Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBMNE:2026:6712 
 
Datum uitspraak:02-10-2026
Datum gepubliceerd:02-10-2026
Instantie:Rechtbank Midden-Nederland
Zaaknummers:UTR 26/1642 26/1848 en 26/3103
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening van verschillende belangenorganisaties voor agrariërs af. Zij willen voorkomen dat gegevens van agrariërs vanaf 1989 openbaar worden gemaakt. De minister heeft echter terecht beslist dat de huisvestingsgegevens openbaar gemaakt worden, omdat het milieugegevens zijn die over emissie gaan. De minister heeft ook terecht beslist om de landbouwtellingsgegevens openbaar te maken, omdat het milieugegevens zijn en de belangenafweging die de minister vervolgens heeft gemaakt in het voordeel van openbaarheid mocht uitvallen. Daarmee hebben de beroepen van verzoekers geen redelijke kans van slagen. Ook de belangenafweging die de voorzieningenrechter zelf maakt, pakt niet in het voordeel van verzoekers uit.
Trefwoorden:ammoniak
burgerlijk wetboek
gecombineerde opgave
gewassen
landbouw
melkveehouders
rundvee
stallen
varkenshouderij
vee
veehouderij
wet milieubeheer
 
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 26/1642, 26/1848 en 26/3103

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 oktober 2026 in de zaken tussen



Producenten Organisatie Varkenshouderij (POV), uit Zwolle
(gemachtigde: mr. T.D. Polak)

Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMV), uit Vroomshoop
(gemachtigde: P.M.A.A. Smits)

Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO), uit Den Haag

Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (KAVB) uit Hillegom,
(gemachtigden: mr. T.F.M. Wijgergans en mr. A.F.C. van Hal),

samen verzoekers

en

de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. J. van Essen en mr. S.F. Hu).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Coöperatie Mobilisation for the Environment (MOB), uit Dordrecht, (gemachtigden: mr. T.J. van Alten en S. van Uffelen).


Samenvatting



Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over de openbaarmaking van gegevens uit de Gecombineerde opgaven van alle veehouders in Nederland en over openbaarmaking van gegevens over landgebruik. MOB heeft op grond van de Wet open overheid (Woo) om openbaarmaking van deze gegevens verzocht.





Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening die inhoudt dat de openbaarmaking van de gegevens wordt opgeschort totdat de rechter in de bodemzaken uitspraak heeft gedaan. Zij voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekers af tegen het belang van de openbaarheid. Dit doet hij aan de hand van de gronden van verzoekers.



3. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. De minister heeft terecht beslist dat de huisvestingsgegevens openbaar gemaakt worden, omdat het milieugegevens zijn die over emissie gaan. De minister heeft ook terecht beslist om de landbouwtellingsgegevens openbaar te maken, omdat het milieugegevens zijn en de belangenafweging die de minister vervolgens heeft gemaakt in het voordeel van openbaarheid mocht uitvallen. Daarmee hebben de beroepen van verzoekers geen redelijke kans van slagen. Ook de belangenafweging die de voorzieningenrechter zelf maakt, pakt niet in het voordeel van verzoekers uit. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.


Procesverloop

4. MOB heeft de minister op 10 februari 2023 verzocht om openbaarmaking van alle (historische) registraties over vergunde of werkelijke dieraantallen, emissies, stalsystemen, landgebruik en bemesting van gronden, waaronder de volgende registraties:- de gecombineerde opgave; - meitellingen, diertellingen of landbouwtellingen (voorgangers van deze registraties).




4.1.
De minister heeft het Woo-verzoek in zijn besluit van 24 maart 2025 afgewezen. Daartegen heeft MOB bezwaar gemaakt.





4.2.
In bezwaar stelt de minister zich op het standpunt dat onder het Woo-verzoek de volgende documenten vallen:• werkelijke dieraantallen per bedrijfslocatie met peildatum 1 april (van 1989 tot en met 2022)• stalsystemen en RAV codes per bedrijfslocatie (van 2013 tot en met 2022) van:- rund (RAV) beschikbaar van 2017 tot en met 2022- kip/eend/kalkoen (RAV) beschikbaar van 2018 tot en met 2022- varken (RAV) beschikbaar van 2018 tot en met 2022- geit (RAV) beschikbaar van 2021 tot en met 2022
• landgebruik van gronden met gewascodes per bedrijfslocatie (van 1989 tot en met 2022).





4.3.
Naar aanleiding van het bezwaar heeft de minister in de Staatscourant van 12 januari 2026 kennisgegeven van zijn voornemen om de gevraagde gegevens alsnog openbaar te maken. Belanghebbenden konden tot en met 25 januari 2026 een zienswijze over de voorgenomen openbaarmaking geven. De minister heeft in reactie op deze publicatie één zienswijze ontvangen.





4.4.
In het bestreden besluit op bezwaar van 17 februari 2026 (het Woo-besluit) heeft de minister vervolgens besloten tot openbaarmaking van vier Excelbestanden.





4.5.
Verzoekers zijn het niet eens met dit besluit. Zij hebben in eerste instantie bezwaar gemaakt bij de minister en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.





4.6.
De minister heeft de bezwaarschriften doorgestuurd aan de rechtbank om te behandelen als beroep, omdat het Woo-besluit van 17 februari 2026 een besluit op bezwaar is. Ook MOB heeft beroep ingesteld bij de rechtbank.





4.7.
De minister heeft drie verweerschriften ingediend. MOB heeft twee keer schriftelijk gereageerd. LTO en KAVB hebben hun verzoekschrift nader aangevuld en gereageerd op de standpunten van MOB.



4.8.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 17 september 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekers, de gemachtigden van MOB en de gemachtigden van de minister. Verder waren voor verzoekers aanwezig: [A] (POV), [B] (NMV) en [C] (LTO).






Beoordeling door de voorzieningenrechter

Hoe toetst de voorzieningenrechter de verzoeken?


5. Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het Woo-besluit waarmee de minister naar aanleiding van het Woo-verzoek van MOB informatie openbaar wil maken. Zij willen met deze voorlopige voorzieningenprocedures voorkomen dat deze informatie nu al openbaar wordt gemaakt via plaatsing daarvan op het internet. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze procedure of de verzoeken moeten worden toegewezen. Daarvoor geeft hij een beoordeling van de kans van slagen van de beroepen van verzoekers. Daarnaast weegt hij de belangen van verzoekers bij een schorsing van het Woo-besluit tot openbaarmaking af tegen het belang van openbaarheid. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter erover is dat het besluit in beroep standhoudt, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen van verzoekers bij het schorsen van het Woo-besluit.



6. Voorafgaand aan de beoordeling van de beroepsgronden van verzoekers, moet de voorzieningenrechter twee door MOB opgeworpen formele punten beoordelen. MOB stelt zich ten eerste op het standpunt dat verzoekers geen belanghebbenden zijn bij het Woo- besluit en ten tweede dat zij misbruik maken van procesrecht. Als de voorzieningenrechter het eens is met één van deze standpunten, komt hij aan de behandeling van de inhoud van de verzoeken niet toe.


Zijn verzoekers belanghebbend bij het bestreden besluit?


7. MOB stelt dat verzoekers geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het bestreden besluit niet gaat over een collectief belang dat geldt voor alle agrariërs of de hele agrarische sector. Het gaat om openbaarmaking van concrete informatie over concrete boerenbedrijven. De belangen waar verzoekers zich op beroepen, horen volgens MOB in de eerste plaats thuis bij die bedrijven en de betrokken personen zelf. Dat de openbaarmaking in één besluit is opgenomen, betekent volgens haar nog niet dat een belangenorganisatie daardoor automatisch namens alle boerenbedrijven bezwaar en beroep mag instellen. Volgens MOB kunnen de belangenorganisaties alleen in rechte optreden voor de agrariërs die hen daarvoor gemachtigd hebben.



8. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Volgens vaste rechtspraak is alleen degene die een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het besluit, belanghebbende. Het vereiste dat het gaat om een rechtstreeks betrokken belang bij het besluit, houdt in dat er voldoende causaal verband moet zijn tussen het besluit en de aantasting van het belang.




8.1.
Omdat verzoekers rechtspersonen zijn, is in dit geval ook het derde lid van artikel 1:2 van de Awb van belang. Daarin staat dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. Dit houdt - kort samengevat - in dat een rechtspersoon bij een besluit belanghebbende is als dat besluit gaat over een activiteit die plaatsvindt binnen het werkgebied dat in de statuten van de rechtspersoon is omschreven en de rechtspersoon meer doet dan alleen procedures voeren of handhavingsverzoeken indienen.



8.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers blijkens hun statuten opkomen voor de belangen van hun leden en dat zijn onder andere agrariërs die te maken hebben met de openbaarmaking van gegevens die gaan over hun bedrijven. Het Woo-verzoek raakt vrijwel alle agrariërs. Het gaat om openbaarmaking van gegevens die zij vertrouwelijk aan de minister hebben meegedeeld. Veel agrariërs verzetten zich tegen de openbaarmaking en de inzet van verzoekers is om openbaarmaking tegen te houden. Verzoekers komen daarmee op voor een collectief belang en zijn aan te merken als belanghebbenden. Dat er ook agrariërs zijn die niet zijn aangesloten bij een belangenorganisatie en/of dat er agrariërs zijn die het eens zijn met het Woo-besluit, doet niet af aan het algemene en collectieve belang dat verzoekers nastreven. De voorzieningenrechter ziet steun voor dit standpunt in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 januari 2022 en 24 september 2025. In de eerstgenoemde uitspraak is LTO-Noord als belanghebbende aangemerkt. In de laatstgenoemde uitspraak was NMV belanghebbende in een procedure over een vergelijkbaar Woo-besluit. De vaststelling of een partij belanghebbende is, is van openbare orde. Dat betekent dat de rechter er, ongeacht of partijen dat aanvoeren, naar moet kijken. Als NMV en LTO -Noord geen belanghebbenden waren geweest, had de Afdeling dat geoordeeld in haar uitspraken. De slotsom is dat de voorzieningenrechter verzoekers aanmerkt als belanghebbenden bij het bestreden besluit.


Maken verzoekers misbruik van procesrecht?


9. MOB stelt dat verzoekers misbruik maken van procesrecht. Volgens MOB kennen verzoekers de rechtspraak over openbaarmaking van emissiegegevens. Toch stellen zij tegen beter weten in rechtsmiddelen in tegen Woo-besluiten over emissiegegevens en sporen zij hun achterban aan om dit ook te doen. MOB verwijst naar verschillende websites, waaruit volgens haar blijkt dat, ondanks dat de beroepen een beperkte slagingskans hebben, de achterban wordt opgeroepen rechtsmiddelen te blijven instellen om politieke druk uit te oefenen en de feitelijke openbaarmaking van de gegevens tegen te gaan. Deze vertragingstactiek levert ernstige benadeling op voor MOB. Zij kan de gevraagde gegevens namelijk niet gebruiken voor haar werkzaamheden. Het procesrecht wordt volgens MOB door verzoekers keer op keer gebruikt om de werking van het materiële recht te saboteren. MOB ziet een patroon van ondermijning dat tot gevolg heeft dat ook de rechtspraak onevenredig wordt belast en stelt dat de verzoeken om een voorlopige voorziening daarom niet-ontvankelijk verklaard zouden moeten worden.



10. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling kan de bevoegdheid om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen, niet worden ingeroepen als deze bevoegdheid wordt misbruikt. Dit volgt uit artikel 13, eerste lid, en artikel 15 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Deze artikelen bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een rechtsmiddel als dat rechtsmiddel wordt misbruikt.De drempel voor het oordeel dat een partij misbruik van procesrecht maakt, ligt hoog. Er zijn zwaarwichtige gronden vereist. Van misbruik van procesrecht kan sprake zijn als er een patroon aanwezig is van het veelvuldig aanwenden van verschillende rechtsmiddelen om geschillen steeds maar weer aan de orde te stellen, terwijl de rechter daarover al vaker uitspraak heeft gedaan, waarvan de uitkomst betrokkene duidelijk zou moeten zijn en waarvan redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat het betrokkene nog te doen is om recht of rechtsbescherming.


