Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:7469 
 
Datum uitspraak:20-10-2026
Datum gepubliceerd:20-10-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:26/1769
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Hoort een akker bij een akkerbouwondersteuningsbedrijf? De rechtbank beschouwt akkers en het erf met machines van een akkerbouwondersteuningsbedrijf als losse projecten die apart kunnen worden vergund.
Trefwoorden:akkerbouw
gewassen
natuurbeschermingswet
omgevingsvergunning
veehouderij
 
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 26/1769 OWNAT

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [vestigingsplaats 1], eiseres
(gemachtigden: [gemachtigde] en mr. E. Woudwijk),

en


het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, (het college)
(gemachtigden: mr. E.C.S.F. Frenken en mr. M. Box)

Als derde-partij neemt deel: [derde belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats 2] (vergunninghoudster)


Samenvatting

1. Hoort een akker bij een akkerbouwondersteuningsbedrijf? De rechtbank beschouwt de teelt op de omliggende akkers en het akkerbouwondersteuningsbedrijf (het erf, de gebouwen en de tractoren en andere machines) als losse projecten die apart kunnen worden vergund. De rechtbank komt in deze uitspraak verder tot het oordeel dat bij de totstandkoming van de vergunning niet kenbaar is geworden dat de aanvraag is gewijzigd. Dat is onzorgvuldig en daarom vernietigt de rechtbank de vergunning. De rechtbank laat wel de rechtsgevolgen in stand omdat duidelijk is dat vergunninghoudster alleen akkerbouwondersteuning aanvraagt en niet de teelt op de omliggende akkers. Dat betekent dat vergunninghoudster wel gebruik kan maken van de vergunning. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Procesverloop

2. Met het besluit van 4 mei 2026 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor een Natura 2000-activiteit ten aanzien van een veehouderij en een akkerbouwondersteuningsbedrijf gevestigd aan de [adres] (het bedrijf). Hierbij heeft het college ook een bestaande natuurvergunning voor de veehouderij gedeeltelijk ingetrokken.


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 4 mei 2026.



2.2.
Op 16 juni 2026 heeft het college een herstelbesluit genomen. Met dit besluit heeft het college het besluit van 4 mei 2026 vervangen.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2026 op zitting behandeld gelijktijdig met de beroepen in de zaken SHE 26/907 en SHE 26/1197 behandeld. In deze zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigden van het college en namens vergunninghoudster [derde belanghebbende].




Beoordeling door de rechtbank


Inleiding

3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
- Vergunninghoudster heeft een veehouderij. Het bedrijf bevindt zich op ongeveer 280 meter afstand van het Natura 2000-gebied '[naam]. Hiervoor is op 19 januari 2016 een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend. In verband met de deelname van vergunninghoudster aan de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) heeft het college op verzoek van vergunninghoudster deze natuurvergunning voor het overgrote deel ingetrokken op 2 oktober 2024.


Op 8 mei 2025 heeft vergunninghoudster bij het college een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit. In de toelichting op de aanvraag staat het volgende: “Ten behoeve van de uitbreiding van de reeds eerder geaccepteerde melding van 13 augustus 2024 van de akkerbouwactiviteiten wil initiatiefnemer de activiteiten uitbreiden met een werktuigenloods conform de tekening in de bijlage. (…) Middels deze aanvraag wordt de wettelijke grondslag gelegd voor de uitbreiding van de akkerbouwactiviteiten.”.


Om het bedrijf heen liggen akkers. Vergunninghoudster heeft ook akkers in eigendom op grotere afstand.


Het college heeft een ontwerpbeschikking ter inzage gelegd vanaf 18 maart 2026.


Er zijn geen zienswijzen ingediend.




3.1.
Met het besluit 4 mei 2026 heeft het college vergunning verleend voor het stoppen van een veehouderij en het omschakelen naar een ondersteuningsbedrijf ten behoeve van akkerbouwactiviteiten.



