op aanvragen om een bouwvergunning. De Directeur is volgens artikel 1 van de Bsv de ambtenaar belast met de leiding van de Dienst Openbare werken. Dat betekent dat de minister, die de vergunning heeft verleend, daartoe niet bevoegd was. Dit is een gebrek dat in bezwaar kan worden hersteld. Daar komt bij dat de gewijzigde vergunning door de Directeur van de Dienst openbare werken in mandaat is verleend, zodat moet worden aangenomen dat hij de vergunning ook zelf zou hebben verleend als hij zich gerealiseerd had dat hij daartoe bevoegd was.


Het Ruimtelijk ontwikkelingsplan met voorschriften



10.1.
Volgens verzoekers is het bouwplan is strijd met de voorschriften in het ROPv over de maximaal toegestane bouwhoogte.



10.2
Ter zitting is gebleken dat het bouwplan bestaat uit één bouwlaag. Volgens artikel 30.16 is een bouwlaag een verdieping. De afgeschermde, maar niet overdekte vloer waar de installaties komen te staan, is geen verdieping, maar een dak.



10.3
Het bouwperceel heeft de bestemming Woongebied met waarden. Artikel 17.2.1, onder a.1, van het ROPv bepaalt dat de maximale bouwhoogte en bouwlagen bedragen: 12 meter en 3 bouwlagen. In bijlage 1, Bouwhoogten, 1.1 en 1.2 van het ROPv is bepaald dat de bouwhoogte voor een verdieping 3,75 meter bedraagt en dat in commerciële gebieden een begane grondlaag van 4,5 meter is toegestaan. Anders dan verzoekers is het gerecht van oordeel dat voor commerciële functies langs hoofdwegen in het gebied met de bestemming Woongebied met waarden een begane grondlaag van 4,5 meter is toegestaan. Dat blijkt uit de tabel van artikel 1.3.5 van Bijlage 1 waarin de maximale goothoogte langs hoofdwegen op 12 meter is gesteld. Deze goothoogte is alleen haalbaar met een begane grondlaag van 4,5 meter. Omdat het bouwplan één bouwlaag heeft en het bouwplan commerciële doeleinden heeft, is de maximale bouwhoogte 4,5 meter. De bouwplannen waarvoor de vergunningen zijn verleend, overschrijden deze bouwhoogte. Dat betekent dat de aanvragen om bouwvergunning hadden moeten worden geweigerd wegen strijd met het ROPv (artikel 22 aanhef onder h, van de Bwv en artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Bsv).



10.4.
Verzoekers hebben verder betoogd dat het bouwplan niet voldoet aan de aanvullende voorschriften van artikel 17.2.10 van het ROPv.



10.5.
In het gebied met de aanduiding Woongebied met waarden zijn commerciële functies uitsluitend toegestaan langs hoofdwegen. In paragraaf 2.6 Commerciële Functies van het ROPv is hierover het volgende opgenomen:
“In verschillende bestemmingen zijn voorschriften opgenomen voor het bouwen van gebouwen voor commerciële functies. Voorbeelden zijn supermarkten, minimarkten, kledingwinkels, restaurants en bedrijven. Deze voorschriften zijn gesteld met het oog op bescherming van de woonkwaliteit in de woongebieden, versterking van de stadscentra, een evenwichtige opbouw van het voorzieningenaanbod en op veiligheid. Deze voorschriften gelden ook voor gebruik. Dus in het geval dat er niet wordt gebouwd, maar binnen een gebouw alleen een ander gebruik plaatsvindt.
Commerciële functies zijn alleen toegestaan zijn langs de hoofdwegen of in commerciële gebieden. Hiermee wordt voorkomen dat (bedrijfs)activiteiten zich in de woonwijken vestigen en hier mogelijk hinder of overlast veroorzaken. Maatschappelijke voorzieningen zijn onder voorwaarden overigens wel in de woonwijken toegestaan.
Bij een gebouw voor een nieuwe commerciële functie moet aangetoond worden dat er een maatschappelijke behoefte is aan deze functie. Verder moet aangetoond worden dat deze functie onderscheidend is ten opzichte van andere functies in de omgeving. Dat betekent dat een functie een ander concept, een ander aanbod of een andere doelgroep moet hebben dan functies in de omgeving. Daarbij wordt uitgegaan van een afstand van 500 m van de locatie waar gebouwd gaat worden. Verder moet een initiatiefnemer aantonen dat de functie niet in het centrumgebied van Oranjestad of San Nicolas kan worden gerealiseerd. Dat kan onder andere door aan te tonen dat er geen gebouwen of terreinen beschikbaar zijn, door een hoge grondprijs geen sluitende exploitatie mogelijk is, de functie in de binnenstad teveel overlast veroorzaakt of niet onderscheidend genoeg is.
De nieuwe functie mag geen hinder of overlast geven aan woningen in de omgeving. Hinder en overlast zijn brede begrippen, maar hebben in ieder geval betrekking op geluid, parkeren, stof, geur, trillingen en veiligheid.”



