Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:29528 
 
Datum uitspraak:07-10-2026
Datum gepubliceerd:13-10-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:12172943 RP VERZ 26-5043 12172943 RP VERZ 26-5043
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:Jaarcontract van zieke werknemer is niet voortgezet. Werknemer heeft geen belang bij de verzochte verklaringen voor recht en rectificaties in haar re-integratiedossier. Ook op inhoudelijke gronden komen deze niet voor toewijzing in aanmerking. Het verzoek van werknemer tot betaling van een schadevergoeding, een billijke vergoeding en een Ziektewetuitkering wordt ook afgewezen.
Trefwoorden:arbeidsconflict
arbeidsovereenkomst
landbouw
uitkering
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK

Civiel recht
Kantonrechter

Zittingsplaats 's-Gravenhage

PV/cd
Zaaknummer / rekestnummer: 12172943 \ RP VERZ 26-50435


Beschikking van 7 oktober 2026


in de zaak van



[verzoekende partij]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekende partij] ,
procederende in persoon,

tegen


VERENIGING FME,
gevestigd te Zoetermeer,
verwerende partij,
hierna te noemen: FME,
gemachtigde: mr. Y.L. Smit en mr. Z.E. van der Zwaag.




1De procedure


1.1.
De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:


het (herziene) verzoekschrift en de producties 1 tot en met 100 van [verzoekende partij] ;


het verweerschrift en de producties 1 tot en met 38 van FME;


de aantekeningen van de mondelinge behandeling op 26 augustus 2026 en de tijdens die zitting namens partijen overgelegde spreekaantekeningen.







2De feiten


2.1.

[verzoekende partij] is op 7 januari 2025 bij FME in dienst getreden op grond van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar. Haar is toegezegd dat de arbeidsovereenkomst bij goed functioneren wordt omgezet naar een vast contract. [verzoekende partij] vervulde de functie van Projectmanager B voor 32 uur per week tegen een salaris van € 4.880,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. Vanaf april 2025 verrichtte [verzoekende partij] haar werkzaamheden binnen het team Landbouw, Water & Voedsel (LWV). Haar leidinggevende was [leidinggevende] (hierna: [leidinggevende] ).



2.2.
FME is eigenrisicodrager in de zin van de Ziektewet en heeft de uitvoering daarvan ondergebracht bij Acture.



2.3.
Begin juni 2025 heeft [verzoekende partij] in opdracht van FME voor het team LWV een concept-projectplan opgesteld met betrekking tot de stikstofproblematiek. Zowel [leidinggevende] als de algemeen directeur van FME, de heer [directeur] (hierna: [directeur] ), hebben [verzoekende partij] erop gewezen dat het projectplan te breed is opgezet. Op 20 juni 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekende partij] , [leidinggevende] en de destijds bij FME werkzame Adviseur Public Affairs, mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Naar aanleiding van dit gesprek heeft [leidinggevende] een e-mail aan [directeur] gestuurd, waarin zij schrijft:

“(…) [naam 1] en ik hebben zojuist een zeer stroef gesprek met [verzoekende partij] gehad over haar projectplan. Wij hebben geprobeerd om haar duidelijk te maken dat het plan dat er nu ligt, niet binnen de kaders van FME valt. Maar eerlijk gezegd, er is geen doorkomen aan. [verzoekende partij] wil niet begrijpen dat de scope kleiner moet. En neemt dit ook niet van mij als leidinggevende aan. Ze heeft haar eigen ideeën over ieders rol in de organisatie en blijft bij haar plan en wil dat doorzetten. Daar ga ik samen met HR ( [naam 2] ) het gesprek over aan.

(…)

Ik vind het heel vervelend dat dit zo loopt. [verzoekende partij] is een aardige meid maar houd star vast aan haar eigen ideeën en heeft geen gevoel bij de communicatielijnen in de organisatie en naar leden toe. Ik hoop dat we haar bij kunnen sturen maar heb daar eerlijk gezegd niet heel veel vertrouwen in. (…)”



2.4.
Eveneens op 20 juni 2025 hebben drie werknemers van FME, onder wie [verzoekende partij] , per e-mail aan [leidinggevende] kenbaar gemaakt dat zij enkele zaken over de samenwerking binnen het team LWV willen bespreken. In de e-mail worden als belangrijke punten genoemd: (1) een gebrek aan vertegenwoordiging en bescherming, (2) het niet serieus nemen van aangedragen zorgen en ideeën en (3) het krijgen van te weinig ruimte voor initiatief en eigenaarschap. Volgens de e-mail beïnvloeden deze punten het werkplezier, de effectiviteit en het onderlinge vertrouwen. [leidinggevende] heeft op de e-mail aangegeven open te staan voor een gesprek.



2.5.
Op 30 juni 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekende partij] , [leidinggevende] en de HR Business Partner van FME, mevrouw [naam 2] (hierna: [naam 2] ). Van dit gesprek is een verslag opgesteld, waarin het volgende staat:

“(…) [leidinggevende] zegt dat ze het heel goed van [verzoekende partij] vindt dat zij zich de stikstof materie eigen wil maken en contacten opbouwt met de organisaties die samen met FME werken aan oplossingen voor de impasse die er nu is (…). Wat [leidinggevende] daarbij ook ziet is dat [verzoekende partij] een heel sterke mening opbouwt en dat het voor haar moeilijk is om hierover met [verzoekende partij] in gesprek te gaan als zij wil aangeven dat zij dat anders ziet. Een voorbeeld daarvan is de mening die [verzoekende partij] heeft over de rol die [naam 3] [ [naam 3] , toev. ktr.] inneemt binnen het Nationaal Innovatie Loket. Waarbij zij zijn rol in twijfel trekt en [leidinggevende] probeert aan te geven dat dit afgestemd is binnen FME en een bewuste keuze destijds door FME gemaakt. En nu ook weer bij de uitwerking van het plan om met leden en andere sectoren zoals bijvoorbeeld de bouw een doorbraak te realiseren om innovaties te implementeren. [leidinggevende] en meerdere collega’s binnen FME hebben aangegeven dat het plan van [verzoekende partij] hele goede elementen bevat maar in totaal te breed is opgezet.


