|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2026:6728 | | | | | Datum uitspraak | : | 18-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 18-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | 26/376 26/378 26/379 en 26/385 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | In deze uitspraak wijst de rechtbank het verzoek om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking af. De noodzaak voor onteigening ontbreekt omdat de gemeente na de zitting met de eigenaars van de percelen een koopovereenkomst heeft gesloten. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | koopovereenkomst | | | koopovereenkomsten | | | omgevingsvergunning | | | onteigening | | | perceel | | | | Uitspraak | RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 26/376 OW ONT SHE 26/378, SHE 26/379 en SHE 26/385
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 september 2026 in de zaak op het verzoek om bekrachtiging van een onteigeningsbeschikking van
de gemeenteraad van de gemeente Bernheze (de gemeenteraad),
(gemachtigden: mr. H. Zeilmaker en mr. L.G.H. Wichern).
Aan de procedure hebben deelgenomen:
[naam] en [naam] , uit [woonplaats] (belanghebbenden 1),
[naam] en [naam] , uit [woonplaats] (belanghebbenden 2),
(gemachtigde voor alle belanghebbenden: mr. N.M.C.H. Crooijmans).
Samenvatting
In deze uitspraak wijst de rechtbank het verzoek om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking af. De noodzaak voor onteigening ontbreekt omdat de gemeente na de zitting met de eigenaars van de percelen een koopovereenkomst heeft gesloten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Eerst schetst de rechtbank het procesverloop, dan beschrijft de rechtbank de onteigeningsbeschikking en het toetsingskader en dan toetst de rechtbank de onteigeningsbeschikking. Aan het einde legt de rechtbank uit wat de gevolgen zijn van dit oordeel.
Procesverloop
1. Het college van de gemeente Bernheze (het college) heeft de rechtbank op 27 januari 2026 – namens de raad – verzocht om een onteigeningsbeschikking van 18 december 2025 te bekrachtigen ten behoeve van het ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, De Bunders, Heesch’ , vastgesteld door de raad van Bernheze op 31 oktober 2024.
1.1.
Belanghebbenden hebben bedenkingen ingediend tegen die onteigeningsbeschikking. Deze zaken zijn geregistreerd onder zaaknummer SHE 26/378 (belanghebbenden 1) en SHE 26/385 (belanghebbenden 2).
1.2.
De onteigeningsbeschikking en het verzoek om bekrachtiging daarvan hadden ten tijde van de indiening van het verzoek ook betrekking op twee andere percelen. Hiertegen zijn ook bedenkingen ingediend (geregistreerd onder zaaknummer SHE 26/379). De raad heeft aangegeven dat het verzoek niet langer betrekking heeft op de onteigening van deze percelen. De onteigeningsbeschikking was op 1 juli 2026 niet gewijzigd.
1.3.
De rechtbank heeft het verzoek om bekrachtiging en de bedenkingen op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Namens de raad waren de gemachtigden aanwezig, vergezeld door mr. M.J.A. van Wanrooij, mr. J. Derks en [naam] . Belanghebbenden waren aanwezig, vergezeld door hun gemachtigde, mr. Q.L.A. Kuijpers en [naam] .
1.4.
De raad heeft na de zitting medegedeeld dat de gemeente met de belanghebbenden een koopovereenkomst heeft gesloten. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het verzoek tot bekrachtiging
2. De onteigening is nodig voor de realisatie van het “TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, De Bunders, Heesch ” (hierna: TAM-omgevingsplan) dat op 31 oktober 2024 is vastgesteld. Het TAM-omgevingsplan voorziet in de realisatie van een nieuwe woonwijk ( De Bunders ) in het westen van de kern Heesch. In totaal zullen er maximaal 325 nieuwe woningen en bijbehorende voorzieningen gerealiseerd worden, zoals verkeer en groen. De Bunders is een uitbreidingswijk voor het dorp Heesch en grenst aan de uitbreidingswijk “ De Erven ”. Volgens de raad is het vereist dat de volgende percelen worden verworven:
1. [kenmerk] ; kadastrale grootte 5.333 m2. Te onteigenen grootte 2.932m2 in eigendom bij belanghebbenden 2 (verder: perceel 1).
