|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2026:6399 | | | | | Datum uitspraak | : | 06-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 20-10-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 200.362.185/01 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Internationaal privaatrecht. Uitleg forumkeuze- en arbitragebeding. | | Trefwoorden | : | derogatie | | | koopovereenkomst | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.185/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 326951
arrest in het bevoegdheidsincident van 6 oktober 2026
in de zaak van
1 [appellant1] B.V.
die gevestigd is in [vestigingsplaats1]
2. [appellant2]
die woont in [woonplaats]
hierna respectievelijk: [appellant1], [appellant2] en gezamenlijk: [appellanten]
advocaat: voorheen: mr. J.E.T. van Oort, thans mr. W. Buikstra
en
1 [naam] Private Limited
die gevestigd is in [vestigingsplaats2] (India)
2. [geïntimeerde2]
die woont in [woonplaats2] (India)
hierna respectievelijk: [geïntimeerde1], [geïntimeerde2] en gezamenlijk: [geïntimeerden]
advocaat: mr. E.J. Loor
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Door [appellanten] is, na van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle (hierna: de rechtbank), daartoe verlof te hebben gekregen, hoger beroep ingesteld bij het hof tegen het vonnis in het bevoegdheidsincident dat de rechtbank op 30 juli 2025 tussen partijen heeft uitgesproken (hierna: het vonnis).
1.2.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep met grieven
- de memorie van antwoord in het incident
- de akte uitlating productie 8
1.3.
Partijen hebben arrest gevraagd in het incident.
2De feiten
2.1.
Aan dit incident ligt – kort gezegd – het volgende ten grondslag.
2.2.
In maart 2018 is [geïntimeerde1] opgericht (hierna: [geïntimeerde1] India). Dit betreft een vennootschap naar Indiaas recht.
2.3.
[appellant2] hield via [appellant1] 61 procent van de aandelen in [geïntimeerde1] India. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hielden respectievelijk 14 en 25 procent van de aandelen in deze vennootschap.
2.4.
Op 7 januari 2024 heeft [geïntimeerde2] op vragen van [appellant2] per e-mail laten weten welke voorwaarden hij voor ogen heeft bij een (gedeeltelijke) verkoop van [geïntimeerde1] India aan de
Amerikaanse onderneming [naam2] , een potentiële koper. Zijn e-mailbericht houdt, voor zover hier van belang, in:
“Dear [appellant2] ,
Please keep this discussion between us and don't share it with anyone else.
I completely understand your situation and will try to help you to the best of my abilities but it shouldn't harm my interest. After understanding the current situation, here is my opinion.
Since TBE is a 'sweat equity-based' company, we agreed on 61 [appellant1] - 39 PS because [appellant1] was supposed to bring all the business and PS was supposed to handle operations, since the roles have completely changed in the last 6 years.
Here is my proposition after evaluating the 6-year performance of the shareholders:
From 1st January 2024, the shareholding will become 61% PS - 39% [appellant1] .”
2.5.
Op 7 januari 2024 om 7:16 uur reageerde [appellant2] per e-mail, voor zover thans van belang, als volgt:
“Yes, we keep this discussion between us and may not share this with anyone else because that will harm our interests and credibility as professionals running the company and dealing with 5square and Sallas professionally, severely.
(…)
So we can make any legal contract amongst ourselves, even with penalties as you wish, anything you suggest but nobody can or must know this until the deal is done. Even Frans must not know this.”
2.6.
Op 5 maart 2024 heeft [geïntimeerde2] aan [appellant2] een e-mailbericht gestuurd,
inhoudende, voor zover hier van belang:
Dear [appellant2] ,
Please review the attached letter for our mutual agreement, if the draft is ok, please sign and share the scanned copy of this document and send the original copy via courier (in my name at our office address).
(…)
We will adjust the amount equal to profit sharing till December 2023 (100% of that amount will be invoiced by my holding company) and the invoices between TBE NL and TBE IN at the time of finalization.”
