|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:7235 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 30-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | ARN 24/8501 en 24/8532 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Inkomstenbelasting Vermogensetikettering. Verhuur van een pand door de dga aan een met hem verbonden vennootschap. Verkoop van de aandelen van deze vennootschap aan een derde leidt er niet toe dat belanghebbende genoemd pand mag heretiketteren naar privévermogen. Afwaardering van het pand naar lagere bedrijfswaarde is niet mogelijk. | | Trefwoorden | : | aanmerkelijk belang | | | box 3 | | | inkomstenbelasting | | | keuzevermogen | | | mkb-winstvrijstelling | | | perceel | | | rendementsgrondslag | | | varkens | | | vennootschapsbelasting | | | wet op de vennootschapsbelasting | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/8501 en 24/8532
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 september 2026
in de zaken tussen
[belanghebbende] h.o.d.n. [x] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zwolle, de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 16 oktober 2024 (zaaknummer 24/8501, belastingjaar 2016) en 18 november 2024 (zaaknummer 24/8532, belastingjaar 2018).
De inspecteur heeft aan belanghebbende zowel voor de belastingjaren 2016 en 2018 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Gelijktijdig met de aanslagen zijn beschikkingen belastingrente opgelegd.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2016 ongegrond, en het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2018 gegrond verklaard.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
De rechtbank heeft de beroepen op 15 juli 2026 gezamenlijk en tegelijkertijd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde en, namens de inspecteur, [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] .
Feiten
1. De rechtbank stelt aan de hand van de door partijen overgelegde stukken en ingenomen stellingen de onderstaande feiten vast.
2. Belanghebbende exploiteert een onderneming, [bedrijf 1] , die zich bezighoudt met het fokken en houden van varkens en een akkerbouwbedrijf uitoefent. Daarnaast hield hij via [bedrijf 2] alle aandelen in [bedrijf 3] en – van 1 januari 2007 tot 17 november 2016 – een 27%-belang in Logimest BV (Logimest).
3. Belanghebbende heeft (in privé) op 1 november 2007 een perceel grond met daarop een aantal mestsilo's (het object) gekocht voor € 250.000. Op het moment van de koop werd het object verhuurd aan Logimest voor € 26.500 per jaar. Belanghebbende heeft de huur voortgezet en het object tot zijn tbs-vermogen gerekend.
4. Op 13 juni 2010 heeft belanghebbende het object fiscaal geruisloos ingebracht in [bedrijf 3] . Deze vennootschap heeft de verhuur aan Logimest voortgezet. Op 1 januari 2012 is de onderneming van [bedrijf 3] , waar het object deel van uitmaakte, weer fiscaal geruisloos teruggekeerd naar belanghebbende. Belanghebbende heeft het object op de balans van de eenmanszaak geactiveerd en treedt op dat moment weer op als verhuurder van het object.
5. Op 13 mei 2016 heeft Logimest het object laten taxeren ten behoeve van de aankoop daarvan. In het taxatierapport staat dat de marktwaarde € 124.000 is.
6. Op 17 november 2016 heeft belanghebbende zijn indirecte belang in Logimest aan een andere aandeelhouder verkocht. Na de verkoop van zijn belang is belanghebbende het object aan Logimest blijven verhuren. De huurprijs is vanaf 1 juli 2017 verhoogd tot € 31.000 per jaar.
7. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2016 een belastbare winst uit onderneming van € 878.292 aangegeven, waarvan een boekverlies van € 85.552 op het object onderdeel is. Het object is aangegeven als vermogensbestanddeel in box 3.
8. De inspecteur heeft het boekverlies gecorrigeerd. Daarnaast heeft hij huuropbrengsten en afschrijvingskosten ter zake van het object in aanmerking genomen. Als gevolg van deze correcties is de MKB-winstvrijstelling verhoogd. In de aanslag IB/PVV 2016 is de belastbare winst uit onderneming vastgesteld op € 961.632.
9. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2018 een belastbare winst uit onderneming van € 2.048.059 aangegeven. Hij heeft geen huuropbrengsten aangegeven. Het object is opgenomen als vermogensbestanddeel in box 3.
10. De inspecteur heeft de belastbare winst uit onderneming in de aanslag IB/PVV 2018 vastgesteld op € 2.064.795. Hierbij heeft de inspecteur huuropbrengsten en afschrijvingskosten ter zake van het object in aanmerking genomen. Ook heeft hij als gevolg van deze correcties de MKB-winstvrijstelling verhoogd.
11. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het object niet langer tot de rendementsgrondslag van box 3 gerekend. Daarnaast is de inspecteur uitgegaan van het lagere, tot het jaar 2016, geldende huurbedrag voor het object.
Beoordeling door de rechtbank
12. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslagen niet te hoog heeft vastgesteld. Daarbij gaat het om de vraag of het object in 2016 kan worden geheretiketteerd tot privévermogen. Als dat niet kan dan is subsidiair in geschil of het object in 2016 kan worden afgewaardeerd tot de lagere bedrijfswaarde.
13. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Kan het object worden geheretiketteerd tot privévermogen?
14. Belanghebbende voert aan dat hij het object ter belegging heeft gekocht. Door de fiscale wetgeving kon hij zowel bij de aankoop als bij de geruisloze terugkeer het object niet als privévermogen aanmerken. Door de verkoop van de aandelen Logimest was de tbs-regeling niet langer van toepassing op de verhuur van het object. Daarnaast heeft hij na de verkoop van de aandelen zijn eigen mest niet meer laten verwerken door Logimest. Deze omstandigheden gezamenlijk rechtvaardigen een heretikettering van het object naar privévermogen. De keuze van belanghebbende om de silo's als privébelegging te etiketteren is niet van alle redelijkheid ontbloot en valt binnen zijn keuzevrijheid. Bovendien leidt dit niet tot een willekeurige verschuiving.