3.2.
Het besluit van 4 mei 2026 bevatte een verschrijving in het dictum. In het herziene besluit van 16 juni 2026 is het dictum aangepast. De rechtbank merkt dit besluit aan als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep wordt daarom van rechtswege geacht mede betrekking te hebben op dit besluit. Dit besluit wordt verder aangeduid als het bestreden besluit.


Heeft het college vergund wat is aangevraagd?

4. Eiseres voert aan dat het college niet op de aanvraag heeft besloten zoals deze is ingediend. In de toelichting op de aanvraag wordt gesproken over het uitbreiden naar een akkerbouwbedrijf en over akkerbouw in plaats van ondersteuningsactiviteiten. De omgevingsvergunning is verleend voor een ondersteuningsbedrijf voor akkerbouwactiviteiten. De beschrijvingen in de aanvraag en het besluit over de betrokken activiteiten zijn niet eenduidig. Ook is niet vanzelfsprekend welke activiteiten onder een ondersteuningsbedrijf voor akkerbouw vallen. Voor niemand is duidelijk waar de vergunning wel of niet in voorziet en dus ook niet wanneer er sprake is van een overtreding. Dit is volgens eiseres ook in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.



4.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het slechts kan beslissen op een aanvraag. De aanvraag en dus het bestreden besluit is voorzien van een duidelijke plattegrondtekening van het project. Deze tekeningen geven ook gelijk de reikwijdte en fysieke afbakening van het project weer. De aanvraag is duidelijk gericht op de activiteiten die op het erf zelf plaatsvinden, dus daartoe heeft het college zijn beoordeling beperkt. In de, aan de aanvraag gehechte, AERIUS-berekening wordt een aantal draaiuren van tractoren genoemd waaruit blijkt dat het gaat om werkzaamheden op het erf van het ondersteuningsbedrijf. Daartoe heeft het college dus zijn beoordeling beperkt. Desgevraagd heeft het college op zitting aangegeven dat de aanvraag in overleg met vergunninghoudster is aangepast.



4.2.
Vergunninghoudster heeft aangegeven zich ook bezig te houden met akkerbouw op de aangrenzende en verder weg gelegen percelen. Zij heeft sommige percelen in eigendom en andere percelen in gebruik. Haar aanvraag heeft alleen betrekking op de activiteiten op het erf.



4.3.
Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een aanvraag is een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen. Een aanvrager kan een aanvraag weliswaar wijzigen, maar alleen voor zover daarbij sprake is van een wijziging van ondergeschikte betekenis. Anders zal een nieuwe aanvraag moeten worden ingediend. Dat is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).



4.4.
Een akkerbouwbedrijf is iets anders dan een akkerbouwondersteuningsbedrijf zoals het college heeft bedoeld te vergunnen. De rechtbank is van oordeel dat oorspronkelijk iets anders is aangevraagd dan is vergund. De aan de aanvraag gehechte tekeningen met daarop het erf en de gebouwen en de beperkte draaiuren in de AERIUS-berekening zijn onvoldoende om aan te nemen dat de aanvraag slechts is beperkt tot een akkerbouwondersteuningsbedrijf, gelet op de toelichting op de aanvraag.



4.5.
De rechtbank begrijpt van het college dat de aanvraag is aangepast na indiening, maar ziet in de op de zaak betrekking hebbende stukken geen enkele schriftelijke aanwijzing dat dit is gebeurd of wanneer dit is gebeurd. Het had kenbaar moeten zijn dat de aanvraag is aangepast. Ook de aanpassing van de omschrijving van het project in het bestreden besluit is een wezenlijke aanpassing. Een tweede terinzagelegging van een ontwerpbeschikking zou op zijn plaats zijn geweest, zeker nu er aanwijzingen zijn dat derden (waaronder eiseres) hierdoor zijn benadeeld. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Deze beroepsgrond slaagt. Dit is reden voor vernietiging van het bestreden besluit.



