Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:24552 
 
Datum uitspraak:27-08-2026
Datum gepubliceerd:10-09-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:SGR 24/2382
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:In deze Wabo-zaak is de omgevingsvergunning geweigerd omdat de gemeenteraad de verklaring van geen bedenkingen (vvgb) niet heeft afgegeven. Het verwerpen van het verleningsvoorstel geldt als een formele weigering; een ontwerpbesluit tot weigering is niet vereist. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Het raadsbesluit is onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd omdat een schriftelijke motivering ontbreekt; mondelinge beraadslaging is niet toetsbaar. De stelling dat het project wegens geur en geluid in strijd is met een goede ruimtelijke ordening mist objectieve onderbouwing. De raad week zonder eigen onderzoek af van de positieve quickscan geur en de zienswijzenbeantwoording van het college. Het college mocht de weigering niet op dit gebrekkige raadsbesluit baseren.
Trefwoorden:bestemmingsplan
omgevingsvergunning
paarden
perceel
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 24/2382

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2], beiden uit [woonplaats], eisers
(gemachtigde: mr. F.P. van Galen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk,
(gemachtigde: mr. S. Verouden).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats] (derde-partij)
(gemachtigde: ir. [gemachtigde]).


Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de weigering van het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een woning aan de [straatnaam] (tussen de nummers [huisnummer 1] en [huisnummer 2]) te [plaats]. Het college heeft de vergunning geweigerd omdat de gemeenteraad van Noordwijk heeft geweigerd de daarvoor vereiste verklaring van geen bedenkingen (vvgb) te verlenen. Het beroep richt zich mede tegen het besluit van de gemeenteraad waarbij vvgb is geweigerd.


1.1.
De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de weigering van de omgevingsvergunning aan de hand van de beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd. De rechtmatigheid van het besluit van de gemeenteraad over de vvgb wordt beoordeeld in het kader van het beroep tegen de omgevingsvergunning. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.




Procesverloop

2. Eisers hebben op 11 november 2019 een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning eerste fase voor het bouwen van een woning aan de [straatnaam], tussen de nummers [huisnummer 1] en [huisnummer 2] te [plaats].


2.1.
Met het bestreden besluit van 22 februari 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning eerste fase geweigerd.



2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroep is mede gericht tegen het besluit van de gemeenteraad van 28 november 2023 om een verklaring van geen bedenkingen te weigeren. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd.


2.3.
Eisers en de derde-partij hebben nadere stukken ingediend.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1], de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college, de gemachtigde van derde-partij.




Beoordeling door de rechtbank


Overgangsrecht

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft het oude recht van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk is geworden. Dit volgt uit artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).


3.1.
Eisers hebben de aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend op 11 november 2019. Dit betekent dat de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor), zoals deze golden vóór 1 januari 2024, op deze procedure van toepassing blijven.



3.2.
De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.


Totstandkoming van het bestreden besluit

4. De onder 2 vermelde aanvraag heeft betrekking op ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’. Het bouwplan is namelijk in strijd met het bestemmingsplan “Estec en de Noordwijkse bedrijvenparken” (het bestemmingsplan). Het college was voornemens om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo, een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen de bouw van de woning planologisch mogelijk te maken.



4.1.
Voor een dergelijke buitenplanse afwijking is in beginsel een verklaring een vvgb van de gemeenteraad vereist. De gemeenteraad heeft bij besluit van 27 oktober 2020 categorieën van gevallen aangewezen waarin een vvgb niet is vereist. Vaststaat dat de aangevraagde activiteit niet onder een van deze categorieën valt. Voor het afwijken van het bestemmingsplan was dan ook een vvgb van de gemeenteraad vereist.



4.2.
Met het besluit van 16 februari 2021 heeft de raad, op voorstel van het college, een ontwerpverklaring van geen bedenkingen (ontwerp-vvgb) afgegeven.



4.3.
Het college heeft het ontwerpbesluit tot verlening van de omgevingsvergunning en de ontwerp-vvgb met ingang van 5 mei 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn heeft de derde-partij een zienswijze ingediend.