15. De rechtbank overweegt als volgt. Nu het object niet onmisbaar is voor de ondernemingsuitoefening kwalificeert het als keuzevermogen. Door gebruik te maken van de terugkeerfaciliteit heeft belanghebbende het object tot zijn ondernemingsvermogen moeten rekenen. Op dat moment is de (ondernemings)bestemming van dat vermogen verhuur aan een derde, zijnde Logimest.
16. Een bijzondere omstandigheid kan een rechtvaardiging vormen om de gemaakte etikettingskeuze te herzien. In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een dergelijke omstandigheid. Na de verkoop van het aanmerkelijk belang in Logimest is de verhuur voortgezet, waardoor de feitelijke situatie niet is veranderd. De omstandigheden, zowel los als in onderlinge samenhang bezien, dat belanghebbende geen zeggenschap meer heeft in Logimest en is gestopt met incidentele leveringen van mest aan Logimest zijn onvoldoende Deze omstandigheden staan namelijk geheel los van het feit dat de (ondernemings)bestemming van het object verhuur aan een derde is en blijft.
Is een afwaardering naar lagere bedrijfswaarde mogelijk?
17. Belanghebbende voert subsidiair aan dat het object kan worden afgewaardeerd tot de lagere bedrijfswaarde. Uit het in opdracht van Logimest gemaakte taxatierapport blijkt dat de bedrijfswaarde van het object lager is dan de boekwaarde.
18. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bedrijfswaarde (duurzaam) lager is dan de boekwaarde. Het taxatierapport kan hiervoor niet als bewijs dienen. Uit het taxatierapport kan namelijk niet worden afgeleid dat het object de bijdrage aan het resultaat van de onderneming, waardoor het was bestemd, niet zal kunnen leveren, terwijl dat verlies ook niet zal kunnen worden goedgemaakt. Daarnaast is in het taxatierapport ook nog eens geen rekening gehouden met de bestemming van het object binnen de onderneming, oftewel de verhuur door belanghebbende, en de huurverhoging in het opvolgende jaar.
19. Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2016 niet te hoog vastgesteld, omdat het object tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende is blijven behoren.
20. Dit oordeel brengt ook mee dat de aanslag IB/PVV 2018 niet te hoog is vastgesteld. Het betoog van belanghebbende dat de inspecteur het object in aanmerking heeft genomen zowel bij de vaststelling van de belastbare winst uit onderneming (de huur en afschrijving) als bij de vaststelling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (de waarde) berust op een onjuiste feitelijke grondslag. De inspecteur heeft namelijk in de bezwaarfase de rendementsgrondslag verminderd met de waarde van het object. Dat de rendementsgrondslag niet met de volledige waarde is verminderd, komt omdat de inspecteur interne compensatie heeft toegepast.
Belastingrente
21. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de betreffende aanslag volgt.
Vergoeding immateriële schade
22. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.
23. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.
24. De rechtbank beschouwt voor de toekenning van de immateriële schadevergoeding de twee beroepen als één, samenhangende, zaak. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn vast te stellen op langer dan twee jaar.
25. De inspecteur heeft het eerste bezwaarschrift (dat tegen de aanslag IB/PVV 2016) ontvangen op 29 april 2020. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) zes jaar en vijf maanden. Op het moment van doen van uitspraak door de rechtbank is de redelijke termijn met 53 maanden overschreden, afgerond negen keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 4.500. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 14 november 2024. De bezwaarfase heeft 49 maanden langer dan zes maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is (naar beneden afgerond) voor 49 maanden toerekenbaar aan de bezwaarfase. De rechtbank zal de inspecteur veroordelen om 49/53e deel van het hiervoor genoemde bedrag, te weten (afgerond) € 4.160 aan belanghebbende te betalen. Voor het restantbedrag, € 340, zal de Staat worden veroordeeld tot vergoeding hiervan.
Conclusie en gevolgen
26. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat de aanslagen en belastingrentebeschikkingen in stand blijven.
27. Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de procedures. Als gevolg daarvan heeft belanghebbende ondanks de ongegrondheid van de beroepen recht op een proceskostenvergoeding voor het beroep. De rechtbank stelt de proceskosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 233,50 (1 punt voor het verzoek om een schadevergoeding met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25). Belanghebbende heeft geen recht op vergoeding van griffierecht.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 4.160 aan belanghebbende;
veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 340 aan belanghebbende;
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten tot een bedrag van € 116,75;
veroordeelt de Staat in de proceskosten tot een bedrag van € 116,75;
bepaalt dat de bedragen van de vergoeding immateriële schade en proceskosten door de inspecteur en de Staat dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.
Uitgesproken op 23 september 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Met toepassing van artikel 3.99a van de Wet IB 2001 (wettekst 2010).
Met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969; wettekst 2012).
Artikel 14c, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet Vpb 1969 (wettekst 2012) en het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 27 december 2005, nr. CPP2005/2573M.
Hoge Raad 18 augustus 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2251 (Pottenbakkersarrest) en Hoge Raad 4 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4749.
Hoge Raad 17 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4553 en Hoge Raad 7 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:AA2981.
ECLI:NL:HR:2016:252.
Beleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|