[verzoekende partij] beaamt dat zij het plan breder opgezet heeft omdat zij van mening is dat het meerdere sectoren raakt en dat het gaat over een toekomstvisie waar je de lidbedrijven in mee moet nemen. Wellicht nog niet in de uitvoering van het volledige plan maar zij vindt dat FME hen wel moet adviseren over waar het op termijn heen gaat.


[leidinggevende] geeft aan dat dit een plan is dat (nog) niet past bij een organisatie als FME. [leidinggevende] heeft [verzoekende partij] gevraagd om focus aan te brengen op emissiereductie door de toepassing van technologie. (…).


[verzoekende partij] heeft het idee dat haar plan zonder dat zij kans heeft hierover in gesprek te gaan met [leidinggevende] wordt afgekeurd. Zij mist daarbij de onderbouwing van [leidinggevende] en de ruimte om zaken te bespreken of te bediscussiëren. Tijdens de vakantie van [leidinggevende] heeft [verzoekende partij] haar plan gedeeld met [naam 1] die haar adviseerde het aan [directeur] voor te leggen. [directeur] ’s reactie op het plan was eveneens dat het te breed is en hij heeft aangegeven dat het accent op de technologische toepassingen binnen de sector moet komen te liggen. Vervolgens heeft [directeur] ook e.e.a. met [naam 4] [ [naam 4] , toev. ktr.] gedeeld. [leidinggevende] is hierin deels meegenomen maar heeft ook een stuk van de communicatie gemist omdat zij met vakantie was en niet in de cc opgenomen was.


[naam 2] merkt op dat [verzoekende partij] hiermee, bewust of onbewust, haar leidinggevende heeft gepasseerd en dat de lijn is dat zij in eerste instantie met de direct leidinggevende het plan afstemt en wanneer feedback of besluitvorming vanuit het MT nodig is dan zal [leidinggevende] dit verder brengen in de lijn. [leidinggevende] is verantwoordelijk voor de projecten en capaciteitsinzet van haar team. (…)


[leidinggevende] zou graag meer bereidheid van [verzoekende partij] willen zien om te handelen in de organisatielijn die door meer ervaren collega’s en managers in de organisatie aangegeven wordt.


[leidinggevende] stelt de volgende werkwijze voor om te voorkomen dat zij elkaar niet goed begrijpen en om de kaders scherper te krijgen:

1. Maak een nieuw voorstel (max 5 kantjes) en daarbij een stappenplan, beoogd resultaat met tijdlijn en de activiteiten van FME (…).

(…) [naam 2] vraagt of er een goede overlegstructuur opgezet is. Het voorstel is om het als volgt in te richten. Wekelijks overleg op vrijdagochtend (…).


[verzoekende partij] geeft wekelijks aan wat de activiteiten zijn geweest, hoe dit verlopen is waar ze eventueel tegen aan gelopen is. [leidinggevende] coacht in dit gesprek [verzoekende partij] om in lijn met FME kaders te handelen en haar weg te vinden binnen FME. Gesprek ook over hoe de samenwerking wordt ervaren.

(…)

De eerste 3 keer is [naam 2] aanwezig bij deze gesprekken. Bij het derde gesprek vindt evaluatie plaats.”



2.6.
Op 1 juli 2025 heeft het gesprek plaatsgevonden over de samenwerking binnen het team LWV. Bij het gesprek waren [leidinggevende] , [naam 2] , [verzoekende partij] en de twee andere werknemers aanwezig die hierover zorgen hebben geuit. Tijdens het gesprek heeft een van die werknemers aangegeven dat de samenwerking al meer dan een jaar moeizaam verloopt en dat er al langere tijd sprake is van slechte projectmanagement, dat veel tijd en energie kost. [leidinggevende] heeft tijdens het gesprek geconstateerd dat het beeld bestaat van een autocratische leiderschapsstijl. Zij heeft daarbij aangegeven dat dit niet bewust is gebeurd en evenmin haar bedoeling is geweest.



2.7.
Op 8 juli 2025 heeft [verzoekende partij] zich ziek gemeld. Naar aanleiding daarvan heeft Arbo Unie een eerste gesprek met [verzoekende partij] ingepland op 25 juli 2025 met een verpleegkundige.



2.8.
Op 16 juli 2025 heeft [naam 2] Arbo Unie per e-mail geïnformeerd dat kort voor de ziekmelding van [verzoekende partij] een arbeidsconflict tussen [verzoekende partij] en [leidinggevende] heeft plaatsgevonden. De dag erna, op 17 juli 2025, heeft [naam 2] Arbo Unie per e-mail bericht dat het, gelet op het conflict, van belang is om [verzoekende partij] zo spoedig mogelijk weer met [leidinggevende] in gesprek te krijgen. Arbo Unie heeft [verzoekende partij] vervolgens op 22 juli 2025 bericht dat voor 28 juli 2025 een nieuwe afspraak is ingepland voor een videoconsult met de bedrijfsarts, de heer [naam 5] (hierna: [naam 5] ).



2.9.
Op 28 juli 2025 heeft [verzoekende partij] een videoconsult gehad met [naam 5] . Tijdens dit gesprek heeft [verzoekende partij] onder meer de e-mail van 20 juni 2025 aan [leidinggevende] toegelicht. Na afloop van het consult heeft [verzoekende partij] deze e-mail aan [naam 5] toegestuurd. Daarbij heeft [verzoekende partij] geschreven dat de e-mail een goed beeld geeft van de problemen die al langere tijd binnen het team spelen en haar volledig hebben uitgeput. Naar aanleiding van het videoconsult heeft Arbo Unie een Probleemanalyse opgesteld. Daarin is vermeld dat de reden voor het verzuim werkgerelateerd is en dat geen sprake is van een arbeidsconflict.



