Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:27075 
 
Datum uitspraak:23-09-2026
Datum gepubliceerd:05-10-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:C/09/691254
Rechtsgebied:Intellectueel-eigendomsrecht
Indicatie:octrooirecht; indirecte inbreuk; geldigheid octrooi; toegevoegde materie; nieuwheid; inventiviteit. HatchTech is houdster van EP 611 over een incubator met voertrog en lichtbron voor early feeding van kuikens. Giordano bracht de HCS+-kratten op de markt. De rechtbank verwerpt de nietigheidsverweren: geen toegevoegde materie, het octrooi is nieuw en inventief. Giordano maakt wel indirecte inbreuk doordat zij HCS+ aanbiedt terwijl zij in advertenties wijst op toepassing van verlichting in broedkamers. Verklaring voor recht, verbod, opgave, schadevergoeding/winstafdracht en dwangsommen toegewezen; reconventionele vernietigingsvordering afgewezen.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
eieren
pluimvee
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaaknummer: C/09/691254 / HA ZA 25-779


Vonnis van 23 september 2026


in de zaak van


HATCHTECH GROUP B.V.,
te De Klomp,
eisende partij in conventie, gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: Hatchtech,
advocaat: mr. P.L. Reeskamp,
octrooigemachtigde: ir. W. Niesing,

tegen


TWINPACK SPECIAL PRODUCTS B.V., TEVENS HANDELENDE ONDER DE NAAM GIORDANO,
te Kootwijkerbroek,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Giordano,
advocaten: mr. M.W. Rijsdijk en mr. D.E. Colenbrander,
octrooigemachtigden: ir. M.H. Luten en ir. T. Spruit.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de VRO beschikking van 28 augustus 2025;
- de dagvaarding en de producties EP00 tot en met EP13;
- de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie met producties GP01 tot en met GP17;
- de conclusie van antwoord in reconventie met de producties EP14 tot en met EP25;
- de akte overlegging productie met EP26;
- de schriftelijke pleitnota’s van partijen;
- de reactieve pleitnota van Giordano;
- de mondelinge behandeling van 27 maart 2026.



1.2.
Ten slotte is nader vonnis bepaald.






2Samenvatting van het geschil


2.1.
Deze zaak gaat over een geoctrooieerde uitvinding (EP 1 998 611 B1), verder EP 611 of het Octrooi, die betrekking heeft op de omstandigheden in de broedkamer tijdens de tweede broedfase. Hatchtech, een fabrikant van broedkamersystemen, is houdster van EP 611.



2.2.
Wanneer een kip een ei legt, duurt het 19 tot 21 dagen voordat uit dat ei een kuiken verschijnt. Men kan spreken van een eerste broedfase (dag 1 tot en met 18) waarin alle kuikens nog in het ei zitten, en een tweede broedfase (dag 19 tot en met 21), waarin de kuikens uitkomen. Een net uitgekomen kuiken kan vrijwel direct lopen en zien en zal ook vrijwel meteen op zoek gaan naar eten en drinken.



2.3.
De pluimveesector maakt gebruik van broedkamers om eieren te laten uitbroeden. Een broedkamer (ook wel incubator genoemd) is een afgesloten ruimte waarin de eieren onder gecontroleerde klimaatomstandigheden (temperatuur, luchtvochtigheid) in kratten worden uitgebroed. Wanneer alle eieren zijn uitgebroed (dus aan het einde van de tweede broedfase), worden de kuikens uit de broedruimte gehaald en, bijvoorbeeld, in een stalruimte geplaatst waar zij verder kunnen groeien.














Broedkamer Broedkrat




2.4.
De branchestandaard – volgens EP 611 – was dat er in de broedkratten geen voorzieningen waren voor voer. Kuikens kregen pas voor het eerst iets te eten wanneer ze aan het einde van de tweede broedfase (na dag 21) waren verplaatst naar hun volgende bestemming. Voor de kuikens die vroeger uitkomen (op dag 19 en 20) betekent dit dat zij 48 tot 72 uur verstoken blijven van eten en drinken, terwijl onderzoek heeft uitgewezen dat het voorzien in eten en drinken vanaf het moment dat de eerste kuikens uitkomen op dag 19 (early feeding), resulteert in betere groei en uiteindelijk zwaardere slachtrijpe kuikens.



2.5.
Het Octrooi claimt, kort gezegd, twee maatregelen om te voorzien in early feeding. De eerste is het plaatsen van een voedingstrog in het broedkrat en het tweede is het plaatsen van een lichtbron om de kuikens in staat te stellen het voer (sneller) te vinden.



2.6.
HatchTech meent dat Giordano inbreuk maakt op dit Octrooi en heeft daarom deze procedure aangespannen. Giordano weerspreekt dat zij inbreuk maakt op EP 611 en stelt bovendien dat EP 611 geen geldig octrooi is omdat de uitvinding niet nieuw en niet inventief is. Zij vordert daarom vernietiging van (een deel van) het Octrooi.



2.7.
Hierna zal de rechtbank nader ingaan op het Octrooi zelf en het gewraakte handelen van Giordano. Vervolgens zal de rechtbank (onder “4. Het geschil”) de vorderingen over en weer weergeven en op hoofdlijnen de door partijen ingenomen standpunten. Onder “5. De beoordeling” zal de rechtbank nader op de standpunten ingaan en een gemotiveerd oordeel geven. Dat oordeel komt erop neer dat sprake is van een geldig octrooi waarop Giordano ook (indirect) inbreuk heeft gemaakt. Tot slot zal de rechtbank de vorderingen die HatchTech heeft ingesteld bespreken, gevolgd door het dictum.





3Feiten (in conventie en reconventie)


Het Octrooi



3.1.
EP 611 is door HatchTech aangevraagd op 22 maart 2007 (de oorspronkelijke aanvraag is gepubliceerd als WO 2007/110861) en roept de prioriteit in van het Amerikaanse octrooi US 786 733 (US733) dat is ingediend op 29 maart 2006. EP 611 is uiteindelijk verleend op 10 oktober 2018 en onder andere gedesigneerd voor Nederland.


De conclusies en de tekeningen




3.2.
De onafhankelijke conclusie 1 en de afhankelijke conclusies 2, 3, 6 en 10 luiden (in de Nederlandse vertaling) als volgt:

1. Incubator, die een compartiment heeft binnen de incubator, waarbij het compartiment omvat:

(a) een incubator-eidrager, die een eidragerbodem heeft, en ten minste een eidragerwand; met het kenmerk, dat het compartiment in de incubator kuikens toestaat zich te voeden tijdens het uitbroeden zonder dat het uitkomstpercentage of de leefbaarheid wordt gereduceerd, en dat het compartiment omvat;

(b) ten minste een trog, die een trogbodem heeft, en ten minste een trogwand, die is ingericht in de incubator-eidrager, en

(c) een lichtbron die is ingericht voor het trekken van de aandacht van een kuiken en om kuikens in staat te stellen voedsel te vinden.

2. Incubator volgens conclusie 1, waarbij de trog is een kanttrog is, die een kanttrogrug heeft.

3. Incubator volgens conclusie 2, waarbij de lichtbron is ingericht boven de eidragerbodem.

6. Incubator volgens conclusie 3, waarbij de Lichtbron is voorzien van:

(i) ten minste twee licht emitterende diodes die zijn verspreid binnen het compartiment.

