Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:11797 
 
Datum uitspraak:09-09-2026
Datum gepubliceerd:11-09-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 25/4183
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Bestuurlijke boete wegens overtreding van de wet dieren. Bestuurlijke boete terecht opgelegd aan de vervoerder omdat de vervoerder vier varkens met een ernstige open wond heeft vervoerd, maar er bestaat aanleiding om de boete te matigen gezien het tijdsverloop tussen de dag van constatering en toezending van het rapport van bevindingen met het voornemen.
Trefwoorden:landbouw
stallen
varkens
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/4183

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid & Natuur, thans:

de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid & Natuur, verweerder
(gemachtigde: mr. E.A. Verhulp).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een bestuurlijke boete van € 10.500,- die verweerder in het kader van de Wet dieren aan eiseres heeft opgelegd. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de aan eiseres opgelegde bestuurlijke boete.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de boete terecht aan eiseres is opgelegd. De boete wordt echter met tien procent gematigd tot een bedrag van € 9.450,-gelet op het tijdverloop tussen het constateren van de overtreding en de toezending van het rapport van bevindingen. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop

2. Met het besluit van 20 december 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 10.500,-, omdat zij volgens verweerder bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften heeft overtreden.


2.1.
Met het besluit van 29 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.



2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [persoon A] . Eiseres en haar gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.




Beoordeling door de rechtbank

3. In het rapport van bevindingen van 22 oktober 2024 heeft een toezichthouder van de NVWA gerapporteerd dat hij/zij zich naar aanleiding van regulier toezicht op 26 juli 2023, omstreeks 13:00 uur bevond op het slachthuis van [naam locatie] te Lichtenvoorde. In dat rapport is het volgende beschreven:

“Tijdens mijn inspectie bevond ik me op bovengenoemde locatie op stal om de ante-mortem (levende) keuring varkens en biggen uit te voeren. Er stond een vrachtwagen van


[naam eiseres] met kenteken [kentekennummer] klaar voor het lossen. Toen de varkens uit de auto kwamen zag ik meerdere varkens met een navelbreuk van meer dan 20 cm.



Ik kwam dichterbij het varken (slachtblik nummer [nummer 1] ) zodat ik de navelbreuk beter waar kon nemen en ik constateerde een wond op de navelbreuk. De wond was ongeveer 15cm lang en 7cm breed. Bij het aanraken constateerde ik dat de navelbreuk warm en gevoelig was. Het varken reageerde onmiddellijk nadat ik de navelbreuk aanraakte. Ik gaf een opdracht aan de stalmeester om het varken apart op te stallen. Verder heb ik nog drie varkens van dichtbij bekeken en ik zag ook bij die varkens dat er meerdere wonden bestonden op de navelbreuken van die varkens. Die drie varkens werden ook apart gezet.



Ik zag bij het varken met oornummer [nummer 1] , dat de wond open was (zie foto varken nr. 2). De wond had ontstoken randen met een zwarte aanslag. Ik zag ook een korstje op de randen van de wond. Deze wond was ongeveer 2 cm diep met fibrine, bloed in de diepte en etter dat uit de diepte van de wond kwam. Dit is duidelijk zichtbaar op de randen van de wond; je ziet een wit kleurige dikkere vloeistof. Ik rook een verrotte geur dat afkomstig was van de betreffende wond. Een dergelijke geur is het resultaat van resten van dode weefselcellen na actie van bacteriën. Om tot dit stadium te komen, heeft deze wond minimaal 2 dagen nodig om zo er uit te zien. De opening van de wond brengt meer last voor het dier. Een groot risico om bacteriën door de wond in de hele lichaam te verspreiden en een dergelijke wond is altijd gevoelig bij aanraken of in contact komen met oppervlakken. De huid is een deel van het lichaam dat beschermt tegen bacteriën, weersomstandigheden en pijn. Tijdens transport was er extra lijd toegebracht voor het varken.



Bij het varken met oornummer [nummer 2] (zie foto varken nr. 4) zag ik meerdere wonden die al necrotisch waren. De korsten van die wonden waren zwart met witte granulatie en ook een vloeistof dat uit de wond kwam . Ook bij deze wond rook ik een verrotte geur. Een necrotisch proces is in gang gezet minimaal na twee dagen. Dit proces kan nog verder gaan en de bacteriën gaan in de heel lichaam verspreiden. Ik heb foto's gemaakt nadat de vier varkens bedwelmd en gestoken waren, toen hingen zij in het vuile gedeelte uit te bloeden. Op dit moment kon ik goede foto's maken.