10.1.
Anders dan MOB aanvoert, vindt de voorzieningenrechter niet dat verzoekers in dit geval tegen beter weten in procederen, terwijl zij de uitkomst van de procedure al kennen. Weliswaar heeft de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraak van 24 september 2025 geoordeeld over een vergelijkbaar Woo-verzoek, maar er zijn wel verschillen met de huidige procedures aan te wijzen. Het Woo-verzoek van MOB is omvangrijker en de minister gaat meer gegevens openbaar maken. Verzoekers hebben specifieke beroepsgronden geformuleerd die gaan over de ouderdom van de openbaar te maken gegevens. De openbaarmaking van landbouwtellinggegevens is in de genoemde uitspraak van de Afdeling niet beoordeeld. Verzoekers hebben verder beroepsgronden gericht tegen de zorgvuldigheid van de manier waarop de besluitvorming in deze zaak is gegaan. Het doel dat verzoekers met hun beroepsgronden willen bereiken is dat de gegevens niet openbaar gemaakt worden. Voor zover al juist zou zijn dat verzoekers door hun optreden zand in de machine willen gooien en dat zij andere doelen, zoals vertraging van de openbaarmaking, willen bereiken, neemt dat niet weg dat het hen er primair om te doen is de openbaarmaking geheel tegen te gaan. Het betoog van MOB slaagt niet.


Is de (zienswijze)procedure zorgvuldig verlopen?



Over de zienswijze

11. Verzoekers stellen dat de door de minister gevolgde zienswijzeprocedure niet zorgvuldig is verlopen. De publicatie van het voornemen in de Staatscourant is volgens verzoekers geen goede manier om agrariërs op de hoogte te brengen van een voornemen. Zij lezen de Staatscourant niet en de Staatscourant is niet gebruiksvriendelijk; een abonnement op relevante berichtgeving wordt namelijk niet aangeboden. De minister heeft zelf erkend dat deze manier ontoereikend is om een zienswijzeprocedure in te richten.


11.1.
Verder wijzen verzoekers erop dat uit de publicatie in de Staatscourant niet blijkt dat de minister ook landbouwtellingsgegevens openbaar zou gaan maken. De termijn om een zienswijze in te dienen, is volgens hen ook veel te kort. Agrariërs hebben daardoor niet de gelegenheid gehad om hun gegevens op juistheid te controleren. Overigens weten zij nog steeds niet welke exacte gegevens de minister van hen openbaar wil maken.
12. Artikel 4:8 eerste lid, van de Awb bepaalt dat als belanghebbenden, die een beschikking niet hebben aangevraagd, naar verwachting bedenkingen zullen hebben, het bestuursorgaan die belanghebbenden in de gelegenheid stelt zienswijzen naar voren te brengen. Dat is alleen nodig als a) de beschikking steunt op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen en b) die gegevens niet door de belanghebbende zelf zijn verstrekt. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gegevens die de minister openbaar wil maken, overwegend gegevens zijn die de agrariërs zelf hebben verstrekt. Het Woo-verzoek gaat immers over openbaarmaking van registraties die het gevolg zijn van de eigen opgaven van agrariërs in de Gecombineerde opgave. Voor de meeste gegevens die de minister openbaar wil maken, was het dus in het geheel niet nodig om een zienswijze van de agrariërs te vragen. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025.





12.1.
De voorzieningenrechter merkt verder op dat, voor zover het zou gaan om gegevens die de agrariërs niet zelf hebben verstrekt, in dit geval publicatie in de Staatscourant een geschikt en zorgvuldig middel voor bekendmaking van het voornemen is. Het gaat hier namelijk om een zeer omvangrijk Woo-verzoek dat veel agrariërs raakt. De Afdeling heeft in vergelijkbare zin overwogen in de uitspraak van 24 september 2025, waarin het ook ging om een Woo-verzoek dat veel agrariërs raakte. De minister heeft zich in die procedure op het standpunt gesteld dat de agrariërs wel persoonlijk moesten worden aangeschreven, maar heeft daarin geen gelijk gekregen. Dat de minister de zienswijzeprocedure bij nader inzien niet zorgvuldig vindt, is daarom niet relevant.





12.2.
NMV heeft gesteld dat de minister agrariërs anders bejegent dan anderen, omdat andere belanghebbenden doorgaans wel persoonlijk worden aangeschreven en de agrariërs niet. De voorzieningenrechter ziet niet dat er sprake is van ongerechtvaardigd onderscheid. Dat de minister overgaat tot een publicatie van het voornemen in de Staatscourant is het gevolg van het feit dat het hier om een omvangrijk Woo-verzoek gaat dat veel agrariërs treft. Het feit dat de belanghebbenden agrariër zijn, is niet relevant voor de door de minister gemaakte keuze.



12.3.
Een termijn van twee weken is, anders dan verzoekers stellen, geen onredelijk korte termijn. Daarbij moet ook worden bedacht dat een zienswijzeprocedure niet is bedoeld voor het controleren van de gegevens op juistheid. De Afdeling heeft ook dat eerder overwogen in de uitspraak van 24 september 2025. Ook is niet nodig dat de agrariërs op mijnrvo.nl alle specifieke informatie over hun bedrijf kunnen inzien. De zienswijzeprocedure biedt namelijk geen herstelmogelijkheid voor die gegevens. De procedure is ervoor bedoeld om agrariërs uit te nodigen hun belangen met betrekking tot de openbaarmaking naar voren te brengen. Daarvoor is voldoende dat zij weten welk type gegevens de minister openbaar wil maken.