4.4.
In een raadsvoorstel van 28 augustus 2023 heeft het college de raad voorgesteld om een vvgb vast te stellen ten behoeve van het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning.



4.5.
Op 28 november 2023 heeft de gemeenteraad besloten het raadsvoorstel niet aan te nemen.


4.6.
Het college heeft vervolgens bij het bestreden besluit de gevraagde omgevingsvergunning eerste fase geweigerd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de gemeenteraad heeft geweigerd de vereiste vvgb te verlenen.


De kern van het geschil

5. Eisers zijn het niet eens met de weigering van de omgevingsvergunning. Zij betogen dat het raadsbesluit van 28 november 2023 niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Volgens eisers heeft de raad ten onrechte het stadpunt in genomen dat de beoogde woning vanwege geur en geluid in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dat brengt volgens eisers mee dat het college de weigering de omgevingsvergunning te verlenen niet op het raadsbesluit mocht baseren. Het college stelt zich daarentegen op het standpunt dat de procedure correct is doorlopen, dat de gevraagde vvgb op goede gronden is geweigerd en dat ook de omgevingsvergunning daarom terecht is geweigerd.


Toetsingskader vvgb algemeen

6. De rechtmatigheid van het besluit omtrent de verklaring van geen bedenkingen wordt beoordeeld in het kader van het beroep tegen het besluit over de omgevingsvergunning. De vvgb om van een bestemmingsplan af te wijken kan uitsluitend worden verleend of geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening. De gemeenteraad komt bij het al dan niet verlenen van een vvgb een beleidsruimte toe. Dat neemt niet weg dat het besluit over een vvgb wel met de vereiste zorgvuldigheid moet worden voorbereid, dat de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen dienen te worden afgewogen en dat het besluit dient te berusten op een draagkrachtige motivering.


Is de vvgb geweigerd?

7. Eisers betogen dat de vvgb niet is geweigerd, omdat een besluit tot weigering daarvan ontbreekt. Omdat een weigering van een vvgb een wezenlijk ander besluit is dan de door het college voorgestelde verlening daarvan, had volgens eisers in dit geval eerst een door de raad vastgesteld ontwerpbesluit tot weigering van de vvgb ter inzage moeten worden gelegd.



7.1.
De rechtbank volgt dit betoog van eisers niet. Vaststaat dat de raad het raadsvoorstel tot verlening van de vvgb, met 4 stemmen voor en 21 stemmen tegen, heeft verworpen. Blijkens het dictum van het raadsbesluit van 28 november 2023 is het door het college voorgestelde raadsbesluit een vvgb vast te stellen niet aangenomen. Het niet aannemen van het raadsvoorstel tot verlening van de vvgb kan redelijkerwijs niet anders worden uitgelegd dan dat de vvgb door de gemeenteraad is geweigerd. De rechtbank onderkent dat een raadsbesluit over een vvgb zorgvuldig moet worden voorbereid. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit echter niet mee dat het na een negatief oordeel van de gemeenteraad over de gevraagde vvgb noodzakelijk zou zijn om daarvoor eerst een ontwerpbesluit tot weigering van de vvgb ter inzage te leggen. In de wettelijke proceduregels over de vvgb ziet de rechtbank daar ook geen aanknopingspunt voor.





De voorbereiding en motivering van het raadsbesluit

8. Eisers betogen dat het besluit van de gemeenteraad tot weigering van de vvgb niet kenbaar is gemotiveerd. Voor zover de motivering van het raadsbesluit kan worden afgeleid uit het bestreden besluit, is volgens eisers geen sprake van een deugdelijke motivering.



8.1.
Deze beroepsgrond slaagt. Daartoe wordt overwogen dat, zoals het college op zitting ook heeft bevestigd, een van de gemeenteraad afkomstig schriftelijk document waaruit blijkt om welke reden(en) de vvgb is afgewezen ontbreekt. Het standpunt van het college dat de motivering van het besluit om geen verklaring van geen bedenkingen af te geven uitgebreid is gegeven tijdens de beraadslaging in de raadsvergadering van 28 november 2023, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Die beraadslaging, dan wel de kern daarvan, is niet door de gemeenteraad op schrift gesteld en daarmee ook geen toetsbaar onderdeel van het raadsbesluit.



