Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNHO:2026:9718 
 
Datum uitspraak:30-07-2026
Datum gepubliceerd:30-09-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:HAA 25/4852
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv de aanvraag van eiseres op de juiste gronden heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.
Trefwoorden:tuinbouw
uitkering
wao
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 25/4852

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. I. Rhodes),

en


de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: W. van Nieuwburg).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv de aanvraag van eiseres op de juiste gronden heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het Uwv heeft deze aanvraag met het besluit van 1 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres is het Uwv bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



2.2.
Eiseres heeft nadere gronden ingediend. Het Uwv heeft op de nadere gronden gereageerd met rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Er is een nieuwe functiemogelijkhedenlijst (FML) van 30 juni 2026 opgesteld waarin meer beperkingen zijn aangenomen. De mate van arbeidsongeschiktheid blijft minder dan 35%.


2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. M. Booij als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv.




Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres heeft gewerkt als gastvrouw/hostess, haar maatgevende arbeid. Aansluitend heeft zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Met ingang van 21 december 2020 heeft eiseres zich ziekgemeld in verband met nek- en schouderklachten, resterend na een auto-ongeval in oktober 2018. Daarnaast heeft zij ook psychische klachten ontwikkeld. Na de eerstejaars ziektewet beoordeling wordt de Ziektewet-uitkering bij besluit van 4 november 2022 gestopt, omdat eiseres meer dan 65 % kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Eiseres gaat hiertegen in bezwaar. In bezwaar wordt door een verzekeringsarts van het Uwv een neurologische en psychiatrische expertise aangevraagd. Op 11 juli 2023 zijn de rapportages van beide expertises naar het Uwv verzonden. Met inachtneming van de inhoud van de expertises heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 24 juli 2023 een nieuwe FML opgesteld, waarna het bezwaar gegrond is verklaard en de Ziektewet-uitkering weer is voortgezet. Na einde wachttijd heeft een WIA-beoordeling plaatsgevonden. In het kader van die beoordeling heeft eiseres op 16 november 2023 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Zij is toen lichamelijk en psychisch onderzocht. Na het onderzoek is door de verzekeringsarts op 16 november 2023 een FML opgesteld. Daarin zijn beperkingen opgenomen op het gebied van persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. Na arbeidskundig onderzoek is aan eiseres bij besluit van 28 november 2023 per 19 december 2022 geen WIA-uitkering toegekend. Dit omdat eisers weliswaar niet geschikt is geacht voor haar maatgevende arbeid, maar wel voor andere op de arbeidsmarkt voor komende functies, waarmee zij meer kan verdienen dan haar maatgevende arbeid. Eiseres heeft tegen voormeld bezwaar gemaakt. Na onderzoek door een verzekeringsarts- en een arbeidskundige bezwaar is vastgesteld dat er nog steeds voldoende functies zijn die eiseres ondanks haar gezondheidsklachten kan verrichten. Het bewaar is daarom bij het bestreden besluit van 15 oktober 2025 ongegrond verklaard. Voorgaand aan dat besluit heeft eiseres zich op 15 april 2025 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Aan haar is per die datum toen een ZW-uitkering toegekend, welke uitkering na medisch en arbeidskundig onderzoek bij besluit van 15 september 2025 is beëindigd, omdat eiseres weer geschikt is bevonden passende arbeid te verrichten. Tegen dat besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. In het kader van dat bezwaar is eiseres op 26 januari 2026 een hoorzitting gehouden en is eiseres aansluiten gezien op het spreekuur van een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Naast de van eiseres al bekende gezondheidsklachten heeft eiseres toen ook naar voren gebracht dat zij al vanaf haar jeugd heupdysplasie heeft, geopereerd is aan haar linker heup en daarvan klachten heeft. Op 26 januari 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een FML opgesteld, met inachtneming waarvan op 30 januari 2026 onderzoek is verricht door een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Die heeft toen vastgesteld dat eiseres niet meer geschikt was voor één van de drie aan de WIA-schatting ten grondslag gelegde functies en derhalve ongeschikt is voor de maatstaf Ziektewet.






Beoordeling door de rechtbank

4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het Uwv haar in het bezwaar tegen het primaire besluit van 1 december 2024 ten onrechte niet heeft opgeroepen voor een fysiek spreekuur. Ook stelt eiseres dat de medische beperkingen verkeerd zijn vastgesteld en onderschat.

5. Als uitgangspunt bij de beoordeling geldt dat op grond van artikel 4 van de Wet WIA volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidsdeskundig onderzoek.


5.1
Om te kunnen beoordelen of het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres terecht heeft vastgesteld op 7,26% dient de rechtbank te beoordelen of het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig tot stand is gekomen, of aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van het medische oordeel van de verzekeringsartsen en of de arbeidsdeskundigen kunnen worden gevolgd in hun conclusie.