2.7.
Het genoemde e-mailbericht van [geïntimeerde2] aan [appellant2] vermeldt dat daaraan een document is gehecht met de omschrijving “ [appellant1] BV and PS_Mutual_Agreement.docx”. De tekst van dit document luidt:
“Agreement for distribution of sales consideration amount
We, [geïntimeerde2] (representing himself and [naam] Pvt Ltd ) and [appellant2] (representing himself and [appellant1] BV) Directors and Shareholders of the company [geïntimeerde1] (The [geïntimeerde1] Engineers) has agreed to distribute the sale consideration amount between us on the below mentioned basis:
Total percentage of shares being sold - 75% ( [appellant1] Venture BV 61%, [naam] 14%)
The distribution of the received amount will be:
[appellant1] BV/ [appellant2] 39%
[geïntimeerde2] / [naam] Pvt Ltd 36%
To achieve this, [appellant1] BV will transfer amount equal to the value of 22% shares to [naam] / [geïntimeerde2] in the form on payment for ‘Management/Technical Services.
[appellant2] [geïntimeerde2]
Director/Shareholder Director/Shareholder
(On behalf of [appellant1] BV (on behalf of [naam] and
And [appellant2] ) [geïntimeerde2] )
Date: 05th March 2024”
2.8.
In eerste aanleg is een gedeelte van een share purchase agreement (hierna: de SPA) in het geding gebracht, gedateerd op 20 maart 2024. Daarin is vermeld dat [naam2] 75% van de aandelen in [geïntimeerde1] India heeft gekocht van [appellant1] en [geïntimeerde1] . [appellant1] heeft daarbij haar 6l procentsbelang in [geïntimeerde1] India verkocht en [geïntimeerde1] haar 14 procentsbelang in deze vennootschap.
2.9.
In de SPA is in artikel 16 onder het kopje “Governing law and dispute resolution”, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“16.1 This Agreement, including the arbitration agreement set out in this Clause 16 (Governing Law
and Dispute Resolution) and any non-contractual obligations arising out of or in connection
with this Agreement, shall be governed by and construed in accordance with the laws of India
and subject to Clause 16.2 (Dispute Resolution), the courts of New Delhi, India shall have
exclusive jurisdiction to entertain and dispose of any proceeding arising out of or from this
Agreement.
16.2
Dispute Resolution
16.2.1
Any dispute, controversy or Claim arising in any way out of or in connection with this
Agreement (including, without limitation: (a) any contractual, pre-contractual or non-
contractual rights, obligations or liabilities; and (b) any issue as to the existence,
validity or termination of this Agreement) shall be referred to and finally resolved by
arbitration administered by the Singapore International Arbitration Centre ("SIAC") in
accordance with the Arbitration Rules of SIAC (the "Rules") for the time being in force,
which Rules are deemed to be incorporated by reference in this Clause 16.2 (Dispute
Resolution).
16.2.2
The arbitral tribunal ("Tribunal") shall consist of 3 (three) arbitrators. The claimant(s)
shall nominate one arbitrator and the respondent(s) shall nominate one arbitrator
within 21 (twenty one) days from the date of receipt of the Notice of Arbitration (as
defined under the Rules). The 2 (two) arbitrators so appointed shall nominate the 3rd
(third) arbitrator who shall be the presiding arbitrator. If within 21 (twenty one) days
from the date of receipt of the Notice of Arbitration, a Party fails to nominate an
arbitrator, or if the 2 (two) arbitrators fail to nominate the 3rd (third) arbitrator within
14 (fourteen) days after the appointment of the second arbitrator, the appointment
shall be made, upon request of a Party, by the President of the Court of Arbitration of
SIAC in accordance with the Rules.
16.2.3
The venue and seat of arbitration shall be Singapore and the arbitration shall be
conducted in the English language.
(…)”
2.10.