10. Incubator volgens conclusie 1, waarbij de trog een integraal onderdeel is van de eierdragerstructuur van de incubator.



3.3.
Om de conclusies te illustreren, is onder meer de volgende tekening in het octrooi opgenomen:







300 ziet op het genoemde compartiment binnen de incubator. 200 verwijst naar de in de conclusies genoemde eidragerbodem met eidragerwanden (bijvoorbeeld een broedkrat). 100 verwijst naar de (kant)troggen. 13 zijn (LED) lichtbronnen.



3.4.
Relevante passages uit de beschrijving van het Octrooi zullen voor zover nodig bij de beoordeling worden geciteerd.


De kratten van Giordano




3.5.
Giordano is van oorsprong fabrikant van kartonnen eierverpakkingen. Op enig moment is Giordano zich ook gaan toeleggen op de productie en het vermarkten van (kunststof) kratten die kunnen worden gebruikt in broedkamers, waaronder het krat dat zij aanbiedt onder de naam HCS+ Prolife (hierna: HCS+), dat hieronder staat afgebeeld.














Zoals uit de afbeelding blijkt, is het HCS+ krat aan de zijkanten voorzien van troggen waar voer en water in kan worden gedaan.



3.6.
In het vakblad International Hatchery Practice (Volume 38, Number 8) heeft Giordano eind 2024 een advertentie geplaatst voor de HCS+ kratten. Daarin stond onder meer het volgende:


The water gutters are filled in a controlled manner from which the chicks can drink. Obvious, the water is only offered when the light in the hatcher is switched on.



The HCS+ ProLife system can be applied in almost all existing hatchers and with minimal adjustments. The necessary one-off provisions are the installation of water pipes in te ceiling of the hatcher and the placement of LED light strips on the side walls/screens.


Deze advertentie is ook gepubliceerd op de website www.agriinsightspublications.com op 19 juni 2025.



3.7.
Op 10 februari 2025 heeft HatchTech voor het eerst een sommatiebrief aan Giordano verzonden waarin zij Giordano erop wijst dat met de verkoop van de HCS+ inbreuk wordt gemaakt op EP 611.





4Het geschil


De vordering in conventie



4.1.
HatchTech vordert in conventie – samengevat –:

(a) Een verklaring voor recht dat Giordano indirecte inbreuk maakt op het Nederlandse deel van EP 611 indien zij HCS+ in Nederland aanbiedt of levert;
(b) Een verbod op enigerlei wijze indirecte inbreuk te maken op het Nederlandse deel van EP 611 en meer in het bijzonder te verbieden HCS+ in Nederland aan te bieden of te leveren;
(c) Een bevel om aan de advocaat van HatchTech te bezorgen een door een accountant verstrekte verklaring die een volledige specificatie dient te bevatten van:

(i) het totale aantal door Giordano in Nederland aangeboden en/of geleverde exemplaren van HCS+;

(ii) de inkoopprijzen onder overlegging van goed leesbare afschriften van alle orders, orderbevestigingen, facturen en andere inkoopbescheiden;

(iii) een lijst van in Nederland gevestigde afnemers van HCS+, met vermelding van naam en adres en de betreffende contactpersoon van die afnemer;

(iv) het totale aantal door Giordano verkochte exemplaren van HCS+, gespecificeerd per professionele afnemer onder opgave van de verkoopprijzen en leverdata, met overlegging van goed leesbare afschriften van alle orders, orderbevestigingen, facturen en andere verkoopbescheiden;

(v) de totale hoeveelheid nettowinst die Giordano heeft gemaakt als resultaat van het verhandelen van de HCS+ systemen, gestaafd door goed leesbare afschriften van alle daarvoor relevante bescheiden, welke nettowinst zal worden berekend door van de verkoopprijs slechts af te trekken de belastingen en kosten welke rechtstreeks met de verkoop van de HCS+ systemen samenhangen;

(vi) van producenten van HCS+ waarvan Giordano redelijkerwijs behoort te weten dat de door hen geproduceerde exemplaren van HCS+ bestemd zijn voor verhandeling op de Nederlandse markt;

(d) de veroordeling tot, ter keuze van HatchTech, vergoeding van de geleden schade dan wel winstafdracht ten gevolge van de inbreuken op het Nederlandse deel van EP 1611;

(e) voor wat betreft (b) en (c) op straffe van een dwangsom;

(f) met veroordeling van Giordano in de proceskosten ingevolge artikel 1019h.



4.2.
HatchTech legt aan deze vorderingen ten grondslag dat Giordano met de productie en verhandeling van de HCS+ kratten indirect inbreuk maakt op conclusies 1, 2, 3, 6 en 10 van het Octrooi.



4.3.
Giordano voert verweer. Primair voert zij aan dat het Octrooi nietig is omdat het toegevoegde materie bevat en niet nieuw, althans niet inventief is. Subsidiair betwist zij dat de HCS+ kratten indirect inbreuk maken op het Octrooi.



4.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.



De vordering in reconventie




4.5.
Giordano vordert in reconventie – samengevat – primair vernietiging van EP 611 in het geheel en subsidiair vernietiging van de conclusies 1, 2, 3, 6 en 10 van EP 611, omdat het toegevoegde materie bevat en niet nieuw, althans niet inventief is.



4.6.
Hatchtech voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.



4.7.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





5De beoordeling in conventie en reconventie


Bevoegdheid



5.1.
De internationale bevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van de vorderingen van Hatchtech in conventie met als grondslag dat Giordano inbreuk maakt op het Nederlandse deel van EP 611, berust op artikel 4 Brussel I bis-Vo. De relatieve bevoegdheid van de rechtbank volgt uit artikel 80 lid 2 sub a ROW.



5.2.
De rechtbank is ook (internationaal) bevoegd om kennis te nemen van de vordering van Giordano in reconventie strekkende tot vernietiging van het Nederlandse deel van EP 611, dit op grond van het bepaalde in artikel 24 aanhef en onder 4 Brussel I bis-Vo. De relatieve bevoegdheid van de rechtbank vloeit voort uit artikel 80 lid 1 sub a ROW.


De vakpersoon




5.3.
De rechtbank zal bij de verdere beoordeling uitgaan van de vakpersoon zoals die door Giordano (en door HatchTech niet weersproken) is gedefinieerd:

De vakpersoon wordt geacht zowel theoretische kennis over, alsook praktische ervaring in, het ontwerp en de werking van alle incubators voor pluimvee te hebben die op de effectieve datum openbaar geweest zijn (inclusief commerciële incubators), en te beschikken over alle (wetenschappelijke) literatuur, technische publicaties en handboeken over onder meer optimale broedregimes, (eet)gedrag en (groei)ontwikkeling bij pluimvee.


Geldigheid van het octrooi




5.4.
Aangezien voor de vorderingen in conventie een beroep wordt gedaan op het Octrooi en in reconventie nietigverklaring wordt gevorderd van het Octrooi, zal deze vordering eerst worden beoordeeld.


Toegevoegde materie




5.5.
Giordano stelt dat EP 611 nietig is omdat het niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 123 lid 2 EOV en artikel 75 lid 1 sub c ROW. Deze artikelen bepalen dat de Europese octrooiaanvraag of het Europees octrooi niet zodanig kan worden gewijzigd dat het onderwerp van het octrooi niet meer wordt gedekt door de inhoud van de aanvraag zoals die oorspronkelijk is ingediend.



