Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHSHE:2026:2307 
 
Datum uitspraak:26-08-2026
Datum gepubliceerd:22-10-2026
Instantie:Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zaaknummers:25/16 tot en met 25/19
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:(Navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw. Het hof oordeelt dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan en dat de inspecteur van een redelijke schatting is uitgegaan. Belanghebbende doet niet blijken dat de (navorderings)aanslagen te hoog zijn vastgesteld. Uit de vermogensopstellingen van de inspecteur volgt dat belanghebbende een substantieel negatief netto privé heeft in 2018 en 2019, hetgeen belanghebbende onvoldoende weet te verklaren. Het hof verlaagt de boetes omdat ze zijn komen vast te staan met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast en gelet op de ter zitting toegelichte persoonlijke en financiële omstandigheden van belanghebbende. Het hof verklaart slechts het beroep ten aanzien van de boetes gegrond.
Trefwoorden:belastbaar inkomen uit werk en woning
belastingrecht
inkomstenbelasting
kwekerij
verzamelinkomen
woz waarde
woz-waarde
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 25/16 tot en met 25/19


Uitspraak op het hoger beroep van




[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 26 november 2024, nummers BRE 23/3334 tot en met 23/3337 in het geding tussen belanghebbende en


de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.




1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De inspecteur heeft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2018 en een aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 opgelegd. Tevens is bij beschikking voor het jaar 2018 belastingrente in rekening gebracht en zijn bij beschikking voor beide jaren boeten opgelegd.



1.2.
Daarnaast is voor het jaar 2018 een navorderingsaanslag Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd en bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. Voor het jaar 2019 is een aanslag Zvw opgelegd.



1.3.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2019 ongegrond verklaard. Het bezwaar van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag Zvw 2018 is gegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep voor zover dit ziet op de boetebeschikkingen bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en bij de aanslag IB/PVV 2019 gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard.



1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [belanghebbende] , zijn dochter [dochter] en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .



1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.



1.8.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.





2Feiten


2.1.
Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1958. Hij woont in Nederland sinds 1979. Hij is gehuwd en woont met zijn echtgenote en drie kinderen op het adres [adres] in [woonplaats] .



2.2.
Belanghebbende ontvangt inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking van ongeveer
€ 40.000 bruto per jaar.



2.3.
Tegen belanghebbende is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Op 24 april 2019 heeft een inval plaatsgevonden door de politie in de woning van belanghebbende wegens een vermoeden van het telen van hennep. In de woning is een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met twee kweekruimtes.



2.4.
De rechtbank Oost-Brabant heeft belanghebbende op 6 maart 2020 bij vonnis veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur wegens het telen van hennep in de periode 4 tot en met 24 april 2019. Ook is belanghebbende veroordeeld tot betaling van een geldbedrag van € 8.224,45 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt. Dit bedrag is gebaseerd op één oogst waarvan belanghebbende, volgens zijn verklaring, een derde van de opbrengst heeft ontvangen.



2.5.
Op grond van het Convenant Bestuurlijke en Geïntegreerde Aanpak Georganiseerde Criminaliteit, Bestrijding Handhavingsknelpunten en Bevordering Integriteitsbeoordelingen (RIEC-convenant) zijn de gegevens en inlichtingen vanaf 1 juni 2021 gedeeld met de inspecteur.



2.6.
Belanghebbende heeft voor de jaren 2018 en 2019 aangifte IB/PVV gedaan naar een verzamelinkomen van respectievelijk € 35.694 en € 35.509.