2.10.
Op 18 augustus 2025 heeft [verzoekende partij] een tweede gesprek gehad met [naam 5] . Naar aanleiding daarvan heeft [naam 5] gerapporteerd dat van [verzoekende partij] wordt verwacht dat zij belangstellend contact houdt met HR en vooralsnog niet met [leidinggevende] en dat te zijner tijd de werkproblemen besproken moeten gaan worden met [leidinggevende] .



2.11.
Op 21 augustus 2025 heeft [verzoekende partij] per e-mail bezwaar gemaakt tegen de verslaglegging door [naam 5] . Zij heeft daarbij onder meer naar voren gebracht dat het advies de suggestie wekt dat sprake is van een arbeidsconflict, terwijl daarvan volgens haar geen sprake is, en dat in het advies de door haar beschreven werkomstandigheden en de inhoud van haar e-mail van 20 juni 2025 aan [leidinggevende] ontbreken. [verzoekende partij] heeft vervolgens op 1 september 2025 een officiële klacht ingediend over de inhoud en de wijze van verspreiding van het advies. Op 6 september 2025 heeft zij haar bezwaren aangevuld. Daarbij heeft zij onder meer naar voren gebracht dat ook in de Probleemanalyse relevante informatie ontbreekt en dat daarin de werkelijke toedracht van haar vermoeidheidsklachten wordt verzwegen. De afspraak die [verzoekende partij] op 8 september 2025 bij [naam 5] had staan, heeft zij vanwege de lopende klachtprocedure geannuleerd.



2.12.
Op 30 september 2025 heeft Arbo Unie de klachten van [verzoekende partij] ongegrond verklaard.



2.13.
Op 7 oktober 2025 heeft [verzoekende partij] een e-mail gestuurd aan de HR-manager van FME, de heer [naam 6] (hierna: [naam 6] ), waarin zij schrijft:

“(…) Naar aanleiding van mijn eerdere bericht wil ik benadrukken dat mijn uitval voortkomt uit een structureel onveilige werksituatie binnen het team, waarover ik eerder – samen met mijn collega’s – heb gecommuniceerd richting [leidinggevende] en HR ( [naam 2] ). (…)

In de verslaglegging en de probleemanalyse van de bedrijfsarts is deze werkgerelateerde oorzaak echter niet opgenomen. Het ontbreken hiervan in de probleemanalyse en de verslagleggingen, maar het daarentegen wel opnemen van feitelijke onjuistheden, suggestieve en onzorgvuldig gekozen formuleringen, heeft geleid tot een suggestieve oorzaak in de privésfeer, terwijl dat niet aan de orde is. Tegen deze feitelijke onjuistheden heb ik bezwaar gemaakt bij Arbo Unie. (…) Ik heb inmiddels aangekondigd dat ik deze kwestie zal voorleggen aan de Autoriteit Persoonsgegevens en het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg.

Zolang de feiten niet zijn hersteld, acht ik het niet zorgvuldig om op basis van het huidige bedrijfsartsadvies verdere vervolgstappen te zetten. (…)”



2.14.
Op of omstreeks 16 oktober 2025 is in verband met de voorgenomen klacht- en tuchtprocedure besloten om [verzoekende partij] niet langer door [naam 5] , maar door een andere bedrijfsarts te laten begeleiden.



2.15.
Op 21 oktober 2025 heeft [naam 6] gereageerd op de e-mail van [verzoekende partij] van 7 oktober 2025. [naam 6] heeft daarin aangegeven dat de re-integratieverplichtingen van [verzoekende partij] onverminderd van kracht blijven, ook zolang een klacht of bezwaar tegen de verslaglegging in behandeling is. Daarnaast heeft hij [verzoekende partij] gewezen op de mogelijkheid om een second opinion aan te vragen bij een andere bedrijfsarts.



2.16.
Op 22 oktober 2025 heeft Arbo Unie [verzoekende partij] uitgenodigd voor een gesprek op 3 november 2025 met een andere bedrijfsarts, de heer [naam 7] (hierna: [naam 7] ).



2.17.
Op 23 oktober 2025 hebben [leidinggevende] en [naam 6] per e-mail gecorrespondeerd. Uit deze e-mailwisseling blijkt dat zij beiden van mening zijn dat [verzoekende partij] moet worden meegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd.



2.18.
Op 28 oktober 2025 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden over de samenwerking binnen het team LWV. [verzoekende partij] was hierbij niet aanwezig. Tijdens het gesprek is geconstateerd dat de samenwerking binnen het team ten opzichte van het vorige gesprek positief is veranderd.



2.19.
Op 3 november 2025 heeft [verzoekende partij] een consult gehad met [naam 7] . [naam 7] heeft naar aanleiding daarvan teruggekoppeld dat, gelet op de inhoud van de e-mail van 20 juni 2025 over de samenwerking binnen het team en de aard van de klachten, sprake lijkt te zijn van een arbeidsconflict.



2.20.
Op 5 november 2025 heeft [verzoekende partij] [naam 7] per e-mail bericht dat zij het niet eens is met de kwalificatie ‘arbeidsconflict’. Zij heeft [naam 7] verzocht zijn verslaglegging aan te passen en daarin op te nemen dat haar uitval het gevolg is van werkgerelateerde psychosociale belasting en een onveilige werksituatie.