8.2.
In het bestreden besluit heeft het college het volgende vermeld over de weigering van de gemeenteraad om de verklaring van geen bedenkingen af te geven:

“De gemeenteraad heeft in de vergadering van 23 december 2023 overwogen, dat de afstand tussen de nieuwbouw, het project waarvoor vergunning is aangevraagd en de bezwaarmakers, 20 meter bedraagt, waardoor er niet wordt voldaan aan de regels inzake geur- en geluidseisen, wat in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Gelet hierop is de Raad van mening dat het belang van goede ruimtelijke ordening dient te prevaleren boven het belang van de initiatiefnemer om het gewenste project te realiseren. De gemeenteraad heeft besloten de verklaring van geen bedenkingen is niet afgegeven.”




8.3.
De rechtbank begrijpt het bovenstaande aldus dat dit een verkorte weergave van het college is van de inhoudelijke redenen van de gemeenteraad om de vvgb te weigeren. Naar het oordeel van de rechtbank kan die motivering de afwijzing van de vvgb niet dragen, omdat daarmee niet wordt onderbouwd waarom niet aan de regels over geur- en geluid worden voldaan. Zo is niet duidelijk welke geur- en geluidsregels in de beoordeling zijn berokken, en ook niet waarom een afstand van 20 meter bepalend zou zijn.



8.4.
Gelet op het dossier gaat de rechtbank ervan uit dat de zienswijze van de derde-partij een belangrijke rol heeft gespeeld bij de weigering de vvgb te verlenen. Tijdens de vergadering van de commissie Ruimte van 14 november 2023 heeft de derde-partij ingesproken en zijn bij de raadscommissie vragen gerezen of de activiteiten van de derde-partij met paarden in voldoende mate zijn betrokken in het aan het raadsvoorstel ten grondslag gelegde geuronderzoek (quickscan geur). De rechtbank stelt vast dat het college in een brief van 28 november 2023 heeft gereageerd op (technische) vragen die tijdens de behandeling in de commissie Ruimte zijn gerezen over geur. Het college heeft onder meer het volgende geschreven:


“Door de inspreker is tijdens de commissievergadering te kennen gegeven, dat deze (quarantaine)stal een onmisbaar onderdeel is van (…). Dit wordt door ons als een gegeven aangenomen. Voor zover van belang, wordt door ons erkend, dat de activiteiten van (…) inclusief de (quarantaine)stal bedrijfsmatig van aard zijn. Dit verandert evenwel niets aan de uitkomst van de quickscan voor wat betreft de milieurechten, het gebruik en de uitbreidingsmogelijkheden.”



“Gelet op voorgaande zijn wij van mening, dat het perceel aan de [straatnaam] geschikt is voor de ontwikkeling tot woonperceel zonder dat dit de omliggende bedrijfsactiviteiten en de uitbreiding daarvan (extra) belemmert. Er is in voldoende mate sprake van een goed woon- en leefklimaat.