In de SPA is in artikel 18 onder het kopje “Miscellaneous”, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“(…)
18.2
Entire Agreement
This Agreement along with all other Transaction Documents constitutes the entire agreement
between the Parties, and revokes and supersedes all other previous written or oral
agreements, understandings, negotiations, communications, commitments and discussions
(either oral of written) between the Parties (including their Affiliates) or any of them, in
relation to the Transaction and the matters dealt with in this Agreement and the other
Transaction Documents.(…)”
2.11.
Een als onderdeel van productie 11 respectievelijk 12 in hoger beroep door [appellanten] overgelegde, door hen als aandeelhoudersovereenkomst aangeduide en op 9 september 2019 gedagtekende preliminary agreement vermeldt, voor zover hier van belang:
“Article 8 Miscellaneous
8.1
Each of the Parties shall from time to time execute such documents and perform such
acts and things as the other Party may reasonably require to give either Party the full
benefit of this agreement.
8.2
This agreement contains the entire agreement between the Parties to this agreement
relating to the subject matter of this agreement, to the exclusion of any terms implied
by law which may be excluded by contract, and supersedes any previous written or
oral agreement between the Parties to this agreement in relation to the matters dealt
with in this agreement.
Article 9 Governing Law, competent court
9.1
This agreement and the documents to be entered into pursuant to it, save as expressly
otherwise provided therein, shall be governed by and construed in accordance with the
laws of India.
9.2
Any and all disputes arising from or in connection with this agreement, or further
contracts resulting there from, will be settled exclusively by the competent court at [-] India.”
2.12.
[geïntimeerden] hebben na het aangaan van de SPA een berekening gemaakt van het bedrag dat [appellanten] aan hen verschuldigd zouden zijn op basis van de in het document “ [appellant1] BV and PS_Mutual_Agreement.docx” aangegeven verdeelsleutel voor de verdeling
van de verkoopopbrengst van de aandelen in [geïntimeerde1] India. Hierover is vervolgens tussen partijen een geschil ontstaan.
3Inzet van het hoger beroep en de grieven van [appellanten]
3.1.
hebben in hoger beroep vernietiging van het vonnis gevorderd en dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog concludeert tot de onbevoegdheid van de rechtbank om van het geschil van partijen kennis te nemen, een en ander met veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van de proceskosten van het incident in beide instanties.
3.2.
[appellanten] hebben het vonnis bestreden met een vijftal grieven, die tot de door hen gewenste beslissing van het hof zouden moeten leiden.
3.3.
Het hof zal hierna de grieven zo veel mogelijk thematisch en gebundeld behandelen.
3.4.
De beslissing zal zijn dat het hoger beroep van [appellanten] niet slaagt en dat het vonnis zal worden bekrachtigd. Die beslissing wordt hierna toegelicht.
4De beoordeling
4.1.
In dit hoger beroep staat de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen die door de in India gevestigde partijen [geïntimeerden] zijn ingesteld tegen de in Nederland gevestigde partijen [appellanten] Laatstgenoemden betogen dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, nu het door [geïntimeerden] aan de rechtbank voorgelegde geschil blijkens de SPA aan arbitrage (in Singapore) is onderworpen dan wel op grond van de in de preliminary agreement opgenomen forumkeuzeclausule moet worden beslecht door de Indiase rechter.
Feitenvaststelling
4.2.
Met hun eerste grief keren [appellanten] zich tegen de wijze waarop de rechtbank de feiten heeft vastgesteld. Het hof overweegt hierover dat het als appelrechter zelf de feiten opnieuw vaststelt, zodat in zoverre bij de behandeling van daartegen gerichte grieven geen belang bestaat. Inhoudelijke bezwaren en stellingen over de waardering en interpretatie van de relevante feiten komen waar nodig hierna aan de orde. Voor zover het hof die bezwaren en stellingen niet specifiek behandelt, worden die bezwaren geacht te zijn verworpen of voor de beoordeling niet relevant geacht.
