|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2026:9716 | | | | | Datum uitspraak | : | 30-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 30-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | HAA 25/2693 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Deze uitspraak gaat over het opleggen van een maatregel aan eiseres teneinde de uitbetaling van haar Ziektewetuitkering (ZW-uitkering) blijvend en geheel te weigeren. Eiseres is het niet eens met dit besluit. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv de maatregel op juiste gronden heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | burgerlijk wetboek | | | glastuinbouw | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2693
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres]
, uit [plaats 1] , eiseres
(gemachtigde: mr. M. Hoefs),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: W. van Nieuwburg).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats 2] ( [derde-partij] )
(gemachtigde: mr. L.H. Halls-Langedijk).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van een maatregel aan eiseres teneinde de uitbetaling van haar Ziektewetuitkering (ZW-uitkering) blijvend en geheel te weigeren. Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv de maatregel op juiste gronden heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 6 november 2024 heeft het Uwv aan eiseres laten weten een maatregel op te leggen, Met het bestreden besluit van 30 april 2025 op het bezwaar van eiseres is het Uwv bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [derde-partij] heeft op het beroep gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [tolk] als tolk, de gemachtigde van het Uwv, [derde-partij] en de gemachtigde van [derde-partij] .
2.3.
Eiseres heeft geen toestemming verleend voor kennisneming door [derde-partij] van stukken die medische gegevens bevatten. De rechtbank heeft daarom, onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bepaald dat uitsluitend de gemachtigde van [derde-partij] kennis mag nemen van die stukken.
Totstandkoming van het besluit
3. Eiseres was sinds 16 mei 2019 werkzaam als medewerker glastuinbouw bij [derde-partij] ( [derde-partij] ).
3.1.
Op 29 mei 2024 is eiseres uitgevallen voor dit werk wegens ziekte. Per 1 juli 2024 is de arbeidsovereenkomst met eiseres beëindigd. Eiseres heeft tegen de beëindiging van de overeenkomst een civielrechtelijke procedure gevoerd. Zij heeft bij de kantonrechter berust in het ontslag en verzocht om [derde-partij] te veroordelen tot betaling van verschillende vergoedingen. Eiseres heeft niet verzocht om herstel van de dienstbetrekking. Bij beschikking van 9 december 2024 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst op initiatief van [derde-partij] is beëindigd. Omdat [derde-partij] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en gesteld noch gebleken is dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van eiseres, is [derde-partij] eiseres een transitievergoeding van € 3.509,02 verschuldigd. Ook komt eiseres een billijke vergoeding toe van € 8.217,10.
3.2.
Op 1 november 2024 heeft [derde-partij] , als eigenrisicodrager voor de ZW, het Uwv gevraagd om een besluit over de ZW-uitkering van eiseres te nemen en de ZW-uitkering af te wijzen in verband met een benadelingshandeling. Volgens [derde-partij] is eiseres op eigen initiatief arbeidsongeschikt uit dienst getreden. Bij besluit van 6 november 2024 heeft het Uwv het ziekengeld geheel en blijvend geweigerd, omdat eiseres er niet alles aan heeft gedaan om (zo lang mogelijk) loon van [derde-partij] te krijgen.
3.3.
Bij besluit van 30 april 2025 heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het Uwv heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres heeft nagelaten om verweer te voeren tegen de beëindiging van haar dienstbetrekking in de periode waarin zij recht had op loon tijdens ziekte. Daarmee heeft zij een benadelingshandeling gepleegd. Deze benadelingshandeling is eiseres te verwijten. Het Uwv heeft daarom het ziekengeld geheel en blijvend geweigerd.
Beoordeling door de rechtbank
4. Het toepasselijke wettelijk kader luidt als volgt:
4.1.
In artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW is bepaald dat het Uwv het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend weigert, indien de verzekerde door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het sectorfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid benadeelt of zou kunnen benadelen.
4.2.