5.6.
Ten aanzien van EP 611 wijst Giordano erop dat basis voor de geoctrooieerde incubator zou moeten worden geboden door conclusie 16 in de aanvraag die tot het Octrooi heeft geleid (WO 2007/110861):


16. An incubator comprising:


(a) a compartment, enabling chicks to feed during hatching without reducing hatchability or livability, the compartment including:



(i) an incubator egg tray, having an egg tray bottom, and at least one egg tray wall; and


(ii) at least one trough, having a trough bottom, and at least one transparent trough wall, disposed inside said incubator egg tray; and


(iii) a lighting source disposed above said egg tray bottom; and



(b) an automated feeder, wherein said automated feeder enables automatic distribution of feed to said at least one trough.”

Kenmerk b (automated feeder) is geheel afwezig in het Octrooi zoals verleend. Het weglaten van de “automated feeder” uit conclusie 1 van het Octrooi is volgens Giordano een ongeoorloofde veralgemenisering van de geclaimde incubator, zodat in strijd met artikel 123 lid 2 EOV en artikel 75 lid 1 sub c ROW sprake is van toegevoegde materie en EP 611 daarom nietig is.



5.7.
HatchTech brengt hiertegen in dat de vakpersoon die het aanvraagdocument leest zal begrijpen dat de automated feeder geen noodzakelijk onderdeel is van de uitvinding maar een “nice to have”. Daarmee is volgens HatchTech, die in dit verband ook wijst naar andere onderdelen van het aanvraagdocument, het compartiment in een incubator met voertrog(gen) en licht maar zonder automated feeder wel degelijk geopenbaard.



5.8.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van toegevoegde materie en legt hierna uit waarom.



5.9.
De achterliggende gedachte van deze nietigheidsgrond is dat een aanvrager zijn positie niet mag verbeteren door het toevoegen van materie die niet in de oorspronkelijke aanvraag is geopenbaard. Dit zou een ongerechtvaardigd voordeel voor de aanvrager opleveren door het claimen van bescherming voor niet in de oorspronkelijke aanvraag geclaimde materie en gaat ten koste van de rechtszekerheid van derden, die van de inhoud van de oorspronkelijke aanvraag uit mogen gaan en na de oorspronkelijke aanvraag niet met nieuwe technische informatie mogen worden geconfronteerd.



5.10.
Het EOB hanteert voor het vaststellen van toegevoegde materie de zogenoemde ‘openbaringstest’ (‘disclosure-test’), ook bekend als de ‘gouden standaard’. Kern van die toets is dat een wijziging alleen is toegelaten wanneer die direct en ondubbelzinnig (‘directly and unambiguously’) uit de beschrijving, de conclusies en de tekeningen van die oorspronkelijk ingediende aanvraag is af te leiden door de vakpersoon, met gebruik van diens algemene vakkennis. Niet is vereist dat de wijziging letterlijk in de betreffende gewijzigde vorm in de aanvraag moet zijn terug te vinden; het gaat erom of de gewijzigde of toegevoegde onderdelen dezelfde technische informatie weerspiegelen die de gemiddelde vakpersoon die de oorspronkelijke aanvraag tot zich neemt, zou hebben afgeleid uit de inhoud van die aanvraag als geheel.



5.11.
De vraag is dus of in het onderhavige geval de vakpersoon in staat is uit de aanvraag een compartiment met een eidragerbodem, voedingstrog en verlichting, maar zonder automated feeder af te leiden. Daarbij moet ervan worden uitgegaan dat de vakpersoon de gehele aanvraag (conclusies, beschrijving, tekeningen) gebruikt en niet slechts een geïsoleerd onderdeel. Giordano maakt in deze een vergelijking tussen conclusie 16 van WO 2007/110861 en de geclaimde uitvinding, maar laat daarbij ten onrechte buiten beschouwing dat de aanvraag meerdere conclusies en voorbeelden bevat waarin de automated feeder niet wordt genoemd. Zo luidt conclusie 1 van de oorspronkelijke aanvraag:







en conclusie 3:









5.12.
Daarnaast vermeldt de beschrijving (p. 9, regels 8-10) het volgende:


“According to the present invention, feed
can
be distributed automatically to troughs in order to make feeding more conventient and less timely in comparison with manual feeding” [onderstreping rechtbank].



5.13.
Daarmee is het voor de vakpersoon voldoende duidelijk dat de uitvinding ook zonder automated feeder uit de aanvraag kan worden afgeleid.


Nieuwheid




5.14.
Dat het Octrooi niet nieuw is, volgt volgens Giordano uit de volgende stukken die volgens haar behoren tot de stand van de techniek:



NL 1029714 (hierna vernoemd naar de uitvinder: “Kuijken”)


GB 778820 A (“Lecieux”)


Het artikel David Sklan, Yael Noy, Anat Hoyzman, and Israel Rozenboim, Decreasing Weight Loss In The Hatchery By Feeding Chicks And Poults In Hatching Trays, Journal of Applied Poultry Research, Volume 9, Issue 2, 1 July 2000, Pages 142-148, ISSN 1056-6171, https://doi.org/10.1093/japr/9.2.142 (“Sklan”)





5.15.
De rechtbank oordeelt dat geen van deze publicaties nieuwheidsschadelijk is voor het Octrooi.



5.16.
Om voor octrooibescherming in aanmerking te komen moet een uitvinding nieuw zijn, dat wil zeggen het mag geen onderdeel uitmaken van de stand van de techniek (artikel 54 lid 1 EOV). Tot de stand van de techniek behoort alles dat voor de prioriteitsdatum van het octrooi is openbaargemaakt. Een openbaarmaking is alleen dan nieuwheidsschadelijk als de gehele uitvinding zoals die in de conclusies van de latere octrooiaanvraag is gedefinieerd, in de eerdere openbaarmaking vervat is; dat wil zeggen als alle elementen van de uitvinding die in de latere octrooiaanvraag worden aangeduid, ook in de eerdere openbaarmaking terug zijn te vinden. Ook in dit kader geldt weer dat alleen datgene dat direct en ondubbelzinnig uit de stand van de techniek kenbaar is, relevant is voor de nieuwheid.


Kuijken




5.17.
Kuijken is aangevraagd op 11 augustus 2005. Verlening en publicatie hebben plaatsgevonden op 19 februari 2007, derhalve na de prioriteitsdatum (29 maart 2006) maar voor de aanvraagdatum (19 februari 2007) van EP 611. Giordano stelt in dit verband dat HatchTech zich niet op de prioriteitsdatum kan beroepen omdat het prioriteitsdocument US733 niet op dezelfde materie ziet als het Octrooi. Dit is in het bijzonder gelegen in het feit dat onder de Description of the preferred embodiment ( US733, p.4) het volgende staat weergegeven:






Dat de voedingstrog “transparant” moet zijn, is in EP 611 nergens terug te vinden, aldus Giordano.



5.18.
De rechtbank stelt voorop dat de toets hier dezelfde is als die met betrekking tot toegevoegde materie (zie 5.10): is de geclaimde uitvinding direct en ondubbelzinnig uit de beschrijving, de conclusies en de tekeningen van het prioriteitsdocument door de vakpersoon, met gebruik van diens algemene vakkennis, af te leiden. Oftewel, leest de vakpersoon in het prioriteitsdocument ook een niet-transparante voedingstrog? De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.