Ik zag bij het varken met het oornummer [nummer 3] (zie foto varken nr. 1) dat op de navelbreuk meerdere kleine wonden bestonden en daarnaast een wond met een doorsnede van ongeveer 10 cm lang en 1 cm diep. In de diepte zag ik witte granulatie en een licht rode vloeistof dat uit de wond kwam. De randen van de wond hadden meerdere lagen korstjes. Ik zag dat stukjes strooisel en droge mest op de korstjes aanwezig waren. Ik zag ook mest in de diepte van de wond. Dit geeft een groot risico dat de bacteriën in de mest zich in het lichaam verspreiden. Gezien het feit dat er korstjes in meerdere lagen gevormd waren, betekent dat


deze wond ouder was dan 2 dagen.


Ik zag bij het varken met het oornummer [nummer 4] (zie foto varken nr. 3) dat op de navelbreuk meerder wonden aanwezig waren. Ik zag een wond, rond van vorm, met een diameter van 3-4 cm. Ik zag dat de randen van deze wond zwart waren. Dit is een necrotisch proces. (sterven van levende weefcellen na een bacterieel proces. Ik zag dat uit deze wond een rode vloeistof kwam . Op het oppervlak van deze wond zag ik dat er barsten waren. Dit is veroorzaakt door de spanning op de omliggende huid van de navelbreuk. Ik zag ook witte gele puntjes in de wond, dit was etter dat uit de wond kwam. Rekening houdend met de bevindingen concludeer ik, vanuit mijn expertise als dierenarts, dat deze wond ouder dan 2


dagen was, met name door de necrotische randen en de vorming van etter in de diepte van deze wond.



Bij de post-mortem keuring (na het slachten), werden twee ( [nummer 2] en [nummer 3] ) van de 4 varkens overgedragen aan mij door de keuringsassistenten van het KDS. Ik heb meerdere ontstekingen geconstateerd in de buikholte. Het buikvlies was ontstoken, met aanwezigheid van meerdere kleinere abcessen. Het maagdarm kanaal was ontstoken met een opmerkelijke hoeveelheid van een witte granulatie op de darmen en op het buikvlies. De regionale lymfeknoppen waren groot en bloedig naar aanleiding van een infectie in de buikholte. Deze post-mortem bevindingen heb ik bij die twee varkens geconstateerd. Dit duit ook op een proces dat minimaal 2 dagen bestaat en laat zien dat de varkens aan het lijden waren omdat die een infectie in de buikholte hadden.



Naar aanleiding van mijn ante-mortem en post-mortem bevindingen (necrose, in meerdere lagen, de korstjes, etter op de wonden en de verrotte geur) trok ik de conclusie dat de wonden minsten 2 dagen oud waren en dat de wonden al aanwezig en zichtbaar waren voor het voorgenomen transport.



[…]



Ik bracht de heer [persoon B] , chauffeur voor [naam eiseres] ., van mijn bevindingen op de hoogte en zegde ter zake een rapport van bevindingen aan.”


4. Op basis van het hiervoor genoemde rapport van bevindingen heeft verweerder met het primaire besluit aan eiseres een boete opgelegd van € 10.500,- voor het volgende feit: de vervoerder vervoerde varkens die niet geschikt waren voor het voorgenomen transport, omdat de varkens ernstige open wonden vertoonden. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 4.8, van de Regeling houders van dieren, in verbinding met artikel 3, aanhef, artikel 3, onder b en artikel 6, derde lid, bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en paragraaf 2, onder b, van Verordening (EG) 1/2005 (de Transportverordening).


4.1.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

5. Eiseres handhaaft hetgeen zij in haar zienswijze en in bezwaar naar voren heeft gebracht en heeft in aanvulling daarop in beroep aangevoerd dat verweerder haar had moeten wijzen op het recht op rechtsbijstand en haar de cautie had moeten geven.



5.1.
In het rapport van bevindingen is beschreven en toegelicht waarom de vier varkens ongeschikt waren voor het transport en niet vervoerd hadden mogen worden. Uit vaste rechtspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBb), onder meer de uitspraak van 30 november 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:1027) volgt dat een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen dat niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgesteld, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan.



5.2.
Eiseres heeft in de beroepsgronden niet nader onderbouwd waarom verweerder de boeteoplegging niet heeft mogen baseren op het rapport van bevindingen, maar uitsluitend verwezen naar wat zij in haar zienswijze en in haar bezwaarschrift heeft aangevoerd. Daarin wordt zonder nadere onderbouwing ontkend dat eiseres de overtreding heeft begaan. In deze enkele ontkenning ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid van de inhoud van het rapport van bevindingen te twijfelen. De toezichthouder heeft in het rapport van bevindingen duidelijk beschreven wat hij bij de varkens heeft waargenomen. Ook heeft de toezichthouder voldoende gemotiveerd dat de varkens deze wonden al voorafgaand aan het transport moeten hebben gehad. De in het geding zijnde norm is gericht tot de vervoerder. Nu eiseres de vervoerder is geweest van de vier varkens die ongeschikt waren voor het transport en zij als vervoerder verantwoordelijk is voor het transport van de varkens, heeft eiseres artikel 3, aanhef, artikel 3, onder b en artikel 6, derde lid, bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en paragraaf 2, onder b, van de Transportverordening overtreden.