Op grond van artikel 45, zevende lid, van de ZW wordt onder benadeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, mede verstaan de situatie dat de verzekerde zonder deugdelijke grond heeft nagelaten verweer te voeren tegen of heeft ingestemd met een beëindiging van de dienstbetrekking in de periode, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de ZW.
4.3.
In artikel 45, tweede lid, van de ZW is bepaald dat een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging kan worden verweten. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
4.4.
In artikel 45, vierde lid, van de ZW is bepaald dat van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
5. Volgens vaste rechtspraak is sprake van een benadelingshandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW in situaties waarin een werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het arbeidsongeschiktheidsrisico al is ingetreden. Hiermee is immers een einde gekomen aan de loondoorbetalingsverplichting van een werkgever, ter vervanging waarvan nu ziekengeld wordt gevraagd. Zodoende doet een werknemer onnodig een beroep op de ZW.
6. Eiseres heeft aangevoerd dat er geen sprake is van een benadelingshandeling vanwege het volgende. Ten eerste is de (ex-)werkgever niet benadeeld, omdat uitbetaling van het ziekengeld minder is dan de doorbetaling van het loon bij ziekte op grond van de CAO voor Uitzendkrachten. Ten tweede is er geen sprake van een benadelingshandeling, omdat eiseres geen beroep meer kon doen op het herstel van het dienstverband. Ten tijde van het verzoekschrift bij de kantonrechter op 27 september 2024 was de vervaltermijn als bedoeld in artikel 7:686a van het Burgerlijk Wetboek verstreken. Ten derde was er geen sprake van een benadelingshandeling, omdat er geen reële kans is op terugkeer bij de (ex-)werkgever. Volgens vaste rechtspraak is in een geval waarbij geen reële kans is op terugkeer bij de (ex-)werkgever geen sprake van een benadelingshandeling.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv op juiste gronden heeft aangenomen dat sprake is van een benadelingshandeling. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Het Uwv heeft in het verweerschrift opgemerkt dat in de Memorie van Toelichting ervoor is gekozen dat de loonbetaling verplichting prevaleert boven de ZW-uitkering. Een werknemer met recht op loondoorbetaling heeft in beginsel geen recht op ziekengeld. De benadelingshandeling heeft tot doel om te voorkomen dat een werknemer door zijn gedrag geen recht (meer) heeft op loondoorbetaling bij ziekte. Dit is voor de eigenrisicodrager niet anders dan voor de publiekverzekerde werkgever. De rechtbank kan het standpunt van het Uwv volgen. In de wet is expliciet opgenomen dat een werknemer zijn loon niet moet prijsgeven als je ziek bent. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Het betoog van eiseres dat er geen sprake is van een benadelingshandeling omdat zij geen beroep meer kon doen op herstel van het dienstverband, wordt niet door de rechtbank gevolgd. Eiseres had namelijk eerder een verzoek kunnen indienen bij de rechtbank. Uit de uitspraak van de kantonrechter volgt dat de dienstbetrekking is beëindigd door de werkgever. Daar gaat de rechtbank vanuit. Uit de overwegingen van de kantonrechter blijkt dat dit gebeurd is na het gesprek op 21 juni 2024 tussen eiseres en [derde-partij] . Bij brief van 27 augustus 2024 heeft eiseres [derde-partij] verzocht haar een transitievergoeding te betalen. Daarin staat dat [derde-partij] het contract van eiseres per 30 juni 2024 heeft gestopt. Eiseres is een advocaat gaan raadplegen omdat er geen transitievergoeding werd betaald. De rechtbank leidt hieruit af dat eiseres wel op de hoogte was van de beëindiging van het dienstverband en dat eiseres zich bij de beëindiging heeft neergelegd. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd in het beroepschrift ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat eiseres na haar ontslag in juni 2024 niet al voor het verstrijken van de termijn daarvoor herstel van de dienstbetrekking in rechte heeft kunnen vorderen. Eiseres en [derde-partij] verschillen van mening over de vraag of er een reële kans is op terugkeer bij de (ex-)werkgever. Beide partijen hebben eigen passages aangehaald uit het proces-verbaal (P-V) van de zitting bij de kantonrechter. Wat hier ook van zij, in de inhoud van het P-V ziet de rechtbank onvoldoende grond voor het oordeel dat herstel van de dienstbetrekking niet mogelijk zou zijn vanwege een verstoorde arbeidsrelatie. Uit de stukken blijkt niet dat er een zodanig verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan. Zo is bijvoorbeeld in het verslag van de hoorzitting in bezwaar van 17 april 2025 te lezen dat eiseres wel terug zou willen keren bij de (ex-) werkgever en ook (ex-)werkgever heeft tijdens de bezwaarprocedure kenbaar gemaakt dat er geen ernstige bezwaren waren tegen hervatting van het dienstverband. De rechtbank is daarom van oordeel dat het Uwv zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er sprake is van een benadelingshandeling door eiseres. Dit, omdat niet gebleken is dat voordat eiseres op 27 september 2024 in de civiele procedure een transitievergoeding heeft gevorderd er geen reële kans was op herstel van het dienstverband bij [derde-partij] . Het standpunt van eiseres dat haar niet kan worden verweten dat er niet eerder juridische stappen zijn ondernomen, volgt de rechtbank niet. Dat haar de vermeende ontslagbrief tijdens het gesprek op 21 juni 2024 door [derde-partij] onder valse voorwendselen zou voorgehouden in de Nederlandse taal en zij hier geen kopie van heeft ontvangen zodat zij dit ook niet na kon, dient voor risico van eiseres te blijven. Als dat juist is mocht van eiseres worden verwacht dat zij zich tijdens het gesprek op 21 juni 2024 door [derde-partij] over de inhoud van de brief had laten informeren in een taal die zij machtig is en zich naar aanleiding van dat gesprek eerder juridisch had laten adviseren. Overigens kan de rechtbank niet volgen dat eiseres, zoals zijn in beroep heeft gesteld, pas in september 2024 besefte dat zij door [derde-partij] is ontslagen. Immers, in de brief van 27 augustus 2024 waarmee eiseres verweerder om een transitievergoeding heeft verzocht staat dat [derde-partij] haar contract op 30 juni 2024 heeft gestopt.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op wat hierboven is overwogen, het Uwv terecht geen reden heeft gezien om het nalaten van eiseres om tijdig herstel van de dienstbetrekking te vorderen niet of verminderd verwijtbaarheid te vinden. Om die reden heeft het Uwv ook terecht geen aanleiding gezien om geheel of gedeeltelijk af te zien van het opleggen van een maatregel.
7. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat de toepassing van artikel 45 van de ZW in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Deze situatie is enkel en geheel te wijten aan het handelen van de (ex-)werkgever. Als niet wordt overgegaan tot de uitbetaling van de ZW-uitkering, wordt dit ernstig verwijtbaar handelen beloond doordat de (ex-)werkgever profiteert van eigen onrechtmatig handelen.
7.1.
Hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet, zo begrijpt, de rechtbank, op evenredigheid tussen het handelen van ex-werkgever [derde-partij] en eiseres. De rechtbank zal niet treden in de vraag in hoeverre, zoals door eiseres gesteld, sprake is van verwijtbare handelingen van [derde-partij] , omdat het bij de beoordeling of er sprake is van een benadelingshandeling gaat over het handelen of nalaten van eiseres in relatie tot de mogelijkheid om geen loonaanspraken op te geven. Zoals hierboven al is geoordeeld heeft eiseres dat wel gedaan en is dat haar ook te verwijten. Omdat daarnaast niet is gebleken dat de weigering van de WW-uitkering onredelijk bezwarende gevolgen voor eiseres heeft, slaagt het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Boerrigter, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 mei 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:549. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|