|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:6052 | | | | | Datum uitspraak | : | 09-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 16-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | ZWO 25/3416 en ZWO 26/183 ZWO 25/3416 en ZWO 26/183 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | -Deze uitspraak gaat over het verzoek van eisers om aan de milieuvergunningen van derde belanghebbenden nadere voorschriften te verbinden of deze geheel of gedeeltelijk in te trekken. Eisers wonen op het perceel gelegen tussen de twee varkenshouderijen van derde belanghebbenden en ervaren ernstige geurhinder. Het college heeft het verzoek afgewezen. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe onder meer aan dat sprake is van onaanvaardbare geurhinder op grond waarvan het college de voorschriften van de milieuvergunningen van derde belanghebbenden moet wijzigen of de vergunningen in het geheel moet intrekken wegens strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Volgens eisers moet het college zijn kosten voor de V-stacksberekeningen vergoeden, zijn er dwangsommen verbeurd en is de redelijke termijn overschreden. Eisers doet ook een verzoek om schadevergoeding wegens gederfd woongenot.
De rechtbank heeft het bestreden besluit getoetst aan artikel 2.31 en artikel 2.33 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en komt tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel omdat het college helemaal niet heeft onderzocht of de voorschriften van de milieuvergunningen nog geactualiseerd moeten worden. Het beroep (zaaknummer AWB 25/3416) is dus gegrond. Het verzoek om schadevergoeding (zaaknummer AWB 26/1831) wijst de rechtbank af. | | Trefwoorden | : | geurhinder | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | stallen | | | veehouderij | | | wabo | | | wet milieubeheer | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/3416 en AWB 26/1831
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1], [eiser 2], [eiser 3], [eiser 4], uit [woonplaats],
(gemachtigde: mr. W.A. Verbeek),
hierna samen te noemen in mannelijk enkelvoud: [eisers]
en
het college van burgemeester en wethouders van Raalte
(gemachtigde: mr. M.W. van Nijendaal)
hierna: het college.
Als derde partijen nemen aan de zaak deel: [derde belanghebbende 1] V.O.F. uit [vestigingsplaats 1] en [derde belanghebbende 2] B.V. uit [vestigingsplaats 2],
(gemachtigde: [gemachtigde])
hierna: [derde belanghebbenden].
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over het verzoek van [eisers] om aan de milieuvergunningen van [derde belanghebbenden] nadere voorschriften te verbinden of deze geheel of gedeeltelijk in te trekken. [eisers] woont op het perceel gelegen tussen de twee varkenshouderijen van [derde belanghebbenden] en ervaart ernstige geurhinder. Het college heeft het verzoek afgewezen. [eisers] is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe onder meer aan dat sprake is van onaanvaardbare geurhinder op grond waarvan het college de voorschriften van de milieuvergunningen van [derde belanghebbenden] moet wijzigen of de vergunningen in het geheel moet intrekken wegens strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Volgens [eisers] moet het college zijn kosten voor de V-stacksberekeningen vergoeden, zijn er dwangsommen verbeurd en is de redelijke termijn overschreden. [eisers] doet ook een verzoek om schadevergoeding wegens gederfd woongenot.
De rechtbank heeft het bestreden besluit getoetst aan artikel 2.31 en artikel 2.33 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en komt tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel omdat het college helemaal niet heeft onderzocht of de voorschriften van de milieuvergunningen nog geactualiseerd moeten worden. Het beroep (zaaknummer AWB 25/3416) is dus gegrond. Het verzoek om schadevergoeding (zaaknummer AWB 26/1831) wijst de rechtbank af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en procesverloop
2.1.
[derde belanghebbenden] exploiteert op de percelen [adres 1] en [adres 2] twee varkenshouderijen. Beide bedrijven beschikken over milieuvergunningen voor het in werking hebben van de varkenshouderijen.
2.2.
[eisers] woont op de adressen [adres 3] en [adres 4], gelegen tussen de varkenshouderijen van [derde belanghebbenden]. [eisers] ervaart geurhinder van de varkenshouderijen op de naastgelegen percelen.
2.3.
[eisers] heeft een deskundige ingeschakeld die op 18 juli 2023 de feitelijke geurbelasting van varkenshouderijen van [derde belanghebbenden] heeft berekend met het programma V-stacks vergunning.
2.4.