5.19.
Dat de voedingstrog transparant is, wordt slechts één keer genoemd in US733 in het kader van de beschrijving van de “preferred embodiment”. Er wordt geen uitleg gegeven waarom die trog transparant moet zijn en dit element heeft derhalve volgens US733 geen enkele technische betekenis. Dat de vakpersoon op basis van zijn vakkennis zou moeten begrijpen dat het transparant zijn van de trog enige technische relevantie heeft in het kader van de geclaimde uitvinding is door Giordano niet gesteld of anderszins gebleken. Bij deze stand van zaken moet worden aangenomen dat de vakpersoon de transparante voedingstrog zal beschouwen als een mogelijke uitvoeringsvorm maar niet als betekenisvol voor de technische leer van US733.



5.20.
Daarmee is ten aanzien van EP 611 terecht de prioriteit ingeroepen van US733 en behoort Kuijken vanwege de publicatiedatum gelegen na de prioriteitsdatum niet tot de stand van de techniek. Reeds daarom kan Kuijken de nieuwheid van EP 611 niet aantasten.


Lecieux




5.21.
Lecieux dateert uit 1957 en openbaart een systeem voor het uitbroeden van eieren. Zijn uitvinding komt er in de kern op neer dat een broedkrat in een incubator (hatcher) wordt verdeeld in twee compartimenten: een onverlicht compartiment voor de eieren (egg chamber) en een verlicht compartiment voor de kuikens (chick chamber).







Het broedkrat van Lecieux









De hatcher van Lecieux


Het probleem dat Lecieux wil adresseren staat als volgt omschreven:








Lecieux wil dit probleem als volgt oplossen:














5.22.
Lecieux openbaart geen plaatsing van voedingstroggen in de chick chamber. Lecieux besteedt geen enkele aandacht aan de vraag of en hoe de net uitgekomen kuikens van voer worden voorzien.



5.23.
Giordano voert in dit verband aan dat Lecieux niettemin voldoet aan kenmerk 1(b) (ten minste een trog, die een trogbodem heeft, en ten minste een trogwand, die is ingericht in de incubator-eidrager) omdat de chick chamber geschikt is om daarin kuikenvoer te verschaffen en deze chick chamber, die afgescheiden is van de egg chamber met een scheidingswand, daarom kan worden beschouwd als een voedingstrog.



5.24.
Giordano kan hierin niet worden gevolgd. Het enkele feit dat de chick chamber kan worden gebruikt om voer te verschaffen (nogmaals, Lecieux zegt daarover niets) maakt niet dat een voedingstrog is geopenbaard. De vakpersoon zal een voedingstrog begrijpen conform de gebruikelijke betekenis daarvan, namelijk een (langwerpige) voederbak waaruit dieren kunnen eten. Een dergelijke trog wordt in Lecieux niet geopenbaard, ook niet impliciet.



5.25.
Ook Lecieux is dus niet nieuwheidsschadelijk voor EP 611.


Sklan




5.26.
Sklan openbaart een onderzoek naar de effectiviteit van early feeding. Het artikel vermeldt, onder meer, het volgende:









5.27.
Hoewel Sklan geen lichtbron vermeldt, is EP 611 volgens Giordano toch niet nieuw omdat:


“reeds lang bekend [is] dat (al dan niet net uitgekomen) kuikens pas eten wanneer er licht is, waardoor een lichtbron eenvoudigweg noodzakelijk is […]. Onvermijdelijk is dan ook dat de “hatching trays” van Sklan verlicht zijn door een of meer lichtbronnen.”




5.28.
Hierin miskent Giordano dat stand van de techniek alleen relevant is wanneer het de gehele geclaimde uitvinding openbaart. Het enkele gegeven dat men met toepassing van algemene vakkennis tot de uitvinding kan komen, kan eventueel relevant zijn in het kader van de beoordeling van de inventiviteit, maar niet bij de beoordeling van de nieuwheid.



5.29.
Sklan kan daarom niet worden gebruikt om de nieuwheid van conclusie 1 van EP 611 weg te nemen.


Inventiviteit




5.30.
Giordano stelt dat conclusie 1 van EP 611 niet inventief is in het licht van:
a. Kuijken of Sklan in combinatie met de algemene vakkennis
b. Kuijken of Sklan in combinatie met:

i. Robert L. Squibb and George H. Collier, Feeding Behavior of Chicks under Three Lighting Regimens, 1979 Poultry Science 58:641-645 (Squibb);
ii. W. L. Beane, P. B. Siegel and H. S. Siegel, Light Environment as a Factor in Growth and Feed Efficiency of Meat-Type Chickens, Environmental Adaptation, 1965 (Beane);
iii. en/of Lecieux.



5.31.
Giordano’s betoog komt erop neer dat early feeding door middel van het voorzien van het broedkrat van een of meer voedingstroggen reeds bekend was uit Kuijken en Sklan, terwijl de voordelen van verlichting bekend waren uit de algemene vakkennis, dan wel Squibb, Beane en/of Lecieux. De vakpersoon zal dus – zonder inventieve denkarbeid – een lichtbron (zou die er al niet zijn) toevoegen aan de incubator zoals voorgesteld in zowel Sklan als Kuijken.


Inventiviteit algemeen




5.32.
Een uitvinding wordt aangemerkt als inventief (als resultaat van uitvinderswerkzaamheid), indien zij voor de gemiddelde vakpersoon niet op een voor de hand liggende wijze voortvloeit uit de stand van de techniek (artikel 56 EOV). Inventiviteit ontbreekt wanneer de gemiddelde vakpersoon, uitgaande van de relevante stand van de techniek, het probleem zou – en niet slechts kon – hebben opgelost op de wijze die wordt geclaimd in het octrooi. Als de uitvinding het resultaat is van nader onderzoek, ligt de uitvinding niet alleen voor de hand als de gemiddelde vakpersoon dat onderzoek vanwege een aansporing in de stand van de techniek zou hebben uitgevoerd en de resultaten duidelijk voorspelbaar zijn, maar ook als er sprake was van een redelijke verwachting van succes. Dat wil zeggen dat de gemiddelde vakpersoon in staat was, om op basis van een wetenschappelijke inschatting van de hem bekende feiten, voorafgaand aan de start van een onderzoeksproject, op rationele wijze een succesvol einde – binnen acceptabele tijd – van dat onderzoeksproject te voorspellen. Daarbij kan van belang zijn of de te verrichten onderzoeken tijdrovend en/of ingewikkeld waren, dan wel of slechts routinematige experimenten nodig waren. Ook als het objectief technisch probleem bestaat uit het verschaffen van een alternatieve behandeling ten opzichte van de meest nabije stand van de techniek, moet sprake zijn van een redelijke succesverwachting. Het is niet nodig dat het succes met zekerheid te voorspellen was, maar onvoldoende is de enkele ‘hope to succeed’.