Zorgvuldigheid van het onderzoek


6. De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft in de uitspraak van 18 januari 2023 geoordeeld dat de beoordeling van de vraag welke onderzoeksactiviteiten moeten worden verricht (onder meer) afhankelijk is van de medische situatie van betrokkene, de gronden in bezwaar en de vraag of in de primaire fase sprake is van een gebrek dat moet worden hersteld. Hieruit vloeit voort dat bij betwisting van de medische grondslag in bezwaar het niet (altijd) vereist is dat een verzekeringsarts bezwaar en beroep betrokkene onderzoekt op een spreekuur. Afhankelijk van wat in bezwaar in de concrete situatie speelt, kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep er ook voor kiezen gebruik te maken van een of meer andere onderzoeksmogelijkheden, zoals dossieronderzoek, het vragen van een expertise, het opvragen van medische informatie en het bijwonen van de hoorzitting, en die keuze waar nodig toelichten.



6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 december 2024 zorgvuldig tot stand is gekomen. Daarbij overweegt zij als volgt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft kennisgenomen van de rapportage van de primaire (verzekerings-)arts en dossieronderzoek heeft verricht. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle op dat moment voorhanden zijnde medische informatie bij zijn beoordeling betrokken. Zij beschikte dan ook over voldoende gegevens om tot een afgewogen oordeel over de medische gesteldheid van eiseres te komen. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 5 december 2024 voldoende toegelicht dat er geen aanleiding bestond voor een aanvullend medisch onderzoek op een fysiek spreekuur. Er lagen deskundige rapportages, de primaire verzekeringsarts had eiseres al gezien op een spreekuur en er was geen gewijzigde situatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep kunnen afzien van een fysiek spreekuur. Dat achteraf de beperkingen zijn bijgesteld maakt dit niet anders, omdat de beperkingen die voortvloeien uit de heupklachten toen nog onvoldoende bekend waren en niet concreet door eiseres onder woorden zijn gebracht.


Is er twijfel over de juistheid van de conclusie?


7. Uitgaande van de beperkingen die in beroep zijn vastgesteld in de FML van 30 juni 2026, is er naar het oordeel van de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Wat eiseres daartegen heeft aangevoerd geeft onvoldoende reden om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Eiseres heeft in eerste instantie in het beroepsschrift niet toegelicht waarom de FML zoals die in bezwaar is opgesteld blijk zou geven van onderschatting van de beperkingen. Ter zitting is door eiseres naar voren gebracht dat het ziet op persoonlijk en sociaal functioneren. Dat is niet nader geconcretiseerd en niet onderbouwd. Eiseres heeft ter zitting de mogelijkheid gehad om te reageren op de aanvullende beperkingen die in beroep zijn aangenomen. De beperkingen die in beroep zijn aangenomen zijn: lopen (4.16), lopen tijdens werk (4.17), trappenlopen (4.18), klimmen (4.19), knielen of hurken (4.20), lopen en staan samen vier uur per dag (4.20), zitten (5.1), zitten tijdens werk (5.2), staan (5.3), staan tijdens werk (5.4) en geknield of gehurkt actief (5.5) zijn. Eiseres heeft daar geen opmerkingen over. Het medisch oordeel van het Uwv, zoals dat in beroep nader is uitgewerkt, houdt stand.


Arbeidskundige gronden


8. Ter zitting heeft eiseres beroepsgronden aangevoerd tegen de arbeidsdeskundige rapportage die in beroep is overgelegd. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de functies Medewerker tuinbouw (SBC-code 11010) en Administratief ondersteunend medewerker (315100) niet geschikt zijn, omdat de arbeidsdeskundige niet uitgaat van hoe de functies nu feitelijk zijn, maar uitgaat van aanpassingen die werkgevers moeten doen op de functie geschikt te maken. Het gaat daarbij om het aanschaffen van een aparte hoge zitstoel en de mogelijkheid om zitten af te wisselen met momenten van staan. Volgens eiseres kan dit niet van een werkgever worden gevraagd.



8.1.
Op grond van artikel 9, onder c, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten mag bij een schatting ervan uit worden gegaan dat een werkgever voorzieningen treft die in redelijkheid van hem verwacht mag worden. Daarbij is van belang dat een verzekerde in beginsel een beroep kan doen op re-integratievoorzieningen, zoals geregeld in de WAO en WIA. Dit volgt ook uit vaste rechtspraak van de Raad. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 1 juli 2026 toegelicht dat de functie van Administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) geschikt is, omdat van een werkgever redelijkerwijs kan worden gevraagd dat eiseres bij een teamoverleg en afdelingsoverleg zitten en staan kan afwisselen waardoor het niet nodig is dat langer dan een uur achtereen wordt gezeten. Bij de functie Medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat van een werkgever redelijkerwijs kan worden gevraagd om voor eiseres een aparte hoge zitstoel aan te schaffen. Dat is een eenvoudige voorziening die toch al gebruikt wordt op de werkvloer. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende toegelicht waarom de functie geschikt zijn voor eiseres. De benoemde voorzieningen kunnen in redelijkheid van de werkgever worden gevraagd. Daarmee houdt ook het arbeidsdeskundige oordeel van het Uwv, zoals dat in beroep nader is uitgewerkt, stand.




Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Boerrigter, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



ECLI:NL:CRVB:2023:99.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 29 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1645 en 11 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2331.
Link naar deze uitspraak