Vanwege de geurhinder heeft [eisers] op 30 augustus 2023 bij het college het verzoek gedaan om op grond van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aan de milieuvergunningen van [derde belanghebbenden] nadere voorschriften te verbinden of op grond van artikel 2.33 van de Wabo in samenhang met artikel 7 af van het Besluit Crisis- en herstelwet (BuChw) de vergunningen geheel of gedeeltelijk in te trekken (hierna: het verzoek). Ook verzoekt [eisers] om de overgelegde V-stacks berekeningen inhoudelijk te beoordelen en een vergoeding van
€ 2001,04 toe te kennen voor de uitgevoerde V-stacks berekeningen.
2.5.
Bij brief van 11 december 2023 heeft [eisers] het college in gebreke gesteld wegens niet tijdig beslissen op het verzoek.
2.6.
Met het besluit van 12 december 2023 (het primaire besluit) heeft het college het verzoek van [eisers] afgewezen, met als reden dat [derde belanghebbenden] op 23 november 2023 twee aanvragen om revisievergunningen (voor beide varkenshouderijen) heeft ingediend en de voorschriften in het kader van die aanvragen worden geactualiseerd. Het college acht een afzonderlijke procedure om te komen tot nadere voorschriften, zoals door [eisers] verzocht, niet noodzakelijk.
2.7.
Met het besluit van 2 januari 2024 (het dwangsombesluit) heeft het college het verzoek om een dwangsom, wegens te laat beslissen op het verzoek, afgewezen.
2.8.
Tegen het primaire besluit en het dwangsombesluit heeft [eisers] bezwaar ingesteld.
2.9.
Ter beoordeling van het bezwaar heeft het college advies gevraagd aan de commissie bezwaarschriften van de gemeente Raalte (hierna: de commissie), zij heeft op 11 maart 2024 advies uitgebracht. Hierin heeft de commissie geadviseerd om het besluit van 12 december 2023 in te trekken en het verzoek van [eisers] opnieuw te beoordelen met toepassing van afdeling 3.4 Awb (openbare voorbereidingsprocedure).
2.10.
Het college heeft [naam 4] Milieu Advies gevraagd om een geuronderzoek uit te voeren om de geurbelasting op het perceel van [eisers] afkomstig van de varkenshouderijen van [derde belanghebbenden] inzichtelijk te maken, zij hebben een rapportage opgesteld op 1 november 2024.
2.11.
Bij brief van 6 oktober 2024 heeft [eisers] het college in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar. [eisers] heeft ook beroep wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar ingediend.
2.12.
Met het besluit van 2 mei 2025 op het bezwaar van [eisers] heeft het college het advies van de commissie gevolgd en het primaire besluit herroepen en het nemen van een nieuw besluit uitgesteld zodat het nieuwe besluit op het verzoek van [eisers] kan worden genomen nadat het is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 van de Awb. Hierna heeft [eisers] de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
2.13.
Bij uitspraak van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RBOVE:2025:4293) heeft deze rechtbank het beroep niet tijdig beslissen van [eisers] niet ontvankelijk verklaard, het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en een bestuurlijke dwangsom toegekend van € 1442,-.
2.14.
Met ingang van 16 juli 2025 heeft het college een ontwerpbesluit ter inzage gelegd dat strekt tot het alsnog afwijzen van het verzoek. [eisers] heeft hiertegen een zienswijze ingediend.
2.15.
Bij brief van 17 oktober 2025 heeft [eisers] het college in gebreke gesteld.
2.16.
Met het besluit van 5 november 2025 (het bestreden besluit) is het college bij het ontwerpbesluit gebleven en heeft het verzoek van [eisers] afgewezen.
2.17.
[eisers] heeft hiertegen beroep ingesteld (zaaknummer AWB 25/3416). Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.18.
[eisers] heeft ook een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Awb ingediend (zaaknummer AWB 26/1831).
2.19.
De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Hierbij was [eisers] aanwezig bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens [derde belanghebbenden] waren [naam 1] en [naam 2] aanwezig bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3] bijgestaan door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt eerst of het college het verzoek van [eisers] terecht en op goede gronden heeft afgewezen (zaaknummer AWB 25/3416). Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van [eisers].
Wabo blijft van toepassing
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op deze zaak blijft echter het oude recht, in dit geval de Wabo, van toepassing.
