|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:25874 | | | | | Datum uitspraak | : | 02-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 16-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | C/09/698562 | | Rechtsgebied | : | Goederenrecht | | Indicatie | : | Geschil tussen buren over het gebruik van een weg om het naastgelegen perceel te bereiken. Geen openbare weg in de zin van de Wegenwet. Geen erfdienstbaarheid door bevrijdende verjaring. Verbod om de weg te gebruiken. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | koeien | | | perceel | | | vee | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Den Haag
Team Handel
Den Haag
Zaaknummer: C/09/698562 / HA ZA 26-118
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
1 [partij A, sub 1] te [woonplaats] ,2. [partij A, sub 2] te [woonplaats] ,
eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. F.P. van Galen,
tegen
[partij B]
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. J.P.G. Bouwman.
1De procedure
1.1.
[partij A] is een procedure gestart tegen [partij B] . De dagvaarding (met producties 1 tot en met 22) is op 20 januari 2026 aan [partij B] uitgereikt en op 4 februari 2026 bij de rechtbank ingediend. Op 18 maart 2026 heeft [partij B] bij de rechtbank een conclusie van antwoord (met één productie) ingediend. Dit processtuk bevat ook een eis in reconventie (tegenvordering). In reactie hierop heeft [partij A] op 29 april 2026 een conclusie van antwoord in reconventie ingediend.
1.2.
Op 7 juli 2026 heeft een mondelinge behandeling en een plaatsopneming plaatsgevonden. Hiervan zijn processen-verbaal opgemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank de zaak op verzoek van partijen verwezen naar de rol van
22 juli 2026 om partijen in de gelegenheid te stellen tot het voeren van schikkingsoverleg. Op de rol van 22 juli 2026 hebben beide partijen gemeld dat geen regeling is bereikt en hebben zij de rechtbank gevraagd om een vonnis te wijzen. Daarna volgt dit vonnis.
2De feiten
2.1.
[partij A] is sinds 28 januari 2022 eigenaar van het perceel aan de [adres 1] in [plaats] , kadastraal bekend [kadastraal kenmerk 2] (verder: ‘ [perceel 1] ’). [partij A] heeft dit gekocht van de heer [naam 1] (verder: ‘ [naam 1] ’) met het plan om daarop een huis te bouwen.
2.2.
[perceel 1] is afgesplitst van een groter perceel dat sinds de jaren zestig eigendom was van de vader van [naam 1] (verder: ‘ [naam 2] ’), met daarop het ouderlijk huis van [naam 1] . [naam 1] woont daar sinds zijn geboorte in 1965. Na het overlijden van zijn vader heeft [naam 1] in 2005 het geheel in eigendom verkregen.
2.3.
Na de afsplitsing van [perceel 1] behield [naam 1] het gedeelte met daarop het huis, met adres [adres 2] . Dat staat nu kadastraal bekend als [kadastraal kenmerk 3] (verder: ‘ [perceel 2] ’). Op onderstaande uitsnede van de kadastrale kaart zijn beide percelen zichtbaar.
2.4.
Aan de zuidoostzijde van [perceel 1] ligt een sloot. Aan de andere kant van deze sloot ligt een geasfalteerde weg. Die weg is onderdeel van het perceel van [partij B] met het adres [adres 3] , kadastraal bekend [kadastraal kenmerk 4] (verder: ‘ [perceel 3] ’), en leidt van de [straatnaam] naar het huis van [partij B] .
2.5.
In de jaren zeventig zijn op (het huidige) [perceel 1] twee schuren en een elektriciteitshuisje gebouwd. Verder bevindt zich tussen [perceel 1] en de weg op [perceel 3] sinds de jaren zeventig een dam die [perceel 1] aan de zuidoostzijde met de weg op [perceel 3] verbindt.
2.6.
De volgende uitsnede van de kadastrale kaart toont de ligging van de [straatnaam] , de betrokken percelen, de (met rode pijl aangegeven) weg op [perceel 3] en de dam aan de zuidoostzijde van [perceel 1] .
2.7.
Op onderstaande foto, gemaakt in de periode vóór 2022, zijn de dam (met daarop een hek) en (restanten van) de schuren zichtbaar, bezien vanaf de weg van [partij B] .
2.8.
De weg van [partij B] eindigt bij de oprit van het huis van [partij B] . Vanaf daar gaat de weg over in een deels met gras begroeid tegelpad van één meter breed. Het tegelpad voert vanaf dit punt met een naar rechts afbuigende bocht naar (een ander gedeelte van) de [straatnaam] . De oprit en het tegelpad zijn op onderstaande foto’s zichtbaar (links respectievelijk rechts).
