Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:28947 
 
Datum uitspraak:02-10-2026
Datum gepubliceerd:05-10-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:AWB 24/6898
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Afwijzing aanvraag visum voor kort verblijf. Onvoldoende economische en sociale binding met land van herkomst. Hoorplicht is niet geschonden. Beroep ongegrond.
Trefwoorden:landbouwer
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 24/6898

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] , eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Karkache),

en

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Dutscher).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een visum voor kort verblijf. Eiser is het niet eens met de afwijzing van deze aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de visumaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Procesverloop

3. Eiser heeft op 27 maart 2023 een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf. Hij is geboren op [geboortedatum] 1994 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser wil naar Nederland komen om zijn broer (referent) te bezoeken. Verweerder heeft de visumaanvraag met het besluit van 2 april 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 april 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

5. De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Referent, de echtgenote van referent en de gemachtigde van eiser zijn verschenen. De gemachtigde van verweerder heeft telefonisch deelgenomen aan de zitting.





Beoordeling door de rechtbank


Het bestreden besluit

6. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten. Volgens verweerder is sprake van geringe sociale en economische binding met Marokko.


De beroepsgronden

7. Eiser betoogt dat er wel sprake is van sociale en economische binding met Marokko. Ten aanzien van de economische binding wijst hij erop dat zijn economische situatie naar Marokkaanse maatstaven en merites moet worden beoordeeld. Eiser is boer/landbouwer/agriculteur. Het handelsverkeer van een landbouwer in Marokko drijft op een informele economie. In die wereld zijn arbeidsovereenkomsten, pintransacties en bonnen niet gebruikelijk. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een stuk overgelegd over de informele economie in Marokko. Eiser wijst er verder op dat alle overmakingen op de rekeningafschriften te zien zijn en dat hij geld spaart omdat hij wil trouwen met een meisje uit het dorp. Ten aanzien van eisers sociale binding met Marokko wijst hij erop dat hij weliswaar geen eigen gezin heeft, maar dat hij wel intensief zorgt voor zijn eigen vader. De vader van eiser had (wel) een visum gekregen om naar Nederland te komen, maar is niet gegaan omdat eiser hem zou begeleiden en eisers visum werd geweigerd. Als eiser niet zou terugkeren naar Marokko, laat hij zijn ouders in de steek en zet hij zijn toekomst op het spel. Eiser wijst er verder op dat referent garant staat voor eisers tijdige terugkeer en hij niet wil dat latere garantstellingen in gevaar komen. Eiser voert verder aan dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord. Hij wijst er voorts op dat verweerder ten aanzien van de dwangsom heeft verwezen naar artikel 4:17, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), terwijl dit artikel 4:17, zesde lid, sub c, Awb moet zijn. Het bestreden besluit kan daarom volgens eiser geen stand houden.


Het oordeel van de rechtbank



Economische binding

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft mogen stellen dat de economische binding van eiser met Marokko onvoldoende is aangetoond danwel niet zo sterk is dat de tijdige terugkeer van eiser is gewaarborgd. Verweerder heeft daartoe kunnen overwegen dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat eiser over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt om zelfstandig in zijn onderhoud te kunnen voorzien. Eiser heeft op het visumaanvraagformulier vermeld dat hij werkzaam is als landbouwer. In de 'Vragenlijst visumaanvraag' heeft referent aangegeven dat eiser met deze werkzaamheden een netto maandinkomen van ongeveer 4.000 Dirham (omgerekend € 369,-) verdient. Eiser heeft deze werkzaamheden en inkomsten echter niet onderbouwd met stukken. Uit het overgelegde certificaat blijkt bijvoorbeeld niet dat eiser daadwerkelijk economisch actief is en dat er een inkomen wordt gegenereerd en belastingen worden afgedragen. Eiser heeft hiermee dus niet aangetoond dat hij in zijn eigen onderhoud kan voorzien en dat terugkeer hiervoor noodzakelijk is.