2.7.
De inspecteur heeft bij belanghebbende een onderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van beide aangiften. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een concept controlerapport dat met dagtekening 11 april 2022 aan belanghebbende is verzonden. De inspecteur heeft daarbij aangekondigd dat hij voornemens is om (navorderings)aanslagen met boeten op te leggen. Het controlerapport vermeldt onder meer het volgende:

“2.1.3 Eerdere oogsten
Uit het onderzoek is gebleken dat er minimaal drie eerdere oogst heeft plaatsgevonden. Dit is uit de volgende indicatoren gebleken:
• Aantreffen van 257 kweekpotten met hennepplanten in kweekruimte 1;
• Aantreffen van 240 kweekpotten met hennepplanten in kweekruimte 2;
• Aantreffen van kalkaanslag op het zeil en aan de onderzijde van de plantenpotten. De hoogte van de op kalk gelijkende afzetting aan de onderzijde van de potten en op het zeil tegen de opstaande rand kwam overeen;
• Stof op koolstoffilters
De aangetroffen koolstoffilters waren in de kweekruimte bevestigd door kettingen aan het plafond. Het filterdoek van de koolstoffilters was vervuild. Bij het verplaatsen van de bevestiging bleek dat op de plaats(en) waar deze was aangebracht, het filterdoek een aanzienlijk lichtere kleur vertoonde ten opzichte van de kleur van het overige filterdoek. Het is aannemelijk dat de vervuiling van het filterdoek in de 1e kweekruimte is opgetreden nadat de koolstoffilters in de 1e kweekruimte waren bevestigd. De vervuiling van het filterdoek treedt pas na langere tijd op en wordt veroorzaakt door kleine stofdeeltjes, voornamelijk afkomstig van het droge kweekmedium waarin hennepplanten worden gekweekt. Door de sterke afzuiging van de afgewerkte lucht in de 1e kweekruimte, komen deze stofdeeltjes op het filterdoek terecht.
• Stof op voorwerpen
Er lag stof op:
de kappen van de armaturen van de assimilatielampen
- de aanwezige elektra
- het rotorblad van de ventilator
Dit wordt bevestigd in een opgemaakt proces- verbaal van de politie Oost-Brabant bekend onder nummer [nummer] . Gezien het bovenstaande concludeer ik dat er sprake is geweest van drie eerdere oogsten. De derde oogst is in beslag genomen en wordt niet in de volgende berekening meegenomen. Voor de berekening van de opbrengst verwijs ik naar hoofdstuk 6.1 Opbrengsten.”



2.8.
Het controlerapport bevat onder meer door de inspecteur opgestelde vermogensvergelijkingen voor 2018 en 2019. Hij heeft daarbij met betrekking tot bepaalde uitgaven gebruik gemaakt van de cijfers van het Nibud. De vermogensvergelijking leidt tot een netto negatief privé van € 22.891,13 voor 2018 en van € 19.955,41 voor 2019, conform onderstaande berekening.









2.9.
Uit de bankafschriften blijkt dat in 2018 € 4.980 aan contanten is gestort en in 2019
€ 6.550.



2.10.
De inspecteur heeft het verzamelinkomen voor beide jaren gecorrigeerd met € 56.031 aan belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in verband met inkomsten uit hennepteelt. Hij is daarbij uitgegaan van de gegevens van het strafrechtelijk onderzoek waaruit is gebleken dat sprake zou zijn geweest van minimaal drie oogsten. Volgens het rapport van het Functioneel Parket Afpakken bedraagt de verkoopprijs van hennep ten minste € 4.070 per kilogram. De opbrengst per oogst in kweekruimte 1 is gesteld op ten minste 7.118,9 x € 4,07 = € 28.973,92. De oogst in kweekruimte 2 is gesteld op ten minste 6.648 x € 4,07 = € 27,057,36. De totale opbrengst per oogst bedraagt € 56.031,28.



2.11.
De navorderingsaanslag IB/PVV 2018 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 91.725. Tevens is bij beschikking € 3.604 belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete van € 10.640 opgelegd.



2.12.
De inspecteur heeft een definitieve aanslag IB/PVV 2019 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 91.540. Gelijktijdig met het opleggen van de aanslag heeft de inspecteur een vergrijpboete opgelegd van € 10.626.



2.13.
Met dagtekening 16 september 2022 heeft de inspecteur een definitieve aanslag Zvw 2019 opgelegd naar een te betalen bedrag van € 800 aan Zvw. Het bijdrage-inkomen is vastgesteld op € 14.040. De inspecteur heeft daarbij rekening gehouden met een reeds eerder ingehouden bijdrage.