12.4.
De voorzieningenrechter is het met verzoekers eens dat het de agrariërs, die niet óók veehouder zijn, niet direct duidelijk is geweest dat er ook gegevens over hen openbaar gemaakt zouden worden. Het opschrift van de publicatie in de Staatscourant was immers ‘Kennisgeving voorgenomen openbaarmaking betreffende emissiegegevens uit de Gecombineerde opgaven van alle veehouders in Nederland.’ De openbaarmaking van landbouwtellingsgegevens raakt niet alleen veehouders. De tekst van de publicatie in de Staatscourant is daarmee niet volledig. De minister heeft deze groep agrariërs dan ook onjuist geïnformeerd en dat heeft voor verwarring gezorgd onder de agrariërs. De vraag is waar deze vaststelling toe moet leiden. Inmiddels is duidelijk dat het Woo-besluit niet alleen gaat over gegevens van veehouders. De overige agrariërs hebben hun belangen in beroep alsnog naar voren kunnen brengen. Zij zijn door de onjuiste berichtgeving niet zodanig in hun belangen geschaad, dat de zienswijzeprocedure opnieuw gevoerd zou moeten worden. Daarbij moet worden bedacht dat het hoofdzakelijk gaat om gegevens die afkomstig zijn van de agrariërs zelf en dat de minister op grond van artikel 4:8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb niet verplicht was om voor openbaarmaking van die gegevens een zienswijze te vragen.
Over de kennisgeving van het Woo-besluit
13. Verzoekers hebben verder aangevoerd dat ook de overige berichtgeving aan de agrariërs gebreken vertoont. De agrariërs hebben een brief van de minister ontvangen waaruit opnieuw niet duidelijk blijkt dat het Woo-besluit niet alleen over openbaarmaking van emissiegegevens van veehouders gaat, maar ook andere agrariërs raakt. In de brief aan de agrariërs staat verder dat bezwaar gemaakt kan worden tegen het besluit tot openbaarmaking van de informatie, terwijl het rechtsmiddel van beroep openstond. De onjuiste rechtsmiddelenclausule heeft volgens verzoekers ook tot verwarring geleid.
14. De voorzieningenrechter oordeelt dat de manier waarop de minister de agrariërs op de hoogte heeft gesteld van zijn Woo-besluit inderdaad onjuist is en dat hierdoor verwarring kan zijn ontstaan. Van de minister mag verwacht worden dat hij, als hij de agrariërs persoonlijk op de hoogte stelt van een besluit, zorgt dat de berichtgeving daarover zorgvuldig en accuraat is. Door opnieuw de nadruk te leggen op emissiegegevens van veehouders, heeft de minister de agrariërs niet goed voorgelicht. De minister heeft gesteld dat de brief een link bevatte naar het Woo-besluit en dat daaruit kon worden geconcludeerd dat het besluit ook betrekking had op informatie over andere agrariërs dan veehouders. Dit is door verzoekers niet betwist. Deze verwijzing neemt niet weg dat de tekst van de brief onjuist was en de minister de agrariërs daarmee onvolledig heeft geïnformeerd. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de brief een onjuiste rechtsmiddelenclausule bevatte.





14.1.
De vraag is wat het gevolg moet zijn van deze omissie en van de onjuiste rechtsmiddelenclausule die onder de brief vermeld staat. De minister heeft het kennelijk belangrijk gevonden om de agrariërs op de hoogte te stellen van het Woo-besluit, maar hij was hiertoe niet verplicht. Het gaat dus om verkeerde voorlichting die de minister niet hoefde te geven. Dit heeft verder ook geen gevolg gehad voor de inhoud van het genomen besluit. Inmiddels is duidelijk wat voor soort informatie de minister openbaar maakt en iedereen die belanghebbende is, kan daarop reageren. Voor verzoekers was door de publicatie in de Staatscourant en/of de brief voldoende duidelijk om welke informatie het ging en zij hebben hun leden daarop ook gewezen. Veel agrariërs hebben daarvan kennisgenomen en hebben bezwaar gemaakt, wat uiteindelijk heeft geleid tot ongeveer 2000 beroepszaken bij de rechtbank. De voorzieningenrechter is ook op dit punt van oordeel dat de agrariërs door de onjuiste berichtgeving niet zodanig in hun belangen zijn geschaad dat de minister alle betrokken agrariërs nogmaals moet informeren en hen in de gelegenheid moet stellen om beroep in te stellen. De belangen van de agrariërs worden immers collectief behartigd door verzoekers.



15. Verzoekers hebben er verder grote moeite mee dat zij geen bezwaar kunnen maken tegen het Woo-besluit. De bezwaren zijn doorgestuurd naar de rechtbank om te behandelen als beroep en voor dat beroep moeten de agrariërs griffierecht betalen.





15.1.
Dat is echter terecht. Het is het gevolg van het bestuursrechtelijke systeem: tegen een besluit op bezwaar kunnen belanghebbenden in de regel alleen beroep instellen.De minister kan daar niets aan veranderen. Verzoekers zijn hierdoor ook niet benadeeld. Als de juiste rechtsmiddelenclausule in de brief aan de agrariërs was vermeld, was de uitkomst hetzelfde geweest: wie het niet eens is met het Woo-besluit moet beroep instellen bij de rechtbank en daarvoor griffierecht betalen.


Tussenconclusie

16. Samenvattend concludeert de voorzieningenrechter dat de geconstateerde onzorgvuldigheid in de publicatie in de Staatscourant en in de brief aan de agrariërs, niet leidt tot het oordeel dat de beroepen een redelijke kans van slagen hebben. Verzoekers zijn hierdoor niet in hun belangen geschaad.


Welke gegevens heeft de minister openbaar gemaakt?


17. De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennisgenomen van de gegevens die de minister openbaar wil maken. Het gaat om vier Excel bestanden. Bestand 3 is onder geheimhouding aangeleverd, maar is al openbaar gemaakt omdat het algemene vraagcodes bevat. De minister heeft dat op de zitting bevestigd.



18. Bestand 1 bevat huisvestingsgegevens:













Rel_anoniem


UBN


Huisvestingtype vee


Rav.code


Stal


Gemeld in: jaar


Gemiddelde van jaar


Gemiddeld aantal dieren




xxx



[UBN nummer]



HUISVESTING RUNDVEE


A1


A1100


2017


2016


117






Bestand 2 bevat landbouwtellingsgegevens:









Jaar


Rel_anoniem


Vraagcode


Aantal




2015


xxx


10000


372






Bestand 3 bevat vraagcodes:









Vraagcode


Vraagomschrijving


Categorie


Diercategorie/of gewas are




347


Haver


Gewas of dieren


Aantal of are






Bestand 4 bevat UBN- adressen:









UBN


Straat + nummer


Postcode


Plaats





[UBN nummer]



xxx


xxx


xxx








Moet de minister de huisvestingsgegevens en UBN-adressen openbaar maken?


