|
|
|
| ECLI:NL:CBB:2026:492 | | | | | Datum uitspraak | : | 13-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 13-10-2026 | | Instantie | : | College van Beroep voor het bedrijfsleven | | Zaaknummers | : | 24/1089 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | GLB 2023. Perceel terecht niet als subsidiabel landschapselement aangemerkt. Een ‘boomgroep’ moet op zichzelf staan. Het perceel maakt deel uit van een groter omliggend bos en is daarvan, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm en volledige inbedding, niet te onderscheiden. Omdat het gehele bos meer dan 1,5 hectare beslaat is het niet subsidiabel. | | Trefwoorden | : | gecombineerde opgave | | | glb | | | landbouw | | | landbouwbeleid | | | landbouwer | | | perceel | | Wetreferenties | : | Uitvoeringsregeling GLB 2023
| | | | Uitspraak | uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/1089
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 oktober 2026 in de zaak tussen
maatschap [naam 1] , te [vestigingsplaats]
(gemachtigde: [naam 2] )
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. S.H.B. van der Zalm en mr. E. Hol)
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid)
Procesverloop
De maatschap heeft tegen het besluit van 25 november 2024 (bestreden besluit) beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 26 augustus 2026. Aan de zitting hebben [naam 3] en de gemachtigden deelgenomen.
Het College heeft de Staat als partij aangemerkt in verband met het verzoek van de maatschap om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Inleiding
1.1
Met de Gecombineerde Opgave van 23 oktober 2023 heeft de maatschap gevraagd om uitbetaling van landbouwsteun op grond van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2023 van de Europese Unie. Met het besluit van 11 juni 2024 heeft de minister de aanvraag afgewezen voor perceel 78. De minister heeft in het bestreden besluit die afwijzing voor perceel 78 gehandhaafd.
1.2
Volgens de minister is perceel 78 niet subsidiabel als landschapselement, omdat het functioneel en visueel onderdeel vormt van het omringende bos. Perceel 78 vormt geen afzonderlijk landschapselement. De aanwezige grenspaal maakt dat niet anders. Als het enkele bestaan van een eigendoms- of onderhoudsgrens voldoende zou zijn om een stuk bos als afzonderlijke boomgroep aan te merken, zou dit in de praktijk kunnen leiden tot het opknippen van grote bosoppervlakten in schijnbaar subsidiabele deelelementen. De vergelijking met gewaspercelen gaat niet op, omdat landbouwpercelen primair bedoeld zijn voor productie. De landschapselementen hebben een andere functie binnen het GLB, te weten het beschermen en herstellen van natuur en biodiversiteit. Bij landschapselementen zijn onder meer de omvang en de samenhang met het omliggende landschap bepalend voor de subsidiabiliteit.
1.3
Volgens de maatschap is perceel 78 wel een zelfstandig bosperceel. Weliswaar grenst het aan een groter bosperceel, maar van dit aangrenzende bos is zij geen eigenaar en zij beheert het ook niet. Perceel 78 wordt bovendien fysiek van het overige bos afgescheiden met een grenspaal. De maatschap voert ook aan dat de regelgeving niet dwingend bepaalt dat landschapselementen op zichzelf moeten staan en aaneengesloten moeten zijn. Bij gewaspercelen is het juist gebruikelijk dat percelen van verschillende eigenaren direct naast elkaar liggen zonder dat dit gevolgen heeft voor de subsidiabiliteit. De minister meet dus met twee maten.
Beoordeling
2.1
Het GLB 2023 is, voor zover hier van belang, vastgelegd in Verordening 2021/2115. De Nederlandse invulling van de GLB-verordeningen is neergelegd in de Uitvoeringsregeling GLB 2023 (Uitvoeringsregeling). Artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling definieert landschapselementen als begroeide terrein- en waterdelen en overige elementen waarop het uitoefenen van een landbouwactiviteit niet mogelijk is.