5.33.
In de Nederlandse rechtspraak wordt op aangeven van partijen vaak gebruik gemaakt van de zogenaamde “problem-solution approach” (PSA) als hulpmiddel om vast te stellen wat het objectief technisch probleem is en de inventiviteit van een uitvinding te beoordelen. Daarbij wordt vastgesteld wat de technische effecten zijn van de verschillen tussen de kenmerken van de octrooiconclusie zoals verleend en de meest nabije stand van de techniek. Aan de hand van die technische effecten wordt het objectieve technische probleem vastgesteld, dus het probleem dat door de vakpersoon moet worden opgelost om de technische effecten te bereiken.



5.34.
In een aantal recente uitspraken heeft de Court of Appeal van het Unified Patent Court (hierna: UPC CoA) een alternatief (zij het op punten vergelijkbaar met de PSA) hulpmiddel gehanteerd (hierna: de UPC CoA-benadering). Daarbij moet worden onderzocht wat de uitvinding toevoegt aan de stand van de techniek. Het gaat dan niet om een analyse van wat de individuele kenmerken van de claim toevoegen maar om de conclusie als geheel. Het onderliggende concept van de uitvinding, zoals dat blijkt uit de conclusie – in de context van de beschrijving en de tekeningen – dient daarbij in aanmerking te worden genomen. Dat onderliggende concept (de technische leer van het octrooi) moet zijn gebaseerd op het technisch effect dat met de uitvinding wordt bereikt, zoals dat zal worden begrepen door de vakpersoon.



5.35.
Bij zowel de PSA, als de UPC CoA-benadering, moet vervolgens worden beoordeeld of de gemiddelde vakpersoon, in aanmerking genomen diens algemene vakkennis, op de prioriteitsdatum zonder uitvinderswerkzaamheid tot de oplossing volgens de octrooiconclusies zou komen.


Het objectief technisch probleem volgens partijen




5.36.
HatchTech omschrijft het objectieve probleem als het verder verbeteren van de groei en het welzijn van het kuiken totdat ze slachtrijp zijn.



5.37.
Giordano heeft het objectieve probleem als zodanig niet expliciet benoemd. Giordano heeft in haar conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie over het vermeende gebrek aan inventiviteit onder meer aangevoerd:

“83. Zowel Sklan als Kuijken heeft betrekking op ‘early feeding’ in incubators met behulp van eiertrays, en is daarom een geschikt startpunt voor de beoordeling van (het gebrek aan) inventiviteit.


84 Wat betreft de lichtbron, is het technische effect daarvan “het trekken van de aandacht van een kuiken en om kuikens in staat te stellen voedsel te vinden” (zie conclusie 1). Het verlichten van het voer of de trog om het voer beter vindbaar te maken en/of om de kuikens beter te laten eten, kan niet als inventief aangemerkt worden.”


Hieruit kan worden afgeleid dat Giordano het technisch probleem omschrijft als het trekken van de aandacht van een kuiken en om kuikens in staat te stellen voedsel te vinden.



5.38.
Naar het oordeel van de rechtbank geeft HatchTech noch Giordano een werkbare definitie van het technische probleem. Het door HatchTech gedefinieerde probleem is te breed omschreven en te ver verwijderd van de technische leer van het Octrooi. HatchTech verwart het uiteindelijke voordeel van de uitvinding (zwaardere slachtrijpe kuikens) met het technische effect van de uitvinding (voorzien in effectievere early feeding). Er zijn vele technische obstakels en daarop van toepassing zijnde technische oplossingen die uiteindelijk zullen leiden tot zwaardere slachtrijpe kuikens. Bijvoorbeeld de samenstelling van het voer, de klimatologische omstandigheden in de broedkamer, de mate waarin de kuikens wel of niet vrij kunnen bewegen, de kwaliteit van de lucht, de wijze waarop mest wordt afgevoerd, aanpassingen in de genetica van het kuikenras, ziektebestrijding en het toedienen van hormonen. Ten aanzien van al deze maatregelen is denkbaar dat er octrooieerbare uitvindingen bestaan of nog zullen worden bedacht. In de redenering van HatchTech zou voor al die octrooien het technische probleem hetzelfde zijn: “het verder verbeteren van de groei en het welzijn van het kuiken totdat ze slachtrijp zijn”. Daarmee is deze definitie van het technische probleem niet werkbaar om de inventiviteit te beoordelen van de specifieke uitvinding die in deze zaak wordt geclaimd.



5.39.
Giordano daarentegen, voor zover zij het technische probleem wil definiëren zoals de rechtbank heeft trachten af te leiden uit haar stellingen, past te veel hindsight toe aangezien daar het probleem de pointer bevat naar de oplossing. Het veronderstelt immers dat het probleem is dat de kuikens het voer niet of moeilijk kunnen vinden en dan ligt een lichtbron al snel voor de hand.



5.40.
De rechtbank zal hierna zowel de PSA als de UPC benadering toepassen om het objectieve technische probleem vast te stellen en de inventiviteit te beoordelen. Beide benaderingen leiden tot hetzelfde resultaat: het octrooi is inventief.


Problem Solution Approach




5.41.
Indien de PSA wordt toegepast, dient het objectieve technische probleem te worden vastgesteld aan de hand van de verschilkenmerken tussen de conclusie en de meest nabije stand van de techniek. Volgens Giordano wordt de meest nabije stand van de techniek geopenbaard in Sklan, hetgeen door HatchTech niet is weersproken. Net als het Octrooi voorziet Sklan in het plaatsen van voedingstroggen in het broedkrat. Het verschilkenmerk is dan de toevoeging van de lichtbron in het Octrooi, dat als technisch effect heeft dat de in het broedkrat aanwezige kuikens meer eten gedurende de tweede broedfase (dag 19 tot en met 21). Het technisch probleem kan dan worden vastgesteld als: het verbeteren van early feeding in een broedkamer.



5.42.
Voor het beoordelen van de inventiviteit komt het er dus op aan of het voor de vakpersoon, die zich zag geconfronteerd met de uitdaging om early feeding te verbeteren, voor de hand lag om een lichtbron toe te voegen.



5.43.
Giordano stelt in dit verband dat de vakpersoon op grond van zijn algemene vakkennis, althans op grond van Squib, Beane en/of Lecieux ermee bekend was de kuikens verlichting nodig hebben om voer te kunnen vinden. Het zou dan ook onvermijdelijk zijn, aldus Giordano, dat de vakpersoon Sklan in de praktijk zou brengen (zou nawerken),
een lichtbron zou plaatsen en dus “onvermijdelijk” zou uitkomen bij een incubator die valt binnen het bereik van conclusie 1 van EP 611.



5.44.
HatchTech brengt daartegenin dat in de door Giordano aangevoerde stand van de techniek nergens een pointer wordt gegeven die de vakpersoon in de richting van de uitvinding stuurt. Bovendien bestonden er bedenkingen tegen het aanbrengen van lichtbronnen in broedkamers aangezien daarmee het risico bestaat op oververhitting als gevolg waarvan eieren mogelijk te vroeg of helemaal niet uitkomen.



5.45.
Ten aanzien van Squib voert HatchTech aan dat dat geen betrekking had op het gebruiken van licht in een broedkamer maar gaat over het effect van verschillende lichtregimes op kuikens gedurende dag 1 – 20 na uitkomst. De onderzoekers wilden weten of het eetgedrag van kuikens beïnvloed kon worden door het lichtregime om te zien of er door minder lichtgebruik energie bespaard kon worden. De experimenten van Squibb werden dan ook niet in een incubator uitgevoerd.