19. De minister heeft in het Woo-besluit overwogen dat hij de informatie uit de Gecombineerde opgaven van alle veehouders in Nederland, van 1989 tot en met 2022 openbaar maakt, omdat deze gegevens gaan over dieraantallen, diersoorten en gegevens over stallocaties. Volgens de minister zijn dit milieugegevens die over emissie gaan. Hij verwijst hiervoor naar de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, waarin de Afdeling over een vergelijkbaar Woo-verzoek hetzelfde heeft geoordeeld.


Relatie met eerdere openbaarmaking

20.. De voorzieningenrechter stelt vast dat bestand 1 dieraantallen, diersoorten en gegevens over de type stallen bevat en dat, door een combinatie te maken met bestand 4, de UBN-adressen, de locatiegegevens van die stallen bekend worden. De vraag die voorligt, is of de minister deze gegevens openbaar mag maken.



21. De voorzieningenrechter merkt hierover ten eerste op dat een deel van de gevraagde gegevens al openbaar is gemaakt naar aanleiding van het eerdergenoemde Woo-verzoek waarover de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025 gaat. De minister heeft de huisvestingsgegevens over de jaren 2010, 2015, 2020, 2021 en 2022 inmiddels feitelijk openbaar gemaakt. Deze gegevens zijn op internet terug te vinden bij het besluit met kenmerk Woo 2022-192.


21.1.
De minister heeft in het bestreden besluit echter niet overwogen dat een deel van de door MOB gevraagde gegevens feitelijk al openbaar is gemaakt. Hij heeft geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende jaren waarover dit Woo-verzoek gaat en ook de huisvestingsgegevens over de jaren 2010, 2015, 2020, 2021 en 2022 opnieuw openbaar gemaakt.





21.2.
De minister heeft in reactie op vragen op de zitting toegelicht dat er een verschil kan bestaan in de gegevens die hij eerder openbaar heeft gemaakt en de gegevens waarover het nu gaat. Het kan zo zijn dat een agrariër een correctie achteraf heeft gemaakt over één van de eerdere jaren. De huisvestingsgegevens wijken dan af van wat eerder openbaar is gemaakt.



21.3.
De voorzieningenrechter vindt het met deze uitleg begrijpelijk dat de minister er voor heeft gekozen om de informatie over de genoemde jaren nog een keer feitelijk op het internet te plaatsen, zodat de meest recente en daarmee meest juiste informatie wordt verstrekt. De minister had er in het bestreden besluit voor kunnen kiezen om openbaarmaking te weigeren, voor zover het over dezelfde gegevens gaat als eerder openbaar gemaakt. Wat openbaar is gemaakt, is immers al openbaar en kan niet opnieuw openbaar worden gemaakt. De minister heeft daar niet voor gekozen.


21.4.
Voor zover verzoekers dat onterecht vinden, overweegt de voorzieningenrechter dat zij door deze besluitvorming niet in hun belangen zijn geschaad. Het maakt voor verzoekers namelijk niet uit of de minister in het besluit wel of geen aandacht heeft voorde eerdere openbaarmaking. Het maakt voor hen ook niet uit dat dezelfde gegevens één of twee keer worden gepubliceerd.


Emissiegegevens

22. De volgende vraag die voorligt is of de minister de huisvestingsgegevens en de UBN-adressen terecht heeft aangemerkt als milieugegevens die over emissie gaan. De definitie van het begrip milieu-informatie staat in artikel 19.1a, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wm). Deze definitie is ontleend aan artikel 2 van Richtlijn 2003/4/EG. Volgens vaste rechtspraak volgt uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) dat het begrip milieu-informatie een ruime betekenis heeft.


22.1.
Uit de arresten van het Hof van 23 november 2016, volgt dat onder de begrippen "emissies in het milieu" en "informatie over emissies in het milieu" niet alleen gegevens moeten worden begrepen die de daadwerkelijke uitstoot betreffen, maar ook de gegevens over de invloeden van die emissies op het milieu alsook de gegevens die het publiek in staat stellen te controleren of de beoordeling van de daadwerkelijke of voorzienbare emissies door het bestuursorgaan juist is. De begrippen "emissies in het milieu" en "informatie over emissies in het milieu" mogen niet restrictief worden uitgelegd. Het Hof heeft deze rechtspraak bevestigd in het arrest van 20 maart 2025, Sumitomo. In punt 95 van dat arrest overweegt het Hof verder:"Informatie die geen betrekking heeft op de emissies van het betrokken product of de betrokken stof in het milieu, en gegevens over hypothetische emissies, dat wil zeggen emissies die niet daadwerkelijk of voorzienbaar plaatsvinden in omstandigheden die met normaal of realistisch gebruik overeenstemmen, zijn daarentegen uitgesloten."



23. De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van de openbaar te maken bestanden. Hieruit blijkt dat in de openbaar te maken documenten bedrijfsadresgegevens, staltypen en het aantal dieren per locatie zijn opgenomen. Dit zijn gegevens over de invloeden van emissies op het milieu, waarmee het publiek in staat kan worden gesteld te controleren of de beoordeling van de daadwerkelijke of voorzienbare emissies door de minister juist is. De Afdeling heeft in de uitspraak van 27 januari 2021 geoordeeld dat de plaats van de emissies informatie over emissies in het milieu is. Ook het Hof heeft in het arrest van 20 maart 2025, punt 91, onder verwijzing naar haar eerdere rechtspraak, bevestigd dat de plaats van de emissies een emissiegegeven is. Dit geldt ook voor het aantal dieren op een locatie, zogeheten diertelgegevens. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 5 oktober 2022 zijn deze gegevens milieu-informatie die betrekking hebben op emissies in het milieu. Tot slot heeft de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraak van 24 september 2025 over dezelfde gegevens over de jaren 2010, 2015, 2020, 2021 en 2022 geoordeeld dat het gaat om emissiegegevens. De voorzieningenrechter oordeelt dan ook dat de huisvestingsgegevens en de UBN-adressen emissiegegevens zijn.



24. Verzoekers hebben aangevoerd dat het hier niet om emissiegegevens gaat, omdat met de gegevens de daadwerkelijke en voorzienbare emissies niet gecontroleerd kunnen worden. Zij wijzen erop dat de minister in Excelbestand 1 het ‘gemiddeld aantal dieren’ vermeldt, wat volgens hen niets zegt over de werkelijke emissie. De minister moet volgens hen het werkelijk aantal dieren noemen, zodat de emissie gecontroleerd kan worden.