4.6.
De rechtbank gaat er op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting van uit dat vergunninghoudster daadwerkelijk heeft bedoeld om een akkerbouwondersteuningsbedrijf aan te vragen en dat de omschrijving van het project mondeling is aangepast. Vergunninghoudster heeft dit op zitting niet weersproken. Ook eiseres is het (in ieder geval na de zitting) duidelijk geweest wat de bedoeling was van vergunninghoudster en het college. De resterende beroepsgronden van eiseres gaan immers vooral over het apart vergunnen van het ondersteuningsbedrijf, los van de akkers. De rechtbank ziet daarom aanleiding te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.


Wat is het project

5. Eiseres voert aan dat, al zou de aanvraag zich beperken tot activiteiten op het erf, er sprake is van een project waartoe ook akkerbouw behoort op de naast- en verderop gelegen percelen. Volgens eiseres vormen de akkerbouwactiviteiten één project met het akkerbouwondersteuningsbedrijf. Eiseres is van mening dat het college ten onrechte slechts een deel van het project heeft onderzocht en vergund en dat de akkerbouwactiviteiten zelf (het telen van gewassen op akkers) ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten. Dat betekent dat in het bestreden besluit niet alle aspecten van het project passend beoordeeld zijn, wat in strijd is met de Habitatrichtlijn. Concreet ontbreekt in ieder geval onderzoek naar de gevolgen van het gebruik van bestrijdingsmiddelen op de percelen waarop de akkerbouw plaatsvindt. Het bedrijf bevindt zich zeer dicht bij het Natura 2000-gebied '[naam]. Nu de Afdeling in de uitspraak van 2 april 2025, heeft geoordeeld dat significante effecten door bestrijdingsmiddelen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, had dit onderzocht moeten worden.



5.1.
Het college is van mening dat het telen van gewassen op (omliggende) percelen geen onderdeel uitmaakt van het aangevraagde en vergunde project en dat deze activiteit dus niet passend hoeft te worden beoordeeld. De beoordeling in het bestreden besluit heeft zich beperkt tot de gevolgen van het voorgenomen ondersteuningsbedrijf. Het telen van gewassen op andere percelen en alles wat eventueel daarbij komt kijken, zoals het gebruik van bestrijdingsmiddelen, valt buiten de omvang van het aangevraagde project en is met het bestreden besluit dus niet vergund en ook niet beoordeeld. Het telen van gewassen en het ondersteuningsbedrijf vormen niet één project en kunnen dus los van elkaar worden vergund.



5.2.
Vergunninghoudster heeft ter zitting aangegeven dat zij meerdere gewassen teelt, zoals mais, aardappelen en bieten. Dit gebeurt wisselend op verschillende percelen die zij allemaal in eigendom heeft. Een deel ligt in de buurt en een deel ligt verderop. Teeltwisseling is gebruikelijk en noodzakelijk en gebeurt jaarlijks. De keuze van gewassen is mede afhankelijk van weersomstandigheden en de mogelijke opbrengst en soms is het noodzakelijk om op het laatste moment te kiezen.



5.3.
De Afdeling oordeelde in de uitspraak van 2 april 2025 dat een teeltwissel naar lelieteelt nabij een Natura 2000-gebied zonder natuurvergunning niet toelaatbaar is wanneer het onzeker is welke gevolgen een activiteit heeft voor een Natura 2000-gebied, maar er wel aanwijzingen zijn voor negatieve gevolgen en onderzoek daarnaar ontbreekt. Tussen het college en eiseres is niet in geschil dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen bij de teelt van sommige gewassen gevolgen kan hebben voor het Natura 2000-gebied. De rechtbank laat in deze uitspraak in het midden of een natuurvergunning in dit geval nodig is omdat het college dit niet heeft beoordeeld in het bestreden besluit. Het gaat alleen om de vraag of het had moeten worden beoordeeld.