2. [kenmerk] : kadastrale grootte 2.970 m2. Te onteigenen grootte 862 m2 in eigendom bij belanghebbenden 1, (verder: perceel 2).
3. [kenmerk] ; kadastrale grootte 1.980 m2. Te onteigenen: geheel. Dit perceel is gesplitst in 1608 en 1609, in eigendom bij derden, (verder: perceel 3).
4. [kenmerk] ; kadastrale grootte 1.905 m2. Te onteigenen: geheel, in eigendom bij derden (verder: perceel 4).
2.1.
De raad heeft op 18 december 2025 een onteigeningsbeschikking vastgesteld en heeft deze ter inzage gelegd vanaf 24 december 2025 tot en met 4 februari 2026. De raad heeft besloten om de hierboven genoemde onroerende zaken ter onteigening aan te wijzen op de naam van de gemeente Bernheze en de rechtbank Oost-Brabant te verzoeken om dit besluit te bekrachtigen.
2.2.
De grondslag voor de onteigening is het TAM-omgevingsplan dat op 31 oktober 2024 is vastgesteld door de raad van de gemeente Bernheze en ter inzage heeft gelegen van 14 november 2024 tot en met 25 december 2025. Tegen het TAM-omgevingsplan zijn beroepschriften ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Het TAM-omgevingsplan is nog niet onherroepelijk, maar is wel in werking getreden.
2.3.
De raad heeft op grond van artikel 16.93, eerste lid, van de Omgevingswet (Ow) de rechtbank op 27 januari 2026 verzocht om de onteigeningsbeschikking te bekrachtigen. Belanghebbenden hebben bedenkingen ingediend tegen die onteigeningsbeschikking.
Toetsingskader
3. Onteigening is het instrument waarmee de overheid eigendomsrechten op onroerende zaken kan ontnemen, waardoor de onroerende zaak tot het eigendom van de onteigenaar gaat horen. In artikel 11.5 van de Ow staan de drie voorwaarden voor onteigening. Uit die bepaling blijkt dat een onteigeningsbeschikking alleen kan worden gegeven in het belang van het ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving (onteigeningsbelang) en als de onteigening noodzakelijk en urgent is.
3.1.
In artikel 16.107 van de Ow is de hiermee samenhangende ambtshalve basistoets van de rechtbank opgenomen. Het gaat om een ambtshalve toetsing, die ook wordt uitgevoerd als de ingebrachte bedenkingen daar geen aanleiding toe geven en ook wanneer er geen bedenkingen zijn ingebracht. Deze basistoets omvat vier aspecten. Ongeacht of tegen de onteigeningsbeschikking bedenkingen zijn ingebracht, wijst de rechtbank het verzoek in ieder geval af als de onteigeningsbeschikking niet volgens de wettelijke vormvoorschriften is voorbereid, het onteigeningsbelang ontbreekt, de noodzaak ontbreekt of de urgentie ontbreekt. Het eerste onderdeel van de basistoets betreft de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking. De rechter toetst of deze voorbereiding volgens de wettelijke vormvoorschriften van de Ow en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is verlopen. Het gaat om de voorgeschreven eisen aan de terinzagelegging en kennisgeving van de ontwerpbeschikking die als minimale waarborgen voor de rechthebbenden moeten worden beschouwd en waarvan strikte naleving noodzakelijk is. De andere drie onderdelen van de basistoets betreffen de criteria van een onteigeningsbelang, de noodzaak en de urgentie. Aan deze criteria moet worden voldaan op het moment waarop het bevoegd gezag de beschikking geeft en moet ook worden voldaan op het moment waarop de bestuursrechter de bekrachtiging uitspreekt. Als aan een of meer van deze drie criteria niet wordt voldaan, dan wijst de rechter het verzoek tot bekrachtiging af. De bedenkingen van belanghebbenden hebben betrekking op de noodzaak en de urgentie voor onteigening. Deze onderdelen van de basistoets zal de rechtbank bespreken met de bedenkingen van belanghebbenden.
3.2.
Aan belanghebbenden (in de zin van artikel 1:2 van de Awb) wordt de gelegenheid geboden hun argumenten tegen de onteigeningsbeschikking aan de rechter voor te leggen in de vorm van een bedenking. Deze door de belanghebbenden ingediende bedenkingen kunnen de rechtbank aanleiding geven om aanvullend op de basistoets een rechtmatigheidstoets van de onteigeningsbeschikking voor een bepaalde rechthebbende op basis van de omstandigheden van het geval te verrichten.