2.9.
Voordat [partij A] startte met de bouw van het huis heeft hij aan [partij B] gevraagd of hij ter ontsluiting van [perceel 1] gebruik mocht maken van het stuk weg op [perceel 3] tussen de [straatnaam] en de dam aan de zuidoostzijde van [perceel 1] . In vervolg daarop heeft de verkoopmakelaar van [naam 1] in concept een overeenkomst opgesteld uit hoofde waarvan [partij B] ten behoeve van [perceel 1] een erfdienstbaarheid van weg zou verstrekken tegen een [naam 1] te betalen bedrag. Hierover hebben partijen geen overeenstemming bereikt.
2.10.
Vervolgens heeft [partij A] van de gemeente een vergunning gekregen om [perceel 1] op de [straatnaam] te ontsluiten met een nieuw aan te leggen dam aan de noordzijde van [perceel 1] .
2.11.
Nadat de schuren op [perceel 1] waren gesloopt, heeft [partij A] in 2022 en 2023 op [perceel 1] een huis met een bijgebouw (voor het gebruik als bed and breakfast) gebouwd. Daarbij is aan de noordzijde van het perceel de hiervoor genoemde dam aangelegd.
2.12.
Naast de dam aan de noordzijde van [perceel 1] heeft [partij A] ook de dam aan de zuidoostzijde van [perceel 1] in gebruik genomen om via de weg van [partij B] met auto’s vanaf de [straatnaam] [perceel 1] te bereiken. Deze situatie is op onderstaande foto zichtbaar gemaakt.
2.13.
Op 6 juni 2025 heeft de zoon van [partij B] de dam aan de zuidoostzijde van [perceel 1] met een voertuig geblokkeerd om het gebruik van de weg door [partij A] te belemmeren.
2.14.
Naar aanleiding hiervan heeft [partij A] [partij B] bij deze rechtbank gedagvaard in kort geding. Bij vonnis van 10 december 2025 heeft de voorzieningenrechter [partij B] verboden om de doorgang nog langer te belemmeren, met bepaling dat deze voorziening vervalt als [partij A] niet binnen zes weken een bodemprocedure start. In vervolg op dit vonnis is het voertuig verwijderd en is [partij A] deze procedure gestart.
2.15.
In een schriftelijke verklaring van [naam 1] staat, voor zover van belang:
Het perceel van [partij A] heeft vanaf omstreeks 1975 een dam, links (aan de zuidkant) van het perceel, deze dam wordt vanaf 1975 gebruikt als in en uitrit van o.a. auto's voor het betreffende perceel. Omstreeks 1977 bouwde mijn vader zijn schuur en garage zodanig gesitueerd dat hij de dam kon gebruiken als in-en uitrit voor zijn auto's om de [straatnaam] , vanuit zijn schuur en garage, te kunnen bereiken. Hij heeft de dam gebruikt vanaf 1977 tot zijn overlijden in 2005. Vanaf 2005 tot het moment van verkoop aan [partij A] , ben ik de dam als in en uitrit blijven gebruiken om deze zelfde schuur en garage te kunnen bereiken met mijn auto's. Zelfs tijdens het afbreken van mijn schuur en garage is deze zelfde dam gebruikt voor het afvoeren van bouwmaterialen. Na de verkoop in 2020 zijn [partij A] de dam gaan gebruiken om het perceel vanaf [straatnaam] te bereiken.
2.16.
In een schriftelijke verklaring van [partij B] staat, voor zover van belang:
Ik ben hier dus geboren en getogen.
Toen mijn ouders nog op de [straatnaam] woonden is er een elektriciteitshuis gebouwd rechts aan het einde van de laan vanaf de [straatnaam] bezien.
Daarom is er toen een dam geplaatst zodat dit elektriciteitshuisje bereikbaar is.
Enkele jaren later heeft dhr [naam 1] een schuur gebouwd op de plek waar nu de B&B is.
In deze schuur hield hij dieren en stond ter bescherming en weglopen van de dieren een hek ter hoogte van de laan en de dam.
De dieren zelf werden over het erf van dhr. [naam 1] vervoerd. Dus als er nieuwe dieren kwamen ging dit over het eigen erf van dhr. [naam 1] . Dit erf was en is rechts naast zijn huis waar ook een garage was en nog steeds is. De dhr. [naam 1] parkeerde daar ook altijd zijn auto.