2.21.
Op 10 november 2025 heeft [verzoekende partij] [naam 6] per e-mail geïnformeerd over haar verzoek aan [naam 7] tot aanpassing van zijn verslaglegging. Daarbij heeft zij benadrukt dat volgens haar geen sprake is van een conflict tussen haar en FME en dat het geschil uitsluitend betrekking heeft op de kwalificatie door de bedrijfsarts van de oorzaak van haar uitval. Eveneens op 10 november 2025 heeft [leidinggevende] in een interne e-mail bevestigd dat het functioneren van [verzoekende partij] wordt beoordeeld als ‘voldoet niet geheel’.



2.22.
Op 11 november 2025 heeft FME aan [verzoekende partij] meegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd.



2.23.
Op 21 november 2025 heeft [naam 6] [verzoekende partij] per e-mail bericht dat een eventuele aanpassing door [naam 7] van de kwalificatie van de oorzaak van haar uitval wordt afgewacht. Daarbij heeft hij aangegeven dat tot dat moment het geldende advies wordt gevolgd. Bij zijn e-mail heeft [naam 6] het Plan van Aanpak aan [verzoekende partij] toegestuurd, met het verzoek dit uiterlijk op 25 november 2025 ondertekend te retourneren. Daarbij heeft hij aangegeven dat [verzoekende partij] in de daarvoor bestemde rubriek kan aangeven met welke onderdelen van het plan zij het eventueel niet eens is.



2.24.
Op 26 november 2025 heeft [verzoekende partij] [naam 6] laten weten dat zij het Plan van Aanpak niet zal ondertekenen, kort gezegd omdat de Probleemanalyse vanwege het ontbreken daarin van haar visie op en de werkgerelateerde oorzaak van haar uitval onvolledig is en de gevolgde re-integratieadviezen op die onjuiste basis voortbouwen. Op 29 november 2025 heeft [verzoekende partij] vervolgens per e-mail geschreven dat volgens haar een rechtsgeldige basis voor voortzetting van het re-integratietraject ontbreekt.



2.25.
Op 1 december 2025 stond een nieuw consult met [naam 7] gepland. [verzoekende partij] is niet op deze afspraak verschenen.



2.26.
Op 8 december 2025 heeft [naam 6] [verzoekende partij] per e-mail gewezen op haar re-integratieverplichtingen en medegedeeld dat een consult bij de bedrijfsarts niet eenzijdig kan worden geannuleerd. [naam 6] heeft daarbij aangegeven dat een nieuwe afspraak zal worden ingepland en dat naar aanleiding van die afspraak zal worden beoordeeld of aanpassingen in het Plan van Aanpak nodig zijn. [naam 6] heeft [verzoekende partij] er opnieuw op gewezen dat zij eventuele bezwaren tegen het Plan van Aanpak in het document zelf of in een afzonderlijke bijlage kan opnemen.



2.27.
Op 9 december 2025 heeft een laatste gesprek plaatsgevonden over de samenwerking binnen het team LWV. [verzoekende partij] was niet bij dit gesprek aanwezig. Tijdens dit gesprek is afgesproken dat het team zelf aan de slag gaat met de samenwerking en dat HR ondersteuning kan bieden indien blijkt dat er toch behoefte is aan extra begeleiding.



2.28.
Op 15 december 2025 is [verzoekende partij] niet verschenen op de voor die dag geplande afspraak met de bedrijfsarts. Bij e-mail van 12 december 2025 heeft [verzoekende partij] [naam 6] per e-mail bericht dat zij niet bij het consult zal verschijnen, omdat zij wil voorkomen dat verdere stappen worden gezet op basis van de Probleemanalyse.



2.29.
Per 7 januari 2026 is [verzoekende partij] ziek uit dienst getreden.



2.30.
Op 11 maart 2026 heeft Acture [verzoekende partij] per brief bericht dat haar aanvraag voor een Ziektewetuitkering niet in behandeling kan worden genomen, omdat niet alle benodigde informatie is ontvangen. [verzoekende partij] heeft deze brief niet ontvangen.



2.31.
Op 25 maart 2026 heeft het UWV de aanvraag voor een Ziektewetuitkering van [verzoekende partij] afgewezen. Volgens het UWV heeft [verzoekende partij] niet gereageerd op het verzoek van 11 maart 2026 om contact op te nemen met FME/Acture, waardoor het UWV niet heeft kunnen vaststellen of [verzoekende partij] nog arbeidsongeschikt is. [verzoekende partij] heeft op 15 april 2026 bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. Het UWV heeft tot op heden geen beslissing genomen op het bezwaar. Wel heeft het UWV [verzoekende partij] laten weten dat het bezwaar gegrond zal worden verklaard indien zij alsnog aan haar verplichtingen voldoet, waaronder het verschijnen op het spreekuur van de bedrijfsarts.



2.32.
Op 7 augustus 2026 heeft Acture [verzoekende partij] per e-mail bericht dat zij niet kan voldoen aan het verzoek van [verzoekende partij] om de betaling van de Ziektewetuitkering te hervatten, omdat nog geen beslissing is genomen op haar bezwaar tegen de afwijzing van de Ziektewetuitkering door het UWV. Acture heeft daarbij aangegeven dat om een beslissing op het bezwaar te kunnen nemen, een medische beoordeling door een bedrijfsarts noodzakelijk is. Daarvoor is een afspraak gepland op 8 september 2026. Acture heeft medegedeeld dat de uitkering met terugwerkende kracht zal worden uitbetaald, indien het bezwaar gegrond wordt verklaard. Acture heeft dit standpunt bij e-mail van 18 augustus 2026 aan [verzoekende partij] herhaald.





3Het geschil


3.1.

