Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2025:1271 
 
Datum uitspraak:17-02-2025
Datum gepubliceerd:09-09-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:ARN 23_5738
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de aan haar opgelegde boete van € 28.135 wegens overtreding van de Meststoffenwet (Msw). De minister stelt dat eiseres niet heeft voldaan aan de verantwoordingsplicht uit artikel 14 van de Msw. De rechtbank komt het oordeel dat de minister terecht en op goede gronden een boete aan eiseres heeft opgelegd. De redelijke termijn is overschreden, maar er bestaat geen aanleiding om de boete om die reden te matigen. Het beroep is daarom ongegrond.
Trefwoorden:dierlijke meststoffen
gebruiksnormen
landbouw
landbouw, natuur en voedselkwaliteit
mestafzet
mestkelder
mestopslag
meststoffen
meststoffenwet
varkenshouderij
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht zaaknummer: ARN 23/5738

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[bedrijf] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en


De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur


(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma).




Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de opgelegde boete van € 28.135 wegens overtreding van de Meststoffenwet (Msw).


1.1.
De minister heeft de boete bij besluit van 22 september 2022 aan eiseres opgelegd. Met het bestreden besluit van 1 augustus 2023 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.



1.2.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de heer [directeur] (directeur van eiseres) en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de oplegging van de boete. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De minister heeft terecht en op goede gronden een boete aan eiseres opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Totstandkoming van het bestreden besluit

4. Eiseres is een intermediaire onderneming die zich bezighoudt met het vervoer en (tijdelijke) opslag van en handel in dierlijke meststoffen. Eiseres gebruikte een silo met nummer [nummer] voor de mestopslag. Een toezichthouder van de NVWA heeft in 2020 een controle uitgevoerd, om te onderzoeken of eiseres zich voor deze silo heeft gehouden aan de verantwoordingsplicht. De bevindingen zijn opgenomen in een rapport van 17 juli 2020.De onderzoeksperiode beslaat de periode van 8 september 2017 tot en met 1 juli 2019. De silo is sinds 1 juli 2019 niet meer bij eiseres in gebruik. Eiseres heeft de silo op die datum verkocht.

5. De minister legt het rapport ten grondslag aan de besluitvorming. De minister stelt dat eiseres niet heeft voldaan aan de verantwoordingsplicht uit artikel 14 van de Msw voor silo [nummer] . Eiseres heeft namelijk 2.785 kilogram fosfaat niet verantwoord. Daarvoor legt de minister aan eiseres een boete op van € 28.135. Daarnaast heeft de minister eiseres een waarschuwing gegeven vanwege twee administratieve overtredingen.


De verantwoordingsplicht

6. De verantwoordingsplicht is neergelegd in artikel 14 van de Msw. Deze bepaling luidt als volgt.


1. Degene die dierlijke meststoffen produceert of verhandelt kan steeds verantwoorden dat de op het eigen bedrijf geproduceerde of aangevoerde dierlijke meststoffen of de op de eigen onderneming aangevoerde dierlijke meststoffen zijn afgevoerd.


2. De verantwoording heeft betrekking op de hoeveelheid fosfaat in de meststoffen en betreft mede de afnemers waarnaar de meststoffen zijn afgevoerd.


3. De verantwoording door degene die dierlijke meststoffen produceert heeft mede betrekking op de hoeveelheid stikstof in de meststoffen.


4. Voor de toepassing van het eerste lid wordt op de geproduceerde of aangevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen in mindering gebracht de hoeveelheid dierlijke meststoffen waarvan aannemelijk wordt gemaakt dat deze op het eigen bedrijf of in het kader van de eigen onderneming is gebruikt of opgeslagen.



6.1.
Uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Meststoffenwet (invoering gebruiksnormen)’ komt naar voren dat het essentieel is dat voor elke vracht dierlijke mest administratief verantwoording wordt afgelegd, zodat de meststroom in de gehele keten van producent tot eindgebruiker kan worden gevolgd. Om een adequate verantwoording in de hele keten te verzekeren, is het noodzakelijk dat elke schakel in die keten via de normstelling zelfstandig en op gelijkwaardige wijze kan worden aangesproken op niet-verantwoorde mestafzet.

Als de minister een bestuurlijke boete wil opleggen vanwege overtreding van artikel 14 van de Msw, zal hij op basis van concrete feiten en omstandigheden moet aantonen dat de overtreding is begaan. Daarbij mag de minister, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van een ondertekend rapport van een toezichthouder en de daarin vermelde bevindingen. Als die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.


In beroep


Heeft zich een bezinklaag gevormd?