Toepasselijkheid artikel 7af van het Bu Chw
6. [eisers] is van mening dat het college in haar belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat artikel 7af van het Bu Chw een cruciaal onderdeel is van de landelijke regels met betrekking tot de aanvaardbaarheid van geur. Het doel van deze bepaling is om de duurzame en innovatieve veehouderij te bevorderen door maatregelen te nemen in omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten. Dat het college zich niet heeft aangemeld voor deelname aan dit experiment laat onverlet dat het de hierin vastgelegde landelijke regels met betrekking tot aanvaardbaarheid van geurhinder in acht moet nemen, te meer nu het daarvoor geen eigen algemene richtlijnen of limieten heeft. Om te bepalen of er sprake is van onaanvaardbare geurhinder dient het college rekening te houden met de aspecten genoemd in het twaalfde lid van artikel 7af van het Bu Chw.
7. Het college stelt in het bestreden besluit dat artikel 7af van het Bu Chw niet van toepassing is binnen de provincie Overijssel en dat deze bepaling dus geen onderdeel vormt van het toetsingskader in onderhavige zaak.
8. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
8.1.
Artikel 7af van het BuChw betreft een zogenaamde experimenteerbepaling, het geeft uitvoering aan de pilot voor landbouwemissiereducties vanuit het Schone Lucht Akkoord. Uit het eerste lid volgt dat dit artikel tot 1 januari 2025 alleen van toepassing is binnen de provincies Gelderland, Limburg en Noord-Brabant. Dit artikel biedt een aanvullende bevoegdheid om voorschriften van een milieuvergunning te wijzigen of een vergunning in te trekken bij onaanvaardbare geurhinder.
8.2.
Het college kan naar het oordeel van de rechtbank geen gebruik maken van een bepaling die niet van toepassing is binnen de provincie Overijssel. Het college dient dan ook het algemene toetsingskader van artikel 2.31 en artikel 2.33 van de Wabo te volgen. Logischerwijs gelden de reguliere landelijke regels over de aanvaardbaarheid van geurhinder wel binnen de provincie Overijssel. Zo geldt onder de Wabo en op het perceel van [eisers] de geurnorm van 14 odeur zoals beschreven in artikel 3, eerste lid onder b, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv).
8.3.
Artikel 7af van het BuChw is niet van toepassing op de onderhavige zaak.
Wijziging van de voorschriften van de milieuvergunningen
9. [eisers] voert aan dat sprake is van onaanvaardbare geurhinder op grond waarvan het college de voorschriften van de milieuvergunningen van [derde belanghebbenden] moet wijzigen. Uit de door [eisers] overlegde V-stacks berekeningen blijkt dat de inrichtingen de ter plaatse geldende geurnorm ruimschoots overschrijden. De totale geurbelasting op het zwaarst belaste punt van de woning van [eisers] bedraagt 28,5 odeur en uit het geuronderzoek van [naam 4] komen nog hogere waarden naar voren. Uit een oude beschikking van 18 augustus 2019 van het college blijkt dat de inrichting aan de [adres 1] bij de aanvraag al niet voldeed aan de geurnorm. De aanvraag is toen aangepast en er is uitgegaan van een hogere uittreesnelheid van de ventilatielucht. De inrichting is in feite nooit in werking geweest in overeenstemming met de vigerende vergunningen en voorschriften. Aan het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning aan de inrichting aan de [adres 1] ligt een V-stacks berekening uit 2013 ten grondslag die kunstmatig beneden de 14 odeur is gehouden. [eisers] verwijst naar bijlage 6 bij de Handreiking bij de Wgv, op grond waarvan sprake is van een extreem slechte milieukwaliteit en ruim onvoldoende milieugezondheidskwaliteit bij [eisers]. Op basis van een herzien rapport waarvan de Gemeentelijke Gezondheidsdienst Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GGD GHOR) gebruikt maak, is de milieugezondheidskwaliteit vanaf 14 odeur ‘onvoldoende’ en vanaf 31,2 odeur ‘ruim onvoldoende’. Volgens het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is er sprake van een extreem slechte luchtkwaliteit bij meer dan 11,6 odeur. Het RIVM maakt gebruik van de onderzoeken van [naam 5] en van [naam 6] en niet van de resultaten uit het PRA onderzoek uit 1999 die als uitgangspunt voor de Wgv heeft gediend. Uit de onderzoeken van [naam 5] en [naam 6] en uit het arrest van het Hof den Haag van 25 maart 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:431) blijkt dat de frequentie van belang is voor de mate van hinder van geur. De woning van [eisers] is gelegen tussen de inrichtingen en daarmee is de frequentie van de hinder hoog. Het college kan de benadering van de GGD GHOR en de uitkomsten van de onderzoeken van [naam 5] en [naam 6] niet buiten beschouwing laten. Ook heeft het college in zijn belangenafweging onvoldoende rekening gehouden met de beste manier waarop je geur meet, namelijk via de menselijke neus. [eisers] voert verder aan dat de geurbelasting, die de inrichtingen uitoefenen op de woningen van [eisers], in strijd is met de zorgplicht van de Richtlijn Industriële Emissies (RIE).