[verzoekende partij] verzoekt de kantonrechter – samengevat – om:

I. te verklaren voor recht dat:
a. FME het re-integratietraject niet zorgvuldig en niet conform de wettelijke verplichtingen heeft ingericht en uitgevoerd;
b. de ‘no-show’ registratie, de inrichting van het re-integratietraject en de kwalificatie als ‘arbeidsconflict’ niet zorgvuldig en niet transparant tot stand zijn gekomen en daarmee geen grondslag vormen voor beoordeling van de reintegratieverplichtingen;
c. het [verzoekende partij] ontbrak aan een beschermde basis door het ontbreken van een toetsbare Probleemanalyse met een werkgerelateerde kwalificatie;
d. [verzoekende partij] een gerechtvaardigd verlies van vertrouwen had in een zorgvuldig re-integratietraject en van haar niet gevergd kon worden om mee te werken aan het re-integratietraject na 3 november 2025;

II. FME te veroordelen om specifieke registraties in het reintegratiedossier te corrigeren, te verwijderen dan wel aan te vullen en FME te veroordelen om ervoor zorg te dragen dat deze correcties eveneens worden doorgevoerd bij Arbo Unie, Acture en eventuele andere betrokken derden;

III. FME te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding op grond van artikel 7:658 BW, artikel 7:611 BW, artikel 6:162 BW en artikel 6:106 BW van € 130.000,- bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakend handelen;

IV. FME te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding op grond van artikel 82 AVG van € 10.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente;

V. FME te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:673 lid 9 BW van ten minste € 60.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

VI. FME te veroordelen de niet betaalde Ziektewetuitkering alsnog te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente;

VII. FME te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.



3.2.
FME verzoekt primair om de verzoeken van [verzoekende partij] af te wijzen, althans haar daarin niet-ontvankelijk te verklaren. Voor het geval de verzoeken (gedeeltelijk) worden toegewezen, verzoekt FME subsidiair om de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, althans daaraan de voorwaarde te verbinden dat [verzoekende partij] zekerheid stelt voor enig door FME te betalen bedrag. In beide gevallen verzoekt FME om [verzoekende partij] te veroordelen in de proceskosten, eventueel te vermeerderen met de wettelijke rente.



3.3.
De stellingen van [verzoekende partij] en FME worden hierna, voor zover dat voor de beoordeling nodig is, besproken.





4De beoordeling


Verklaringen voor recht en rectificaties



4.1.
Artikel 3:303 BW bepaalt dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt. FME stelt onder verwijzing naar dit artikel dat [verzoekende partij] onvoldoende belang heeft bij de door haar verzochte verklaringen voor recht en rectificaties in haar re-integratiedossier.



4.2.

[verzoekende partij] heeft toegelicht dat in haar re-integratiedossier zaken zijn opgenomen die volgens haar onjuist zijn en die zij rechtgezet wil zien. Dat vormt echter geen belang in de zin van artikel 3:303 BW, maar beschrijft veeleer de reden waarom zij om de verklaringen voor recht en rectificaties verzoekt. Niet valt in te zien wat een aanpassing in het re-integratiedossier [verzoekende partij] nu nog zou kunnen opleveren. De arbeidsovereenkomst met FME is immers per 7 januari 2026 geëindigd en het is niet gebleken dat de huidige inhoud van het re-integratiedossier [verzoekende partij] op dit moment op enige wijze belemmert of benadeelt. [verzoekende partij] heeft wel dat haar inkomen afhankelijk is van de onjuistheden in het re-integratiedossier en het feit dat zij slecht in het re-integratietraject is neergezet (volgens haar bestaat de mogelijkheid dat zij als gevolg van een en ander geen Ziektewetuitkering krijgt), maar deze stelling heeft zij niet onderbouwd en vindt ook geen steun in de feiten. Het UWV heeft [verzoekende partij] immers laten weten dat haar bezwaar tegen de beslissing om haar geen Ziektewetuitkering toe te kennen gegrond zal worden verklaard indien zij alsnog verschijnt op het spreekuur van de bedrijfsarts. Een afspraak met de bedrijfsarts staat inmiddels gepland. Of het UWV het bezwaar van [verzoekende partij] uiteindelijk gegrond acht, is afhankelijk van de uitkomst van dat spreekuur. Uit niets blijkt dat het re-integratiedossier dat door FME werd gebruikt, van enige betekenis is voor de beslissing van het UWV.



4.3.
Gelet op het voorgaande valt niet in te zien welk zelfstandig belang [verzoekende partij] nog heeft bij de door haar verzochte verklaringen voor recht en rectificaties in haar re-integratiedossier. Mogelijk heeft [verzoekende partij] een emotioneel belang bij het rechtzetten van zaken die volgens haar onjuist zijn verlopen en weergegeven, maar een dergelijk belang betreft geen rechtens relevant belang in de zin van de wet.



4.4.
Ook op inhoudelijke gronden kunnen de verzochte verklaringen voor recht niet worden afgegeven. [verzoekende partij] verwijt FME dat FME na haar ziekmelding Arbo Unie heeft geïnformeerd over het feit dat voorafgaand aan de ziekmelding een ‘arbeidsconflict’ met [leidinggevende] heeft plaatsgevonden. Volgens [verzoekende partij] is daarmee sprake geweest van conflictsturing. Het verstrekken van contextinformatie over de werksituatie aan de bedrijfsarts is echter een gebruikelijke handeling van een werkgever in het kader van de re-integratie en is ook niet per definitie onwenselijk. Dat [verzoekende partij] het niet eens is met de kwalificatie ‘arbeidsconflict’ van FME, betekent niet dat FME onjuist of onrechtmatig heeft gehandeld door de situatie als zodanig aan te duiden. Volgens de NVAB-richtlijn waar [verzoekende partij] naar verwijst, is immers sprake van een arbeidsconflict als een van de partijen de situatie als zodanig ervaart. Het stond FME dan ook vrij om haar ervaring op deze manier met de bedrijfsarts te delen.



4.5.

