Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:7710 
 
Datum uitspraak:06-10-2026
Datum gepubliceerd:15-10-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:ARN 26/3795
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:last onder dwangsom; opslag lactosepermeaat; in strijd met omgevingsplan.
Trefwoorden:agrarisch
akkerbouw
bestemmingsplan
bestuursdwang
buitengebied
melkveehouderij
omgevingsvergunning
perceel
subsidies
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: ARN 26/3795 (voorlopige voorziening) en 26/3781 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 oktober 2026

op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen


[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. C.G.J.M. Termaat),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen
(gemachtigde: mr. M. Koevoet).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser opgelegde last onder dwangsom. Het college heeft de last in bezwaar onder aanpassing van de grondslag en de motivering gehandhaafd. Eiser is het hier niet mee eens en heeft daarom beroep ingesteld. Tevens heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe voert hij een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het college de last onder dwangsom aan eiser heeft op kunnen leggen.


1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de opslag van lactosepermeaat in strijd is met de bepalingen van het Omgevingsplan. Het college was dan ook bevoegd om aan eiser een last onder dwangsom op te leggen. De last is ook niet onevenredig. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. 1.2. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.




Procesverloop

2. Met het besluit van 16 december 2026 heeft het college eiser gelast de opgeslagen lactosepermeaat op het perceel [adres] in Bergharen te verwijderen en verwijderd te houden. Met het bestreden besluit van 7 juli 2026 op het bezwaar van eiser heeft het college de last onder dwangsom onder aanpassing van de grondslag en de motivering gehandhaafd. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.


2.1.
Het college heeft de aan de last verbonden begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter.



2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. Tevens was aanwezig [persoon] , bedrijfsadviseur van eiser.



2.3.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen.




Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Eiser is eigenaar van het perceel [adres] in Bergharen. Hij oefende een melkveehouderij uit, en heeft daarvoor een milieuvergunning. Eiser wil overstappen op akkerbouw. De dieren zijn al weg. In de op het perceel aanwezige silo’s slaat eiser lactosepermeaat op. Lactosepermeaat kan als meststof voor de akkers gebruikt worden en ook als brandstof voor een vergister, die op eisers perceel staat.4. Met het primaire besluit heeft het college eiser gelast de lactosepermeaat te verwijderen en verwijderd te houden. In de beslissing op bezwaar heeft het college de last in zoverre aangepast dat deze nu niet langer ziet op de opslag als meststof voor de akkerbouwgronden van het akkerbouwbedrijf. Voor het overige dient eiser de opgeslagen lactosepermeaat af te voeren. Voldoet eiser niet aan de last dan verbeurt hij een dwangsom van € 7.500 ineens.

5. Eiser is het niet eens met de aan hem opgelegde last onder dwangsom. Twee van de drie silo’s zijn al leeg, het resterende lactosepermeaat wil hij gebruiken als brandstof voor de vergister.
Spoedeisend belang
6. Het college betwist dat sprake is van spoedeisend belang omdat is toegestaan dat lactosepermeaat wordt opgeslagen ten behoeve van het eigen bedrijf. Het gebruik ten behoeve van de vergister valt buiten de beoordeling van het geding, nu die niet gebruikt mag worden. Het gebruik van de vergister valt niet onder het overgangsrecht en een toekomstige vergunning voor het gebruik van de vergister kan niet bij de beoordeling kan worden betrokken.


6.1.
De voorzieningenrechter volgt het college niet. Aan eiser is een last onder dwangsom opgelegd. Niet in geschil is dat eiser nog altijd lactosepermeaat opslaat in silo 1 en dat wil gebruiken ten behoeve van de vergister, terwijl dit volgens de last onder dwangsom niet is toegestaan. De begunstigingstermijn verloopt zes weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter. Dat maakt reeds dat eiser een spoedeisend belang heeft.


Wettelijk kader
7. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel van eiser was vóór 1 januari 2024 de geconsolideerde versie van het bestemmingsplan ‘Buitengebied en herziening 2014’ van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Wijchen. Volgens dat bestemmingsplan geldt op het perceel de bestemming Agrarisch.



7.1.
Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.



7.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 3.5.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan wordt onder gebruik strijdig met de bestemming in ieder geval begrepen het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en/of opstallen voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, tenzij:
 het gebruik in het kader van de bestemming betreft én inpandig plaatsvindt; of
 het gebruik in het kader van de agrarische productie of agrarisch gerelateerde productie ten behoeve van een nevenactiviteit betreft én plaatsvindt binnen het bouwvlak; of
 het opslag in het kader van de agrarische of agrarisch gerelateerde productie ten behoeve van een nevenactiviteit buiten het bouwvlak betreft, voorzover deze opslag in het kader van de oogst én voor maximaal één aaneengesloten periode van één maand plaatsvindt.