Dhr [naam 1] heeft nooit een bijdrage geleverd aan het onderhoud zowel fysiek als financieel, omdat hij wist dat de laan niet van hem was maar bij onze boerderij hoorde, oftewel [adres 3] . Er werd dus echt sporadisch gebruik van gemaakt. Dit was ook te zien aan de begroeide toestand waarin het verkeerde.
2.17.
In een schriftelijke verklaring van de heer [naam 3] staat, voor zover van belang:
[naam 1] en daarvoor zijn vader, hadden een schuur/garage op het naastgelegen perceel (wat nu [perceel 1] is). In die schuur/garage stonden altijd enkele oude auto’s opgeslagen. De auto’s werden bijna nooit gebruikt. De auto’s waren deels bedekt met doeken en zaten onder een laag stof. De schuur/garage werd altijd en uitsluitend gebruikt voor opslag van oude rommel.
De bestaande dam aan de zuidoostkant van dat [perceel 1] gebruikten [naam 1] en voordien zijn vader, vrijwel nooit. De reden is dat zowel [naam 1] als ook zijn vader, hun eigen auto die zij daadwerkelijk gebruiken altijd parkeerden naast hun woning [adres 2] in de pal naastgelegen bestaande schuur op hun perceel wat nu [perceel 2] is.
[naam 1] en voorheen zijn vader, konden de schuur/garage (op [perceel 1] ) lopend en met voertuigen bereiken via hun eigen [perceel 2] langs de waterkant, daarvoor hoefden zij geen gebruik te maken van de bestaande dam aan de zuidoostkant en hoefden zij geen gebruik te maken van het laantje van [partij B] , zij deden dat dus ook niet.
Omdat de bestaande dam aan de zuidoostkant slechts sporadisch werd gebruikt, was deze altijd overwoekerd met struiken en onkruid en het daarop aanwezige hek was altijd gesloten.
2.18.
In een schriftelijke verklaring van de heer [naam 4] staat, voor zover van belang:
Inmiddels woon ik 66 jaar op [adres 4] in [plaats] . lk ben hier geboren,
opgegroeid en woon hier nog steeds.
(…)
Als kind fietste ik al over het laantje naar school langs de boerderij van [partij B] op [adres 3] . Deze laan wordt overigens nog altijd dagelijks gebruikt door veel mensen als doorgaande weg om aan de andere kant van de [straatnaam] te komen.
Het moet rond 1970 zijn geweest dat erop van het perceel van de familie [naam 1]
het elektrahuisje werd geplaats. Tegelijk met de dam die als op en afrit
diende naar het elektra huisje. Deze dam gaf tegelijkertijd toegang tot het perceel van de familie [naam 1] , het elektrahuisje staat immers op "hun" perceel. lk zag met eigen ogen hoe hier de familie [naam 1] , eerst de garage langs de sloot, en later de grote schuur bouwde. Van de dam werd gebruik gemaakt om de garage en schuur te kunnen bouwen. [naam 2] hield daar koeien en klein vee in. Voor alles wat hij daar voor nodig had, werd de op en afrit gebruikt. Zoals het verplaatsen van vee naar een ander perceel en het lossen van o.a. hooi . Tevens werd de op en afrit gebruikt om met een auto bij de garage en de grote schuur te komen.
Na het overlijden van de heer [naam 2] in 2006 zijn de schuren in gebruik genomen door de zoon van de heer [naam 2] en diens vrienden, voor hun uit de hand gelopen hobby met auto's. Deze auto's maakte op dezelfde manier gebruik van de dam als op en afrit om de grote schuur te bereiken. Er was immers geen andere weg om de schuur en de garage met een auto te bereiken.
2.19.
In een schriftelijke verklaring van [naam 5] staat, voor zover van belang:
Ik, [naam 5] woon inmiddels 30 jaar aan de [straatnaam] . In 1996 bouwde ik mijn woning aan de [adres 5] . Als buurman ken ik de situatie goed omdat ik er al 30 jaar woon. Mijn woning ligt pal naast het laantje naar de oude boerderij van de familie [partij B] op [adres 3] . Aan dit ongeveer 400 meter lange laantje ligt direct aan het begin een dam welke als in-en uitrit werd gebruikt door de familie [naam 1] aan de [adres 2] om bij hun garage en schuur te komen. Dit was overigens de enige in-en uitrit van het perceel om de schuur en garage met auto te bereiken
2.20.