[verzoekende partij] stelt voorts dat sprake zou zijn geweest van een ‘patroon van sturing, informatieongelijkheid en beïnvloeding’ door FME dat het re-integratietraject zou hebben bepaald. De weergegeven feiten bieden daarvoor echter geen enkel aanknopingspunt. [verzoekende partij] heeft evenmin voldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat FME haar uit de wet voortvloeiende re-integratieverplichtingen niet volledig of niet naar behoren is nagekomen. De bezwaren die [verzoekende partij] heeft geuit lijken zich met name te richten op de inhoud van de Probleemanalyse en het Plan van Aanpak.


4.5.1.
Wat de Probleemanalyse betreft, stelt [verzoekende partij] dat deze onzorgvuldig en onvolledig zou zijn uitgewerkt, onder meer omdat haar visie en de e-mail van het ‘team’ van 20 juni 2025 daarin niet zouden zijn opgenomen. Voor zover [verzoekende partij] van mening is dat FME hiervan een verwijt kan worden gemaakt, miskent zij daarmee dat de inhoud en totstandkoming van de Probleemanalyse tot de verantwoordelijkheid van de bedrijfsarts behoort en niet van de werkgever. FME diende het advies van de bedrijfsarts op te volgen en niet is gebleken dat zij dat niet heeft gedaan. [verzoekende partij] heeft in haar e-mail van 10 november 2025 zelf ook aangegeven dat geen sprake is van een conflict met FME, maar dat haar bezwaar uitsluitend betrekking heeft op de kwalificatie door Arbo Unie van de oorzaak van haar uitval. Bovendien heeft FME actie ondernomen nadat [verzoekende partij] tegen de Probleemanalyse bezwaren had geuit. Zo heeft zij [verzoekende partij] gewezen op de mogelijkheid om een second opinion aan te vragen bij een andere bedrijfsarts en ervoor gezorgd dat [verzoekende partij] door een andere bedrijfsarts ( [naam 7] ) werd beoordeeld. Dat deze bedrijfsartswissel, zoals [verzoekende partij] stelt, niet transparant tot stand is gekomen, is onvoldoende gebleken en buiten dat is ook niet gebleken dat [verzoekende partij] door de wissel in haar belangen is geschaad. Zij is immers daadwerkelijk beoordeeld door deze nieuwe bedrijfsarts. Dat deze bedrijfsarts de werksituatie als ‘arbeidsconflict’ heeft gekwalificeerd en [verzoekende partij] het ook met zijn beoordeling niet eens heeft kunnen worden, maakt niet dat de Probleemanalyse of het re-integratietraject zoals dat daarna is ingestoken onzorgvuldig is geweest. Het was, anders dan [verzoekende partij] stelt, daarom ook niet aan FME om in te grijpen in het re-integratietraject en om aanpassing van de Probleemanalyse te verzoeken. Daarvoor bestond immers geen aanleiding. Bovendien geldt dat [verzoekende partij] , voor zover zij het niet eens was met de beoordeling van de bedrijfsarts, zelf een second opinion had kunnen aanvragen bij een andere bedrijfsarts of om een deskundigenoordeel bij het UWV had kunnen verzoeken. Dat haar bezwaar uitsluitend betrekking had op de onderbouwing van de kwalificatie van de oorzaak van haar uitval, maakt dat niet anders.



4.5.2.
Wat het Plan van Aanpak betreft, heeft FME gehandeld conform artikel 7:658a lid 3 BW. Dat artikel bepaalt dat de werkgever in overeenstemming met de werknemer een plan van aanpak opstelt. [naam 6] heeft het Plan van Aanpak, dat in lijn is met de verslaglegging van [naam 7] naar aanleiding van het consult van 3 november 2025, op 21 november 2025 aan [verzoekende partij] toegezonden. Daarbij heeft hij haar verzocht eventuele bezwaren of afwijkende inzichten in de daarvoor bestemde rubriek op te nemen. Op 8 december 2025 heeft hij [verzoekende partij] hier opnieuw op gewezen en haar de mogelijkheid geboden haar bezwaren tegen het Plan van Aanpak in het document zelf of in een afzonderlijke bijlage op te nemen. [verzoekende partij] heeft geweigerd het Plan van Aanpak te ondertekenen en gesteld dat de Probleemanalyse onvolledig is en dat daarom geen rechtsgeldige basis voor het re-integratietraject bestaat. Die stelling miskent echter dat FME als werkgever gehouden was het advies van de bedrijfsarts op te volgen en het Plan van Aanpak op te stellen, ook als [verzoekende partij] het niet eens was met de (medische) kwalificatie in de Probleemanalyse. Indien [verzoekende partij] het niet eens was met het advies van [naam 7] , had zij een second opinion bij een andere bedrijfsarts of een deskundigenoordeel bij het UWV kunnen aanvragen.




4.6.
Ten aanzien van de verzochte rectificaties geldt dat, voor zover [verzoekende partij] deze baseert op artikel 5 lid 1 sub d AVG, ook dit verzoek op inhoudelijke gronden niet kan worden toegewezen. In de eerste plaats heeft FME, zoals zij terecht stelt, geen invloed op alle gegevens die in het re-integratiedossier zijn opgenomen. Een aanzienlijk deel daarvan is vastgelegd door de bedrijfsartsen. FME kan deze gegevens dan ook niet zonder meer rectificeren. In de tweede plaats is van onjuiste persoonsgegevens in de zin van artikel 5 lid 1 sub d AVG slechts sprake indien het gaat om feitelijke gegevens die objectief onjuist zijn. Beoordelingen en kwalificaties van een bedrijfsarts, zoals de kwalificatie van [naam 7] dat sprake is van een ‘arbeidsconflict’, zijn geen objectief onjuiste feitelijke gegevens. Dat [verzoekende partij] het niet eens is met een dergelijke beoordeling of kwalificatie, maakt deze op zichzelf dan ook niet tot een ‘onjuist gegeven’ in de zin van de AVG. Indien [verzoekende partij] zich niet kon verenigen met de kwalificatie van [naam 7] , had zij zich kunnen wenden tot een andere bedrijfsarts of het UWV, zoals hiervoor reeds is overwogen. Daarbij komt dat de kantonrechter niet is gebleken dat de gegevens die, voor zover bekend, in het re-integratiedossier zijn opgenomen, zodanig onvolledig of onjuist zijn geregistreerd dat deze rectificatie behoeven.