Is het college bevoegd om handhavend op te treden?

8. Tussen partijen is op zichzelf niet in geschil dat opslag van lactosepermeaat als meststof voor de gronden van eiser is toegestaan. Eiser stelt allereerst dat hij ten tijde van het voornemen al had aangegeven dat hij de opslag van lactosepermeaat voor anderen zou staken. Op het moment dat de last aan hem werd opgelegd was dan ook geen sprake van een overtreding en was het college derhalve niet bevoegd om handhavend op te treden.



8.1.
De voorzieningenrechter volgt dit betoog niet. Uit de overgelegde stukken blijkt dat er op 25 november 2025 een controle op het perceel van eiser heeft plaatsgevonden. Uit het opgemaakte controlerapport blijkt dat eiser heeft aangegeven dat er 5 vrachten naar Frankrijk gepland waren: op 18, 19 en drie op 25 november. Verder heeft hij aangegeven dat er minimaal tien weken nodig zouden zijn om alles af te voeren, maar als het tegen zou zitten dat dit dan zou kunnen uitlopen naar 13 of 15 weken. In de zienswijze is door eiser opgemerkt dat de aanvoer van lactosepermeaat is gestaakt, maar dat de afvoer afhankelijk is van de marktomstandigheden. Het college mocht er naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook vanuit gaan dat de overtreding op het moment dat het college de last onder dwangsom aan hem oplegde (16 december 2025) nog niet was beëindigd. Eiser heeft immers zelf gezegd dat in het meest gunstige geval 10 weken nodig waren om alles af te voeren. De last onder dwangsom is ongeveer drie weken na de controle opgelegd. Het college mocht er dan ook ten tijde van het opleggen van de last vanuit gaan dat de overtreding nog niet was beëindigd. Dat eiser bezig was om de overtreding te beëindigen maakt niet dat het college op dat moment niet bevoegd was om handhavend op te treden.



8.2.
Dat het college in bezwaar concludeerde dat niet langer lactosepermeaat ten behoeve van derden werd opgeslagen en de overtreding in zoverre was beëindigd maakt bovendien niet dat het college de last onder dwangsom had moeten herroepen. In bezwaar heeft eiser immers zelf voor het eerst het standpunt ingenomen dat de lactosepermeaat werd opgeslagen als meststof en als brandstof voor de vergister. Het college stelt zich op het standpunt dat ook opslag ten behoeve van de vergister in strijd is met de bepalingen van het bestemmingsplan. Het college handelt niet in strijd met het bepaalde in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht door de last te handhaven voor zover lactosepermeaat niet wordt opgeslagen voor eigen gebruik. Het betoog slaagt daarom niet.

9. De vraag die nunog voorligt is of opslag van lactosepermeaat als grondstof voor de warmtekrachtkoppeling (via de vergister) van eiser is toegestaan.



9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de opslag ten behoeve van de vergister niet is toegestaan omdat het gebruik van de vergister in strijd is met de bepalingen van het bestemmingsplan. Omdat sinds 2018 geen gebruik meer wordt gemaakt van de vergister, valt het gebruik ook niet onder het overgangsrecht.9.2. Eiser stelt dat dat opslag ten behoeve van gebruik in de vergister is toegestaan. Voor de bouw van de vergister is in 2006 een omgevingsvergunning verleend. Bovendien is de vergister niet in strijd met het bepaalde in artikel 3.1.1. van het bestemmingsplan. Het gebruik van de vergister dient de bedrijfsvoering en is derhalve toegestaan.



9.3.
De voorzieningenrechter volgt dit betoog niet. Op grond van het bepaalde in artikel 3.1.1, aanhef en onder l, van de planregels zijn de voor Agrarisch aangewezen gronden bestemd voor opwekking van duurzame energie in de vorm van windenergie en zonne-energie alsmede warmte-koudeopslag. De vergister is niet aan te merken als één van de in dit artikel genoemde duurzame energie vormen. De vergister is derhalve in strijd met het bestemmingsplan.



9.4.
Ook het overgangsrecht biedt geen oplossing voor eiser. Uit het bepaalde in artikel 39.2.1 van de planregels volgt dat gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan (2014) en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. Indien het gebruik, bedoeld in 39.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.


9.5.
Eiser heeft een omgevingsvergunning voor de bouw van de vergister. De vergister paste in het destijds geldende bestemmingsplan Buitengebied. Met de inwerkingtreding van het geldende bestemmingsplan is de vergister evenwel wegbestemd. Daarmee viel het gebruik van de vergister onder het overgangsrecht. Nu eiser sinds 2018 geen gebruik meer heeft gemaakt van de vergister, komt eiser geen beroep meer toe op het overgangsrecht. Dat betekent dat eiser geen gebruik meer mag maken van de vergister. Opslag van lactosepermeaat als brandstof voor de vergister is daarom in strijd met het bepaalde in artikel 3.5.1., aanhef en onder a, van de planregels en ook niet toegestaan. Het college is dan ook bevoegd om handhavend op te treden.