5.46.
Beane onderzoekt het effect van verschillende lichtregimes op de groei van
kuikens over een periode van 9 weken. De proeven van Beane werden evenmin in
incubators uitgevoerd (de kuikens zijn daar na al die weken al lang uitgegroeid), maar in
kooien. Bovendien is het onderzoek van Beane niet gericht op de effecten van early feeding
binnen een incubator. Ook van Beane valt dus niet in te zien hoe dit relevant is voor
inventiviteit, aldus HatchTech.



5.47.
Verder betwist HatchTech dat het effect van licht op early feeding (al dan niet in een broedkamer) behoorde tot de algemene vakkennis.



5.48.
De rechtbank oordeelt in dit verband als volgt. Zoals hiervoor overwogen, dient de inventiviteit te worden beoordeeld vanuit het objectieve probleem: het verbeteren van early feeding in een broedkamer. De vraag is dan of de vakpersoon die zich met dit probleem geconfronteerd ziet, uitgaande van Sklan en met toepassing van zijn algemene vakkennis, dan wel hetgeen hij of zij kan afleiden uit Squib, Beane of Lecieux, bij wijze van routine en met een zekere of redelijke verwachting van succes, tot de uitvinding zou komen.



5.49.

Algemene vakkennis: met HatchTech is de rechtbank van oordeel dat Giordano niet heeft onderbouwd waarom het tot de algemene vakkennis van de vakpersoon zou behoren dat licht een positieve invloed heeft op early feeding. Voor zover dat effect al volgt uit de door Giordano overgelegde prior art – hetgeen HatchTech betwist – heeft zij onvoldoende onderbouwd dat die artikelen tot de algemene vakkennis moeten worden gerekend.



5.50.

Lecieux: het octrooi van Lecieux omvat geen technische leer die de vakpersoon in deze verder zou helpen. Lecieux noemt weliswaar een lichtbron maar de functie van die lichtbron is het lokken van de kuikens van de egg chamber naar de chick chamber. Er wordt geen enkel verband gelegd tussen de lichtbron en het eetgedrag van kuikens in de eerste dagen na uitkomen. Lecieux helpt de vakpersoon derhalve niet verder in deze.



5.51.

Squib: uit Squib kan de vakpersoon afleiden dat bepaalde lichtregimes, ten opzichte van gehele duisternis, een positief effect hebben op het eetgedrag en dus de groei van kuikens in de eerste 20 levensdagen. Daarmee is de vakpersoon er echter nog niet. In de eerste plaats hebben de experimenten in Squib onder andere omstandigheden plaatsgevonden dan waarvan het Octrooi uitgaat:







Deze omstandigheden zijn anders dan de omstandigheden in een broedkrat dat is geplaatst binnen een broedkamer, waar de temperatuur 37 graden Celsius is.



5.52.
Verder kan aan de hand van Squib niet met een redelijke mate van zekerheid worden voorspeld wat het verschil is tussen wel of niet met licht voeden in de eerste drie dagen, oftewel het effect van early feeding met een lichtbron. Squib zou weliswaar de vakpersoon kunnen aanzetten tot het onderzoeken van het effect van een lichtbron, maar dan is verder onderzoek wel nodig, zonder dat de uitkomst van dat onderzoek op basis van Squib met enige mate van zekerheid kan worden voorspeld.



5.53.

Beane: voor Beane geldt hetzelfde als voor Squib. In Beane wordt het effect van verlichting gemeten over een periode van 9 weken, waarbij de kuikens in kooien zitten. Het effect van verlichting in combinatie van early feeding in een broedkamer kan uit Beane niet worden afgeleid.


De UPC CoA-benadering




5.54.
In het Octrooi wordt het probleem als volgt verwoord:









5.55.
Het probleem – volgens de beschrijving in het Octrooi – is dus dat de kuikens bij toepassing van de stand van de techniek geen toegang hebben tot voer en bovendien dat het donker is. Hierdoor kunnen zij niet eten. De vakpersoon zal hieruit begrijpen dat de technische leer van het Octrooi is om early feeding mogelijk te maken met een combinatie van maatregelen, te weten voertroggen in het broedkrat en het toevoegen van een lichtbron. Het technische probleem dat het Octrooi beoogt op te lossen moet dan zijn: het mogelijk maken van early feeding in een broedkamer.



5.56.
Tussen partijen is niet in geschil dat Sklan een realistisch uitgangspunt vormt voor de beoordeling van de inventiviteit. Nu Giordano niet heeft betoogd dat de beoordeling anders wordt uitgaande van Kuijken, zal de rechtbank zich hier beperken tot Sklan en (de relevantie van) Kuijken onbesproken laten.



5.57.
Beziet men dan wat het Octrooi toevoegt aan de stand van de techniek, dan blijkt uit Sklan de eerste maatregel (het toevoegen van een voedingstrog in het broedkrat) openbaart maar niet in combinatie met de lichtbron. Wat het Octrooi dus toevoegt aan de stand van de techniek is een broedkrat met voedingstroggen voorzien van een lichtbron.



5.58.
De inventiviteitsanalyse zoals die is gemaakt bij het toepassen van de PSA is verder hetzelfde en rechtsoverwegingen 5.49 tot en met 5.53 kunnen hier als herhaald worden beschouwd.



5.59.
Het voorgaande brengt mee dat de inventiviteitsaanvallen van Giordano niet slagen en conclusie 1 van EP 611 als inventief moet worden beschouwd.


Conclusie in reconventie




5.60.
Conclusie 1 van EP 611 is nieuw en inventief en dit geldt automatisch ook voor de aangevallen afhankelijke conclusies 2, 3, 6 en 10. Het Octrooi zoals verleend is dus geldig, zodat de vordering in reconventie zal worden afgewezen.


In conventie verder



Standpunt HatchTech




5.61.
HatchTech beticht Giordano van indirecte inbreuk op conclusies 1, 2, 3, 6 en 10. Ten behoeve van het leesgemak worden die hieronder nogmaals weergegeven:


Conclusie 1 EP 611


1. Incubator, die een compartiment heeft binnen de incubator, waarbij het compartiment omvat:

(a) een incubator-eidrager, die een eidragerbodem heeft, en ten minste een eidragerwand; met het kenmerk, dat het compartiment in de incubator kuikens toestaat zich te voeden tijdens het uitbroeden zonder dat het uitkomstpercentage of de leefbaarheid wordt gereduceerd, en dat het compartiment omvat;

(b) ten minste een trog, die een trogbodem heeft, en ten minste een trogwand, die is ingericht in de incubator-eidrager, en

(c) een lichtbron die is ingericht voor het trekken van de aandacht van een kuiken en om kuikens in staat te stellen voedsel te vinden.

2. Incubator volgens conclusie 1, waarbij de trog is een kanttrog is, die een kanttrogrug heeft.

3. Incubator volgens conclusie 2, waarbij de lichtbron is ingericht boven de
eidragerbodem.

6. Incubator volgens conclusie 3, waarbij de lichtbron is voorzien van:
(i) ten minste twee licht emitterende diodes die zijn verspreid binnen het
compartiment.

10. Incubator volgens conclusie 1, waarbij de trog een integraal onderdeel is
van de eierdragerstructuur van de incubator.