In een schriftelijke verklaring van [naam 6] staat, voor zover van belang:
Sinds 1975 kom ik al als klasgenoot en vriend bij [naam 1] en [naam 1] zijn ouders op het terrein zo ook in en rondom de woning, gelegen aan de [adres 2] . Toen nog een enorm groot perceel met de woning rechts en de schuren ernaast aan de linker kant van het perceel, gezien vanaf de [straatnaam] . Waar wij als kinderen speelden en verjaardagen vierden. lk ken daarom het terrein heel goed en kan u vertellen dat de dam gelegen links aan de zuid-oost kant van het perceel er toen ook al lag. De dam werd gebruikt als in en uitrit, om de schuur langs de sloot te bereiken omdat [naam 2] daar zijn auto parkeerde. Met auto en aanhanger gebruikte hij met regelmaat dezelfde dam. waarmee hij enkele dieren en voer voor dieren vervoerde welke hij in de grote schuur had staan. Na het overlijden van [naam 2] omstreeks 2006 zijn de dieren uit de grote schuur vertrokken en mochten wij met 4 vrienden onze gezamenlijke autohobby in de grote schuur uitoefenen. Dezelfde dam gebruikte wij dan ook als in en uitrit om met onze auto's de grote schuur te bereiken. Dit was de enige dam om de schuren met de auto te bereiken. Er lag wel een klein voetpad vanaf de woning naar de schuren, maar dit was slecht één stoeptegel van circa 40 centimeter breed. Helaas kwam er een einde aan onze autohobby omdat [naam 1] de helft van het perceel in 2021 had verkocht.
3Het geschil in conventie en in reconventie
3.1.
[partij A] vordert in conventie, samengevat weergegeven, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
1. voor recht verklaart dat de weg op [perceel 3] tussen de [straatnaam] en de dam aan de zuidoostzijde van [perceel 1] een openbare weg is in de zin van de Wegenwet;
subsidiair
2. voor recht verklaart dat op dit stuk weg door verjaring een erfdienstbaarheid van weg is ontstaan;
primair en subsidiair
3. [partij B] op straffe van een dwangsom veroordeelt om dit stuk weg voor [partij A] toegankelijk te houden,
een en ander met veroordeling van [partij B] in de proceskosten.
3.2.
[partij A] legt daaraan het volgende ten grondslag. De weg van [partij B] is een openbare weg in de zin van de Wegenwet. Daarom moet [partij B] dulden dat [partij A] van de weg gebruik maakt om met de auto vanaf de [straatnaam] zijn perceel te benaderen. Als geoordeeld wordt dat de weg niet openbaar is, doet [partij A] (subsidiair) een beroep op een door bevrijdende verjaring verkregen erfdienstbaarheid van weg. Het belang bij het gebruik van de weg houdt met het volgende verband. De dam aan de zuidoostzijde komt direct uit op de parkeerplaats voor de bed and breakfast. Als [partij A] zijn eigen auto’s parkeert ter hoogte van de dam aan de noordzijde, dan is de parkeerplaats voor de bed and breakfast niet goed bereikbaar.
3.3.
[partij B] vordert in reconventie, samengevat weergegeven, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [partij A] op straffe van een dwangsom verbiedt om van [perceel 3] gebruik te maken, met veroordeling van [partij A] in de proceskosten.
3.4.
[partij B] legt daaraan het volgende ten grondslag. De weg is eigendom van [partij B] . Het is een geen openbare weg en van een door verjaring verkregen erfdienstbaarheid is geen sprake. [partij A] heeft dus geen recht om van de weg gebruik te maken.
3.5.
De door partijen over en weer aangevoerde stellingen worden hierna, voor zover nodig, verder besproken.
4De beoordeling
Samenhang tussen de vorderingen
4.1.
De vorderingen in conventie en reconventie zijn inhoudelijk met elkaar verweven. Op beide fronten gaat het namelijk om de vraag of [partij A] gebruik mag maken van de weg op [perceel 3] . Vanwege deze samenhang zal de rechtbank de over en weer ingestelde vorderingen hierna gezamenlijk bespreken.
Openbare weg?