25. De voorzieningenrechter volgt verzoekers hierin niet. Het ‘gemiddeld aantal dieren’ is het aantal dieren dat de agrariërs zelf in hun Gecombineerde opgave hebben vermeld. Het betreft het werkelijk gemiddelde van het aantal dieren over een bepaald registratietijdvak. Dat zegt dus iets over de daadwerkelijke en voorzienbare emissies in het betreffende tijdvak. De uitspraak van 24 september 2025 gaat bovendien ook over het ‘gemiddeld aantal dieren’ en dat gegeven merkt de Afdeling aan als emissiegegeven. Dat het oordeel van de Afdeling zou zien op andere gegevens, hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt en is ook niet waarschijnlijk. De Afdeling heeft, zo blijkt uit de uitspraak, kennisgenomen van de openbaar te maken gegevens. Deze zijn inmiddels daadwerkelijk openbaar gemaakt door publicatie daarvan op het internet. De gegevens zoals openbaar gemaakt in besluit Woo 2022-192 komen exact overeen met de gegevens zoals weergegeven in Excelbestand 1.



26. Verzoekers stellen dat deze gegevens niet meer aangemerkt kunnen worden als emissiegegevens, omdat het hier gaat om oude huisvestingsgegevens. Zij wijzen erop dat de UBN-adressen, waarmee de locatie van de emissies worden prijsgegeven, actuele gegevens zijn, terwijl de huisvestingsgegevens zich uitstrekken over oude jaren. Het is volgens verzoekers goed voorstelbaar dat op een bepaalde locatie geen stal meer staat. Door actuele locatiegegevens te vergelijken met oude huisvestingsgegevens, wordt niets duidelijk over daadwerkelijke of voorzienbare emissies.



27. De voorzieningenrechter geeft verzoekers hierin geen gelijk. Uit de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025 volgt dat de locatie van de emissie op zichzelf ook een emissiegegeven is. Als de locatiegegevens door tijdsverloop onbetrouwbaar zijn geworden, ontneemt dat niet het emissiekarakter van dat gegeven of aan de overige gegevens, te weten het aantal dieren en de staltypen. Dit zijn dan nog steeds gegevens over de invloeden van emissies op het milieu in het verleden, waarmee het publiek in staat kan worden gesteld te controleren of de beoordeling van de daadwerkelijke of voorzienbare emissies door de minister in het verleden juist was. Met het ontbreken van concrete locatiegegevens kan ook nog steeds informatie worden verkregen over emissies in bijvoorbeeld een bepaalde regio of in heel Nederland. De actualiteit van de locatiegegevens is dus niet doorslaggevend voor de vraag of het om emissiegegevens gaat. Ook is niet relevant dat op een bepaalde locatie inmiddels geen emissies in het milieu meer plaatsvinden, omdat de gegevens gedateerd zijn. Gedateerde gegevens zijn niet hetzelfde als onbetrouwbare gegevens. Zij zeggen wat over een situatie in het verleden. Op de zitting is besproken dat de minister ervoor zou kunnen kiezen om bij de publicatie van de gegevens op dit punt een algemene disclaimer op te nemen.


Verdrag van Aarhus

28. NMV heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de openbaarmaking van informatie, die dateert van voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Aarhus, geen wettelijke grondslag bestaat. Volgens NMV verzetten het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel zich ertegen dat deze niet actuele emissiegegevens alsnog openbaar worden gemaakt. NMV wijst verder op artikel 1b van Verordening EG, nr. 1367/2006 waaruit volgt dat milieu-informatie geleidelijk aan het publiek beschikbaar wordt gesteld. Het delen van alle informatie vanaf 1989 valt volgens NMV niet aan te merken als het geleidelijk beschikbaar stellen.



29. De voorzieningenrechter volgt NMV niet in dit betoog. Met de milieu-informatierichtlijn is het Verdrag van Aarhus geïmplementeerd in het Unierecht. Zowel het Verdrag van Aarhus als de milieu-informatierichtlijn zijn in Nederland geïmplementeerd in de Woo, waarbij openbaarheid van milieu-informatie het wettelijk uitgangspunt is. De wettelijke grondslag voor openbaarmaking is in dit geval de Woo. Dat de Woo niet zou gelden voor informatie van voor de inwerkingtreding van deze wet is een onjuiste rechtsopvatting. De Woo bevat immers geen bepaling die zijn werkingsbereik in tijd beperkt. Wat betreft het beroep van NMV op artikel 1b van de Verordening 1367/2006, is de voorzieningenrechter van oordeel dat die Verordening niet van toepassing is op besluiten van de minister. Deze Verordening heeft namelijk betrekking op toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus op de instellingen en organen van de Unie en de minister is geen instelling of orgaan van de Unie. Het voorgaande betekent dat de Woo er niet aan in de weg staat dat de minister gegevens vanaf 1989 in één keer openbaar maakt.


Tussenconclusie

30. Samenvattend concludeert de voorzieningenrechter dat de informatie uit de Gecombineerde opgaven van alle veehouders in Nederland, van 1989 tot en met 2022, zoals weergegeven in de Excelbestanden 1 en 4 milieu-informatie is die betrekking heeft op emissies in het milieu. Daarvoor geldt dat er op grond van artikel 5.1, zevende lid, van de Woo geen weigeringsgronden van toepassing zijn. Wat verzoekers hebben aangedragen over de inbreuk op de privacy van agrariërs die nabij hun stallen wonen, mogelijke dreiging van dierenrechtenactivisme en overige belangen, hoeft in dit kader dan ook niet verder besproken te worden. De minister kan die belangen niet wegen. De emissiegegevens moeten op grond van de Woo openbaar worden gemaakt.


Heeft de minister de landbouwtellingsgegevens openbaar mogen maken?