5.62.
Volgens HatchTech zijn de kratten, zoals vermeld in het marketing materiaal van Giordano, bestemd om in een broedkamer te worden geplaatst (aanhef conclusie 1) welke broedkamer, volgens datzelfde marketing materiaal, van een lichtbron (kenmerk 1c) moet worden voorzien. De kratten zelf zijn voorzien van voedingstroggen (kenmerken 1a en 1b), welke zijn geïntegreerd in het krat (conclusie 10, zie onderstaande afbeelding van de HCS+)










5.63.
De indirecte inbreuk is er volgens HatchTech in gelegen dat Giordano door het adverteren, dan wel te koop aanbieden van de HCS+ kratten een wezenlijk bestanddeel aanbiedt van de geoctrooieerde uitvinding, terwijl Giordano weet, althans behoort te weten, dat HCS+ bestemd is voor het gebruik in een incubator als bedoeld in EP 611. Met het aanbieden en leveren van HCS+, een product dat met name gebruikt zal worden binnen
bestaande broedkamers, in combinatie met het adverteren dat het noodzakelijk is dat een LED-lichtbron wordt toegepast in de broedkamer, zorgt Giordano ervoor dat haar afnemers direct ongeoorloofd gebruik van EP 611 maken nu het wezenlijke bestanddeel van EP 611 is dat kuikens direct na uitkomen toegang hebben tot voer in de broedkamer.



5.64.
Maar ook indien Giordano in haar advertenties er niet op wijst dat afnemers van HCS+ een lichtbron dienen te gebruiken, is sprake van indirecte inbreuk, volgens HatchTech. Giordano heeft er al diverse keren op gewezen dat een lichtbron moet worden gebruikt en bovendien zijn professionals in de pluimveesector er intussen van op de hoogte dat het gebruik van een lichtbron nodig is voor early feeding. Dat is met name het gevolg van de marketinginspanningen van HatchTech voor early feeding, maar ook van de toenemende aandacht voor early feeding in de branche en zelfs in de regelgeving.


Standpunt Giordano




5.65.
Giordano op haar beurt betwist dat zij inbreuk maakt op het Octrooi. Giordano heeft geen compartiment met een lichtbron aangeboden en ook niemand ertoe aangezet om specifiek het compartiment van een lichtbron te voorzien zoals hieronder uiteengezet is. Verder wijst zij er op dat conclusie 1 vereist dat het compartiment een lichtbron omvat en dus dat de lichtbron deel uitmaakt van (of althans zich bevindt in) het compartiment. Giordano’s advertentie suggereert daarentegen enkel de plaatsing van led-strips aan de zijwanden van de hatcher (“the placement of LED light strips on the side walls/screens”).



5.66.
Bovendien baseert HatchTech haar vordering tot opgave uitsluitend op een
brochure (Productie EP04) en een informatievideo (Productie EP07) van Giordano betreffende de HCS+. Daarmee heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat Giordano enig product heeft aangeboden, in de handel heeft gebracht of anderszins een inbreukmakende handeling heeft verricht. De enkele presentatie van een conceptproduct, zonder concreet aanbod tot verkoop of feitelijke productie, vormt geen aanbod in de zin van artikel 53 ROW.


Oordeel rechtbank



Uitleg “compartiment”




5.67.
De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag of met de tekst “the placement of LED light strips on the side walls/screens” van een broedkamer, is voldaan aan het vereiste dat een compartiment is voorzien van een lichtbron.



5.68.
De rechtbank is van oordeel dat Giordano hier een te beperkte lezing van de conclusie hanteert. Het Octrooi vereist dat het compartiment is voorzien van een lichtbron maar daarmee is niet vereist dat die lichtbron deel uitmaakt van (of althans zich bevindt in) het compartiment, zoals Giordano stelt. De vakpersoon die het Octrooi leest met een “mind willing to understand” zal begrijpen dat de exacte plaatsing van de lichtbron niet zozeer relevant is, zolang het licht de kuikens in staat stelt het voer in het broedkrat te vinden. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de tekeningen. Daaruit blijkt niet dat de lichtbron onderdeel moet uitmaken van het compartiment (dat een broedkrat omvat) maar zo geplaatst moeten worden dat het licht het voer bereikt.















5.69.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat wanneer in een broedkamer met daarin broedkratten lichtbronnen aan de zijwanden worden bevestigd, voldaan is aan kenmerk c van conclusie 1.


Aanbod




5.70.
Voor zover Giordano betoogt dat er geen sprake is geweest van een “aanbod” als bedoeld in artikel 53 sub a ROW, moet dat betoog falen. Een aanbod in de zin van dit wetsartikel vereist niet dat er sprake moet zijn van zicht op een concrete transactie. Naar vaste jurisprudentie moet “aanbieden” ruim worden opgevat. Het aanprijzen van haar product door Giordano in advertenties moet derhalve als aanbieden in de zin van artikel 53 sub a ROW worden beschouwd.



Indirecte inbreuk




5.71.
Een octrooi verleent de houder ervan het recht te verhinderen dat een derde zonder zijn toestemming aan een ander dan degene die gerechtigd is de geoctrooieerde uitvinding te gebruiken, middelen die een wezenlijk bestanddeel van die uitvinding betreffen, voor de toepassing van die uitvinding op dat grondgebied, aanbiedt of levert, indien de derde weet of behoort te weten dat deze middelen geschikt en bestemd zijn voor toepassing van die uitvinding (artikel 54 lid 1 ROW).



5.72.
Giordano heeft niet betwist dat het HCS+ krat moet worden aangemerkt als een wezenlijk bestanddeel. Evenmin heeft zij betwist dat zij wist, althans behoorde te weten dat de HCS+ geschikt en bestemd zijn voor toepassing van de uitvinding, terecht, nu zij in haar eigen advertenties wijst op het plaatsten ven (LED)verlichting.



5.73.
Het voert naar het oordeel van de rechtbank echter te ver om aan te nemen dat met de enkele verkoop van de HCS+ kratten – dus zonder de gewraakte mededelingen over verlichting – eveneens sprake is van indirecte inbreuk, zoals HatchTech betoogt. HatchTech heeft niet betwist dat de HCS+ kratten ook kunnen worden toegepast voor het vervoer van kuikens over de weg of voor early feeding zonder licht. Dat professionals in de pluimveesector er intussen van op de hoogte zijn dat het gebruik van een lichtbron nodig is voor early feeding, maakt nog niet dat de verkoper van een krat met voedingstroggen wordt geacht ervan op de hoogte te zijn dat de koper inbreuk gaat maken.


Conclusie in conventie




5.74.
De conclusie is dat Giordano indirect inbreuk heeft gemaakt op conclusie 1 van het Octrooi door de HCS+ kratten aan te bieden terwijl, doordat zij in haar advertenties wees op het toepassen van verlichting in broedkamers, zij wist of behoorde te weten dat door derden inbreuk zou worden gemaakt op EP 611. Tegen de gestelde indirecte inbreuk op de afhankelijke conclusies 2, 3, 6 en 10 van EP 611 heeft Giordano geen afzonderlijk verweer gevoerd, anders dan de reeds afgewezen nietigheidsverweren. Ook ten aanzien van deze conclusies wordt daarom indirecte inbreuk aangenomen.