Schadevergoeding op grond van artikel 7:658 BW, 7:611 BW, 6:162 BW en/of 6:106 BW




4.7.
Artikel 7:658 lid 2 BW bepaalt dat een werkgever jegens een werknemer aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Op grond van artikel 7:611 BW is de werkgever verplicht zich als goed werkgever te gedragen. Artikel 6:162 BW bepaalt dat degene die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, die hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade te vergoeden die de ander daardoor lijdt. Artikel 6:106 BW tot slot bepaalt dat een benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien sprake is van een van de in dat artikel genoemde gevallen.



4.8.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat FME niet heeft gehandeld op een wijze die leidt tot (werkgevers)aansprakelijkheid op grond van een van de door [verzoekende partij] genoemde rechtsgronden. [verzoekende partij] heeft bovendien niet voldaan aan haar stelplicht wat betreft de door haar verzochte schadevergoeding. [verzoekende partij] verzoekt om een schadevergoeding van € 130.000,-. Zij heeft daarbij de volgende schadeposten genoemd: inkomensschade, pensioenschade, schade als gevolg van gemiste re-integratiekansen, schade als gevolg van dossiervorming en informatie-ongelijkheid en immateriële schade. [verzoekende partij] heeft echter nagelaten te specificeren hoe deze schadeposten zijn berekend, welke concrete bedragen aan de afzonderlijke posten moeten worden toegerekend en in welk verband deze posten staan tot het door haar gestelde handelen van FME. Evenmin heeft zij toegelicht hoe het verzochte bedrag zich verhoudt tot de afzonderlijk verzochte billijke vergoeding. [verzoekende partij] heeft als productie een overzicht overgelegd waaruit volgens haar zou blijken welke materiële schade zij heeft geleden en nog steeds lijdt. Dit overzicht kan echter om meerdere redenen niet dienen als onderbouwing van de door haar verzochte schadevergoeding. Zo gaat het overzicht ten onrechte uit van een arbeidsomvang van 40 uur per week. Daarnaast stelt [verzoekende partij] zonder nadere onderbouwing dat zij uit haar eigen bedrijf geen inkomsten verwerft. Gelet op het een en ander, wordt het verzoek afgewezen.



Schadevergoeding op grond van artikel 82 AVG




4.9.
Artikel 82 lid 1 AVG bepaalt dat eenieder die schade heeft geleden door een inbreuk op de AVG, het recht heeft om van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker vergoeding van die schade te ontvangen. Uit deze bepaling volgt dat voor een aanspraak op schadevergoeding is vereist dat (i) sprake is van een inbreuk op de AVG, (ii) daadwerkelijk schade is geleden en (iii) een causaal verband bestaat tussen de inbreuk en de schade.



4.10.

[verzoekende partij] heeft gesteld dat FME “persoonsgegevens (…) onrechtmatig heeft verwerkt in strijd met de AVG, waaronder artikel 82 AVG”. Artikel 82 AVG ziet echter op de toekenning van schadevergoeding bij een inbreuk op de AVG en bevat zelf geen gedragsnorm die kan worden geschonden. [verzoekende partij] heeft daarnaast gesteld dat FME artikel 5 lid 1 onder b en c AVG heeft geschonden. Zij heeft tegenover de betwisting van FME echter nagelaten concreet te maken op welke wijze FME in strijd met deze bepalingen heeft gehandeld. Ook uit de feiten en het dossier blijkt niet dat FME gedurende de periode van arbeidsongeschiktheid van [verzoekende partij] persoonsgegevens heeft verwerkt op een wijze die in strijd is met deze bepalingen. De verwijten van [verzoekende partij] lijken zich met name te richten op de wijze waarop de bedrijfsartsen van Arbo Unie persoonsgegevens hebben verwerkt, maar deze wijze van verwerking kan niet zonder meer aan FME worden toegerekend. [verzoekende partij] heeft verder niet geconcretiseerd welke schade zij heeft geleden en evenmin op welke wijze die schade is veroorzaakt door de door haar gestelde privacyschending door FME. Daarmee is niet voldaan aan de vereisten voor toewijzing van een schadevergoeding op grond van artikel 82 lid 1 AVG. Het verzoek van [verzoekende partij] op deze grond wordt daarom afgewezen.


Billijke vergoeding




4.11.
Op grond van artikel 7:673 lid 9 BW kan een billijke vergoeding worden toegekend indien het niet voortzetten van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Voor ernstige verwijtbaarheid geldt een hoge drempel; daarvan is slechts in uitzonderlijke gevallen sprake. Een werkgever is in beginsel niet verplicht een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd te verlengen. Dit kan anders zijn wanneer de werknemer, zoals bij [verzoekende partij] , uitzicht is geboden op een vast contract bij goed functioneren. Het is echter aan de werkgever om te beoordelen of de werknemer geschikt is voor de functie en voldoende gelegenheid heeft gehad om dit te beoordelen. Daarbij komt de werkgever een ruime beoordelingsvrijheid toe. De kantonrechter kan dit oordeel en de beslissing tot niet-verlenging slechts marginaal toetsen aan de beginselen van redelijkheid en billijkheid en de norm van goed werkgeverschap. Voor toekenning van een billijke vergoeding is daarnaast vereist dat een causaal verband bestaat tussen het ernstig verwijtbare handelen van de werkgever en het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst.