Toets ontvankelijkheid bekrachtigingsverzoek
4. De rechtbank acht het bekrachtigingsverzoek ontvankelijk, omdat het tijdig is ingediend en voldoet aan de indieningsvereisten uit artikel 16.93, tweede en derde lid, van de Ow.
4.1.
De raad heeft aangegeven dat het verzoek niet langer betrekking heeft op de onteigening van de percelen 3 en 4. De rechtbank begrijpt deze mededeling aldus dat de raad het verzoek om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking gedeeltelijk heeft ingetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank staat het de raad vrij om het verzoek tot bekrachtiging hangende de procedure gedeeltelijk in te trekken. Artikel 16.93 van de Ow en artikel 16.113 van de Ow staan hieraan niet in de weg. Artikel 16.108 van de Ow biedt de rechtbank de mogelijkheid om een verzoek gedeeltelijk toe te wijzen en een onteigeningsbeschikking gedeeltelijk te bekrachtigen. Niet valt in te zien waarom het niet mogelijk zou zijn om een verzoek om bekrachtiging tijdens de procedure te wijzigen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat artikel 16.113, tweede lid, van de Ow betrekking heeft op de onteigeningsbeschikking en niet op het verzoek om bekrachtiging daarvan.
4.2.
Het gevolg van de gedeeltelijke intrekking van het verzoek om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking is dat de raad niet meer verzoekt om bekrachtiging van de percelen 3 en 4.
4.3.
Nu het verzoek om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking geen betrekking meer heeft op percelen 3 en 4 zal de rechtbank de onteigeningsbeschikking slechts gedeeltelijk kunnen bekrachtigen, namelijk met uitzondering van percelen 3 en 4. De rechtbank zal hierna beoordelen of het resterende deel van de onteigeningsbeschikking in aanmerking komt voor bekrachtiging.
Basistoets wettelijke vormvoorschriften
5. Met de wettelijke vormvoorschriften wordt bedoeld de voorschriften die zien op de procedure van totstandkoming van de onteigeningsbeschikking en de wijze waarop deze beschikking moet worden gegeven en vastgelegd. In artikel 16.33b van de Ow staat dat afdeling 3.4 van de Awb – de uniforme openbare voorbereidingsprocedure – van toepassing is op de voorbereiding van een onteigeningsbeschikking.
5.2.
Als onderdeel van die procedure was de raad verplicht om een ontwerp-onteigeningsbeschikking – met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp – ter inzage te leggen. Uit artikel 7.6 van het Omgevingsbesluit (Ob) volgt welke stukken in ieder geval samen met het ontwerp ter inzage moeten worden gelegd. Uit de Awb volgt verder dat de onteigeningsbeschikking ook ter inzage wordt gelegd gedurende de beroepstermijn, samen met alle stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het besluit. Van die terinzagelegging wordt kennisgegeven op dezelfde wijze als van de ontwerp-onteigeningsbeschikking. Daarnaast wordt een exemplaar van het besluit toegestuurd aan degene die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht. Artikel 16.33d, tweede lid, van de Ow voegt daaraan toe dat de raad bij de bekendmaking en de kennisgeving van de onteigeningsbeschikking vermeldt welke rechtbank de raad zal verzoeken de onteigeningsbeschikking te bekrachtigen. Verder dient erbij te worden vermeld dat belanghebbenden binnen zes weken na de dag waarop de beschikking ter inzage is gelegd, bij die rechtbank schriftelijk bedenkingen kunnen inbrengen tegen de beschikking en dat de beschikking in werking treedt met ingang van de dag na die waarop de uitspraak waarbij zij is bekrachtigd, op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
5.3.
De rechtbank stelt op basis van de door de raad overgelegde op de zaak betrekking hebbende stukken vast dat de raad de ontwerp-onteigeningsbeschikking ter inzage heeft gelegd met voorafgaande kennisgeving vanaf 5 september 2025 tot en met 16 oktober 2025 en dat de onteigeningsbeschikking ter inzage heeft gelegen met voorafgaande kennisgeving vanaf 24 december 2025 tot en met 4 februari 2026. Belanghebbenden hebben zienswijzen kunnen indienen en hebben dat ook gedaan. De rechtbank is niet gebleken dat de onteigeningsbeschikking niet is toegezonden aan de indieners van zienswijzen.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat de onteigeningsbeschikking is voorbereid volgens de wettelijke voorschriften.