9. Eiser heeft verder bankafschriften van de Attijariwafa bank overgelegd. Daarop is op 21 maart 2023 een saldo van 28.300,92 Dirham te zien (omgerekend € 2.610,48). Op deze bankafschriften zijn vrijwel geen saldobewegingen zichtbaar. Er heeft elke maand een contante storting van 4.000 Dirham plaatsgevonden, maar er zijn geen aanwijzingen dat deze stortingen het gevolg zijn van inkomsten gegenereerd uit werk. Gelet hierop heeft eiser ook met de overgelegde bankafschriften niet aangetoond dat hij daadwerkelijk werkzaam is en een structureel en substantieel inkomen genereert en op basis hiervan economisch is gebonden aan Marokko.

10. Hoewel de rechtbank begrijpt dat zaken in Marokko anders verlopen dan in Nederland, heeft verweerder er terecht op gewezen dat het aan eiser is om zijn economische activiteiten en het daarmee gegenereerde inkomen te onderbouwen dan wel
voldoende aannemelijk te maken. Eiser heeft in de bezwaarfase en ook in de beroepsfase geen (aanvullende) bewijsstukken overgelegd die zijn economische binding aan Marokko alsnog aantonen, terwijl dit wel op zijn weg lag.

11. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat eiser een zodanige economische binding heeft met Marokko dat tijdige terugkeer redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.


Sociale binding

12. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft mogen stellen dat de sociale binding van eiser met Marokko onvoldoende is aangetoond danwel zeer gering is gebleken, zodat tijdige terugkeer na afloop van het beoogde verblijf niet voldoende is gewaarborgd. Eiser is ongehuwd en heeft geen kinderen. Er bestaat dus geen sociale band met Marokko voor wat betreft een eigen gezin waarvoor eiser de verantwoordelijkheid draagt. Eiser wilde verder samen met zijn ouders naar Nederland reizen, zodat er ook geen sociale band met Marokko bestaat voor wat betreft een eigen achterblijvend gezin. Eiser heeft bovendien een document overgelegd waaruit blijkt dat vier familieleden in het Schengengebied verblijven (waaronder referent in Nederland). Gelet hierop kan niet zonder meer worden aangenomen dat de sociale binding van eiser met Marokko zodanig sterk is dat zijn tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten.

13. Eiser heeft aangegeven dat hij voor zijn vader zorgt en heeft toegelicht dat zijn vader bijvoorbeeld ook niet alleen naar Nederland is gereisd op het aan hem (wel) verleende visum, omdat hij dit met de steun van eiser wilde doen. Voor zover moet worden aangenomen dat eisers vader hulpbehoevend is, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat eiser deze hulp verleent. Dit blijkt niet uit de door eiser overgelegde foto’s. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat niemand anders deze hulp zou kunnen overnemen. Daarbij heeft verweerder erop kunnen wijzen dat er op de lijst van familieleden staat dat zeven familieleden in Marokko verblijven. Bovendien is aangegeven dat de buren (eveneens) zorg zullen dragen voor eisers vader. Verder is niet gebleken dat eiser de zorg heeft voor andere directe familieleden of dat hij in staat zou zijn om hen te onderhouden. Ook is niet gebleken dat sprake is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiser zouden dwingen tijdig naar Marokko terug te keren.

14. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat eiser een zodanige sociale binding heeft met Marokko dat tijdige terugkeer redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.


Hoorplicht

15. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb mag alleen van het horen in bezwaar worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1918).

16. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval aan die maatstaf is voldaan. In wat eiser in het bezwaarschrift heeft aangevoerd en in de door referent ingevulde vragenlijst heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om eiser (of referent) te horen. Het bezwaarschrift en de overgelegde vragenlijst bevatten bijvoorbeeld geen indicatie dat eiser, anders dan in het primaire besluit is overwogen, voldoende economische en sociale binding met Marokko heeft. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.


Dwangsom

17. Gelet op het bepaalde in artikel 4:17, vijfde lid, onder c, van de Awb is verweerder geen dwangsom verschuldigd als de aanvraag kennelijk ongegrond is. Voor zover verweerder in het bestreden besluit heeft verwezen naar artikel 4:17, zesde lid, van de Awb, en/of hij alleen ‘artikel 4:17, zesde lid’ heeft genoemd, en niet ook ‘sub c’, leidt dit niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een kennelijke verschrijving en was het voor de gemachtigde van eiser duidelijk wat verweerder heeft bedoeld.



Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de visumaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Link naar deze uitspraak