8.5.
De gemeenteraad is ondanks deze nadere toelichting van het college kennelijk tot een andere beoordeling gekomen van de invloed van geur vanwege het bedrijf van de derde-partij op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woning. Daarbij heeft gemeenteraad echter niet gemotiveerd waarom de op de quickscan geur gebaseerde beoordeling van het college niet kan worden gevolgd. Evenmin blijkt dat de gemeenteraad zijn afwijkende standpunt baseert op ander onderzoek naar geur dan het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het raadvoorstel. Ook voor het aspect geluid heeft de gemeenteraad niet gemotiveerd waarom er aanleiding is voor een andere beoordeling van de gevolgen voor het woon- en leefklimaat, dan op grond van het raadsvoorstel en de daaronder liggende stukken. Niet blijkt dat aan het afwijzende besluit van de gemeenteraad een akoestische beoordeling of een anderszins objectief vastgestelde overschrijding van geluidsnormen ten grondslag ligt. Verder stelt de rechtbank vast dat in de door het college opgestelde Nota van beantwoording van zienswijzen, die onderdeel is geweest van de vergaderstukken van de gemeenteraad, is ingegaan op de zienswijzen van de derde-partij. In het raadsvoorstel heeft het college naar de beantwoording van de zienwijzen verwezen en daarbij het standpunt ingenomen dat de zienwijzen geen aanleiding geven om van de voorgenomen vergunningverlening af te zien. De gemeenteraad heeft kennelijk afstand genomen van deze beoordeling van de zienswijzen, zonder daarvoor een eigen gemotiveerde beoordeling van de ingediende zienswijzen tegenover te stellen, die blijkt uit het raadsbesluit. Ook dit getuigt niet van een zorgvuldige voorbereiding van de verklaring van geen bedenkingen.



8.6.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het raadsbesluit tot weigering van de vvgb onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet draagkrachtig is gemotiveerd.



8.7.
Het betoog van eisers dat de gemeenteraad in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 3:11, tweede en derde lid, van de Wabo en in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) behoeft geen bespreking meer.


De weigering van de omgevingsvergunning

9. Zoals hiervoor is overwogen, is het raadsbesluit tot weigering van de vvgb onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet draagkrachtig gemotiveerd. Dit brengt mee dat het college zijn besluit tot weigering de omgevingsvergunning te verlenen niet op het raadsbesluit van 28 november 2023 heeft kunnen baseren. Daarom is ook het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet toereikend gemotiveerd.




Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.


10.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen de geconstateerde gebreken aan het bestreden besluit te herstellen (een zogenoemde bestuurlijke lus), omdat dit naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.


10.2.
De rechtbank draagt het college op om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor, mede gelet op de noodzakelijke hernieuwde besluitvorming door de gemeenteraad, een termijn van zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak.



10.3.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding voor hun proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend een aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.





Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit van 22 februari 2024;


draagt het college op om binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;


bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden;


veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.




Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving


Algemene wet bestuursrecht (Awb)


Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 3:4
(…)
2. De voor een een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Artikel 3:46
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Artikel 4:5
1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:


de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of


de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of


de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,


mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
(…)

Artikel 6:3
Een beslissing inzake de voorbereiding van een besluit is niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende rechtstreeks in zijn belang treft.


Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)


Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:(...)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:(...)
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

Artikel 2.20a
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvoor voor het verlenen van de omgevingsvergunning een verklaring vereist is als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, wordt de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd indien de verklaring is geweigerd.

Artikel 2.27, eerste lid
In bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën van gevallen wordt een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft.

Artikel 3.11, tweede lid
Op verzoek van het bestuursorgaan geeft het bevoegd gezag toepassing aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover dat nodig is voor de beoordeling van de onderdelen van de aanvraag waaromtrent de verklaring is vereist.

Artikel 3.11, derde lid
Zienswijzen die overeenkomstig artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht naar voren worden gebracht, en adviezen van de krachtens artikel 2.26 aangewezen adviseurs kunnen mede betrekking hebben op het ontwerp van de verklaring. Voor zover dat het geval is, zendt het bevoegd gezag ze onverwijld aan het bestuursorgaan dat de verklaring geeft. Dit deelt zijn oordeel daarover mee aan het bevoegd gezag.


Besluit omgevingsrecht (Bor)


Artikel 6.5
1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft (...).
2. De verklaring kan slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.



Dit volgt uit artikel 6.5, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor).


Document ‘231123 - 13192 - B&W - Verklaring van geen bedenkingen [straatnaam] – AVG’ (https://noordwijk.bestuurlijkeinformatie.nl/Agenda/Index/4fd61622-ff47-4863-a7a0-0bebe1875cd6).


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1414, onder 3.5, en van 17 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3488, onder 8.3.
Link naar deze uitspraak