Toetsingskader
4.3.
De vraag naar de eigen bevoegdheid dient door dit hof ambtshalve te worden onderzocht en beantwoord, in dit geval aan de hand van Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1-32 (hierna: Brussel I-bis).
4.4.
In het kader van het hiervoor genoemde onderzoek dient het hof alle hem ter beschikking staande gegevens in aanmerking te nemen, waaronder de betwistingen van de verwerende partij(en). Het hof hoeft geen uitgebreide bewijsprocedure dienaangaande te voeren.
4.5.
In relatie tot het door [appellanten] primair gedane beroep op een arbitragebeding is van belang dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) destijds op een verzoek om een prejudiciële beslissing tot de uitlegging van de Brussel I-Verordening heeft overwogen dat, als een geding op grond van het onderwerp daarvan binnen de werkingssfeer van de Brussel I-Verordening valt, een prealabele vraag naar de toepasselijkheid van een arbitraal beding, en met name naar de geldigheid ervan, eveneens binnen de werkingssfeer van die verordening valt. Hieruit volgt dat de door een verweerder opgeworpen exceptie van onbevoegdheid op grond van een arbitraal beding (dit met inbegrip van de vraag naar de geldigheid van het beding) binnen de werkingssfeer van de Brussel I-Verordening valt en dat het gerecht ten overstaan waarvan de verweerder zich op een arbitraal beding beroept bij uitsluiting bevoegd is zich uit te spreken over deze exceptie en over zijn eigen bevoegdheid. Aangenomen wordt dat hetzelfde geldt, ingevolge overweging 12 daarvan, voor de Brussel I-bis-Verordening. Hieruit volgt dat dit hof bevoegd is te beoordelen of tussen partijen een arbitragebeding tot stand is gekomen en, zo ja, hoe dit moet worden uitgelegd.
4.6.
Waar het gaat om het door [appellanten] subsidiair gedane beroep op een door partijen gemaakte forumkeuze voor beslechting van hun geschil door de Indiase rechter geldt dat artikel 25 Brussel I-bis zich beperkt tot de keuze door partijen van een gerecht of de gerechten van een EU-lidstaat. Artikel 25 Brussel I-bis heeft geen betrekking op de keuze van een gerecht of de gerechten van een derde staat. Ook het Haags Forumkeuzeverdrag leent zich niet voor toepassing in deze zaak, nu India bij dit verdrag geen partij is. In zo’n geval dient de Nederlandse rechter aan de hand van zijn eigen commune bevoegdheidsrecht na te gaan of hij rechtsmacht heeft om van de vordering kennis te nemen. Nu volgens [appellanten] door partijen een forumkeuze voor de Indiase rechter is gemaakt (en de door hen gestelde forumkeuze dus niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 25 Brussel I-bis dat een gerecht van een lidstaat als bevoegd is aangewezen), zal de Nederlandse rechter (lees: het hof) de volgens [appellanten] gemaakte forumkeuze moeten toetsen aan artikel 8 lid 2 Rv (derogatie van rechtsmacht). Of een forumkeuze tot stand is gekomen en, zo ja, hoe deze moet worden uitgelegd, is door de wetgever niet geregeld. Uit de wetgeschiedenis laat zich evenwel afleiden dat deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van het rechtsstelsel dat wordt aangewezen door de normale verwijzingsregels voor internationale overeenkomsten.
4.7.
Uit artikel 3 jo. artikel 10 van de Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome-I) volgt dat het bestaan en de geldigheid van een overeenkomst waarop een partij zich beroept, of sommige bepalingen ervan (een rechtskeuzebeding daaronder begrepen) met toepassing van de lex contractus van die overeenkomst moet worden beoordeeld. Nu die lex contractus bij beide onder 4.1 genoemde overeenkomsten het recht van India betreft en gesteld noch gebleken is dat deze overeenkomsten en de daarin opgenomen rechtskeuzebedingen naar Indiaas recht niet geldig zijn, gaat het hof van die geldigheid en van de gemaakte rechtskeuze voor het materiële recht van India uit bij de verdere beoordeling van de zaak.