4.2.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de weg op [perceel 3] een openbare weg is in de zin van de Wegenwet. Het gaat daarbij om het stuk weg tussen de [straatnaam] en de dam aan de zuidoostzijde van [perceel 1] zoals hiervoor weergegeven in punt 2.12. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij A] zijn vordering (verder) geconcretiseerd, in die zin dat de vordering ertoe strekt dat de rechtbank vaststelt dat [partij B] moet dulden dat [partij A] met auto’s van dit stuk weg gebruik maakt. [partij A] grondt zijn vordering op artikel 4 lid 1 sub I in samenhang met artikel 14 van de Wegenwet. [partij B] verweert zich daartegen. Volgens [partij B] heeft de weg (en het tegelpad) nooit een functie vervuld voor openbaar (auto)verkeer.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 4 lid 1 sub I van de Wegenwet volgt dat een weg openbaar is als de weg vanaf 1902 gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest. Op grond van artikel 14 van de Wegenwet moet de rechthebbende van een openbare weg alle verkeer over de weg dulden, behoudens de beperkingen in het gebruik als bedoeld in artikel 6 van de Wegenwet. In artikel 6 van de Wegenwet staat dat een beperking in het gebruik (mede) mag worden aangenomen op grond van de gesteldheid van de weg en het gebruik dat van de weg pleegt gemaakt te worden.
4.4.
De Wegenwet heeft volgens vaste rechtspraak betrekking op verkeersbanen die een functie vervullen ten behoeve van het afwikkelen van openbaar verkeer en die derhalve naar hun aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dienen. Niet bepalend is dat niemand de toegang tot de verkeersbaan wordt ontzegd. Wel bepalend is dat die toegang het openbaar verkeer dient.
4.5.
In het licht van dit toetsingskader is de vordering van [partij A] niet toewijsbaar. Niet gebleken is dat de weg op [perceel 3] ooit een functie heeft vervuld voor de afwikkeling van openbaar autoverkeer. De weg eindigt bij het huis van [partij B] en is in zoverre voor autoverkeer een doodlopende weg. Het enige autoverkeer dat daar komt, is bestemmingsverkeer voor de woning van [partij B] , zoals [partij B] zelf, mensen die hem bezoeken en post-/pakketbezorgers.
4.6.
[partij A] voert aan dat ook de gebruiker van een aan de weg gelegen weiland met een auto over de weg rijdt, maar dat legt geen gewicht in de schaal. Ook dat is bestemmingsverkeer, en wel voor het betreffende stuk weiland. Anders dan [partij A] aanvoert, is de positionering van de brievenbus van [partij B] evenmin maatgevend. De omstandigheid dat, zoals [partij A] stelt, een brievenbus ingevolge de Postwet direct aan de openbare weg moet staan, en PostNL naar zeggen van [partij A] aanvaardt dat de brievenbus pal voor het huis van [partij B] staat, is binnen het verband van de Wegenwet geen relevant gezichtspunt bij de kwalificatie van de weg.
4.7.
[partij A] voert ten slotte aan dat de weg en het daarop aansluitende tegelpad wel voor fietsers en voetgangers meer dan dertig jaar een doorgaande verkeersbaan richting [plaats] is geweest, en dat nog steeds fietsers en voetgangers van de weg en het tegelpad gebruikmaken. Ook dit kan de vordering van [partij A] niet dragen. In dat scenario is namelijk het openbare gebruik van de weg beperkt (geweest) tot fietsers en voetgangers, en hoeft [partij B] op grond van artikel 14 in verbinding met artikel 6 van de Wegenwet niet te dulden dat, zoals [partij A] met zijn vordering verlangt, ook autoverkeer van de weg gebruik maakt.
4.8.
De primaire vordering (vordering 1) zal dus worden afgewezen.
Erfdienstbaarheid?
4.9.
Dat brengt de rechtbank bij de beoordeling van de subsidiaire vordering (vordering 2) en dus de vraag of ten laste van [perceel 3] door bevrijdende verjaring een erfdienstbaarheid van weg is verkregen om met een auto vanaf de [straatnaam] [perceel 1] te bereiken.
4.10.
[partij A] voert daartoe het volgende aan. [naam 2] heeft de erfdienstbaarheid in de jaren zeventig in bezit genomen. De rechtsvordering om dat bezit te beëindigen is twintig jaar later verjaard. Op grond van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (‘Ow’) is vervolgens per 1 januari 1993 de erfdienstbaarheid verkregen door bevrijdende verjaring. Het bezit blijkt allereerst uit het gebruik van de weg door [naam 2] In een van de destijds aanwezige schuren parkeerde hij zijn auto, waarmee hij (vrijwel) dagelijks van de weg op [perceel 2] gebruikmaakte. In de andere schuur hield [naam 2] dieren. Ook met het oog daarop, waaronder voor de aanvoer van voer, gebruikte hij de weg. Een en ander is hij blijven doen tot zijn overlijden in 2005. Het bezit van de erfdienstbaarheid blijkt verder uit de aanwezigheid van de dam en de twee schuren waarvan de deuren gericht waren op de weg op [perceel 3] . Al met al was voor [partij B] kenbaar dat [naam 2] pretendeerde dat hij een erfdienstbaarheid van weg had.