31. De minister heeft de landbouwtellingsgegevens ook openbaar gemaakt. Hij stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de gegevens die de agrariërs in de Gecombineerde opgave hebben verstrekt over hun landgebruik, bedrijfsgegevens zijn die zij in vertrouwen aan de overheid hebben verstrekt. De minister gaat echter toch over tot openbaarmaking van deze gegevens, omdat het volgens hem om milieu-gegevens gaat. Het betreft informatie over gewassen die op het land worden verbouwd. Op grond van artikel 5.1, zesde lid, van de Woo moet de minister de belangen van de agrariërs die deze gegevens vertrouwelijk aan de overheid hebben verstrekt, afwegen tegen het belang van de openbaarheid. De minister vindt dat het belang van openbaarheid zwaarder weegt, omdat de agrariërs niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun belang ernstig wordt geschaad bij openbaarmaking.


Reikwijdte Woo-verzoek

32. Verzoekers stellen ten eerste dat MOB niet heeft verzocht om de landbouwtellingsgegevens. Er is steeds gesproken over emissiegegevens van veehouders. Volgens verzoekers had de minister de landbouwtellinggegevens niet openbaar mogen maken in het kader van het voorliggende Woo-verzoek, maar deze buiten de reikwijdte van het verzoek moeten laten.

33. De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet in dit standpunt. Uit het Woo-verzoek van MOB blijkt dat zij ook expliciet heeft verzocht om informatie uit de Gecombineerde opgave die ziet op landgebruik. De voorzieningenrechter ziet in het verzoek van MOB geen inperkingen op dit onderdeel van haar Woo-verzoek. Dat de minister zelf in de zienswijzeprocedure en de berichtgeving naar de agrariërs toe steeds heeft gesproken over emissiegegevens van veehouders, betekent niet dat het Woo-verzoek beperkter moet worden opgevat dan MOB het heeft gedaan.


Milieugegevens

34. Verzoekers stellen zich ten tweede op het standpunt dat de gegevens over het landgebruik van gronden met gewascodes geen milieugegevens zijn. De enkele stelling dat het telen van gewassen of het braak laten liggen van percelen invloed heeft op het milieu, is daarvoor volgens hen onvoldoende. Verzoekers vinden dat de definitie wat wel en niet milieugegevens zijn, te ruim wordt uitgelegd. Informatie over landgebruik zegt volgens hen niets over de toestand van (elementen van) het milieu of andere milieufactoren, zoals stoffen.
35. Hiervoor onder overweging 22 is toegelicht dat voor de vraag of gegevens moeten worden aangemerkt als milieu-gegevens relevant is of wordt voldaan aan de wettelijke definitie daarvan in artikel 19.1a van de Wet milieubeheer. Zoals hiervoor al is overwogen moet deze definitie ruim worden uitgelegd. In dit geval gaat het om de landbouwtellinggegevens en dat zijn milieugegevens. Landbouwtellingsgegevens zeggen wat over de toestand van het land en over de activiteiten op dat land die een uitwerking op het milieu kunnen hebben. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit standpunt in de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2010, waarin is overwogen:
“Landbouwtellinggegevens bevatten, […], tevens gegevens over gewassen, cultuurgronden, grasland en de bedrijfsoppervlakte. Ook die gegevens bevatten informatie over factoren die elementen van het milieu aantasten of waarschijnlijk aantasten, onderscheidenlijk informatie over activiteiten die op dergelijke factoren een uitwerking hebben of kunnen hebben en dienen daarom te worden aangemerkt als milieu-informatie. Immers, met het telen van gewassen en het onderhouden van grasland en cultuurgronden zullen activiteiten zijn gemoeid die uitwerking kunnen hebben op factoren die elementen van het milieu aantasten, zoals het bemesten van gronden.”Verzoekers hebben geen valide argumenten aangedragen waarom de landbouwtellingsgegevens niet zouden vallen onder het begrip milieu-gegevens.



36. MOB stelt zich op het standpunt dat de gevraagde gegevens niet alleen zijn aan te merken als milieu-informatie maar dat het hier ook gaat om emissiegegevens. Deze voorzieningenprocedure gaat echter alleen over de vraag of de beroepen van verzoekers een redelijke kans van slagen hebben. Gelet op het navolgende behoeft dit standpunt van MOB geen verdere bespreking.
Belangenafweging
37. De minister heeft het belang van openbaarheid zwaarder laten wegen dan het belang van verzoekers. Verzoekers vinden dat onterecht. Zij stellen dat de gegevens informatie bevat, die inzicht geeft in de bedrijfsvoering en productieomvang van de agrariërs. Dat geldt in het bijzonder ook voor de informatie die gaat over landgebruik van gronden met gewascodes per bedrijfslocatie. Het gaat om tot bedrijven herleidbare informatie. Openbaarmaking zal de concurrentiepositie van agrariërs schaden. Ook vrezen verzoekers aantasting van de persoonlijke levenssfeer van agrariërs die nabij hun land wonen. Hun bedrijfsadres is ook vaak woonadres. Verzoekers vrezen verder voor sabotage. De vrees is dat de informatie in handen komt van milieuactivisten en natuurorganisaties, die er mee aan de haal gaan. Afgelopen jaren waren agrariërs volgens hen vaker het doelwit van acties. Niet is uitgesloten dat openbaarmaking negatieve gevolgen heeft voor de veiligheid van de agrariërs.



38. De voorzieningenrechter oordeelt dat de minister het belang van openbaarheid in dit geval zwaarder heeft mogen laten wegen dan de belangen van de agrariërs. Het beroep heeft ook op dit punt geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter legt dat hierna uit.

39. De belangen waar verzoekers zich op beroepen vallen onder artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo (bedrijfsgegevens die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld), 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo (de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) en 5.1, tweede lid, onder h, van de Woo (de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage). Omdat het gaat om milieu-informatie bepaalt artikel 5.1, zesde lid, van de Woo dat artikel 5.1, eerste lid onder c, van de Woo een relatieve weigeringsgrond is in plaats van een absolute. Het openbaar maken van bedrijfsgegevens blijft daarom slechts achterwege voor zover dat belang ernstig geschaad wordt en het algemeen belang van openbaarheid van informatie niet opweegt tegen deze schade.