Beginselplicht tot handhaving
10. Het is vaste rechtspraak dat als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden. Deze beginselplicht geldt voor bevoegdheden om een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom op te leggen. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving.



10.1
Voor de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.



10.2.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.


Concreet zicht op legalisatie?

11. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat in beginsel volstaat dat het college niet bereid is omgevingsvergunning te verlenen voor de afwijking van het bestemmingsplan.



11.1
Het college heeft op de zitting aangegeven dat het college niet bereid is mee te werken en een omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruik van de vergister. Omdat eiser het melkveebedrijf heeft beëindigd dient de vergister niet langer het bedrijf van eiser. Hij heeft namelijk geen eigen mest meer. Eiser heeft bovendien aangegeven dat hij de resterende warmte aan het elektriciteitsnet wil teruggeven. Daardoor moet het gebruik van de vergister als een zelfstandige activiteit worden aangemerkt. Het college wil hier niet aan meewerken. Een dergelijk bedrijf hoort volgens het college qua aard en omvang thuis op een bedrijventerrein en niet in het buitengebied. 11.2. Reeds omdat het college niet bereid is een vergunning te verlenen is geen sprake van concreet zicht op legalisatie.


Beroep op het vertrouwensbeginsel

12. Eiser betoogt dat hem de toezegging is gedaan dat hij de vergister mag gebruiken voor zijn eigen bedrijf. Hij verwijst daarbij allereerst naar de reactie van het college in het kader van de totstandkoming van het bestemmingsplan en bovendien naar het verweerschrift in het kader van het bezwaar tegen de opgelegde last onder dwangsom.


12.1.
Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja, hoe (stap 1).

Vereist is dat de toezegging, andere uitlating of gedraging afkomstig is van het bevoegde bestuursorgaan of aan het bevoegde bestuursorgaan moet worden toegerekend (stap 2). Van toerekening van een onbevoegde uitlating is sprake als de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.

Er is geen sprake van gerechtvaardigde verwachtingen als degene die een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft gedaan de relevante feiten en omstandigheden onjuist of onvolledig heeft weergegeven; zij gelet op haar specifieke kennis of deskundigheid had moet beseffen dat de uitlating of gedraging in strijd was met de toepasselijke rechtsregels; de uitlating zo duidelijk in strijd was met de toepasselijke rechtsregels dat zij dit had moeten beseffen; zij besefte of had moeten beseffen dat de uitlating van de ambtenaar ging over een beslissing die buiten de bevoegdheid van het bestuursorgaan lag.

Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Andere belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen zwaarder wegen (stap 3). Bij deze belangenafweging kan ook een rol spelen of betrokkene op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan zij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden.



12.2
Voor wat betreft de gestelde toezeggingen in de bestemmingsplanprocedure overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Eiser heeft een zienswijze ingediend tegen het ontwerp-bestemmingsplan. Hierbij heeft hij verzocht om biomassavergisting op het agrarisch bouwvlak toe te staan. De gemeenteraad heeft geen aanleiding gezien het ontwerp-bestemmingsplan op dit punt aan te passen. Biomassavergisting als ondergeschikte, binnen het agrarisch bedrijf opgenomen, functie past volgens de gemeenteraad binnen de bestemming agrarisch. Energieopwekking als hoofdfunctie is volgens de gemeenteraad een niet in het buitengebied passende functie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan hieruit niet worden afgeleid dat het college aan eiser een toezegging heeft gedaan dat hij de vergister mag gebruiken als dat niet is als ondergeschikte aan het eigen bedrijf ten dienste staande functie. Tegen het vastgestelde bestemmingsplan, waarin de vergister derhalve niet als warmtebron is opgenomen en onder het overgangsrecht is gebracht, heeft eiser bovendien geen beroep ingesteld. Het betoog slaagt dan ook niet.



12.3.
Voor wat betreft de gestelde toezegging in het verweerschrift in bezwaar overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

12.3.1.
In het verweerschrift van 12 maart 2026 in reactie op het bezwaarschrift heeft het college in eerste instantie gesteld:
“Met de tekst wordt niet bedoeld dat vergisting van lactosepermeaat afkomstig van
andere bedrijven verboden is. Wat bedoeld wordt, is dat vergisting ondergeschikt moet
zijn bij het agrarisch bedrijf. Dat betekent dat deze activiteit kleiner moet blijven dan de
hoofdactiviteit en daaraan ondergeschikt moet zijn. Als duurzame energie wordt
opgewekt door de vergisting van lactosepermeaat, ook wanneer dit van derden afkomstig
is, binnen die grenzen blijft en aan de overige regels voldoet, dan is dit toegestaan. Er is
dus géén algemeen verbod op het vergisten van lactosepermeaat (als co-product) van
derden. Het college eist dus niet meer dan toegestaan. Overigens is de last onder
dwangsom niet opgelegd voor het beëindigen van vergisting van lactosepermeaat
(afkomstig van derden), waardoor deze eventuele onduidelijkheid geen gevolgen heeft.”