10. Het college stelt in het bestreden besluit dat de omstandigheid dat sprake is van een hogere geuruitstoot ter plaatse van de woning van [eisers] wordt meegewogen bij de aanvragen om revisievergunningen van [derde belanghebbenden]. In het kader van deze aanvragen worden alle voorschriften opnieuw vastgesteld met inachtneming van de huidige stand van de techniek en grondslag van de aanvragen. Voor wijziging van de verleende milieuvergunningen bestaat dus geen aanleiding. Er kan geen toepassing worden gegeven aan de wijzigingsgrond van artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wabo omdat uit het verzoek van [eisers] niet duidelijk wordt welke technologische ontwikkelingen dwingen tot wijziging van de voorschriften.
11. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
11.1.
Artikel 2.31 en 2.33 van de Wabo bieden zowel een verplichting als een bevoegdheid om een omgevingsvergunning te wijzigen of in te trekken. Artikel 2.31 van de Wabo bevat de gronden waarop het bevoegd gezag de voorschriften van de omgevingsvergunning kan of moet wijzigen en artikel 2.33 van de Wabo bevat de gronden waarop het bevoegd gezag de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk kan of moet intrekken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in rechtsoverweging 8 van de uitspraak van 21 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2418, het toetsingskader voor deze bevoegdheden in de Wabo gegeven. Op grond van artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo moet eerst worden nagegaan of de ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu met een wijziging van vergunningvoorschriften voldoende kunnen worden beperkt. Als dat zo is, kan met een wijziging van de voorschriften worden volstaan. Dit betekent dat ontoelaatbaar nadelige milieugevolgen niet alleen tot intrekking van een vergunning, maar ook tot wijziging van voorschriften kunnen leiden. Daarnaast kunnen voorschriften in het belang van de bescherming van het milieu onder bepaalde omstandigheden ook worden gewijzigd in situaties waarin de inrichting geen ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.
11.2.
De rechtbank stelt vast dat [eisers] een beroep doet op artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wabo. Op grond van deze bepaling moet het college de voorschriften van de vergunning wijzigen indien uit de periodieke evaluatieplicht van artikel 2.30, eerste lid van de Wabo blijkt dat nadelige gevolgen voor het milieu verder kunnen worden beperkt vanwege nieuwe technische mogelijkheden (Best Beschikbare Technieken [BBT]) of verder moeten worden beperkt vanwege de actuele (slechte) toestand van het milieu. De RIE, waar [eisers] een beroep op doet, was tot 1 januari 2024 geïmplementeerd in met name artikel 2.30 en artikel 2.31 van de Wabo. Op grond van de periodieke evaluatieplicht van artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo is het college verplicht om bestaande voorschriften van een milieuvergunning te actualiseren (aan te scherpen of te wijzigen) en hierbij heeft het college geen beleidsruimte. In artikel 5.10, eerste lid, onder a, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is deze plicht nader geconcretiseerd voor zover het gaat om nieuwe relevante BBT-conclusies. Het college dient dan, binnen 4 jaar na publicatie van deze relevante BBT-conclusies te toetsen of de vergunningvoorschriften voldoen aan die nieuwe BBT-conclusies, die sinds het verlenen van de vergunning zijn vastgesteld of herzien.
11.3
De rechtbank acht het opmerkelijk dat uit informatie van de kant van het college ter terechtzitting is gebleken, dat het college in het geheel geen uitvoering geeft aan de evaluatieplicht in artikel 2.30, eerste lid van de Wabo, omdat daaraan vanwege capaciteitsgebrek geen prioriteit wordt gegeven. De rechtbank is van oordeel, dat het college dan aan de burger (in dit geval aan [eisers]) niet kan tegenwerpen, dat hij geen technologische ontwikkelingen aanwijst, die het mogelijk maken om de geuremissie te verminderen. Artikel 3:2 van de Awb brengt onder deze omstandigheden mee, dat het college ter beoordeling van het verzoek van [eisers] alsnog actief zal moeten onderzoeken of de voorschriften die aan de omgevingsvergunningen zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu (waaronder mede dient te worden verstaan de vaststelling van nieuwe of herziene conclusies over BBT’s overeenkomst artikel 13, vijfde en zevende lid RIE), alsmede de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
Door dit onderzoek achterwege te laten en vervolgens het verzoek van [eisers] af te wijzen om de simpele reden dat [eisers] de behandeling van de aanvraag van [derde belanghebbenden] van een revisievergunning maar moet afwachten, heeft het college die afwijzing ondeugdelijk gemotiveerd en de belangen van [eisers] bij een leefbare woonomgeving miskent.