4.8.
Het beginsel van separabiliteit brengt mee dat een in een overeenkomst opgenomen geschilbeslechtingsclausule (zoals een arbitrage- of forumkeuzeclausule) als een zelfstandige overeenkomst moet worden beschouwd. Daarom is met het voorgaande nog niet gezegd dat ook de bedingen, die zijn opgenomen in artikel 16.2 van de SPA respectievelijk artikel 9.2 van de preliminary agreement, door materieel Indiaas recht (als het door partijen gekozen recht) worden beheerst. Nu artikel 16.1 van de SPA echter met zoveel woorden bepaalt dat ook het arbitragebeding door materieel Indiaas recht wordt beheerst, brengt het voorgaande mee dat ook bij het arbitragebeding van de toepasselijkheid van dit recht moet (en hierna zal) worden uitgegaan. Vanwege de nauwe samenhang tussen de artikelen 9.1 en 9.2 van de preliminary agreement komt het hof voor wat betreft het forumkeuzebeding tot eenzelfde oordeel.
4.9.
Het hof zal de stellingen van partijen met inachtneming van het voorgaande kader behandelen. Het hof zal er daarbij veronderstellenderwijs (en bij gebreke van contra-indicaties in de stukken) van uitgaan (i) dat de in de SPA opgenomen arbitrageclausule en het in de preliminary agreement opgenomen forumkeuzebeding geldig zijn naar Indiaas recht, (ii) daarop door de partijen bij de SPA respectievelijk de preliminary agreement een beroep kan worden gedaan en (iii) dat de uitleg van beide overeenkomsten en de genoemde clausules naar Indiaas recht dient te geschieden.
Het arbitragebeding
4.10.
[appellanten] keren zich tegen de uitleg die de rechtbank aan het in de SPA opgenomen arbitragebeding heeft gegeven. De rechtbank heeft in hun opvatting miskend dat partijen “daarmee” (naar het hof begrijpt: met het aangaan van de SPA) (hebben) bedoeld om henzelf en alle ‘affiliates” daaraan gebonden te laten zijn. Zij hebben beoogd en bedoeld om alle tussen hen opkomende geschillen (contractueel of niet-contractueel) te laten beheersen door Indiaas recht en te laten beoordelen primair door het Singapore International Arbitration Centre (hierna: SIAC) en subsidiair door de rechter te India (New Delhi). Dit geldt ook voor vorderingen op grond van (vermeende) overeenkomsten die voordien tussen partijen zouden zijn aangegaan, aldus [appellanten]
4.11.
Bij de beoordeling van deze stellingen stelt het hof voorop dat het Indiase recht op het punt van contractsuitleg aansluiting pleegt te zoeken bij de (kern-)inzichten die zich in de loop der tijd in het Engelse recht (en in breder common law verband) over dit leerstuk hebben gevormd en (met name) in de Engelse rechtspraak tot uiting zijn gekomen. Bij contractsuitleg naar Engels recht komt het, kort gezegd, niet aan op het achterhalen van de ‘subjectieve’ of ‘werkelijke’ bedoelingen van de contractspartijen, maar staat de vraag centraal hoe een (fictieve) redelijke persoon de door partijen in hun contract gekozen bewoordingen zou hebben opgevat. Deze geobjectiveerde benadering van het leerstuk brengt onder meer mee dat een contract steeds als één geheel moet worden gelezen om een zinvolle betekenis te kunnen geven aan elke daarin voorkomende afzonderlijke bepaling en dat de gebruikelijke betekenis (‘natural and ordinary meaning’) van de door partijen gekozen bewoordingen alsmede “commercial common sense” bij de uitleg een significante rol spelen. Tegen de achtergrond van dit kader oordeelt het hof als volgt.