5.3.
Voor zover eiseres stelt dat zij niet alle relevante stukken heeft ontvangen, deelt de rechtbank dat standpunt niet. Verweerder heeft het rapport van bevindingen, het primaire besluit en het bestreden besluit aan eiseres toegestuurd. Ten aanzien van de boetebeschikking van 24 juli 2020 waarnaar verweerder heeft verwezen in het kader van de recidive, geldt dat die boetebeschikking en het bijbehorende voornemen en rapport van bevindingen als bijlagen bij het bestreden besluit zijn overgelegd. In het voornemen ten aanzien van de in geding zijnde boete van 7 november 2024 wordt het boetezaaknummer dat aan de toepassing van de recidivebepaling ten grondslag ligt al genoemd. Daarnaast beschikte eiseres al eerder over de eerdere boetebeschikking en de onderliggende stukken van die eerdere boete, nu die eerdere boete haarzelf betrof, zodat ook ten aanzien van de eerdere boetebeschikking niet valt in te zien dat niet is voldaan aan artikel 7:4 van de Awb. Verweerder was anders dan eiseres veronderstelt niet gehouden om inzage te geven in stukken met betrekking tot derden, zoals de varkenshouder of het verzamelcentrum. Eventuele stukken uit andere dossiers of over derden zijn geen stukken die ten grondslag zijn gelegd aan de boete en zijn daarom geen op de zaak betrekking hebbende stukken. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat eiseres die andere stukken voor haar verdediging in deze zaak nodig had. Voorts heeft eiseres haar beroep op het gelijkheidsbeginsel niet nader onderbouwd.



5.4.
De enkele verwijzing van eiseres naar haar stelling in bezwaar dat het op basis van zwart-wit foto’s onmogelijk is om verweer te voeren, kan niet slagen. Uit vaste rechtspraak van het CBb, onder meer de uitspraken van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:222) en van 10 juni 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:329), volgt dat foto’s die als bijlage bij het rapport van bevindingen zijn gevoegd, dienen ter illustratie van wat er in het rapport van bevindingen is beschreven en niet bedoeld zijn als bewijsmiddel. Verweerder levert het bewijs van de overtreding door middel van de inhoud van het rapport van bevindingen. Eiseres had de inhoud van het rapport van bevindingen door een eigen deskundige kunnen laten beoordelen. De stelling van eiseres dat zij in haar verweermogelijkheden is beperkt, omdat de toelichtende foto’s in zwart-wit zijn, volgt de rechtbank daarom niet.



5.5.
De stelling van eiseres dat verweerder haar had moeten wijzen op het recht op rechtsbijstand leidt evenmin tot vernietiging van het bestreden besluit. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de toezichthouder de chauffeur op de hoogte heeft gebracht van zijn bevindingen en hem een rapport heeft aangezegd. Dat de chauffeur of iemand anders van eiseres zou zijn verhoord, blijkt niet uit het rapport en kan ook niet uit andere stukken worden afgeleid. Het betoog van eiseres over het recht op bijstand bij het verhoor of het ontbreken van het geven van de cautie kan dan ook niet slagen.



5.6.
Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder bevoegd was eiseres voor de hiervoor beschreven overtreding een bestuurlijke boete op te leggen.
6. Eiseres heeft over de hoogte van de boete aangevoerd dat verweerder de boete niet met toepassing van artikel 2.3, aanhef en onder b, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren heeft mogen verdubbelen. Van een ernstig risico of ernstige gevolgen voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu is geen sprake. Niet relevant is het aantal varkens dat is vervoerd, maar de aanwezigheid van risico’s of gevolgen die aan de overtreding verbonden zijn en de ernst ervan. Daarnaast heeft verweerder de boete niet met toepassing van artikel 2.5 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren mogen verhogen. Aan die verhoging wegens recidive heeft verweerder een boete van € 7.500,- van 24 juli 2020 ten grondslag gelegd, maar verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe die boete tot stand is gekomen. Tot slot heeft eiseres over de hoogte van de boete aangevoerd dat de boete op grond van verweerders beleid had moeten worden gematigd.