In een aanvullende reactie heeft het college het volgende gesteld:Vaststaat dat de vergistingsinstallatie sinds juni 2018 buiten gebruik is. Dit betekent dat
de vergistingsactiviteit langer dan 1 jaar is gestaakt en die dus niet meer mag worden
hervat. Op het perceel [adres] in Bergharen mag geen vergistingsactiviteit
meer plaatsvinden.


12.3.2.
Eiser betoogt dat het college in het verweerschrift de toezegging heeft gedaan dat vergisting mogelijk is als aan de in het verweerschrift gestelde eisen wordt voldaan. Met de last onder dwangsom wordt in strijd met deze toezegging gehandeld omdat opslag ten behoeve van de vergister niet wordt toegestaan. Het college stelt zich op het standpunt dat de informatie in het eerste verweerschrift onjuist bleek te zijn; dit is in een aanvullend verweerschrift gecorrigeerd.



12.3.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de tekst in het verweerschrift niet als toezegging kan worden gekwalificeerd. Immers, het college stelt expliciet als voorwaarde dat ook aan de overige regels moet worden voldaan. De vergister is niet positief bestemd in het bestemmingsplan. Dat eiser zich dat realiseerde blijkt uit de door hem in 2011 ingediende zienswijze. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, nu de vergister al jaren buiten gebruik was, aan de regels van het bestemmingsplan niet wordt voldaan. Reeds daarom is van een toezegging geen sprake. Het betoog slaagt niet.


Is de last onevenredig?


13. Eiser heeft aangevoerd dat hij om aan de last te kunnen voldoen de gehele silo moet slopen. Uit een door hem overgelegde offerte blijkt dat dit ruim € 60.000 kost. Bovendien heeft de aanschaf van de vergister veel geld gekost en deze is nog niet afgeschreven. Hij wil de vergister daarom weer opstarten. Daarvoor heeft hij een subsidie van de RVO nodig en daarvoor is noodzakelijk dat vaststaat dat dit door hem beoogde gebruik van zijn vergistingsinstallatie niet in strijd is met het omgevingsplan. Verder stelt hij dat sprake is van een overtreding van (zeer) geringe aard en ernst en dat handhaving in de gegeven omstandigheden onevenredig is.




13.1
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de last betrekking heeft op de beëindiging van de opslag van lactosepermeaat en niet op het gebruik/bouwen/slopen van de vergister. Dat eiser de vergister weer wil gaan gebruiken en hiervoor een subsidie van de RVO zou kunnen verkrijgen, is bij de beoordeling van de evenwichtigheid van de last dan ook niet relevant. Overigens heeft de voorzieningenrechter hiervoor al overwogen dat de vergister in strijd is met het Omgevingsplan en ook niet valt onder het overgangsrecht.



13.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat aan handhaving tegen overtredingen van het Omgevingsplan in het gemeentelijke handhavingsbeleid een hoge prioriteit wordt toegekend.



13.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van een overtreding van geringe aard en ernst. Met de opslag van lactosepermeaat handelt eiser in strijd met de bepalingen van het Omgevingsplan. Aan de door de gemeenteraad in het Omgevingsplan neergelegde uitgangspunten voor invulling van de ruimte moet groot gewicht worden toegekend. Dat eiser om uitvoering te kunnen geven aan de last de silo moet slopen omdat hij het lactosepermeaat anders niet kan verwijderen, en daarvoor veel kosten zou moeten maken maakt niet dat de last onevenredig is.



13.4.
Nu er geen sprake is van een overtreding van geringe aard en ernst, heeft het college zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat er om die reden geen sprake is van een bijzondere situatie waarin afgezien moet worden van handhavend optreden.




Conclusie en gevolgen

14. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de opslag van lactosepermeaat in strijd is met de bepalingen van het Omgevingsplan. Het college was dan ook bevoegd om aan eiser een last onder dwangsom op te leggen. De last is ook niet onevenredig. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.15. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier, en wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.












griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.



Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.


Zie artikel 39.2.3 van de planregels.


ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.1.


ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.


Zie bijvoorbeeld ABRvS 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2657, r.o. 3.1.


ECLI:NL:RVS:2019:1694


Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Link naar deze uitspraak