Basistoets onteigeningsbelang
6. Ingevolge artikel 11.5, onder a, van de Ow kan een onteigeningsbeschikking alleen worden gegeven als de aan te wijzen onroerende zaken nodig zijn voor het belang van het ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving. Er dient dus sprake te zijn van een onteigeningsbelang. Van een onteigeningsbelang is onder andere sprake als de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving onder uitsluiting van de bestaande vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer, mogelijk is gemaakt in een vastgesteld omgevingsplan. Op basis van dit omgevingsplan moet voldoende duidelijk zijn welke vorm ontwikkeling, gebruik of beheer wordt beoogd, en dat die vorm afwijkt van de bestaande vorm.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een onteigeningsbelang. De beoogde vorm van ontwikkeling en gebruik van de fysieke leefomgeving wordt mogelijk gemaakt in het TAM-omgevingsplan. De Bunders is een uitbreidingswijk voor het dorp Heesch . Het ligt aan de rand van het dorp en grenst aan de uitbreidingswijk ‘ De Erven’ . ‘ De Bunders ’ bestaat uit een viertal redelijk van elkaar gescheiden deelgebieden, die alle vier hun eigen context en karakteristieken hebben. Er wordt onderscheid gemaakt in het entreedeel [E], het middengebied links [L], het middengebied rechts [R] en het zuidelijke deel [Z].
6.2.
In het plangebied liggen enkele bestaande woningen en een agrarisch bedrijf. Dit agrarische bedrijf, in de smalle strook nabij de [straatnaam] aan de oostzijde van de [straatnaam] , wordt met het plan gesaneerd. De agrarische opstallen worden gesloopt. De twee woningen noordelijk en zuidelijk van het plan blijven bestaan.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat de percelen 1 en 2 voorheen in het bestemmingsplan “Buitengebied” een agrarische bestemming hadden. De gedeeltes van beide percelen die betrokken zijn in de onteigeningsbeschikking, hadden geen bestemming “Wonen” met de ontwikkelings- en gebruiksmogelijkheden die de percelen hebben in het TAM-omgevingsplan. Er is een onteigeningsbelang.
Basistoets en bedenkingen met betrekking tot de ’noodzaak’ als bedoeld in artikel 11.5, onder b, van de Omgevingswet
7. Belanghebbenden 1 stellen dat partijen ten tijde van het indienen van de bedenking nagenoeg tot overeenstemming waren gekomen. Er is een basis voor overeenstemming, het overleg was nog niet uitgeput en de raad is de onteigening te vroeg gestart.
7.1.
Uit het logboek van het minnelijk overleg tussen de raad en belanghebbenden 1 blijkt volgens de raad dat er nog geen overeenstemming was bereikt over minnelijke verwerving van het voor de ontwikkeling benodigde gedeelte ten tijde van het indienen van het verzoek om bekrachtiging. De reden dat er geen overeenstemming was bereikt, is dat belanghebbenden 1 een garantie wilden voor verlening van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in afwijking van het geldende omgevingsplan voor onder andere reeds aanwezige dagbesteding. Die garantie kon (en kan) de raad niet geven. De gemeente was er niet in geslaagd het naastgelegen perceel 2 te verwerven. Ook dit staat aan het bereiken van overeenstemming in de weg.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het indienen van het verzoek om bekrachtiging geen sprake was van overeenstemming tussen partijen of uitzicht binnen afzienbare termijn op overeenstemming tussen partijen. Uit het logboek blijkt dat in ieder geval in juni 2025 belanghebbenden 1 garanties wilden dat de dagbesteding en de gebouwen op het deel van het perceel dat niet is betrokken in de onteigeningsbeschikking, vergund of gelegaliseerd zouden worden en dit koppelden aan de verkoop van perceel 2 in het plangebied van het TAM-omgevingsplan. Uit het vervolg van het minnelijk overleg zoals dit is vastgelegd in het logboek blijkt niet dat belanghebbenden 1 deze eis hebben losgelaten. Wel blijkt dat de gemeente bereid is gebleven tot minnelijk overleg. De rechtbank is van oordeel dat de gemeente een redelijke poging heeft gedaan als bedoeld in artikel 11.7, eerste lid, onder a, van de Ow. De rechtbank is verder van oordeel dat ten tijde van het indienen van het verzoek om bekrachtiging er een noodzaak tot onteigening van perceel 2 bestond als bedoeld in artikel 11.7, eerste lid, onder b en c, van de Ow.