7. Eiseres voert aan dat in de silo het hele jaar door een grote hoeveelheid varkensdrijfmest aanwezig is en dat een bepaalde hoeveelheid hiervan onderdeel van de bezinklaag is geworden. De niet verantwoorde fosfaat is aldus onderdeel gaan uitmaken van de bezinklaag die zich in de silo heeft gevormd en nog aanwezig was toen de silo op 1 juli 2019 werd verkocht. De bezinklaag is aangegroeid en daar heeft de minister ten onrechte geen rekening mee gehouden. De silo had een doorsnede van 26 meter en een oppervlak van 531 m2. Eiseres legt een luchtfoto van de silo over om dit te onderbouwen. De minister stelt dat 378,86 ton mest wel is aangevoerd maar niet is afgevoerd, en dit betekent volgens eiseres dat in de silo gemiddeld nog 71 centimeter mest in de vorm van een bezinklaag aanwezig was. Het is namelijk bekend dat varkensmest bezinkt. Ter onderbouwing van de beroepsgrond wijst eiseres op het praktijkrapport ‘Bezinklagen en bemonstering van varkensmest aangroei Meststoffenwet’ (praktijkrapport). Volgens eiseres is de situatie van het onderzoek vergelijkbaar met de situatie in de silo van eiseres.



7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank deelt het standpunt van de minister dat het niet aannemelijk is dat zich in de periode van 8 september 2017 tot en met 1 juli 2019 een bezinklaag in de silo heeft gevormd, zodat ook niet aannemelijk is dat de niet verantwoorde fosfaat onderdeel is gaan uitmaken van de bezinklaag.


7.1.1.
Het rapport waar eiseres naar verwijst heeft betrekking op een onderzoek naar het optreden van bezinklagen in mestkelders op intensieve varkenshouderijbedrijven. In deze mestkelders is jarenlang varkensmest verzameld, de mest in deze mestkelders is nooit gemixt en de mestkelders zijn ook niet gedeeltelijk geleegd. Daardoor hebben zich in deze mestkelders bezinklagen kunnen vormen. De situatie van intensieve varkensbedrijven is echter niet vergelijkbaar met de situatie van eiseres. Eiseres exploiteert namelijk geen intensieve varkenshouderij waarbij de mest in een mestkelder wordt opgeslagen. Eiseres produceert geen mest, maar voert enkel mest aan, slaat het op in een silo en voert het weer af. In de silo van eiseres werd dunne en dikke fractie aan mest aan- en afgevoerd, gemengd en gemixt met behulp van een mixer. Daardoor is de mest voortdurend gerouleerd en vermengd. Daarbij komt dat in de silo van eiseres niet alleen varkensmest, maar ook rundveedrijfmest werd aangevoerd en vermengd. Bij het onderzoek was enkel sprake van varkensmest. Bovendien blijkt uit het praktijkrapport dat het ontstaan van bezinklagen in mestkelders een langdurig proces is. Het is niet aannemelijk dat de mest in de silo langdurig stil lag waardoor deze is bezonken. De minister heeft dit ook onderbouwd door de opgenomen tabel in het bestreden besluit, waarin is weergeven dat in 2017, 2018 en 2019 een regelmatige aan- en afvoer van dierlijke mest in de silo is geweest. Eiseres stelt dat varkensmest binnen een korte tijd bezinkt, maar onderbouwt dit verder niet. Deze enkele stelling doet daarom niet af aan de bevinding in het rapport, dat het ontstaan van bezinklagen een langdurig proces is.


Beleid ten aanzien van bezinklagen ten onrechte niet toegepast?

8. Eiseres voert verder aan dat de minister er volgens zijn eigen boetebeleid van uitgaat dat in een mestopslag een bezinklaag ontstaat. Volgens eiseres past de minister dit beleid ten onrechte niet toe op eiseres.




8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Hiervoor is overwogen dat het niet aannemelijk is dat in de silo een bezinklaag is ontstaan/gegroeid in de periode van 8 september 2017 tot en met 1 juli 2019. Reeds om die reden gaat het beroep van eiseres op het boetebeleid niet op.


Onvoldoende correctie voor onnauwkeurigheid?

9. Eiseres voert aan dat de minister een correctie moet toepassen op de bemonstering en analyse van de mestmonsters, omdat over grote aantallen bemonstering en analyses bij levering en afvoer van vrachten mest een afwijking kan ontstaan. Tijdens de zitting heeft eiseres daaraan toegevoegd dat het rapport ‘Hoe gaat RVO.nl om met de nauwkeurigheid van hoeveelheden aan- en afgevoerde mineralen’ (marge-document) niet van toepassing is of kan zijn op intermediaire bedrijven en onvoldoende duidelijk is of deze voldoende effectief zijn voor deze bedrijven. Dit wordt volgens eiseres bevestigd in een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 januari 2024.



9.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. De minister erkent dat bij bemonstering en analyse van dierlijke meststoffen onnauwkeurigheden kunnen voorkomen. Aangezien onnauwkeurigheden niet afdoende kunnen worden ondervangen, omdat geen of onvoldoende tegenbewijs door de intermediair mogelijk is, past de minister een correctie toe op deze onnauwkeurigheden. Deze onnauwkeurigheidsmarges zijn neergelegd in het onder 9 genoemde marge-document. Dit document is gepubliceerd op de website van het RVO en is opgesteld door onderzoekers van de Wageningen University & Research.