Intrekking van de milieuvergunningen
12. [eisers] voert aan dat sprake is van onaanvaardbare geurhinder (zoals beschreven onder r.o. 9) op grond waarvan het college de milieuvergunningen van [derde belanghebbenden] dient in te trekken. [eisers] is van mening dat sprake is van een extreem slechte milieukwaliteit waardoor artikel 8 van het EVRM, het grondrecht van ongestoord woongenot, wordt geschonden en het college de vergunning moet intrekken. De geuremissie uit de stallen kan alleen tot aanvaardbare proporties worden teruggebracht door het aantal dieren in de stallen te verminderen. Het minimum aantal dieren waarmee vergunningen zullen moeten worden ingekrompen is 1935 dieren. In het arrest van het Hof den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2025:431) staat omschreven dat een geurgehinderden percentage van 35% (overeenkomend met een voorgrondbelasting van 25 odeur) een sterke indicatie is dat de geurhinder die de woningen ondervinden het ‘minimum level of severity’ heeft bereikt en een directe invloed heeft op de persoonlijke levenssfeer. Ook beneden de 25 odeur kan dit level worden bereikt. Op het bevoegd gezag rust dan een positieve verplichting om per individueel geval maatregelen te treffen. Ook blijkt uit dit arrest dat recente ontwikkelingen en onderzoeken ertoe kunnen leiden dat de in de handreiking opgenomen waarden van geurbelasting moeten worden bijgesteld.
13. Het college stelt in het bestreden besluit dat artikel 8 EVRM, gelet op het vonnis van de rechtbank den Haag van 14 september 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:9119) geen intrekking vergt, maar dat het vergt dat de Staat (en in het verlengde daarvan de gemeente Raalte) maatregelen treft om onaanvaardbare geurhinder tegen te gaan. Omdat er meerdere maatregelen mogelijk zijn om de onaanvaardbare geurhinder van [eisers] tegen te gaan, is artikel 2.33, eerste lid, onder a, van de Wabo hier volgens het college niet van toepassing. Met het besluit op de aanvragen om revisievergunningen kan het college namelijk voorschrijven dat de geurhinder ter plaatse moet worden teruggedrongen.
14. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
14.1.
In dit geval zouden drie gronden voor intrekking van toepassing kunnen zijn zoals beschreven in artikel 2.33, eerste lid, onder a, b en d van de Wabo.
14.2.
Op grond van artikel 2.33, eerste lid, onder a, van de Wabo moet het bevoegd gezag een omgevingsvergunning intrekken voor zover de uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie dat vereist. In de uitspraak van 5 augustus 2026 ECLI:NL:RVS:2026:4569 overweegt de Afdeling in r.o. 5.5 dat bij een voorgrondgeurbelasting van 25 odeur bij woningen een sterke indicatie aanwezig is dat de geurhinder een directe impact heeft op de persoonlijke levenssfeer zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De Afdeling wijst in dit verband ook op het arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:431. Daarin wordt vastgesteld dat deze voorgrondbelasting van 25 odeur een sterke indicatie is dat het ‘minimum level of severity’ van artikel 8 EVRM is bereikt.
Bij [eisers] is er op basis van het geuronderzoek van [naam 4] sprake van een voorgrondbelasting hoger dan 25 odeur (deze kan oplopen tot 31,3 odeur). Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook sprake van een sterke indicatie dat de geurhinder een directe impact heeft op de persoonlijke levenssfeer zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De rechtbank stelt vast dat het college dit in het bestreden niet heeft erkend en geen afweging maakt tussen de belangen van vergunninghouder [derde belanghebbenden] en de belangen van omwonenden zoals [eisers]. Door hiernaar geen onderzoek te doen en [eisers] simpelweg te verwijzen naar de aanvraag van [derde belanghebbenden] om een revisievergunning is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd.