2.14.
Met dagtekening 17 september 2022 heeft de inspecteur een navorderingsaanslag Zvw voor 2018 opgelegd aan belanghebbende naar een te betalen bedrag van € 3.085. Het maximum bijdrage-inkomen is vastgesteld op € 54.614. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 340.



2.15.
De inspecteur heeft de door belanghebbende ingediende bezwaren tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2018, IB/PVV 2019 en Zvw 2019 ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Zvw 2018 is gegrond verklaard, omdat bij vaststelling van de navorderingsaanslag Zvw 2018 geen rekening is gehouden met het inkomen uit loondienst van belanghebbende in 2018. De navorderingsaanslag Zvw 2018 is verminderd naar € 745. De beschikking belastingrente is overeenkomstig verminderd. De inspecteur heeft de boetebeschikkingen bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.



2.16.
De rechtbank heeft de (navorderings)aanslagen 2018 en 2019 en de rentebeschikking 2018 gehandhaafd. De boetebeschikkingen zijn voor zowel 2018 als 2019 verminderd tot € 6.300.





3Geschil en conclusies van partijen


3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:


Heeft belanghebbende de vereiste aangiften IB/PVV en Zvw 2018 en 2019 gedaan?


Zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2018 en de aanslagen IB/PVV en Zvw 2019 terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld? Is sprake van een redelijke schatting door de inspecteur?


Is er sprake van schending van (enige van) de algemene beginselen van behoorlijk bestuur?


Zijn de beschikkingen vergrijpboeten, na vermindering door de rechtbank, terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld?





3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en het bevestigen van het inkomen uit werk en woning tot € 35.694 voor het jaar 2018 conform de door belanghebbende ingediende aangifte IB/PVV, en het verlagen van het inkomen uit werk en woning en tot € 35.509 voor het jaar 2019 conform de door belanghebbende ingediende aangifte IB/PVV. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.





4Gronden


Vooraf en ambtshalve



4.0.1
De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat belanghebbende de Nederlandse taal niet (voldoende) machtig is en dat hij een tolk nodig heeft. De gemachtigde van belanghebbende heeft het hof daarom verzocht de zaak aan te houden. De gemachtigde stelt dat hij het Tolk- en vertaalcentrum Nederland heeft gebeld, maar dat er geen tolk beschikbaar was.



4.0.2
Het hof heeft het verzoek om aanhouding afgewezen. Belanghebbende heeft verzuimd het hof voorafgaand aan de zitting te informeren dat er een tolk nodig is, terwijl de uitnodiging voor de zitting reeds op 16 maart 2026 aan belanghebbende is verzonden. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om tijdig zorg te dragen voor een tolk en, bij afwezigheid daarvan, het hof voorafgaande aan de zitting te informeren dat zulks niet was gelukt. Tevens heeft belanghebbende op geen enkele wijze aangetoond dat hij voldoende inspanningen heeft verricht om een tolk te vinden. Het hof heeft ter zitting voorgesteld om de dochter van belanghebbende zo nodig als tolk te laten optreden en partijen hebben daar ter zitting mee ingestemd.


Ten aanzien van het geschil



Omkering en verzwaring van de bewijslast




4.1.
Op grond van artikel 27e, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) geldt de bewijsregel omkering en verzwaring van de bewijslast indien de vereiste aangifte niet is gedaan. De vereiste aangifte is, onder andere, niet gedaan indien één of meer gebreken in de aangifte ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting, zowel in absoluut als in relatief opzicht. Bij deze beoordeling gelden de normale regels van stelplicht en bewijslast. Een afwijking van 19% dient in elk geval als verhoudingsgewijs aanzienlijk te worden beschouwd.De inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen in het geval dat de belastingplichtige ten tijde van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De bewijslast dat de vereiste aangifte niet is gedaan, rust op de inspecteur.