4.12.
Kern van het betoog van [appellanten] in relatie tot het arbitragebeding is dat door de partijen bij de SPA is beoogd ook eventuele eerdere afspraken tussen alleen de verkopers onderling onder de werking daarvan (en dus ook onder de werking van het arbitragebeding) te brengen. Het hof vermag dat niet in te zien. Het gaat hier, afgaande op het in dit geding overgelegde deel van de SPA en de daarin voorkomende bepalingen, met inbegrip van hetgeen onder A tot en met D van de considerans is opgenomen, om een ‘klassieke’ share purchase agreement, die (dus) in het teken staat van (en draait om) de koop en verkoop van aandelen in een target onderneming. Ware het de bedoeling van partijen geweest om ook wederzijdse afspraken van enkel de verkopers onderling – die dus in juridisch en thematisch opzicht los staan van de in de SPA geregelde transactie – in de SPA regeling te doen vinden, dan had het bepaald in de rede en daarmee op de weg van partijen gelegen die bedoeling in de considerans of elders in de SPA op kenbare wijze tot uitdrukking te laten komen, te meer nu een koopovereenkomst gewoonlijk slechts verbintenissen beoogt te scheppen tussen de koper(s) enerzijds en de verkoper(s) anderzijds en het voor de hand ligt om – bij afwezigheid van contra-indicaties – de bewoordingen van een overeenkomst op te vatten in de zin die met de aard van de overeenkomst het meest overeenstemt. Van een dergelijke aanwijsbare bedoeling van partijen bij de SPA blijkt echter niets, ook niet uit het door [appellanten] aangehaalde artikel 7.3.3 jo. Schedule II, Part D of artikel 5.7 van Schedule IX Warranties Part A, waarin niets is opgenomen over financiële afspraken tussen de verkopers onderling in relatie tot de verkoopopbrengst. Daarbij komt nog dat de in dit geding overgelegde correspondentie die voorafgaand aan het sluiten van de (gestelde) verdelingsovereenkomst kennelijk tussen partijen is gevoerd, duidelijk maakt dat het, vanwege vrees dat de onderhandelingen over de verkoop van de target onderneming zouden worden ondermijnd, beslist niet de bedoeling was dat onderlinge afspraken tussen partijen aan verkoperszijde over het met elkaar verdelen van de verkoopopbrengst kenbaar zouden worden (gemaakt) aan de kopende partij of andere derden. Ook dit gegeven levert allerminst steun op voor de gedachte dat het niettemin de bedoeling van de partijen bij de SPA zou zijn geweest, die afspraken (toch) onder de werking van de SPA (en de arbitrageclausule) te brengen.
4.13.
Het voorgaande brengt ook mee dat aan de in de SPA opgenomen entire agreement clause (hierna: eac) niet de betekenis toekomt die [appellanten] eraan geven. Die eac kan immers niet los worden gezien van de rest van de SPA en de strekking en reikwijdte ervan moeten dus tegen het licht van de overige bepalingen van de SPA worden vastgesteld. Nu de SPA blijkens het voorgaande is opgezet als een (wederkerige) overeenkomst die regels geeft voor de verhouding tussen de koper enerzijds en verkopers anderzijds, brengt een redelijke en plausibele uitleg van de eac mee dat deze enkel kan worden geacht bedoeld te zijn om de afspraken tussen koper en verkopers over de koop en verkoop van de aandelen strikt te beperken tot de ‘vier hoeken’ van de SPA, maar niet kan worden geacht ook eerder gemaakte afspraken tussen de verkopers onderling, waarvan de koper geen weet heeft of mag hebben, buiten werking te stellen of te ‘absorberen’.
4.14.
Het voorgaande brengt mee dat de door [appellanten] gestelde onbevoegdheid van de Nederlandse rechter niet op het arbitragebeding van de SPA te baseren valt.
4.15.