8. Belanghebbenden 2 zijn van mening dat er geen serieus minnelijk overleg heeft plaatsgevonden. Partijen hadden volgens belanghebbenden 2 zelfs al mondelinge overeenstemming bereikt over de verkoop van perceel 1, maar toch is de raad overgegaan tot het nemen van een onteigeningsbeschikking. Over de hoogte van de schadeloosstelling was geen verschil van mening meer. De discussie ging vanaf 25 oktober 2024 over details.
8.1.
De raad stelt dat belanghebbenden 2 aan de verkoop van perceel 1 aan de gemeente harde planologische voorwaarden stelden die de gemeente niet kon garanderen. Het gaat daarbij in het bijzonder om een harde planologische garantie op het verkrijgen van een bouwkavel op een deel van het perceel. Daarnaast was geen overeenstemming over de omvang van de vertragingsvergoeding en de exploitatiebijdrage. De raad verwijst hiertoe naar het logboek waaruit zou blijken dat in ieder geval op 10 juni 2025 nog een reactie van de raad werd gevraagd op onderdelen. De raad is van mening dat de gemeente een meer dan voldoende serieuze poging heeft ondernomen om tot minnelijke overeenstemming te komen. De raad verwijst naar de logboeken en de aanbiedingen die de gemeente aan belanghebbenden 2 heeft gedaan.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat de gemeente een redelijke poging heeft gedaan tot minnelijke verwerving van het perceel. De rechtbank valt wel op dat de gemeente geen kenbare reactie heeft gegeven op een laatste voorstel van belanghebbenden 2 in oktober 2025, waarin ogenschijnlijk tegemoet wordt gekomen aan de laatste eisen van de gemeente. Kort daarna gaat de raad over tot het nemen van een onteigeningsbeschikking, zonder te reageren op dit voorstel. De rechtbank kan slechts gissen naar de reactie van de gemeente. Bij gebrek aan een kenbare reactie was echter niet aannemelijk dat er op afzienbare termijn alsnog overeenstemming kon worden bereikt en bestond ten tijde van het indienen van het verzoek om bekrachtiging er een noodzaak tot onteigening als bedoeld in artikel 11.7, eerste lid, onder b en c, van de Ow.
9. Op de zitting is de rechtbank gebleken dat belanghebbenden 1 hun eis voor een garantie voor de verlening van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit hebben laten vallen en genoegen nemen met een inspanningsverplichting. Bovendien zijn reeds stappen gemaakt voor de aanvraag van de betreffende omgevingsvergunning en zou een omgevingsdialoog al hebben plaatsgevonden. Verder hebben belanghebbenden 2 voldoende aannemelijk gemaakt dat er nagenoeg een overeenstemming op hoofdlijnen was.
9.1.
Na de zitting heeft de raad aan de rechtbank bericht dat de gemeente met zowel belanghebbenden 1 als belanghebbenden 2 een koopovereenkomst heeft gesloten. Op grond van beide koopovereenkomsten zal de levering van de in de onteigeningsbeschikking betrokken percelen 1 en 2 pas plaatsvinden na het onherroepelijk worden van het "TAM Omgevingsplan". Omdat de Afdeling nog geen uitspraak heeft gedaan in de beroepsprocedure tegen dit plan, is het plan tot op heden nog niet onherroepelijk. Om die reden heeft de levering nog niet plaatsgevonden.
9.2.
De rechtbank toetst of ook op dit moment aan de criteria in artikel 11.7 van de Ow is voldaan. Als aan een of meer van deze drie criteria niet wordt voldaan, dan wijst de rechter het verzoek tot bekrachtiging af. Dit is overeenkomstig de bedoeling van de wetgever. Dit blijkt uit de volgende passage in de memorie van toelichting: “Aan deze criteria moet worden voldaan op het moment waarop het bevoegd gezag de beschikking geeft en moet ook worden voldaan op het moment waarop de bestuursrechter de bekrachtiging uitspreekt. Als aan een of meer van deze criteria niet wordt voldaan, dan wijst de rechter het verzoek tot bekrachtiging af”.