4.2.
De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, omdat sprake is van één of meer gebreken in de aangifte die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting, zowel in absoluut als in relatief opzicht. De inspecteur verwijst daarbij naar de opgestelde vermogensvergelijkingen waaruit volgt dat sprake is van een negatief netto privé van € 22.891,13 voor 2018 en van € 19.955,41 voor 2019. Belanghebbende heeft hier geen afdoende verklaring voor gegeven en dit bedrag is zowel relatief als absoluut substantieel, aldus de inspecteur. Ook moet belanghebbende zich ervan bewust zijn geweest dat hij, door het niet vermelden van een dergelijke inkomstenbron, te weinig belasting betaalde.



4.3.
Belanghebbende betwist de juistheid van de door de inspecteur opgestelde vermogensvergelijkingen. De contante stortingen zijn niet meegenomen (zie 2.9) en ook is onvoldoende rekening gehouden met de culturele achtergrond van belanghebbende, waardoor de Nibud-normen voor autokosten, eten & versnaperingen en kleding & schoenen ten onrechte zijn toegepast. Belanghebbende zou daarom minder hebben uitgegeven dan de Nibud-normen. Belanghebbende stelt extra inkomsten te hebben verkregen uit gokwinsten bij het casino. Ook stelt belanghebbende dat hij slechts eenmalig een bedrag van € 2.400 heeft ontvangen en niet wist of behoorde te weten dat hij dit bedrag moest aangeven in de aangifte IB/PVV. Belanghebbende is ook van mening dat de WOZ-waarde van de woning en de hypotheekschuld ten onrechte in de vermogensvergelijking zijn opgenomen.



4.4.
Het hof is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Het hof stelt voorop dat een vermogensopstelling een geschikte methode kan zijn om aannemelijk te maken dat er een niet-aangegeven andere bron van inkomen is. Indien een juist opgestelde vermogensvergelijking resulteert in een negatief netto privé, betekent dat immers dat er nog een andere bron van inkomen moet zijn die een verklaring vormt voor het ter beschikking hebben van gelden ter hoogte van het negatief netto privé.



4.5.
De inspecteur heeft de vermogensvergelijkingen uitgebreid gemotiveerd en onderbouwd. Zelfs indien de contante stortingen in de jaren 2018 en 2019 worden meegenomen, resulteren de vermogensvergelijkingen nog steeds in een negatief netto privé voor beide jaren. Wat betreft de toegepaste Nibud-normen voor bepaalde uitgaven is het hof van oordeel dat deze Nibud-normen zijn gebaseerd op een gemiddelde van de hele samenleving, waarbij al rekening is gehouden met verschillen in culturele achtergrond.



4.6.
De stelling van belanghebbende dat hij de niet uit aangegeven inkomsten verklaarbare uitgaven heeft bekostigd met gokwinsten acht het hof niet aannemelijk. Het dossier bevat weliswaar data van bezoeken aan [casino] Casino, maar belanghebbende heeft geen begin van bewijs geleverd dat hij substantiële bedragen heeft gewonnen tijdens die bezoeken. Het had op zijn weg gelegen om nader te onderbouwen, wanneer, waar en tot welke bedragen de gestelde gokwinsten zouden zijn gerealiseerd. Tussen de casinobezoekdata en de data van contante stortingen is geen temporeel verband zichtbaar. Belanghebbende heeft over de omvang van zijn gokwinsten bovendien tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Zo heeft hij tegenover de politie verklaard “ooit een keer 500 of 1000 euro [te hebben] gewonnen”, terwijl hij ter zitting bij het hof heeft verklaard tussen de € 10.000 en € 15.000 te hebben gewonnen in 2018 en 2019. De stelling van belanghebbende dat zijn verklaring aan de politie onjuist is genoteerd vanwege de afwezigheid van een tolk vindt geen steun in het dossier. Uit het dossier volgt dat deze verklaring is afgegeven in aanwezigheid van een (via een telefoonverbinding aanwezige) tolk. Vanwege de tegenstrijdigheid in deze verklaringen en het gebrek aan substantiëring ziet het hof er geen overtuigend bewijs in van de onjuistheid van de (navorderings)aanslagen.