Wat in het kader van dit beding verder nog door partijen is betoogd, kan het, gelet op het voorgaande, zonder behandeling stellen.
Het forumkeuzebeding
4.16.
Dan komt het hof toe aan het subsidiaire betoog van [appellanten] dat (ook) het forumkeuzebeding in de – in eerste aanleg niet in het geding gebrachte – preliminary agreement aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in de weg staat. Nog daargelaten dat het subsidiaire betoog van [appellanten] (een eerder gesloten overeenkomst beheerst respectievelijk ‘absorbeert’ een later gesloten overeenkomst) in logisch opzicht moeilijk verenigbaar lijkt met (en zelfs volledig haaks staat op) het hiervoor behandelde, primair door [appellanten] gehuldigde standpunt dat in casu (juist) een latere overeenkomst (de SPA) een gestelde eerdere overeenkomst beheerst/’absorbeert’, kan in de bewoordingen van de preliminary agreement naar het oordeel van het hof geen enkele steun worden gevonden voor de opvatting dat het daarin opgenomen forumkeuzebeding er (mede) toe zou strekken om ook op de (gestelde later tot stand komen) verdelingsovereenkomst van toepassing te zijn. Ongeacht of de uitleg van het onderhavige forumkeuzebeding respectievelijk de overeenkomst waarin deze is opgenomen, naar Nederlands dan wel Indiaas recht zou moeten plaatsvinden, in beide gevallen geldt de eis van een redelijke uitleg, waarbij een contract steeds als een geheel moet worden gelezen om een zinvolle betekenis aan elke afzonderlijke bepaling te kunnen toekennen. Voorts wordt in beide rechtsstelsels onderkend dat de gebruikelijke betekenis van de door partijen gekozen bewoordingen bij de uitleg dikwijls een significante rol toekomt. Het gaat hier, afgaande op het totaal aan bepalingen ervan, om een ‘recht-toe-recht-aan’ aandeelhoudersovereenkomst, dat wil zeggen een privaatrechtelijk contract tussen aandeelhouders van een vennootschap, dat hun onderlinge samenwerking als aandeelhouders respectievelijk de zeggenschapsverhoudingen en de besluitvorming binnen een vennootschap structureert. Het primaire doel van een dergelijke overeenkomst is het creëren van duidelijkheid/rolvastheid en het voorkomen van aandeelhoudersconflicten, veelal door het contractueel vastleggen van afspraken die de statuten van de vennootschap aanvullen of daarvan afwijken. Geen van de bepalingen in de preliminary agreement wijst erop dat de partijen daarbij hebben beoogd om naast het formuleren van regels c.q. verplichtingen die ten doel hebben de rol en positie van de aandeelhouders binnen vennootschapsverband te omlijnen en normeren, ook andere zaken, bijvoorbeeld van louter vermogensrechtelijke aard, te regelen, laat staan dat de overeenkomst aanwijzingen bevat dat beoogd zou zijn ook toekomstig nog te maken afspraken van vermogensrechtelijke aard – ook nog eens tussen deels andere partijen – onder de werkingssfeer van de overeenkomst te brengen. Ware dat wel de bedoeling van partijen geweest, dan had het voorts bepaald in de rede en daarmee op de weg van partijen gelegen die bedoeling in een considerans of elders in de overeenkomst (helder) tot uitdrukking te laten komen, te meer nu het ook hier voor de hand ligt om – bij afwezigheid van contra-indicaties – de bewoordingen van een overeenkomst als deze op te vatten in de zin die met de aard van zo’n overeenkomst het meest overeenstemt.
4.17.