14.3.
Op grond van artikel 2.33, eerste lid, onder b, van de Wabo dient het bevoegd gezag een omgevingsvergunning in te trekken voor zover deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, indien door toepassing van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, redelijkerwijs niet kan worden bereikt dat in de inrichting […] ten minste de voor de inrichting […] in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Hiervoor heeft de rechtbank in rechtsoverweging 11.3 reeds geoordeeld dat de besluitvorming dienaangaande onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijke is gemotiveerd. Een logisch gevolg is dat het besluit over het verzoek tot intrekking hetzelfde lot verdient.
14.4.
Op grond van artikel 2.33, eerste lid, onder d, van de Wabo trekt het bevoegd gezag de omgevingsvergunning in voor zover de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en toepassing van artikel 2.31 (wijziging van de voorschriften) daarvoor redelijkerwijs geen oplossing biedt. In de uitspraak van 5 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4569 r.o. 5.3 en 5.4 stelt de Afdeling dat voordat intrekking van een eenmaal verleende en onherroepelijke omgevingsvergunning mogelijk is, de door die vergunning toegestane milieugevolgen zo ernstig moeten zijn dat zij niet alleen als ongewenst, maar zonder meer als ontoelaatbaar nadelig kunnen worden aangemerkt. Het college heeft beoordelingsruimte bij de beantwoording van de vraag of zich ontoelaatbaar nadelige gevolgen voordoen. Die ruimte wordt onder meer begrensd door wat uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten voortvloeit.
Maar door hiernaar geen onderzoek te doen en [eisers] simpelweg te verwijzen naar de behandeling van de aanvraag van een rivisievergunning door [derde belanghebbenden], geldt ook op dit punt dat de besluitvorming onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. In het geval het college in het opnieuw te nemen besluit op bezwaar tot de conclusie komt dat wijziging van de voorschriften in dit geval redelijkerwijs geen oplossing biedt, zal het bij de invulling van zijn beoordelingsruimte de naar voren gebrachte omstandigheden van de situatie ter plaatse moeten betrekken. In het geval het college van mening is dat de zeer hoge geurbelasting ter plaatse van de woning van [eisers] geen ontoelaatbaar nadelig milieugevolg is, zal het college inzichtelijk moeten maken waarom dat niet het geval is.
14.5.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat ook de besluitvorming over het verzoek tot intrekking van de milieuvergunningen van [derde belanghebbenden] onzorgvuldig is geweest en ondeugdelijk is gemotiveerd.
Kosten V-stacks berekeningen
15. [eisers] voert aan dat het college ten onrechte heeft geweigerd de kosten van de door [eisers] overgelegde V-stacks berekeningen te vergoeden. Het college stelt niet over de invoergegevens te beschikken en daardoor de berekeningen niet te kunnen beoordelen. Deze motivering is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat het college de invoergegevens immers bij [eisers] had kunnen opvragen. De invoergegevens zijn in de overgelegde berekeningen opgenomen. De juistheid had het college gemakkelijk kunnen controleren aan de hand van de overgelegde berekeningen of de V-stacksberekeningen van [naam 4].
16. Het college is van mening dat hij deze kosten van de V-stacks berekeningen niet hoeft te vergoeden.
17. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
17.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college in het kader van de onderhavige procedure niet verplicht is om de kosten voor de V-stacksberekeningen van [eisers] te vergoeden. [eisers] heeft er immers zelf voor gekozen om een verzoek bij het college in te dienen op grond van artikel 2.31 en 2.33 van de Wabo. In het kader van deze procedure is het college niet verplicht om de kosten voor een dergelijk geuronderzoek, uitgevoerd in opdracht van [eisers], te vergoeden.
17.2.
De rechtbank is van oordeel, dat er geen rechtsregel is die meebrengt dat het college in dit geval de kosten voor de V-stacks berekeningen van [eisers] dient te vergoeden.
Verbeurde dwangsommen
18. [eisers] stelt zich op het standpunt dat het college een dwangsom heeft verbeurd van €115,- wegens niet tijdig beslissen. Het ontwerpbesluit is op 24 juli 2025 ter inzage gelegd en de beslistermijn is op 16 oktober 2025 verstreken. [eisers] heeft het college bij brief van 17 oktober 2025 in gebreke gesteld en vanaf die datum zijn twee weken verstreken. Het bestreden besluit is namelijk pas genomen op 5 november 2025.