4.11.
Subsidiair, als de rechtbank oordeelt dat het gestelde bezit van de erfdienstbaarheid onder het Oud Burgerlijk Wetboek zoals dat gold tot 1 januari 1992 (verder: ‘OBW’) niet kan worden aangenomen, is het bezit van de erfdienstbaarheid en daardoor de bevrijdende verjaring aangevangen toen op 1 januari 1992 het Nieuw Burgerlijk Wetboek (verder: ‘BW’) werd ingevoerd. In dat geval is de bevrijdende verjaring twintig jaar later (in 2012) voltooid. Na het overlijden van [naam 2] in 2005 heeft [naam 1] het gebruik van de erfdienstbaarheid tot 2022 voortgezet, aldus nog steeds [partij A]
4.12.
[partij B] bestrijdt de stellingen van [partij A] en voert daartoe het volgende aan. [naam 2] heeft slechts sporadisch, hooguit twee keer per jaar, van de weg gebruik gemaakt. De dam aan de zuidoostzijde van [perceel 1] is destijds door het nutsbedrijf aangelegd uitsluitend om het elektriciteitshuisje te kunnen bereiken. De door [naam 2] gebouwde schuren konden ook vanaf de noordzijde van het perceel, langs het woonhuis van [naam 2] (met voertuigen) worden bereikt. Al met al is van bezit van een erfdienstbaarheid, en dus verkrijging daarvan door bevrijdende verjaring, nooit sprake geweest, aldus [partij B] .
4.13.
De rechtbank stelt voorop dat onder het OBW, zoals dat gold tot 1 januari 1992, uitsluitend zogenoemde voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheden voor bezit vatbaar waren (artikel 593 lid 2 OBW) en dat destijds een recht van erfdienstbaarheid niet kon worden verkregen door bevrijdende verjaring. Vanwege het overgangsrecht kan wat vóór 1992 is gebeurd echter wel relevant zijn: als voor 1992 sprake is geweest van onafgebroken bezit waartegen niet is opgetreden door de eigenaar, kan ingevolge artikel 93 Ow de bevrijdende verjaringstermijn voor de verkrijging van een voortdurende erfdienstbaarheid (op zijn vroegst) op 1 januari 1993 zijn voltooid. Uit artikel 95 Ow volgt dat bezit van een niet-voortdurende en/of niet zichtbare erfdienstbaarheid op zijn vroegst op 1 januari 2012 (twintig jaar na de invoering van het BW) door bevrijdende verjaring kan leiden tot verkrijging van de erfdienstbaarheid.
4.14.
Artikel 724 lid 2 OBW bepaalt dat onder voortdurende erfdienstbaarheden moet worden verstaan ‘zoodanige welker gebruik voortduurt of kan voortduren, zonder dat daartoe des menschen toedoen noodig zij; van dien aard zijn de waterloopen, het gootregt, het uitzicht en andere dergelijke’. Lid 3 van dit artikel bepaalt dat onder niet-voortdurende erfdienstbaarheden moet worden verstaan ‘dezulke welke tot dezelver uitoefening ’s menschen toedoen noodig hebben, als daar zijn: het regt van overgang, van water te halen, beesten te weiden en andere soortgelijke.’
4.15.
Omdat voor de uitoefening van een erfdienstbaarheid van weg telkens een menselijke handeling nodig is, werd onder het OBW een recht van weg gekwalificeerd als een niet-voortdurende erfdienstbaarheid. Een uitzondering hierop kon worden aangenomen als de erfdienstbaarheid (van weg) zowel bestond in het moeten dulden van een werk ten voordele van het heersend erf als in het toelaten van menselijke handelingen. Naar de rechtbank begrijpt, heeft [partij A] met zijn verwijzing naar de fysieke aanwezigheid van de dam en de twee schuren – dat zijn ‘werken’ – bedoeld op deze uitzondering een beroep te doen. Dat treft echter geen doel, omdat de twee schuren (en volgens de eigen stelling van [partij A] ook de dam) zich bevonden op het terrein van [naam 2] en [partij B] de aanwezigheid van die werken dus niet heeft hoeven ‘dulden’. Daarom is de genoemde uitzondering niet van toepassing.
4.16.