5.4.
Zoals de Afdeling onder andere heeft overwogen in haar uitspraak van 6 december 2023 , moet een aanvraag voor een natuurvergunning betrekking hebben op alle activiteiten die samen één project vormen. Op die wijze is gewaarborgd dat de gevolgen van het gehele project voor het Natura 2000-gebied bij de beoordeling van een vergunning worden betrokken. De beoordeling van de gevolgen van het gehele project moet uitgangspunt zijn van de voortoets en van de passende beoordeling. Dit kan ook worden afgeleid uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), waarin meermalen is geoordeeld dat een passende beoordeling betrekking heeft op alle aspecten van een plan of project. Het opknippen van een project is dan ook in strijd met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn.



5.5.
De vraag of bepaalde activiteiten samen één project vormen is afhankelijk van de feiten en omstandigheden in het concrete geval. Bij beantwoording van de vraag of bepaalde activiteiten samen één project of afzonderlijke projecten zijn, is onder meer van belang of de activiteiten naar aard, tijd en ruimte van elkaar te onderscheiden zijn, of er sprake is van een onlosmakelijke samenhang en of de ene activiteit een noodzakelijke voorwaarde is om de andere activiteit te kunnen uitvoeren.



5.6.
Eiseres kan worden toegegeven dat er een zekere samenhang is tussen het vergunde ondersteuningsbedrijf en de niet vergunde omliggende akkers. Dat zou ervoor kunnen pleiten om de gevolgen van de teelt van gewassen (akkerbouw) integraal met de activiteiten van het ondersteuningsbedrijf te beoordelen. De rechtbank komt echter tot een ander oordeel op basis van de volgende omstandigheden.



5.7.
Op dit moment zijn de omliggende akkers in eigendom van vergunninghoudster. Vergunninghoudster heeft echter ook akkers in eigendom op grotere afstand van het ondersteuningsbedrijf. De akkers worden bewerkt met de machines van het ondersteuningsbedrijf maar vergunninghoudster kan ook een derde hiervoor inschakelen. De rechtbank neemt daarnaast op basis van wat is besproken tijdens de zitting aan dat de akkers van vergunninghoudster in sommige jaren of teeltperiodes ook door andere agrariërs kunnen worden gebruikt (al dan niet op basis van een pachtovereenkomst of nadat ze aan een andere agrariër in gebruik zijn gegeven). De plaats waarop de akkerbouw plaatsvindt is dus niet continu dezelfde maar is afhankelijk van de planning van de teelt. De akkerbouw verlangt een stelselmatige wisseling van gewassen. Die gewassen worden niet altijd door dezelfde agrariër geteeld. Die teelt kan ook de toepassing van verschillende gewasbestrijdingsmiddelen verlangen.



5.8.
Deze wisseling van gewassen betekent dat er geen continuïteit is in de teelt van gewassen, de akkers waarop wordt geteeld, de agrariër die de gewassen teelt en de manier waarop de gewassen worden geteeld. Ook de gevolgen van de teelt voor Natura 2000 gebieden kunnen dus doorlopend variëren. Daarom bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen onlosmakelijke samenhang tussen de akkers en het ondersteuningsbedrijf ten tijde van de aanvraag, ten tijde van het bestreden besluit of op dit moment.



5.9.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat akkerbouw op één specifieke akker niet noodzakelijk is voor het ondersteuningsbedrijf, omdat dit bedrijf ook gewassen op andere akkers kan telen. Ook is het ondersteuningsbedrijf niet noodzakelijk voor de teelt op één specifieke akker, omdat die gewassen ook door een andere agrariër kunnen worden geteeld.



5.10.
De rechtbank is daarom van oordeel dat het college het ondersteuningsbedrijf als een apart project heeft kunnen beschouwen en dat de vergunning niet ook de teelt van gewassen op nabijgelegen akkers hoefde te omvatten. De gevolgen van de teelt van de gewassen hoefde dus ook niet in dit bestreden besluit passend te worden beoordeeld. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.