6.1.
Volgens rechtspraak van het CBb, onder meer de uitspraken van 31 maart 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:134, onder 5.2), 30 september 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:534, onder 5.1) en 6 juli 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:700, onder 7) brengt artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met zich dat de rechter dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen, waarvan in deze zaak sprake is, vormt artikel 5:46, derde lid, van de Awb het kader waarin de op artikel 6 van het EVRM gestoelde evenredigheidstoets wordt voltrokken. Binnen dit kader kan en behoort te worden beoordeeld of de voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Als in een stelsel van bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen niet of nauwelijks wordt gedifferentieerd op basis van feiten en omstandigheden die voor de evenredigheid van het boetebedrag van belang kunnen zijn, kan eerder de noodzaak bestaan om in een concreet geval van dit boetestelsel af te wijken. Het is aan de overtreder om aannemelijk te maken dat zulke feiten en omstandigheden in het concrete geval aan de orde zijn en moeten leiden tot een lagere boete.



6.2.
De standaardboete voor een overtreding als hier aan de orde is in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 1.2 en de bijbehorende bijlage van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren, vastgesteld op € 1.500,-.



6.3.
Met toepassing van artikel 2.3, aanhef en onder b, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren heeft verweerder de standaardboete voor deze overtreding verdubbeld naar € 3.000,- omdat de risico’s of de gevolgen van de overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu ernstig zijn. Nu sprake was van vier niet-transportwaardige dieren tijdens het bewuste transport, volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat hij overeenkomstig zijn eigen interne beleid de gevolgen van de overtreding voor het dierenwelzijn ernstig acht en is een boete van € 3.000,- in beginsel passend en geboden.



6.4.
Verweerder heeft het verhoogde boetebedrag met toepassing van artikel 2.5 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren vervolgens vastgesteld op € 10.500,- omdat aan eiseres bij besluit van 24 juli 2020 (boetezaaknummer [zaaknummer] ) een boete is opgelegd van € 7.500,- voor eenzelfde overtreding als hier aan de orde. De boete is gelijk aan de som van de voor de overtreding op te leggen boete (€ 3.000,-) en de voor die eerdere overtreding opgelegde boete (€ 7.500,-). De eerdere boete heeft er niet toe geleid dat herhaling is voorkomen. De rechtbank vindt de verhoging in dit geval niet onredelijk of onevenredig. De rechtbank verwijst daarbij naar haar uitspraak van 13 juni 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:4949) waarin is geoordeeld dat een verhoging van zeven maal het standaard boetebedrag nog evenredig is. In dit geval heeft de verhoging tot gevolg dat de boete zeven keer het standaardbedrag bedraagt.

7. Eiseres heeft er verder op gewezen dat de redelijke termijn is overschreden. Volgens haar is de redelijke termijn aangevangen in juli 2023 op het moment dat eiseres voor het eerst kennis heeft genomen van het feit dat zij een punitieve sanctie krijgt opgelegd.



7.1.
Volgens vaste jurisprudentie geldt bij punitieve sancties als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als, behoudens bijzondere omstandigheden, de rechtbank niet binnen twee jaar nadat deze termijn is aangevangen uitspraak doet. De termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan een handeling heeft verricht waaraan eiseres de verwachting kon ontlenen dat het bestuursorgaan haar een boete zou opleggen. Dit is in de regel het moment van het voornemen tot boeteoplegging. In dit geval is de redelijke termijn aangevangen met het uitbrengen van het voornemen op 7 november 2024. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn niet overschreden. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn te matigen.

8. Eiseres stelt dat de boete gematigd had moeten worden op grond van het eigen beleid van verweerder. Zij wijst er in dit verband op dat er een periode van 1,5 jaar is verstreken tussen de constatering van de overtreding en de toezending van het rapport van bevindingen.


8.1.
Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres weliswaar op de dag van de constatering (26 juli 2023) op de hoogte is gesteld van de overtreding, maar dat het toezenden van het rapport van bevindingen met het voornemen aan eiseres zodanig veel later heeft plaatsgevonden, dat er aanleiding bestaat om de boete met tien procent te matigen. De rechtbank volgt verweerder hierin en zal de boete met tien procent matigen tot een bedrag van € 9.450,-.


Conclusie en gevolgen


9. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de boete terecht aan eiseres is opgelegd, maar dat er aanleiding bestaat de boete te matigen gezien het tijdverloop tussen de dag van constatering en de toezending van het rapport van bevindingen met het voornemen. Het beroep is daarom gegrond. Omdat de rechtbank het boetebedrag verlaagt, wordt het bestreden besluit in zoverre vernietigd en het boetebesluit in zoverre herroepen. De boete wordt vastgesteld op € 9.450,-

10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend en een beroepschrift ingediend. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.600,-.






Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 29 april 2025, voor zover dat ziet op de hoogte van de boete;
- herroept het primaire besluit, voor zover dat ziet op de hoogte van de boete;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- stelt de hoogte van de boete vast op € 9.450,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.600,- aan proceskosten van eiseres.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, rechter, in aanwezigheid van mr.S.L. Mehlbaum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.






De rechter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.









griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Link naar deze uitspraak