De conclusie hiervan is dat – ook als de rechtbank [partij A] volgt in zijn stelling dat [naam 2] vanaf de jaren zeventig de weg (vrijwel) dagelijks heeft gebruikt – in de periode onder het OBW (tot 1 januari 1992) gelet op de toen geldende criteria geen sprake kan zijn geweest van een voor bezit vatbare erfdienstbaarheid van weg. En daarin ligt besloten dat, anders dan [partij A] aanvoert, in die periode een dergelijke erfdienstbaarheid niet door bevrijdende verjaring kan zijn verkregen (artikel 93 Ow).
4.17.
Dat betekent dat de bevrijdende verjaringstermijn op zijn vroegst bij de invoering van het huidige BW (1 januari 1992) kan zijn aangevangen (artikel 95 Ow). De vraag of in die periode – en dus beoordeeld naar de regels van het BW – door bevrijdende verjaring een erfdienstbaarheid van weg is verkregen, zal de rechtbank hierna bespreken.
4.18.
Een erfdienstbaarheid kan door bevrijdende verjaring worden verkregen door een onafgebroken en ondubbelzinnig bezit gedurende twintig jaar. Volgens vaste rechtspraak vereist bezit van een erfdienstbaarheid een zodanige machtsuitoefening over het erf van een ander, dat naar verkeersopvatting daarin voor de eigenaar van het erf de uitoefening van het recht van erfdienstbaarheid valt te herkennen (artikel 3:108 BW). De eigenaar van het erf moet uit de wijze van uitoefening naar objectieve maatstaven kunnen afleiden dat de ander van zijn erf gebruikmaakt op grond van een door die ander gepretendeerde erfdienstbaarheid. Er moet naast het gebruik ook sprake zijn van bijkomende objectieve omstandigheden die de uitoefening van een erfdienstbaarheid onderbouwen.
4.19.
Wanneer de eigenaar van het ene erf een zekere mate van last gedoogt ten behoeve van de eigenaar van het andere erf, kan hieruit niet zonder meer de aanwezigheid van bezit van een recht van erfdienstbaarheid worden afgeleid. Voorkomen moet worden dat een vriendelijke bejegening van buren al snel zou leiden tot het bezit van een erfdienstbaarheid. In het bijzonder bij een niet-voortdurende erfdienstbaarheid, zoals een erfdienstbaarheid van weg, moet (ook onder het huidige recht) het bezit met terughoudendheid worden aangenomen.
4.20.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen (i) de zichtbare aanwezigheid van de dam aan de zuidoostzijde van [perceel 1] , (ii) de zichtbare aanwezigheid van twee schuren met deuren gericht op de dam en de daarachterliggende weg op [perceel 3] en (iii) regelmatig gebruik van de weg om met een auto [perceel 1] te bereiken, wijzen op het bezit van een erfdienstbaarheid van weg. Als dat gebruik zodanig is geweest dat gedurende twintig jaar, verspreid over het jaar, meerdere keren per week, met een auto over de weg is gereden om genoemd perceel te bereiken (en andersom), is dat naar het oordeel van de rechtbank een zodanige machtsuitoefening, dat naar de verkeersopvatting daarin de uitoefening van een erfdienstbaarheid valt te herkennen.
4.21.
Dat in dit geval de weg vanaf 1992 gedurende twintig jaar op dergelijke wijze is gebruikt, valt echter uit de door [partij A] aangedragen onderbouwing niet af te leiden. De rechtbank legt hierna uit waarom.
4.22.
[partij A] baseert zich op de verklaringen van [naam 1] zoals hiervoor in punt 2.15 weergegeven en door hem tijdens de mondelinge behandeling (als informant) afgelegd. In samenhang met de hiervoor aangehaalde schriftelijke verklaringen van [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] valt daaruit af te leiden dat [naam 2] vanaf 1992 tot zijn overlijden in 2005 (en dus gedurende dertien jaar) de weg ten minste meerdere keren per week heeft gebruikt, maar uit de verklaringen blijkt ook dat het gebruik van de weg vanaf 2005 tot een zeer beperkte frequentie is teruggebracht.
4.23.
Naar zeggen van [naam 1] werd de (voormalige) schuur op [perceel 1] vanaf 2005 (tot 2022) vooral nog gebruikt voor de stalling van hobbymatig gehouden oldtimers. Zijn auto voor dagelijks gebruik stond altijd bij/in de garage naast zijn woning op [perceel 2] en met die auto maakte [naam 1] geen gebruik van de weg op [perceel 3] . Naar zeggen van [naam 1] was de oldtimerhobby geen dagelijkse activiteit, maar iets waar hij ‘soms, om de paar maanden’ mee bezig was. Of dan ook telkens met auto’s over de weg op [perceel 3] werd gereden, is niet duidelijk geworden, maar zelfs al zou de rechtbank dat aannemen, is – in het licht van het hiervoor genoemde toetsingskader – een dergelijk spaarzaam gebruik onvoldoende om daarin de uitoefening van een erfdienstbaarheid van weg te herkennen.
