|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:9182 | | | | | Datum uitspraak | : | 21-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 05-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | BRE 26/4499 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening en op het beroep van verzoekseter tegen de aan haar opgelegde last onder dwangsom. | | Trefwoorden | : | bestemmingsplan | | | paarden | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/4499 en BRE 26/4025
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
21 september 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[verzoekster] , uit [plaats 1] , verzoekster
(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij en mr. I.A. van Rooij),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Loon op Zand, verweerder.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [persoon] uit [plaats 2] .
Inleiding en procesverloop
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening en op het beroep van verzoekster tegen de aan haar opgelegde last onder dwangsom.
1.1.
Verzoekster is mede-eigenaar van de percelen nabij [adres] , kadastraal bekend als gemeente [plaats 2] , [sectie] , [nummers] . De eerste drie percelen (de percelen) hebben een natuurbestemming en worden gebruikt door verzoekster voor het hobbymatig weiden van paarden.
1.2.
Bij besluit van 30 juni 2026 heeft het college een nieuwe beslissing op bezwaar genomen naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 2 april 2026 (BRE 25/899) en het bezwaar van [persoon] gegrond verklaard. Het college heeft daarnaast, bij besluit van dezelfde datum (het bestreden besluit), verzoekster gelast het hobbymatig weiden van paarden op de percelen te beëindigen en beëindigd houden. Als niet voldaan wordt aan de last, dan verbeurt verzoekster per geconstateerde overtreding een dwangsom van € 1.500,00 met een maximum van € 15.000,00. Verzoekster dient uiterlijk op 22 september 2026 aan de last te voldoen.
1.3.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit op 13 juli 2026 pro forma bezwaar gemaakt. Het college heeft het pro forma bezwaarschrift doorgezonden naar de rechtbank waar het als pro forma beroepschrift is aangemerkt.
1.4.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter op 12 augustus 2026 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen tegen het bestreden besluit.
1.5.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekster, mr. N.A. le Sage namens het college en de derde-partij.
1.7.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Is er sprake van spoedeisend belang?
2. De voorzieningenrechter neemt aan dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Daarbij gaat het niet louter om een financieel belang. Verzoekster moet op grond van het bestreden besluit op relatief korte termijn een alternatief onderkomen voor de paarden regelen. De voorzieningenrechter acht dit, onder verwijzing naar een uitspraak waar verzoekster op heeft gewezen, dusdanig ingrijpend dat een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voldoende aannemelijk is geworden.
Kortsluiten
3. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van het beroep van verzoekster tegen het bestreden besluit beslist hij ook op dat beroep.
Is er sprake van een overtreding?
4. In de procedure die heeft geleid tot de onherroepelijke uitspraak van de rechtbank van 2 april 2026 is overwogen dat niet in geschil was dat sprake is van een overtreding door het hobbymatig weiden van paarden op de percelen met de natuurbestemming. In die procedure deed verzoekster niet mee. Zij had eerder een beslissing op bezwaar gekregen waaruit volgde dat zij weliswaar een overtreder was, maar dat op grond van het vertrouwensbeginsel niet gehandhaafd zou worden. Tegen dat oordeel is verzoekster niet opgekomen. Dat sprake is van een overtreding staat daarmee in rechte vast. Omdat het mogelijk niet redelijk is te verwachten van verzoekster dat zij tegen de voor haar toen gunstige beslissing op bezwaar beroep had ingesteld, spreekt de voorzieningenrechter zich toch uit over de vraag of sprake is van een overtreding. Verzoekster bestrijdt namelijk dat sprake is van een overtreding omdat de wijze waarop zij paarden houdt op de percelen volgens haar juist in overeenstemming is met de natuurbestemming.
4.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college terecht vastgesteld dat sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan. Het college heeft zich mogen baseren op het controlerapport van 6 november 2023. Hoewel dit rapport enige tijd geleden is opgesteld, is niet gebleken dat de relevante omstandigheden sindsdien wezenlijk zijn gewijzigd. Er zijn nu weliswaar minder paarden, maar verzoekster wil in het najaar vier paarden in Spanje naar Nederland halen en ook op de percelen weiden. Verzoekster heeft in een overgelegde visie toegelicht waarom het houden van de paarden volgens haar in overeenstemming is de bestemming ‘natuur’. Deze eigen toelichting is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om het standpunt van het college te weerleggen dat het gebruik in strijd is met de bestemming ‘natuur’.
Vertrouwensbeginsel
5. Het college heeft in het bestreden besluit in het kader van het vertrouwensbeginsel opnieuw de derde stap van het stappenplan doorlopen, door een nieuwe belangenafweging te maken. Daarbij heeft het college het belang dat wordt beschermd door de bestemming ‘natuur’ nu wel betrokken en afgewogen tegen het belang van verzoekster bij nakoming van de gedane toezegging dat niet handhaven zou worden opgetreden tegen het hobbymatig weiden van paarden. De voorzieningenrechter toetst deze belangenafweging terughoudend. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college voldoende gemotiveerd waarom het algemeen belang bij het behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden in dit geval zwaarder weegt dan het belang van verzoekster. De voorzieningenrechter weegt mee dat niet is gebleken van onevenredige gevolgen van het bestreden besluit voor verzoekster.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om een voorziening te treffen om te voorkomen dat op de datum van de uitspraak meteen dwangsommen verbeurd worden. De voorzieningenrechter verlengt daarom met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de
begunstigingstermijn tot twee weken na de verzending van deze uitspraak. Dat betekent dat verzoekster twee weken de tijd heeft om aan de opgelegde last te voldoen of rechtsmiddelen aan te wenden ter voorkoming daarvan.
7. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
8. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen deze mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- verlengt de begunstigingstermijn tot en met 7 oktober 2026.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2026 door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Faqiri, griffier, en zal geanonimiseerd worden gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd dit proces-verbaal mede te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Rechtbank Zeeland – West-Brabant, 2 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:2489.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van
24 februari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1391.
Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|