4.7.
Wat betreft het standpunt van belanghebbende dat de WOZ-waarde van de woning en de hypotheekschuld ten onrechte in de vermogensvergelijking zijn opgenomen, volgt het hof de inspecteur in zijn standpunt dat de WOZ-waarde aan het begin en einde van een jaar gelijk is en dus geen invloed heeft op de vermogensvergelijking. De aflossing op de hypotheekschuld is volgens het hof wel relevant voor de vermogensvergelijking en voor de kaspositie van belanghebbende.



4.8.
Nu belanghebbende geen andere plausibele bron heeft aangevoerd voor het negatief netto privé en de vermogensvergelijkingen onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, acht het hof het aannemelijk dat in de jaren 2018 en 2019 sprake is van een andere bron van inkomen die niet in de aangiften IB/PVV is vermeld. Daar komt bij dat, gelet op de door het Openbaar Ministerie overgelegde bescheiden uit het strafdossier en gelet op het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 6 maart 2020 (zie 2.4), aannemelijk is dat belanghebbende betrokken is bij de teelt van hennep en de inkomsten daaruit niet in de aangiften zijn vermeld. Gelet op de hoogte van de bedragen negatief netto privé waarvoor belanghebbende geen afdoende verklaringen heeft gegeven, is het hof van oordeel dat de volgens de aangifte verschuldigde IB/PVV zowel in absolute als in relatieve zin aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde IB/PVV.



4.9.
Naar het oordeel van het hof is het een feit van algemene bekendheid dat inkomsten uit werkzaamheden in de heffing van de inkomstenbelasting worden betrokken en daarom moeten worden aangegeven in de aangifte. De aangiften van belanghebbende zijn ingediend door een boekhouder. Belanghebbende heeft tijdens het hoorgesprek met de Belastingdienst op 28 februari 2023 verklaard dat hij zijn boekhouder niet heeft geïnformeerd dat hij inkomsten uit hennepteelt heeft ontvangen. Doordat belanghebbende zijn inkomsten uit de hennepteelt niet heeft aangegeven moest belanghebbende zich ervan bewust zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.



4.10.
Dit geldt eveneens voor de Zvw. Belanghebbende heeft tegen de aanslagen Zvw geen zelfstandige gronden aangevoerd. Bij Zvw-bedragen gaat het in het algemeen
om lagere bedragen dan bij de IB/PVV als gevolg van het lagere tarief. Het hof neemt dit in aanmerking bij het oordeel dat het bedrag van de Zvw dat op basis van de aangifte niet zou zijn geheven op zichzelf beschouwd aanzienlijk is.



4.11.
Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende voor de jaren 2018 en 2019 niet de vereiste aangiften in de zin van artikel 27e, lid 1, AWR gedaan en de bewijslast is dan ook terecht omgekeerd en verzwaard.


Redelijke schatting




4.12.
De omkering en verzwaring van de bewijslast laat echter onverlet dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen dient uit te gaan van een redelijke schatting, die hij aannemelijk dient te maken om te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld. Wanneer de door de inspecteur gemaakte schatting redelijk moet worden geacht, ligt het vervolgens op de weg van belanghebbenden, wanneer zij de op basis van deze schatting vastgestelde aanslagen betwisten, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren.



4.13.
Belanghebbende stelt dat het door de inspecteur gestelde aanvullend inkomen van
€ 51.031 per jaar in geen verhouding staat tot het vastgestelde negatief netto privé. Ook stelt belanghebbende dat er geen verandering in levensstijl is geweest en dat hij zijn reguliere baan niet heeft opgezegd. Belanghebbende betoogt dat er slechts sprake is van één oogst vóór de inbeslaggenomen oogst en dat hij ook maar voor één oogst strafrechtelijk is veroordeeld. Ook stelt belanghebbende dat hij de opbrengst met niet nader aangeduide anderen heeft moeten delen.



4.14.
De inspecteur stelt dat het strafrechtelijke vonnis slechts ziet op de periode 4 april 2019 tot 24 april 2019. Uit het strafrechtelijk onderzoek volgen volgens de inspecteur concrete aanwijzingen dat er zowel in 2018 als in 2019 sprake moet zijn geweest van minimaal één oogst per jaar voordat de kwekerij op 24 april 2019 is aangetroffen door de politie. In combinatie met het negatief netto privé uit beide jaren, meent de inspecteur dat voor beide jaren van één oogst moet worden uitgegaan.