4.24.
Dat betekent dat – ook als de rechtbank de stellingen van [partij A] over het gebruik van de weg volgt – het gestelde bezit van de erfdienstbaarheid vanaf 2005 is geëindigd. De verjaringstermijn van twintig jaar (vanaf 1992) is dus niet voltooid en bij die stand van zaken is niet door bevrijdende verjaring een erfdienstbaarheid van weg verkregen.
4.25.
De conclusie is dat de subsidiaire vordering (vordering 2) van [partij A] zal worden afgewezen. In het verlengde daarvan zal ook vordering 3 van [partij A] worden afgewezen. Omdat is geoordeeld dat [partij A] geen recht heeft om van de weg op [perceel 3] gebruik te maken, kan [partij B] niet, zoals vordering 3 tot uitdrukking brengt, worden verplicht om de weg voor [partij A] vrij te houden.
De tegenvordering
4.26.
De tegenvordering van [partij B] is wel toewijsbaar. [partij B] is eigenaar van de weg op [perceel 3] en het staat vast dat [partij A] geen recht heeft om daarvan gebruik te maken. Om te waarborgen dat [partij A] het gebruik van de weg staakt, heeft [partij B] belang bij het door hem gevorderde verbod. De oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. Wel zal de hoogte daarvan worden gematigd en (verder) gemaximeerd.
4.27.
Verder zal de rechtbank het verbod beperken tot ‘de weg’ op [perceel 3] . De vordering heeft naast de weg ook betrekking op de ‘helft van de dam in eigendom van [partij B] ’, maar [partij B] heeft in reactie op de stellingen van [partij A] over de ligging van de erfgrens niet onderbouwd waar de eigendomsgrens precies ligt ten opzichte van de dam. Daarom kan de rechtbank niet vaststellen dat [partij A] van het bedoelde gedeelte van de dam geen gebruik mag maken. Dat onderdeel van de vordering zal de rechtbank dus afwijzen.
Proceskosten
4.28.
[partij A] is in conventie en reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom, zoals door [partij B] gevorderd, de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
4.29.
De proceskosten van [partij B] in conventie worden begroot op:
- griffierecht
€
341,00
- salaris advocaat
€
1.959,00
(3 punten tarief II à € 653,00)
Totaal
€
2.300,00
4.30.
De proceskosten van [partij B] in reconventie worden begroot op:
- salaris advocaat
€
979,50
(3 punten tarief II à € 653,00 x factor 0,5)
Totaal
€
979,50
4.31.
Voor de nakosten wordt voor de conventie en reconventie gezamenlijk een bedrag toegewezen van € 296,00. Over de proceskosten wordt, zoals gevorderd, wettelijke rente toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank:
In conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [partij A] af;
5.2.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 2.300,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
In reconventie
5.3.
verbiedt [partij A] om gebruik te maken van de weg op perceel kadastraal bekend [kadastraal kenmerk 4] , met veroordeling van [partij A] tot betaling van een dwangsom van € 500 per dag dat [partij A] (nadat het vonnis is betekend) dit verbod schendt, met een maximum van € 10.000;
5.4.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 979,50 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af;
In conventie en reconventie
5.6.
veroordeelt [partij A] in de nakosten van € 296,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, te vermeerderen met € 98,00 aan extra nakosten plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend;
5.7.
verklaart de veroordelingen respectievelijk het verbod in 5.2, 5.3, 5.4 en 5.6 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C. van Essen en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
Het daarop ook zichtbare perceel [kadastraal kenmerk 5] is eigendom van Westland Infra Netbeheer B.V. Daarop staat een elektriciteitshuisje, waarover in punt 2.5 meer.
Vgl. ABRvS 5 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC6035.
GS Zakelijke rechten, artikel 5:72 BW, aant. 3.3.3 (bijgewerkt t/m 6 juli 2019); Asser/Bartels&Van Velten 5 2017/195 (bijgewerkt t/m 1 maart 2025)
Asser/Beekhuis, Tweede Deel Zakenrecht, Bijzonder Deel I (9e druk, 1963, p. 231).
Punt 2.4 van de conclusie van antwoord in reconventie.
Asser/Bartels&Vonck 5 2025/196 (bijgewerkt t/m 1 maart 2025). | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|