Bedrijfsgegevens

40. De minister heeft zich gerealiseerd dat het hier om informatie gaat die vertrouwelijk aan de overheid is verstrekt en ook dat deze informatie te herleiden is tot de diverse bedrijven. Dit belang is in de belangenafweging van de minister betrokken. De voorzieningenrechter is het met de minister eens dat niet valt in te zien dat het belang van de bescherming van bedrijfsgegevens ernstig wordt geschaad door de openbaarmaking en dat dat belang zwaarder zou moeten wegen dan het belang van openbaarheid van milieu-informatie. Verzoekers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de openbaarmaking informatie betreft die de concurrentiepositie van agrariërs ernstig zou schaden. Zij hebben wel gesteld dat openbaarmaking tot schade leidt, maar dit is op geen enkele manier concreet gemaakt.


Persoonlijke levenssfeer

41. De enkele stelling dat de privacy van de agrariërs in het geding is, omdat velen van hen nabij hun bedrijf wonen, is op zichzelf ook geen reden om openbaarmaking van milieu-informatie te weigeren. Het is aan verzoekers om de concrete gevolgen van openbaarmaking te benoemen en aannemelijk te maken dat het gaat om een zwaarwegend belang. Dat hebben zij onvoldoende gedaan. In dat verband overweegt de voorzieningenrechter dat de minister eerder dezelfde informatie openbaar heeft gemaakt in het kader van het besluit Woo 2022-192 en dat niet is gesteld dat dit tot aantasting van de privacy heeft geleid. De minister heeft dit privacybelang dan ook niet zwaarder hoeven laten wegen dan het belang van openbaarheid.


Beveiliging en sabotage

42. De minister heeft zich verder in redelijkheid op het standpunt gesteld dat het gestelde belang van beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage als gevolg van acties van milieuactivisten in deze zaken minder zwaar weegt dan het belang van openbaarheid. De meeste door verzoekers aangedragen voorbeelden van acties en sabotage zien niet op de bedrijven waarop de informatie over landgebruik van gronden betrekking heeft. De overgelegde informatie wijst ook niet op een concrete, actuele dreiging richting landbouwbedrijven in het algemeen. De voorbeelden van acties die zijn genoemd hebben ook geen relatie met de openbaarmaking van gegevens op grond van de Woo. Dat verband hebben verzoekers niet onderbouwd. Dat organisaties, zoals bijvoorbeeld MOB, de gegevens willen gebruiken om handhavingsverzoeken te doen die de agrariërs niet willen, is geen zwaarwegend belang. De milieuorganisaties mogen namelijk om handhaving verzoeken . De voorzieningenrechter merkt daarbij nog op dat de feitelijke informatie die in de openbaar te maken bestanden staat, op zichzelf onvoldoende is om een handhavingsverzoek te onderbouwen.


Eindconclusie

43. Samenvattend komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat ook de landbouwtellingsgegevens openbaar gemaakt moeten worden, omdat het belang van de agrariërs niet opweegt tegen het belang van openbaarheid van milieugegevens. Het beroep van verzoekers heeft ook op dit onderdeel geen redelijke kans van slagen. Dat betekent dat geen van gronden die verzoekers hebben aangedragen, een redelijke kans van slagen heeft en de beroepen hoogstwaarschijnlijk ongegrond zijn. Het voorlopig rechtmatigheidsoordeel pakt voor verzoekers niet gunstig uit.


Hoe weegt de voorzieningenrechter de belangen?


44. De voorzieningenrechter moet bij een verzoek om een voorlopige voorziening ook altijd nog zelf de belangen afwegen, maar als al duidelijk is dat het beroep hoogstwaarschijnlijk niet zal slagen, is er weinig ruimte om op grond van een belangenafweging nog te beslissen dat openbaarmaking van de gegevens achterwege moet blijven.
45. De voorzieningenrechter realiseert zich dat een voorlopig rechtmatigheidsoordeel in dit stadium van de procedure tot gevolg heeft dat de minister de gegevens feitelijk openbaar mag maken door publicatie daarvan. Dat betekent dat het belang van de behandeling van de beroepen van verzoekers en van de overige agrariërs afneemt, omdat de gegevens op dat moment feitelijk al bekend zijn en er alleen nog gekeken kan worden of die beslissing moet worden teruggedraaid. Dat maakt de beroepen vrijwel zinledig. Dat is echter de consequentie van het feit dat er in de Woo geen uitzondering is gemaakt op de hoofdregel van artikel 6:16 van de Awb, dat bezwaar of beroep geen schorsende werking kent. Verzoekers hebben geen andere belangen aangedragen die tot de conclusie leiden dat het Woo-besluit geschorst moet worden. De voorzieningenrechter zal de werking van het Woo-besluit dan ook niet schorsen en de verzoeken om een voorlopige voorziening afwijzen.






Conclusie en gevolgen

46. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dat betekent dat de minister de Excelbestanden, voor zover deze nog niet openbaar zijn, openbaar mag maken. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026.













griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Dit zijn codes uit de lijst van de Regeling Ammoniak en Veehouderij (RAV).


Stcrt. 2026, 467.


ECLI:NL:RVS:2022:128, onder 4.2.


ECLI:NL:RVS:2025:4557.


Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4272.


https://www.rvo.nl/onderwerpen/contact/juridische-zaken/woo/reageren-op-woo-verzoek-als-belanghebbende/openbaar-maken


Dit zijn de gepseudonimiseerde relatienummers van de agrariërs bij Rvo; deze zijn gepseudonimiseerd zodat derden deze relatienummers niet oneigenlijk kunnen gebruiken.


https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2023/05/04/besluit-op-woo-verzoek-over-de-gecombineerde-opgaven-van-alle-agrarische-ondernemingen-in-nederland


Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB 2003, L 41).


Bijv. de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1926.


Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 26 juni 2003, Commissie/Frankrijk, ECLI:EU:C:2003:371, punt 44.


Bayer CropScience, ECLI:EU:C:2016:890 en Commissie/ACC, ECLI:EU:C:2016:889.


ECLI:EU:C:2025:195, punt 92.


ECLI:NL:RVS:2021:153.


ECLI:NL:RVS:2022:2871.


Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden.


Verordening betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de instellingen en organen van de Unie van 6 september 2006.


Richtlijn 2003/4/EG.


Artikel 19a, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wm.


ECLI:NL:RVS:2010:BM9643.
Link naar deze uitspraak