Het voorgaande brengt tevens mee dat aan de in artikel 8.2 van de preliminary agreement opgenomen eac niet de betekenis toekomt die [appellanten] eraan geven. Die eac kan immers niet los worden gezien van de rest van de preliminary agreement en de strekking en reikwijdte ervan moeten dus tegen het licht van de overige bepalingen van de overeenkomst worden vastgesteld. Nu de preliminary agreement, als gezegd, is opgezet als een overeenkomst die regels beoogt te geven voor de verhouding van aandeelhouders (in die hoedanigheid) in relatie tot elkaar en tot de vennootschap, brengt een redelijke en plausibele lezing van de eac mee dat deze enkel kan worden geacht bedoeld te zijn om de daarover door de aandeelhouders gemaakte afspraken tot de ‘vier hoeken’ van de preliminary agreement te beperken, maar niet kan worden geacht ook later nog te maken vermogensrechtelijke afspraken tussen (deels andere) partijen te omvatten.
4.18.
Dit een en ander brengt mee dat ook het forumkeuzebeding in de preliminary agreement wegvalt als grondslag voor het standpunt van [appellanten] inzake de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter om over het onderhavige geschil van partijen te oordelen.
4.19.
Vanwege het voorgaande kan de derde – overigens niet in helderheid uitblinkende – grief van [appellanten] geen doel treffen. Ook als zou worden uitgegaan van de juistheid van het betoog van [appellanten] dat Indiaas recht de door [geïntimeerden] gestelde verdelingsovereenkomst beheerst, maakt dit de Nederlandse rechter nog niet onbevoegd, nu gesteld noch gebleken is dat in dit document of anderszins inzake de door [geïntimeerden] gestelde verdelingsafspraken een forumkeuze is opgenomen respectievelijk overeengekomen.
4.20.
Het voorgaande betekent dat de grieven 1 t/m 3 falen. Bij deze stand hebben [appellanten] bij de behandeling van hun vierde grief geen belang meer.
4.21.
Wat overigens nog door partijen in het kader van dit incident is aangevoerd, behoeft, gelet op het voorgaande, geen behandeling meer. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
5Slotsom
5.1.
Op grond van wat hierboven is overwogen, is het hof van oordeel dat [appellanten] zich in relatie tot het door [geïntimeerden] aan de rechtbank voorgelegde geschil niet kunnen beroepen op een geldig arbitrage- of forumkeuzebeding dat aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in de weg staat.
5.2.
Het voorgaande brengt mee dat op grond van artikel 4 lid 1 Brussel I-bis de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil. Aangezien [appellanten] woonplaats hebben in [woonplaats] , was en is de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle op de voet van artikel 99 Rv (ook) relatief bevoegd om kennis te nemen van het geschil. Deze rechtbank heeft zich in het bestreden vonnis dus terecht bevoegd verklaard.
5.3.
De uitkomst van het incident brengt tevens mee dat [appellanten] terecht in de proceskosten van het incident in de eerste aanleg zijn veroordeeld en dat hun daartegen gerichte vijfde grief dus geen doel treft.
5.4.
[appellanten] zullen als de in het ongelijk te stellen partijen in de proceskosten (tarief II) van het incident in hoger beroep worden veroordeeld. Onder die kosten vallen ook de nakosten, zonder dat het hof deze kosten in het dictum hoeft te specificeren.
6De beslissing
Het hof:
1. bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
2. veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] in het
incident in hoger beroep:
€ 2.255,- aan procedurele kosten (griffierecht)
€ 1.290,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerden] (1 procespunt x appeltarief II);
3. bepaalt dat de hiervoor genoemde proceskosten moeten worden betaald binnen 14 dagen
na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke
rente;
4. verklaart dit arrest wat betreft bovengenoemde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5. wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.S. Bakker. J.H. Kuiper en M. Aksu, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.
Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 3, p. 39 (MvT).
Vgl. GS Verbintenissenrecht, artikel 10 Rome I, aant. 2.2.1 (C.G. van der Plas).
Vgl. GS Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 108 Rv, aant. 5 (L.A. Bosch).
HR 18 november 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4691, NJ 1984/272, m.nt. W.C.L. van der Grinten, rov. 3.1.
Vgl. voor het Nederlandse recht onder meer HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, rov. 4.5.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|