|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:28827 | | | | | Datum uitspraak | : | 30-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 01-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | NL26.32224 en NL26.32226 | | Rechtsgebied | : | Vreemdelingenrecht | | Indicatie | : | Dublin/Portugal. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Belangen van de kinderen. Zorgvuldig horen. | | Trefwoorden | : | landbouwgrond | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.32224 en NL26.32226
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer 1] , en
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer 2] , eisers,
mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Imami)
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 9 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Portugal verantwoordelijk is voor de aanvragen.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.
De rechtbank heeft de beroepen, samen met de verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen met zaaknummers NL26.32225 en NL26.32227, op 17 september 2026 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is [naam tolk] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Egyptische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1989. Eiseres stelt ook de Egyptische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum 2] 1994. Samen hebben zij vier kinderen, [kind 1] (geboortedatum: [geboortedatum 3] 2018), [kind 2] (geboortedatum: [geboortedatum 4] 2021), [kind 3] (geboortedatum: [geboortedatum 5] 2024) en [kind 4] (geboortedatum: [geboortedatum 6] 2026).
2. Eisers hebben al eerder een asielprocedure in Nederland doorlopen. Zij hebben op 13 juli 2023 asiel aangevraagd in Nederland. Deze asielaanvragen zijn niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk was op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Eisers hebben op 10 maart 2026 opnieuw asiel aangevraagd in Nederland.
3. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eisers op 25 juni 2024 een verzoek om internationale bescherming in Portugal hebben ingediend. Nederland heeft aan Portugal verzocht om eisers terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening. Portugal heeft dit verzoek op 27 april 2026 aanvaard op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.
De bestreden besluiten
4. Met de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Portugal op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij overdracht aan Portugal een reëel risico lopen op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 3 van het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook hebben eisers volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om de asielaanvragen in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling door de rechtbank
Aanmeldgehoor
5. Eisers voeren aan dat eiseres tijdens het aanmeldgehoor niet alle feiten en omstandigheden naar voren heeft kunnen brengen, omdat zij 13 dagen voor het gehoor was bevallen van haar jongste kind. Op dat moment was zij nog bezig met haar lichamelijk herstel en de zorg voor haar pasgeboren baby, waardoor zij niet al haar bezwaren tegen overdracht naar Portugal naar voren heeft kunnen brengen. Eisers zijn van mening dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de gezondheidstoestand van eiseres.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 3.109c, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) moet verweerder de vreemdeling zo spoedig mogelijk horen over de mogelijkheid van toepassing van artikel 30 van de Vw. De vreemdeling wordt tevens gehoord over zijn eventuele bezwaren tegen overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat. De rechtbank stelt vast dat de bevalling en het herstel van eiseres na de bevalling geen formeel beletsel vormen om eiseres niet te horen. Daar komt bij dat eiseres in het gehoor zelf heeft aangegeven dat zij in staat was om te verklaren. Eiseres heeft verklaringen afgelegd over haar tijd in Portugal en mappen met documenten overgelegd. Het is niet gebleken dat eisers in hun belangen zijn geschaad, omdat zij door de zienswijze en de voornemenprocedure eveneens al hun bezwaren tegen overdracht aan Portugal kenbaar hebben kunnen maken. Daarbij merkt de rechtbank ook op dat eiser een identieke asielaanvraag heeft ingediend en heeft hij separaat ook de gelegenheid gehad om zijn bezwaren tegen overdracht naar Portugal naar voren te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres op een zorgvuldige wijze gehoord en heeft zij haar bezwaren tegen overdracht naar Portugal in de algehele procedure deugdelijk naar voren kunnen brengen. De beroepsgrond slaagt niet.
Juridische bijstand
7. Eisers voeren aan dat zij pas na het slaan van het voornemen rechtsbijstand kregen, waardoor er geen gelegenheid is geboden voor eisers om eerst met hun gemachtigde te spreken en eventuele aanvullingen en correcties op het Dublingehoor in te dienen.
8. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eisers op 20 mei 2026 aan hen is gekoppeld. Het voornemen dateert van 21 mei 2026. Hoewel de gemachtigde van eisers zeer kort voor het slaan van het voornemen pas rechtsbijstand kon verlenen, ziet de rechtbank niet in op welke manier eisers in hun belangen zijn geschaad. Eisers hebben immers beide tijdens hun aanmeldgehoren hun bezwaren tegen overdracht kenbaar kunnen maken, zodat de gemachtigde van die bezwaren op de hoogte was. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers na het ontvangen van het voornemen voldoende mogelijkheid hebben gehad om alles met hun gemachtigde te bespreken en een zienswijze in te dienen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers niet in hun belangen geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
9. Eisers voeren aan dat zij op verschillende gebieden te maken hebben gehad met structurele tekortkomingen. Eiseres heeft middels een brief aan haar gemachtigde verklaard over haar ervaringen in Portugal ten aanzien van opvang, medische zorg, huisvesting en de bescherming van autoriteiten. Zo heeft eiseres verklaard dat er in Portugal nauwelijks opvangplaatsen beschikbaar zijn en de leefomstandigheden slecht waren. Eisers verbleven eerst in een hotel en werden daarna overgebracht naar JRS. Later werden zij overgebracht naar een opvanglocatie van het Rode Kruis. Op meerdere dagen was er onvoldoende voedsel beschikbaar. Uiteindelijk hebben zij zelf een woonruimte gezocht. In Egypte hebben zij hun huis verkocht, zodat zij in Portugal landbouwgrond konden kopen. Ook verklaart eiseres dat zij sterk in hun vrijheid werden beperkt. Daarbij kregen zij beperkt toegang tot medische zorg. Eiseres kreeg pas rond de zevende maand van haar zwangerschap toegang tot medische controles. Haar kinderen kregen vrijwel alleen vaccinaties, terwijl zij ook huidproblemen ontwikkelden. Ook verklaart eiseres dat zij slachtoffer zijn geworden van meerdere bedreigingen, maar kregen zij niet het gevoel dat zij door de Portugese politie beschermd werden.
10. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). Uit de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 22 mei 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:14480) en 28 mei 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:14166) is bevestigd dat ten aanzien van Portugal van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eisers om middels concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Portugal, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Portugese autoriteiten, een reëel risico lopen op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dit kunnen eisers doen door landeninformatie en/of aan de hand van verklaringen over hun eigen ervaringen. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval eisers aannemelijk maken dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo).
11. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers niet in hun bewijslast geslaagd. Hoewel de rechtbank de verklaringen van eisers over hun ervaringen in Portugal problematisch acht, is hiermee onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van structurele tekortkomingen in het Portugese asiel- en opvangsysteem. De verklaringen van eisers zijn niet met stukken onderbouwd, zoals medische verklaringen over de verwonding en behandeling aan het been van eiser, de controles van eiseres tijdens haar zwangerschap en de huidproblemen van hun kinderen. Verder hebben eisers geen objectieve documenten overgelegd ter onderbouwing van hun stelling dat zij geen huisvesting kregen en zelf huisvesting hebben geregeld door hun huis in Egypte te verkopen. Ook aan eisers verklaringen over hun eerdere ervaringen met de asiel- en opvangsystemen in Portugal kan weinig betekenis worden gegeven, nu eisers worden overdragen als Dublinclaimanten. Bovendien hebben de Portugese autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvragen van eisers in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Het ligt op de weg van eisers om bij eventuele tekortkomingen te klagen bij de Portugese autoriteiten. De verklaring van eiseres dat zij eerder hebben geprobeerd om aangifte te doen vanwege bedreigingen die aan hen gericht waren, maakt dit oordeel niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangen van de kinderen
12. Eisers voeren aan dat de belangen van de kinderen in het voornemen onvoldoende zijn betrokken. In de beschikkingen wordt er aan voorbij gegaan dat de belangen van de kinderen verder gaan dan het enkel volgen van de ouders.
13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende rekenschap gegeven van de belangen van de kinderen. Op de zitting heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat er een belang zwaarder weegt dan het belang van de minderjarige kinderen om bij hun ouders op te groeien met het oog op hun welzijn en ontwikkeling. Zo heeft verweerder gesteld dat op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel er vanuit mag worden gegaan dat de medische voorzieningen en het onderwijs in Portugal van gelijkwaardige aard zijn als in Nederland, zodat hiertoe niet zonder nadere onderbouwing geconcludeerd kan worden dat dit gevolgen zal hebben voor het welzijn en de sociale ontwikkelingen van de minderjarigen. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden verondersteld dat de Portugese autoriteiten in het belang van de minderjarige kinderen zullen handelen. Dat aan het oudste kind van eisers niet is gevraagd of hij naar Portugal wil, maakt niet dat de belangen onvoldoende zijn gewogen. Dat de belangen van de kinderen in de besluitvorming onvoldoende zijn betrokken en dat verweerder er aan voorbij is gegaan dat de belangen van de kinderen verder gaan dan het enkel volgen van de ouders, volgt de rechtbank dan ook niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Onevenredige hardheid
14. Eisers voeren aan dat verweerder de asielaanvragen aan zich moet trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, omdat in hun gevallen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Portugal van onevenredige hardheid getuigt.
15. De rechtbank is van oordeel dat het aan eisers is om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Portugal zou leiden tot onevenredige hardheid. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eisers daar niet in zijn geslaagd. Daarbij betrekt de rechtbank dat verweerder, zoals onder 11 overwogen, voor Portugal uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit vaste rechtspraak volgt dat verweerder de omstandigheden die hij in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in de besluitvorming heeft betrokken niet nogmaals hoeft te betrekking in het kader van een beroep op artikel 17 van de Dublinverordening. Dit staat onder meer in de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717. Deze beroepsgrond kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat verweerder de aanvragen aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
Conclusie en gevolgen
16. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|