9.3.
De gemeente en respectievelijk belanghebbenden 1 en belanghebbenden 2 hebben overeenstemming bereikt over minnelijke verwerving, die is vastgelegd in een koopovereenkomst. De eigendomsoverdracht van de percelen, door middel van de levering, is enkel afhankelijk van het oordeel van de Afdeling over het TAM-omgevingsplan. Uit de (eind-)uitspraak van de Afdeling over het TAM-omgevingsplan zal namelijk volgen of het plan onherroepelijk wordt of dat het wordt vernietigd. Als het plan onherroepelijk wordt, dan is er geen noodzaak meer voor onteigening, omdat dan aan de voorwaarde levering is voldaan en de gemeente de eigendom van de percelen zal verkrijgen. Er zijn de rechtbank geen concrete omstandigheden gebleken, die zouden kunnen maken dat de levering, in weerwil van de contractuele verplichting daartoe, niet zou plaatsvinden indien het TAM omgevingsplan onherroepelijk zou worden. Als de Afdeling het besluit van de raad tot vaststelling van dit omgevingsplan zou vernietigen, vervalt het onteigeningsbelang.
9.4.
De rechtbank is daarom van oordeel dat nu (op het moment van deze uitspraak) de noodzaak voor onteigening van percelen 1 en 2 ontbreekt, omdat overeenstemming is bereikt over de minnelijke verwerving. De enkele omstandigheid dat levering nog moet plaatsvinden leidt gelet op artikel 11.7, eerste lid, onder c, van de Ow niet tot een ander oordeel, omdat noodzaak ook ontbreekt als aannemelijk is dat op afzienbare termijn overeenstemming kan worden bereikt over minnelijke verwerving van de onroerende zaak en die overeenstemming zal leiden tot een spoedige levering daarvan. In dit geval is die overeenstemming er zelfs al.
10. In het midden kan blijven of de urgentie als bedoeld in artikel 11.5, onder c, van de Ow ontbreekt, omdat, gelet op artikel 16.107 van de Ow het enkele ontbreken van de noodzaak reeds leidt tot afwijzing van het verzoek om bekrachtiging.
Conclusie en gevolgen
11. De rechtbank wijst het verzoek om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking af.
12. Van de raad wordt een griffierecht geheven. Het griffierecht bedraagt het tarief, genoemd in artikel 8:41, tweede lid, onder c, van de Awb, vermeerderd met het tarief, genoemd in artikel 8:41, tweede lid, onder b, van die wet, voor elk bedenkingengeschrift dat door een belanghebbende bij de rechtbank tegen de onteigeningsbeschikking is ingebracht. Dat betekent dat in deze zaak een griffierecht wordt geheven voor een bedrag van € 397,- + 3 x € 200,- (drie bedenkingen) = € 997,-.
13. De uitspraak houdt op grond van artikel 16.111 van de Ow in dat het bestuursorgaan wordt veroordeeld in de kosten die een belanghebbende die een bedenking tegen de onteigeningsbeschikking heeft ingebracht, in verband met de behandeling van het verzoek naar aard en omvang redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Besluit proceskosten bestuursrecht is niet van toepassing. De belanghebbende die een bedenking heeft ingediend krijgt in alle gevallen de proceskosten van deelname aan de bekrachtigingsprocedure vergoed. Het moet gaan om kosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het is aan de rechtbank om te beoordelen of de kosten redelijkerwijs gemaakt zijn. Het woord ‘redelijkerwijs’ betekent hier een tweeledige redelijkheidstoets. Dit betekent dat beoordeeld dient te worden of de bijstand redelijkerwijs is ingeroepen en of de kosten daarvan redelijk zijn. Het bestuursorgaan wordt daarnaast veroordeeld in de kosten die de belanghebbende die bedenkingen heeft ingediend, heeft gemaakt in de fase voor de vaststelling van de onteigeningsbeschikking. De uitspraak houdt daarom op grond van artikel 16.112 van de Ow ook in dat het bestuursorgaan wordt veroordeeld in de kosten die de belanghebbende die een bedenking tegen de onteigeningsbeschikking heeft ingebracht, naar aard en omvang redelijkerwijs heeft moeten maken voor:
a. door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand of andere deskundige bijstand voor het overleg over de minnelijke verwerving, bedoeld in artikel 11.7, eerste lid, en
b. door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand of andere deskundige bijstand in verband met het naar voren brengen van een zienswijze en de behandeling daarvan bij de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking.