9.2.
De minister heeft in het geval van eiseres correcties toegepast op de aan- en afvoer van de mest op basis van het marge-document. Anders dan eiseres stelt, gelden de correcties in het marge-document ook voor intermediaire bedrijven. In het document wordt weliswaar gesproken over een ‘bedrijf’ en niet over een ‘intermediair’, maar de minister heeft toegelicht dat bij landbouwbedrijven en intermediaire ondernemingen geen verschil bestaat tussen de wijze van vervoer, bemonstering en analyse van de meststromen op deze bedrijven. De rechtbank ziet in de stelling van eiseres over de effectiviteit van de gehanteerde onnauwkeurigheidsmarges geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende rekening zou hebben gehouden met onnauwkeurigheden. Eiseres heeft haar stelling niet onderbouwd en de minister heeft conform het marge-document de onnauwkeurigheidsmarges toegepast op de aan- en afvoer van mest bij eiseres. Het beroep van eiseres ter zitting op de onder 9 genoemde uitspraak van de rechtbank Den Haag kan haar niet baten. Deze uitspraak is namelijk niet gepubliceerd en eiseres heeft deze uitspraak ook niet overgelegd.



Verdere matiging van de boete?

10. Eiseres wijst er op dat de minister de boete op grond van zijn beleid heeft gematigd met een gemaximaliseerd bedrag van € 2.500, omdat tussen de dagtekening van het boeterapport en de oplegging van de boete meer dan 26 weken zijn verstreken. Eiseres voert aan dat tussen de dagtekening van het rapport en de oplegging van de boete ruim
3 jaar is verstreken. De matiging van € 2.500 doet geen recht aan de lange periode waarin eiseres al in onzekerheid zit. Daarom verzoekt eiseres de rechtbank de boete verder te matigen.



10.1.
De rechtbank overweegt allereerst dat artikel 5:51 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorschrijft dat, als van de overtreding een rapport is opgemaakt, het bestuursorgaan omtrent het opleggen van de bestuurlijke boete binnen dertien weken na de dagtekening van het rapport beslist. Deze termijn van dertien weken is een termijn van orde. Dat betekent dat een bestuursorgaan nog steeds een boete kan opleggen als deze termijn verstreken is, en geen schadevergoeding is verschuldigd. De minister voert desondanks het beleid dat de boete wordt gematigd als de dertien-weken termijn verstreken is. In het geval van eiseres heeft hij de boete ook gematigd met 10%, waarbij hij een maximum heeft gehanteerd van € 2.500. De boete is om die reden gematigd van € 30.635 naar € 28.135. De rechtbank ziet daarom geen reden om de boete vanwege overschrijding van de termijn van artikel 5:51, eerste lid, van de Awb verder te matigen.



10.2.
De rechtbank vat de beroepsgrond verder zo op, dat eiseres betoogt dat de boete moet worden gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Dat is een andere, zelfstandige matigingsgrond vanwege de duur van de gehele procedure.



10.3.
In punitieve zaken geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel is overschreden als die procedure langer dan twee jaar in beslag heeft genomen. De termijn begint op het moment waarop een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet.



10.4.
In dit geval is de redelijke termijn aangevangen met het voornemen tot boeteoplegging op 17 maart 2022. Dat betekent, dat op het moment van het doen van deze uitspraak, de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met afgerond 12 maanden.



10.5.
De rechtbank ziet in het gegeven dat de minister de boete al heeft gematigd wegens overschrijding van de beslistermijn geen aanleiding om verdergaande matiging toe te passen voor de overschrijding van de redelijke termijn tot zes maanden. Voor de overschrijding van de redelijke termijn vanaf zes tot twaalf maanden zou plaats zijn voor een matiging van de boete met 5% met een maximum van € 2.500. Gelet op het gegeven dat de minister de boete al met dit maximumbedrag heeft gematigd, is er geen aanleiding voor een verdergaande, aanvullende matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de overschrijding tot twaalf maanden. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de boete te matigen vanwege overschrijding van de redelijke termijn.




Conclusie en gevolgen

11. De minister heeft terecht en op goede gronden een boete aan eiseres opgelegd. De redelijke termijn is overschreden, maar er bestaat geen aanleiding om de boete om die reden te matigen. Het beroep is daarom ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.


Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder o, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit).


Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.


Rapportnummer 123996.


Kamerstukken II, 2004-2005, 29 930, nr. 3.


De rechtbank wijst voor dit kader op de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 27 oktober 2020, ECLI:NL:CBB:2020:755.


Van M. Timmerman en M.A.H.H. Smolders van de Wageningen University & Research.


Zaaknummer 23/2476.


De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van het CBb van 24 september 2024, ECLI:NL:CBB:2024:660.
Link naar deze uitspraak