4.12.
FME heeft naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat het besluit om de arbeidsovereenkomst van [verzoekende partij] niet te verlengen is gebaseerd op haar functioneren en de samenwerkingsproblemen die al vóór haar ziekmelding bestonden. [leidinggevende] heeft op 20 juni 2025 naar aanleiding van het door [verzoekende partij] opgestelde projectplan reeds melding gemaakt van het feit dat [verzoekende partij] niet zou inzien dat het projectplan anders moet, vasthoudt aan haar eigen ideeën en geen gevoel heeft bij de communicatielijnen en daarbij expliciet opgemerkt weinig vertrouwen te hebben dat [verzoekende partij] hierin kan worden bijgestuurd. Vervolgens is [verzoekende partij] op 30 juni 2025 aangesproken op diverse zaken, zoals het niet opvolgen van werkinstructies, het ondermijnen van organisatiebeleid en het onvoldoende rekening houden met de kaders van de organisatie. Dat de samenwerking met [verzoekende partij] gebrekkig was, wordt ondersteund door de door FME overgelegde verklaring van [naam 1] . [verzoekende partij] is kort hierna ziek uitgevallen, waarna zij geen werkzaamheden meer voor FME heeft verricht. Het functioneren van [verzoekende partij] in de periode tot aan haar uitval is uiteindelijk op 10 november 2025 beoordeeld als ‘voldoet niet geheel’ en het besluit om haar arbeidsovereenkomst niet te verlengen is al op 23 oktober 2025 intern door FME genomen.



4.13.
Het feit dat FME de arbeidsovereenkomst van [verzoekende partij] niet heeft verlengd, levert onder deze omstandigheden geen ernstig verwijtbaar handelen op. Het is in ieder geval niet gebleken, anders dan [verzoekende partij] suggereert, dat andere omstandigheden dan haar onvoldoende functioneren een rol hebben gespeeld in het besluit tot niet-verlenging. Dat [verzoekende partij] ten tijde van de aanzegging en haar uitdiensttreding arbeidsongeschikt was, maakt dat niet anders. Uit niets blijkt namelijk dat de arbeidsovereenkomst niet is verlengd vanwege haar arbeidsongeschiktheid. [verzoekende partij] lijkt te betogen dat de niet-verlenging het gevolg is van het re-integratietraject zoals dat door FME is ingericht en dat [verzoekende partij] als onvoldoende bestempelt, maar FME heeft dit betwist en voor de juistheid van deze stelling biedt het dossier geen aanknopingspunten. Bovendien heeft [verzoekende partij] niet gesteld dat FME de arbeidsovereenkomst wel zou hebben verlengd indien FME zich gedurende het re-integratietraject had gedragen zoals [verzoekende partij] meent dat van FME mocht worden verwacht.



4.14.
Het is bovendien aan [verzoekende partij] om feiten en omstandigheden aan te voeren die relevant zijn voor de begroting van de hoogte van de billijke vergoeding. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan omstandigheden met betrekking tot inkomensschade, verlies van arbeidsvoorwaarden, pensioenschade, kansen op de arbeidsmarkt en andere relevante financiële of persoonlijke gevolgen. Dergelijke feiten en omstandigheden zijn niet gesteld. [verzoekende partij] heeft slechts verwezen naar “• de ernst, duur en samenhang van het verwijtbaar handelen; • de wijze waarop het re-integratietraject en dossier zijn ingericht; • de gevolgen daarvan voor de rechtspositie, gezondheid, persoonlijke levensfeer en arbeidspositie van [verzoekende partij] ; • het feit dat [verzoekende partij] thans nog steeds arbeidsongeschikt is; • de wijze waarop deskundigheid is ingezet; • alsmede de noodzakelijke normstellende en preventieve werking”, zonder te concretiseren welke rol deze omstandigheden zouden moeten spelen bij het vaststellen van de billijke vergoeding. De hoogte van de billijke vergoeding is daarmee onvoldoende onderbouwd. Het verzoek van [verzoekende partij] wordt gelet op al het voorgaande afgewezen.


Ziektewetuitkering




4.15.
Ook het verzoek van [verzoekende partij] om FME te veroordelen tot betaling van de Ziektewetuitkering wordt afgewezen. [verzoekende partij] miskent namelijk met dat verzoek dat het recht op een Ziektewetuitkering een publiekrechtelijk recht is dat voortvloeit uit de Ziektewet en niet uit de inmiddels geëindigde arbeidsovereenkomst met FME. Het feit dat FME eigenrisicodrager is in de zin van de Ziektewet, betekent niet dat FME of Acture beslist over de toekenning van de uitkering. Die beslissing is aan het UWV en dientengevolge loopt ook de rechtsbescherming tegen de beslissing van het UWV via de bestuursrechtelijke weg. Duidelijk is geworden dat [verzoekende partij] deze weg ook aan het bewandelen is. [verzoekende partij] heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van het UWV van 25 maart 2026 om de Ziektewetuitkering te weigeren en de bezwaarprocedure loopt op dit moment nog. Het is daarom niet mogelijk om in de onderhavige procedure FME tot betaling van de Ziektewetuitkering te veroordelen.


Proceskosten




4.16.

[verzoekende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van FME worden begroot op:
- salaris gemachtigde € 1.154,00 (tarief WWZ tegenspraak complex)
- nakosten € 144,00
Totaal € 1.298,00



4.17.
De door FME verzochte wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





5De beslissing

De kantonrechter:


5.1.
wijst de verzoeken van [verzoekende partij] af;



5.2.
veroordeelt [verzoekende partij] in de proceskosten van € 1.298,- te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en bepaalt dat als [verzoekende partij] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend zij ook de kosten van betekening moet betalen;



5.3.
veroordeelt [verzoekende partij] in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. E.A.W. Schippers en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.
Link naar deze uitspraak