De kostenveroordeling wordt uitgesproken ongeacht of de onteigeningsbeschikking wordt bekrachtigd. Het gaat ook hier om de werkelijke kosten van (rechts)bijstand, voor zover deze redelijk zijn.
13.1.
De rechtbank zal de raad veroordelen in de kosten die belanghebbenden 1 en 2 hebben gemaakt. Belanghebbenden 1 hebben geen overzicht overgelegd al zijn zij hiertoe in de gelegenheid gesteld tijdens de zitting. Uit het logboek blijkt slechts dat zij bijstand hebben ontvangen van de heer [naam] in de periode voorafgaand aan de zitting en bijstand hebben ontvangen van de gemachtigde tijdens de zitting. Bij gebrek aan enig inzicht hierover, bepaalt de rechtbank de kosten van de heer [naam] in goede justitie op € 2.000,00. Belanghebbenden 2 hebben overzichten overgelegd van kosten die zij voor rechtsbijstand hebben gemaakt in de fase voorafgaand aan de vaststelling van de onteigeningsbeschikking en de kosten die zij hebben gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking. Uit de overzichten blijkt dat zij bijstand hebben ontvangen van de heer [naam] : € 14.904,68 inclusief BTW (66,58 uren en een uurloon van € 185,- is € 14.904,68) en zijn gemachtigde: €12.338,37 inclusief BTW. De overzichten bevatten de uitgevoerde werkzaamheden door deze personen en het uurloon. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit die overzichten dat belanghebbenden de bijstand redelijkerwijs hebben ingeroepen. De rechtbank acht deze kosten ook redelijk. Belanghebbenden 1 en 2 hebben weliswaar verzocht om vergoeding van de volledige proceskosten maar hebben niet aangegeven wat de kosten zijn in verband met het bijwonen van de zitting al zijn zij hiertoe in de gelegenheid gesteld tijdens de zitting. Bij gebrek aan enig inzicht hierover, valt de rechtbank terug op de forfaitaire vaststelling van de kosten van juridische bijstand conform het Besluit proceskosten bestuursrecht en schat de rechtbank deze kosten in op een bedrag van € 934,00 per belanghebbende.
13.2.
Het is de rechtbank niet duidelijk of de gemeente en belanghebbenden in de koopovereenkomst afspraken hebben gemaakt over de vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het verzoek om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking. Partijen hebben hierover geen mededelingen gedaan aan de rechtbank. Als de gemeente gehouden is om deze kosten te vergoeden uit hoofde van de gesloten koopovereenkomst, is het onredelijk als de gemeente deze kosten nogmaals zou moeten vergoeden omdat zij hiertoe wordt veroordeeld in deze uitspraak. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de gemaakte kosten een schadepost vormen en dat het niet redelijk is om de gemeente te veroordelen tot vergoeding van deze schade als de gemeente deze schade reeds compenseert uit hoofde van de koopovereenkomst. De rechtbank zal de gemeente veroordelen tot vergoeding van de kosten voor zover de gemeente deze kosten niet vergoedt uit hoofde van de gesloten koopovereenkomst.
De beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek van de raad om bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking af;
heft een bedrag van € 997,- aan griffierecht;
veroordeelt de raad tot betaling van € 2.934,- aan kosten voor belanghebbenden 1, indien en voor zover vergoeding van kosten niet is overeengekomen tussen belanghebbenden 1 en de gemeente;
veroordeelt de raad tot betaling van € 28.181,05 aan kosten voor belanghebbenden 2 indien en voor zover vergoeding van kosten niet is overeengekomen tussen belanghebbenden 2 en de gemeente.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. K.A. Maarschalkerweerd, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Kamerstukken II 2018/2019 35133, 3, p. 114 en 117. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|