19. Het college stelt in het verweerschrift dat hij nog een besluit zal nemen over de verschuldigde dwangsom.
20. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
20.1.
Op grond van artikel 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb moet, als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. De maximale dwangsom bedraagt € 1.442,-.
20.2.
Omdat het college nog geen dwangsombesluit heeft genomen, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:55c van de Awb de hoogte van de dwangsom zelf vaststellen. Het verzoek van [eisers] om een besluit te nemen op grond van artikel 2.31 en 2.33 van de Wabo, is een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Er geldt een beslistermijn van 12 weken na de terinzagelegging op 24 juli 2025. In dit geval is de beslistermijn dus verstreken op 16 oktober 2025 en de ingebrekestelling is verzonden op 17 oktober 2025. Het college is 5 dagen te laat (5x € 23,- is € 115,-). De rechtbank stelt vast dat het college aan [eisers] een bestuurlijke dwangsom is verschuldigd van € 115,-.
20.3
De rechtbank stelt vast dat het college een bestuurlijke dwangsom van € 115,- is verschuldigd aan [eisers].
De redelijke termijn
21. [eisers] voert aan dat de redelijke termijn van artikel 6 EVRM is overschreden. De procedure is nog steeds niet afgelopen, maar op de dag van de zitting is de maximale redelijke termijn van twee jaar tot en met de beroepsfase al met 12 maanden overschreden.
22. Het college stelt in het verweerschrift dat de beoordeling of schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn aan de orde is, aan de rechtbank is.
23. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
23.1.
De redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden, als de duur van de totale procedure te lang is. Als een zaak wordt beslecht door middel van een uitspraak van een rechtbank, is de redelijke termijn twee jaar.
23.2.
De termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Hierbij mag de behandeling van het bezwaar hoogstens een half jaar duren, en de behandeling van het beroep hoogstens anderhalf jaar. Voor elk half jaar (of gedeelte daarvan) dat de redelijke termijn wordt overschreden, wordt een schadevergoeding van € 500,- toegekend.
23.3.
Het bezwaarschrift in de onderhavige procedure is ontvangen op 22 januari 2024. Einddatum van de redelijke termijn is dan 22 januari 2026. De totale overschrijding is op dit moment 8 maanden en 16 dagen. De rechtbank stelt dan ook een schadevergoeding vast vanwege overschrijding van de redelijke termijn van € 1.000,- (2 keer € 500,-). Deze vertraging ligt volledig in de bezwaarfase dus het college zal deze vergoeding moeten betalen.
23.4.
Het college dient een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn van € 1000,- te vergoeden aan [eisers].
Verzoek om schadevergoeding
24. [eisers] heeft ook een verzoek gedaan om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Awb (zaaknummer AWB 26/1831).
25. [eisers] voert aan dat het college de afhandeling van het verzoek van [eisers] tot opheffing van de schending van hun woongenot onrechtmatig heeft vertraagd, waardoor [eisers] schade heeft geleden. Sinds de indiening van het verzoek van [eisers] heeft het college het geven van een inhoudelijke reactie vermeden. Structureel worden beslistermijnen geschonden, procedurele fouten gemaakt en formele drempels opgeworpen zonder enige rechtvaardiging. Deze handelwijze is in strijd met artikel 6 EVRM en de beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel en het fair-play-beginsel. Hierdoor heeft het tot 5 november 2025 geduurd voordat [eisers] zich tot de rechter heeft kunnen wenden, terwijl dit eigenlijk binnen zes maanden had gemoeten op grond van artikel 3:18, eerste lid, van de Awb. De schade bestaat uit gederfd woongenot over de periode dat het college het verzoek om intrekking of wijziging van de vergunningen onrechtmatig heeft vertraagd. De gemiddelde huurwaarde wordt geacht te dalen met 60 procent bij een overschrijding van de geurnorm met meer dan 200 procent (31,3 odeur bij een norm van 14 odeur). [eisers] heeft het schadebedrag berekend op in totaal € 57.960,- maar beperkt schadeclaim tot € 25.000,- gelet op artikel 8:89, tweede lid, van de Awb.
26. Het college stelt dat het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.
27. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
27.1.
Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die een belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
27.2.
Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat sprake is van een onrechtmatig besluit en dat causaal verband aanwezig is tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan tot dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.
27.3.