5.11.
De rechtbank bepaalt in deze uitspraak dus niet of vergunninghoudster een natuurvergunning nodig heeft voor het telen van een bepaald gewas op een specifieke akker maar oordeelt alleen dat het college terecht uitsluitend de gevraagde natuurvergunning voor slechts het ondersteuningsbedrijf (het erf, de gebouwen en de tractoren en andere machines) heeft verleend. De rechtbank geeft wel een waarschuwing. De teelt op een specifieke akker is een apart project dat onder omstandigheden (afhankelijk van de afstand of verbinding met een Natura 2000-gebied en het gebruik van bestrijdingsmiddelen of beregeningsinstallaties) gevolgen kan hebben voor dat Natura 2000-gebied. Deze gevolgen moeten passend worden beoordeeld in een natuurvergunning tenzij de gevolgen op voorhand zijn uit te sluiten. Het college is in beginsel verplicht om handhavend op te treden tegen het telen van gewassen op akkers als de teelt zonder een daarvoor in dat geval mogelijk benodigde natuurvergunning plaatsvindt. Het college is inmiddels ook handhavingsprocedures gestart over de teelt op andere akkers met betrekking tot overtredingen van het verbod in artikel 5.1, eerste lid onder e, van de Omgevingswet waarbij eiseres om handhaving had verzocht. De rechtbank kan niet overzien in hoeveel gevallen voor de teelt van een gewas op een akker een natuurvergunning nodig is of kan zijn, maar sluit niet uit dat het gaat om heel veel gevallen. Er zijn veel akkers in de buurt van Natura 2000 gebieden en op die akkers worden wisselende gewassen geteeld met wisselende methodes en bestrijdingsmiddelen. Het toezicht op de naleving van de vergunningsplicht zal veel capaciteit kunnen vergen bij het college. Een agrariër kan er voor kiezen om een aanvraag in te dienen voor akkerbouwondersteuning in combinatie met het telen van gewassen. De Afdeling overwoog al eerder in de uitspraak van 29 mei 2019 dat de aanvraag voor een natuurvergunning voor een veehouderij niet mede het uitrijden van mest hoeft te omvatten. Dit mag wel, maar er kan ook een losse natuurvergunning worden aangevraagd. Verder is op zitting ter sprake gekomen of andere wettelijke mogelijkheden bestaan naast vergunningverlening zoals bijvoorbeeld het vaststellen van een programma met de aanwijzing van vergunningsvrije natura 2000 activiteiten. Het is aan het college om in overleg met agrariërs en natuurorganisaties en andere betrokken partijen een oplossing te vinden.





Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid in strijd met artikel 3:2 van de Awb omdat de omschrijving van het aangevraagde project niet kenbaar is gewijzigd. Het bestreden besluit en het besluit van 4 mei 2026 worden vernietigd. Omdat duidelijk is dat de aanvraag inmiddels is beperkt tot een akkerbouwondersteuningsbedrijf en de overige beroepsgronden niet slagen, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand. Dat betekent dat vergunninghoudster gebruik kan maken van haar vergunning.


6.1.
Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, moet het college het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. Zij krijgt ook een vergoeding van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting).






Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het besluit van 4 mei 2026 en het bestreden besluit;


laat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand;


bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,00 aan eiseres moet vergoeden;


veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan eiseres.








Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. K.A. Maarschalkerweerd en mr. O.Y. Ifzaren, leden, in aanwezigheid van mr. I.M.C. van Og, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026.













griffier


voorzitter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Nadien gelijkgesteld met een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming en vervolgens met een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid onder e, van de Omgevingswet. De vergunning wordt verder aangeduid als natuurvergunning.


Zie artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2025:6386.


Richtlijn 92/43/EEG


ECLI:NL:RVS:2025:1428.


ECLI:NL:RVS:2025:1428.


ECLI:NL:RVS:2023:4471.


zie bijvoorbeeld het arrest van het Europese Hof van Justitie van 11 april 2013, ECLI:EU:C:2013:220


Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2449.


De uitspraken van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4556 en ECLI:NL:RVS:2025:4529. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604.



ECLI:NL:RVS:2019:1604


artikel 4.30 van het Besluit kwaliteit leefomgeving
Link naar deze uitspraak