10.6
Hieruit blijkt dat de planwetgever commerciële functies in woongebieden wel heeft willen toestaan, maar slechts op bepaalde plaatsen, langs hoofdwegen. Daarnaast vindt planwetgever het niet wenselijk dat de commerciële functies afbreuk doen aan het woongenot in de woonwijken. Daartoe zijn voor de bestemming Woongebied met waarden in artikel 17.2.10 van het ROPv aanvullende voorschriften opgenomen “met het oog op een evenwichtige economische en maatschappelijke ontwikkeling en op een veilige, gezonde en duurzame woon- en leefomgeving”.



10.7
Niet gebleken is dat bij de verlening van de vergunningen is beoordeeld of het bouwplan aan de voorschriften van artikel 17.2.10 van het ROPv voldoet. Daarmee staat niet vast dat de locatie waar het drive thru restaurant moet komen daarvoor een geschikte locatie is. Verzoekers maken zich met name zorgen over overlast (geluid, geur, licht) die zij zullen ondervinden vooral door de verkeer aantrekkende werking van het restaurant. Artikel 17.2.10, eerste lid onder d, van het ROPv stelt als voorschrift dat de voorgenomen functie geen hinder mag opleveren voor de woningen in de directe omgeving. Het achterwege laten van deze beoordeling is daarom een (ernstig) gebrek aan vergunningverlening. De vergunningen zijn onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet voorzien van een voldoende motivering.



10.8
Verzoekers hebben ook naar voren gebracht dat ten onrechte geen advisering als bedoeld in artikel 12.1 van het ROPv is ingewonnen. Het gerecht deelt dit standpunt niet. In dit geval is geen van de in artikel 12.1 onder a van het ROPv genoemde situaties waarin advies moet worden ingewonnen, aan de orde. Met name niet de onder 4 genoemde situatie “het verlenen van een bouwvergunning waarbij op basis van een voorschrift een afweging van belangen wordt gemaakt”. Artikel 17.2.10 is niet een zodanig voorschrift. Artikel 17.2.10 geeft voorschriften waaraan commerciële functies moeten voldoen. Voor een afweging van belangen is daarbij geen ruimte.


De advisering door de Welstandscommissie en de politie



11.1
Verzoekers menen dat de advisering door de Welstandscommissie en door het KPA niet ten grondslag had mogen worden gelegd aan de vergunningverlening.



11.2
Ook hierin geeft het gerecht verzoekers gelijk. Het KPA heeft niet geadviseerd over het bouwplan dat is vergund. Na de advisering door het KPA zijn de in- en uitrit van het restaurant verplaatst van de hoofdweg naar de zijweg. Dat is voor de advisering door het KPA over de verkeersveiligheid en de doorstroming van het verkeer een belangrijke wijziging. Het KPA had over deze aanpassing opnieuw om advies moeten worden gevraagd. Uit het Welstand Beoordelingsformulier van 21 december 2023 blijkt dat het bouwplan niet voldoet aan alle negen stedenbouwkundige aspecten. De behandeling is daarop aangehouden. Volgens het Welstand Beoordelingsformulier van 1 februari 2024, bestaat er geen bezwaar tegen het bouwplan. Deze gewijzigde advisering wordt in het beoordelingsformulier niet toegelicht. Zonder een nadere toelichting, die ontbreekt, had deze advisering niet aan de vergunningverlening ten grondslag mogen worden gelegd. Ook dit maakt dat de vergunningen onvoldoende zorgvuldig zijn voorbereid en niet zijn voorzien van een voldoende motivering.

12 Wat partijen verder nog hebben aangevoerd over de verleende bouwvergunningen, behoeft geen bespreking.



Conclusie over de verleende bouwvergunningen



13.1
Het beroep tegen de bestreden beslissing is gegrond. Het gerecht zal deze beslissing vernietigen en verweerder opdragen opnieuw op de bezwaren van verzoekers te beslissen.



13.2
De gewijzigde bouwvergunning bevat dezelfde gebreken als de bestreden beslissing. In bezwaar zal verweerder deze gebreken dienen te herstellen.



13.3
In bezwaar dient verweerder in ieder geval:


te onderzoeken of het bouwplan voldoet aan de eisen van het ROPv over de maximale bouwhoogte;


te onderzoeken of het bouwplan voldoet aan de voorschriften van artikel 17.2.10 van het ROPv;


een gemotiveerd advies te vragen aan de Welstandscommissie waarbij wordt toegelicht of het bouwplan voldoet op het gebied van de stedenbouwkundige aspecten;


een nieuw advies te vragen aan de KPA over de verkeersveiligheid;


indien de bouwvergunning wordt gehandhaafd, een motivering te geven over bovenstaande aspecten.




Moet een voorlopige voorziening worden getroffen?




14.1
Op grond van artikel 54 van de Lar, kan indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang. Het tweede lid bepaalt dat ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van de indiener ook een voorlopige voorziening kan worden getroffen.