De rechtbank heeft hiervoor, in rechtsoverweging 11.3 en 14.6, vastgesteld dat het bestreden besluit onrechtmatig is wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Dit betekent echter nog niet dat het college gehouden is om de door [eisers] gestelde schade te vergoeden. Daarvoor is namelijk ook vereist dat daadwerkelijk schade is ontstaan en dat er een causaal verband bestaat tussen die schade en het onrechtmatige besluit.
27.4.
De rechtbank is van oordeel dat er géén causaal verband bestaat tussen de gestelde schade wegens gederfd woongenot en de onrechtmatige besluitvorming. Het gederfde woongenot van [eisers] is een gevolg van de geuroverlast en niet van de onrechtmatige besluitvorming van de gemeente en nog niet staat vast dat nieuwe besluitvorming ertoe zal leiden dat de vergunningsvoorschriften zullen worden aangepast c.q. de vergunningen zullen worden ingetrokken.
27.5.
De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Conclusie en gevolgen
28.1.
Het beroep met zaaknummer AWB 25/3416 is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet goed is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
28.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor twaalf weken.
28.3.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan [eisers] vergoeden en krijgt [eisers] ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend: reis- en verblijfkosten € 10,75, verletkosten € 103 en voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 1.868,- (1 punt indienen beroepschrift en 1 punt verschijnen ter zitting).
Ten overvloede: mediation
29. Op de zitting liet [eisers] weten al vele jaren aan het procederen te zijn tegen de bedrijven van [derde belanghebbenden]. Tot nu toe kennelijk steeds zonder gewenst resultaat. De rechter schat in dat dit voorlopig ook nog niet de laatste procedure is geweest. En de indruk bestaat dat de kwestie ten koste gaat van de onderlinge verstandhouding als buren.Omdat procedures voor partijen veel tijd, geld en energie kosten, wil de rechter partijen in overweging geven om te proberen of mediation wellicht een oplossing op kortere termijn en tegen geringere kosten zou kunnen opleveren, met behoud/herstel van de onderlinge communicatie en relatie.
Het Mediationbureau van de rechtbank kan partijen daarheen begeleiden. Als (één van) partijen dit wil(len) kunnen zij daarvoor contact opnemen met het Mediationbureau van de rechtbank Overijssel (telefoon: 088-361 1097, e-mail: Mediation.ove@rechtspraak.nl).
Daar komt bij, dat vanaf 1 maart 2023 de eerste 2,5 uur van een mediation volledig gesubsidieerd wordt, als die is doorverwezen vanuit de rechtspraak. Deze startbijdrage bedraagt € 179,- (excl. btw) per deelnemende betalende partij, met een maximum van
€ 358,- (excl. btw) per mediation. De mediator brengt de eerste 2,5 uur van de mediation dus niet bij partijen in rekening, maar ontvangt daarvoor de startbijdrage.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 5 november 2025;
draagt het college op binnen twaalf weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan [eisers] moet vergoeden;
veroordeelt het college tot betaling van € 1.981,75,- aan proceskosten aan [eisers];
stelt de door het college verbeurde dwangsom vast op € 115,-;
wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
veroordeelt het college om aan [eisers] een schadevergoeding van € 1000,- te betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn;
wijst het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Awb af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.A.G. Bulte, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Ten aanzien van [adres 2] beschikt [derde belanghebbenden] over de volgende vergunningen: revisievergunning (25 maart 2003), 8.19 melding wijziging inrichting brijvoerkeuken (29 mei 2007), milieuneutrale wijziging Mestscheider (31 maart 2015) en omgevingsvergunning ten behoeve van Weegbrug (29 maart 2017). Ten aanzien van [adres 1] beschikt [derde belanghebbenden] over de volgende vergunningen: revisievergunning (30 september 2014), omgevingsvergunning voor de bouw van een weegbrug (31 augustus 2017) en ambtshalve wijziging op basis van akoestisch rapport (2018).
Het gaat om een verzoek om een besluit te nemen zoals bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is staat in artikel 3.10, eerste lid, onder c, artikel 2.1, eerste lid, onder e en artikel 1.1 van de Wabo en artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer (Wm).
Zie hierover artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Zie hierover Staatsblad 2021, 193, p. 14-21.
Geur en gezondheid, GGD-richtlijn medische milieukunde. Onderdeel veehouderij en geur 2015-0106.
Dit staat in artikel 3:18, derde lid, van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:130, r.o. 4.3.
https://www.rechtspraak.nl/onderwerpen/mediation/mediation-conflict-naast-rechtspraak | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|