2.2
Anders dan voorheen maakt het GLB 2023 het mogelijk landschapselementen op of grenzend aan landbouwareaal, die ter beschikking van de landbouwer staan, tot de subsidiabele hectare te rekenen. In de toelichting bij de Uitvoeringsregeling valt daarover te lezen:
“9. Subsidiabele hectare
(…)
Het beleid hieromtrent is erop gericht om het behoud van landschapselementen i.c. niet-productieve elementen te stimuleren ten faveure van de biodiversiteit en het beschermen van cultuurhistorisch landschap.”
2.3
In overweging 17 van Verordening 2021/2115 staat het volgende over landschapselementen, voor zover relevant:
“Rekening houdend met de noodzaak van vereenvoudiging moeten de lidstaten ook kunnen besluiten dat landschapselementen die de uitvoering van de landbouwactiviteit op een perceel niet significant hinderen, deel mogen blijven uitmaken van de subsidiabele oppervlakte. Bij de berekening van de subsidiabele oppervlakte blijvend grasland met in mindering brengen van de oppervlakte van niet-subsidiabele elementen, moet het de lidstaten worden toegestaan een vereenvoudigde methode toe te passen.”
2.4
Artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling wijst als landschapselement aan boomgroepen met een maximum oppervlakte van 1,5 hectare op maaiveldniveau.
3.1
Partijen zijn verdeeld over de vraag of perceel 78 een (subsidiabele) boomgroep vormt in de zin van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling. Zij zijn het erover eens dat perceel 78 een bosperceel vormt dat is omgeven door een bos van meer dan 1,5 hectare. Daarover overweegt het College als volgt.
3.2
Hoewel aan de maatschap kan worden toegegeven dat de Uitvoeringsregeling niet met zoveel woorden eist dat sprake moet zijn van een ‘zelfstandige’ of ‘op zichzelf staande’ boomgroep, is dat naar het oordeel van het College wel de logische uitleg. Artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling spreekt namelijk van een boomgroep en stelt daaraan een maximum oppervlakte. Volgens het Van Dale Groot woordenboek is een boomgroep een “partij bij elkaar staande bomen”, wat veronderstelt dat die bomen zich als aaneengesloten (van andere bomen) onderscheiden. Het College is het met de minister eens dat hier de boomgroep het gehele (omliggende) bos inclusief perceel 78 vormt. Perceel 78 valt, ongeacht de verkaveling en de aanwezigheid van een grenspaal, daarvan niet los te zien. De uiterlijke verschijningsvorm en volledige inbedding van het perceel in het grotere geheel geven hier de doorslag. Die uitleg voorkomt ook dat een groter bosperceel door verkaveling in kleinere porties in evenzovele subsidiabele boomgroepen wordt opgedeeld.
3.3
De boomgroep is hier dus het héle bos, en niet alleen perceel 78. Omdat het gehele bos meer dan 1,5 hectare beslaat is het geen subsidiabel landschapselement. Het beroep is daarom ongegrond.
Overschrijding van de redelijke termijn
4.1
De maatschap heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
4.2
In procedures als deze mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij het College ten hoogste anderhalf jaar duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, als de fase van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar heeft geduurd. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden.
4.3
De redelijke termijn begint op de datum waarop het bezwaarschrift is ontvangen en eindigt op de dag van deze uitspraak. Het bezwaarschrift is ontvangen op 18 juni 2024. De redelijke termijn is op de dag van deze uitspraak dus met afgerond naar boven een half jaar overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Het voorgaande brengt mee dat de maatschap recht heeft op € 500,- aan schadevergoeding. De overschrijding is geheel toe te rekenen aan de rechterlijke fase. Het College zal daarom de Staat veroordelen tot betaling van de schadevergoeding. De Staat zal ook worden veroordeeld in de door de maatschap gemaakte proceskosten voor het doen van het verzoek om schadevergoeding. Het College stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467,- (één punt met een wegingsfactor van 0,5 en een waarde per punt van € 934,-).
Beslissing
Het College:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan de maatschap van een vergoeding van € 500,- voor immateriële schade;
veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van de maatschap tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, mr. H.L. van der Beek en mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. C.A. Blankenstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.
R.C. Stam w.g. C.A. Blankenstein
De voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|