14.2
Ter beoordeling ligt voor de vraag of de onmiddellijke uitvoering van de bestreden beschikking voor verzoeker een zodanig onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang, dat ter voorkoming van dat nadeel een voorlopige voorziening moet worden getroffen. Naar het oordeel van het gerecht is in dit geval sprake van een dergelijk nadeel; dit oordeel wordt hierna toegelicht.



14.3
Na gegrondverklaring van het beroep beschikt de vergunninghouder nog steeds over de bouwvergunning van 12 september 2024. Bovendien vinden de bouwactiviteiten naar haar zeggen plaats onder de vlag van de bouwvergunning van 13 juli 2026. Zonder schorsing van deze vergunningen kan de vergunninghouder de bouwactiviteiten voortzetten.



14.4
De vergunninghouder heeft, in reactie op het standpunt van verzoekers, naar voren gebracht dat zij een groot belang heeft bij voortzetting en afronding van de bouw. De bouw is enige tijd geleden gestart en de bedoeling is dat het restaurant op 15 december 2026 wordt geopend. Daarnaast heeft de vergunninghouder, onder verwijzing naar de franchiseovereenkomst, aangevoerd dat zij het recht een Taco Bell restaurant te exploiteren kan verliezen, wanneer de bouw niet volgens de planning wordt voltooid.



14.5
De verleende bouwvergunningen bevatten ernstige gebreken. Omdat het bouwplan de maximale bouwhoogte overschrijdt, kan het plan in beginsel niet zonder aanpassingen worden uitgevoerd. Daarnaast is het onduidelijk of een drive thru restaurant op deze plaats kan voldoen aan de voorschriften van artikel 17.2.10 van het ROPv. Het is nog maar de vraag of het drive thru restaurant is te exploiteren zonder dat dit hinder oplevert voor de woningen in de directe omgeving, waaronder de woningen van verzoekers. Het staat daarom niet vast dat in overeenstemming met het ROPv een vergunning voor een drive thru restaurant op deze locatie kan worden verleend.



14.6
Het belang van de vergunninghouder bij voortzetting van de bouw is groot. Daar staat wel tegenover dat de vergunninghouder met de bouw is gestart terwijl zij wist of kon weten dat daartegen door omwonenden bezwaar was gemaakt. Door toch met de bouw te beginnen, heeft de vergunninghouder een risico genomen dat voor haar rekening komt.



14.7
Alles afwegende komt het gerecht tot het oordeel dat het belang van verzoekers op dit moment het zwaarst moeten wegen. Als de bouwactiviteiten mogen worden voortgezet, zal de bouw zijn afgerond voordat definitieve duidelijkheid bestaat over de rechtmatigheid van de vergunningen. De stand van zaken is nu dat de bouwvergunningen zijn verleend zonder dat de belangen van de omwonenden in aanmerking zijn genomen. Terwijl de voorschriften van artikel 17.2.10 van het ROPv omwonenden juist waarborgen geven tegen vestiging van niet passende commerciële activiteiten in hun woonomgeving. Deze waarborgen hebben geen betekenis als gebouwd mag worden zonder dat zelfs maar is onderzocht of is voldaan aan de voorschriften van artikel 17.2.10 van het ROPv. De bouwvergunningen zullen daarom worden geschorst.



14.8
Voor het opleggen van de gevraagde dwangsom ziet het gerecht geen aanleiding. Verzoekers hebben ook niet toegelicht waarom het opleggen van een dwangsom aan verweerder nodig zou zijn.



Griffierecht en proceskosten


15 Omdat het beroep gegrond zal worden verklaard, is er aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten worden in de voorlopige voorzieningsprocedure begroot op Afl. 1.400.- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van Afl. 700.- en wegingsfactor 1) en in de beroepsprocedure op Afl. 700,- (1 punt voor het indienen van beroepschrift). Ook dient het in beide zaken gestorte griffierecht ter hoogte van Afl. 25.- te worden terugbetaald.

16 Dit leidt tot de volgende beslissing.





BESLISSING

De rechter in dit gerecht:


in de zaak met Lar nr. AUA202602498 (voorlopige voorziening)

- wijst het verzoek toe;

- schorst de bouwvergunningen van 12 september 2024 en 13 juli 2026 totdat (opnieuw) op het bezwaar is beslist;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de door appellant voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 700,-;

- gelast dat het door verzoekers gestorte griffierecht van Afl. 25,- aan hen wordt terugbetaald


in de zaak met Lar nr. AUA202602497 (beroep)

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing van 29 juni 2026;

- bepaalt dat verweerder binnen 6 weken na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen op het bezwaar van appellant tegen de bouwvergunning van 12 september 2024;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de door appellant voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 700,-;

- gelast dat het door verzoekers gestorte griffierecht van Afl. 25,- aan hen wordt terugbetaald.


Deze beslissing is gegeven door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter in dit gerecht, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 augustus 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.




Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak, voor zover deze gaat over het beroep, kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening kan geen hoger beroep worden ingesteld.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:


het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;


een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;


vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).



Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.
Link naar deze uitspraak