De vorderingen in conventie



(a) verklaring voor recht




5.75.
De gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen maar wordt beperkt tot de handelingen die in het verleden hebben plaatsgevonden, aangezien niet iedere toekomstige verhandeling van het HCS+ krat indirecte inbreuk zal opleveren.


(b) verbod




5.76.
In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, voert een algeheel verbod tot de verhandeling van de HCS+ kratten te ver. Het verbod zal worden beperkt tot het maken van indirecte inbreuk, zoals in het dictum verwoord.


(c) opgave




5.77.
De gevorderde opgave zal worden toegewezen. Giordano heeft weliswaar betwist in Nederland te hebben geleverd, maar dat zal dan uit de opgave blijken. Die enkele betwisting levert geen grond op om de opgavevordering af te wijzen. Anders dan Giordano stelt heeft HatchTech wel degelijk belang bij de gegevens van afnemers, nu die afnemers mogelijk direct inbreuk maken op het octrooi.



5.78.
Ten aanzien van de gevorderde accountantsverklaring zal de rechtbank, ter voorkoming ven executieproblemen, die toewijzen in de vorm van een door een accountant te verstrekken rapport van feitelijke bevindingen.


(d) schade, winstafdracht




5.79.
De mogelijkheid dat HatchTech schade heeft geleden is voldoende aannemelijk gemaakt. Dat HatchTech in deze zaak recht heeft op winstafdracht (voor zover er HCS+ kratten zijn verkocht en daarop winst is gemaakt), is door Giordano niet weersproken. Of er daadwerkelijk schade is geleden/winst is gemaakt, zal moeten blijken in de schadestaatprocedure.


(e) dwangsom




5.80.
De dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als in het dictum vermeld.


In conventie en reconventie



Proceskosten




5.81.
Giordano zal als de ongelijk gestelde partij in conventie en reconventie worden veroordeeld in de redelijke en evenredige proceskosten conform artikel 1019h Rv. Deze kosten worden, overeenkomstig de door partijen gemaakte afspraak, begroot op € 75.000,00.





6De beslissing

De rechtbank


In conventie



6.1.
verklaart voor recht dat Giordano indirect inbreuk heeft gemaakt door het HCS+ krat aan te bieden, terwijl zij in advertenties heeft gewezen op het plaatsen van lichtbronnen in broedkamers;



6.2.
verbiedt Giordano indirect inbreuk te maken op EP 611, in het bijzonder door de HCS+ kratten aan te bieden of in de handel te brengen aan partijen ten aanzien waarvan zij weet of behoort te weten dat deze bestemd zijn voor toepassing van conclusie 1, 2, 3 ,6 en/of 10 van EP 611;



6.3.
beveelt Giordano om binnen dertig (30) dagen na betekening van het vonnis aan de advocaat van HatchTech te bezorgen een door een accountant opgesteld rapport van feitelijke bevindingen die een volledige specificatie dient te bevatten van:

(i) het totale aantal door Giordano in Nederland geleverde exemplaren van HCS+

(ii) de inkoopprijzen onder overlegging van goed leesbare afschriften van alle orders, orderbevestigingen, facturen en andere inkoopbescheiden

(iii) een lijst van in Nederland gevestigde afnemers van HCS+, met vermelding van naam en adres en de betreffende contactpersoon van die afnemer

(iv) het totale aantal door Giordano verkochte exemplaren van HCS+, gespecificeerd per professionele afnemer onder opgave van de verkoopprijzen en leverdata, met overlegging van goed leesbare afschriften van alle orders, orderbevestigingen, facturen en andere verkoopbescheiden

(v) de totale hoeveelheid nettowinst die Giordano heeft gemaakt als resultaat van het verhandelen van de HCS+ systemen, gestaafd door goed leesbare afschriften van alle daarvoor relevante bescheiden, welke nettowinst zal worden berekend door van de verkoopprijs slechts af te trekken de belastingen en kosten welke rechtstreeks met de verkoop van de HCS+ systemen samenhangen

(vi) van producenten van HCS+ waarvan Giordano redelijkerwijs behoort te weten dat de door hen geproduceerde exemplaren van HCS+ bestemd zijn voor verhandeling op de Nederlandse markt;



6.4.
bepaalt dat Giordano bij iedere overtreding van het onder 6.2. opgelegde verbod een dwangsom verbeurt van € 2.500,- per exemplaar van HCS+, en bij niet, niet tijdige of niet volledige nakoming van het onder 6.3. gegeven opgavebevel een dwangsom verbeurt van € 5.000,- (vijfduizend euro) per dag, met een maximum van in totaal € 500.000,-;



6.5.
Veroordeelt Giordano, ter keuze van HatchTech, tot:

(i) vergoeding aan HatchTech van de volledige ten gevolge van de indirecte inbreuk door Giordano op het Nederlandse deel van EP 611 geleden en nog te lijden schade,

(ii) het afdragen aan HatchTech van de volledige ten gevolge van de inbreuken op het Nederlandse deel van EP 611 door Giordano gemaakte nettowinst;

een en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;



6.6.
wijst af het meer of anders gevorderde;


In reconventie




6.7.
wijst de vorderingen af;


In conventie en reconventie




6.8.
veroordeelt Giordano in de proceskosten van € 75.000,- te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Giordano niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Giordano € 98,- extra betalen, plus de kosten van betekening;



6.9.
veroordeelt Giordano in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;



6.10.
verklaart dit vonnis voor wat betreft 6.2 tot en met 6.5, 6.8 en 6.9 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.R. van Heemstra, mr. H.D. Overbeek en mr. M.C. Kruis en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.





Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking)


Rijksoctrooiwet 1995


Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag)


G1/93 2 februari 1994, ECLI:EP:BA:1994:G000193.19940202.


Zie ook Conclusie Van Peursem 19 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:77, nr. 2.6 tot en met 2.10 over de toets ter beantwoording van de vraag of sprake is van toegevoegde materie en de daarin genoemde verwijzingen naar rechtspraak van de Grote Kamer van Beroep (G-nummers) en de Technische Kamers van Beroep (T nummers) van het EOB.


G 2/10 30 augustus 2011, ECLI:EP:BA:2011:G000210.20110830, punt 3.4 van de Reasons


T 1728/12 16 november 2017, ECLI:EP:BA:2017:T172812.20171116, punt 2.1 van de Reasons; T 667/08 20 april 2012, ECLI:EP:BA:2012:T066708.20120420, punt 4.1.4 van de Reasons.


Zie ook Gerechtshof Den Haag, 14 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:14, ro. 6.10.6 in samenhang met ro. 6.4.


Zie Gerechtshof Den Haag, 18 november 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2742, ro. 6.5


Zie onder meer:
- conclusie Van Peursem 8 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1123 nr. 4.2. tot en met 4.10 over inventiviteit en de PSA
- rechtbank Den Haag, 30 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17665, ro. 6.29 met verwijzing naar GKB 23 maart 2023, zaak G 0002/21, ECLI:EP:BA:2023:G000221.20230323


UPC (CoA) 25 november 2025, UPC_CoA_464/2024 (Meril/Edwards) en UPC (CoA) 25 november 2025, UPC_CoA_528/2024 (Amgen/Sanofi, Regeneron).


HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4006 (Pharmachemie / Glaxo), r.o. 3.4.2
Link naar deze uitspraak