4.15.
Voor de correcties op het inkomen heeft de inspecteur aansluiting gezocht bij de berekeningen in het strafdossier. Uit het strafdossier blijkt dat de hennepkwekerij vanaf 1 oktober 2018 tot de ontruiming op 24 april 2019 actief was en er in 2018 één oogst heeft plaatsgevonden. In 2019 zouden twee oogsten zijn geweest waarvan er één door de politie in beslag is genomen. Zoals onder 2.10 vermeld is de opbrengst per oogst door de inspecteur berekend op € 56.031.



4.16.
Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur daarmee een redelijke schatting van het niet-aangegeven inkomen gemaakt. De inspecteur heeft zich gebaseerd op het aantal bij de belanghebbende aangetroffen hennepplanten en op de opbrengstervaringcijfers per hennepplant van het Functioneel Parket Afpakken. Het hof acht de berekening van de opbrengst per plant en op basis daarvan de opbrengst per oogst aannemelijk gemaakt. De inspecteur heeft verder op basis van de aangetroffen kalkaanslag, het stof op de koolstoffilters, de verkleuring van de koolstoffilterdoeken en het stof op de armatuurkappen van de assimilatielampen, de elektra en het ventilatorrotorblad (zie 2.7 hierboven) gemotiveerd gesteld dat er sprake is geweest van 3 oogsten, waarvan één in beslag is genomen. Hij heeft de opbrengst van de eerste oogst aan 2018 toegerekend en de opbrengst van de tweede aan 2019. De stelling van belanghebbende dat er slechts één oogst is geweest vóór de ontdekking van de plantage, acht het hof bij gebrek aan enigerlei onderbouwing niet aannemelijk, gegeven de genoemde in andere richting wijzende feiten en het voor beide jaren aanzienlijke negatieve privé-resultaat van de vermogensvergelijkingen. Het hof acht het evenmin onredelijk om de gehele opbrengst van de in belanghebbendes woonhuis en garage aangetroffen hennepkwekerij aan hem toe te rekenen. Zijn verklaring en die van zijn echtgenote dat tweederde van de opbrengst afgestaan zou zijn aan een niet nader door hen bepaalde groep personen zijn niet onderbouwd. Belanghebbende heeft geen duidelijkheid verschaft over de vraag wie er op welke basis medeopbrengstgerechtigd zou zijn geweest in de bij hem aangetroffen plantage.



4.17.
Het beroep van belanghebbende op het arrest van Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184, kan hem niet baten. In dit arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de aan het BOOM-rapport ontleende gegevens voldoende grondslag vormden voor de redelijke schatting. Het ligt op de weg van belanghebbende om, voor zover hij de juistheid van die gegevens of de juistheid anderszins van de schatting van de inspecteur betwist, daarvoor (tegen)bewijs te leveren op de in artikel 27e van de AWR bedoelde wijze. Niet valt in te zien waarom op basis van dit arrest de schatting van de inspecteur als onredelijk of willekeurig zou moeten worden aangemerkt.



4.18.
Uit bovenstaande volgt dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat de (navorderings)aanslagen tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld. Hetgeen belanghebbende verder heeft aangedragen, leidt niet tot een ander oordeel.


Algemene beginselen van behoorlijk bestuur




4.19.
Belanghebbende is van mening dat de inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. De inspecteur betwist dit.



4.20.
Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende verklaard op dit punt te refereren aan het standpunt van de vorige gemachtigde. Belanghebbende heeft in hoger beroep ook overigens niets aangevoerd, anders dan verwijzing naar de in eerste aanleg aangevoerde stellingen. De rechtbank heeft hierover het volgende overwogen:

“4.11. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en verwijst daarbij onder meer naar het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het fair play beginsel. Ter zitting heeft hij desgevraagd verklaard dat alles met elkaar samenhangt zodat niet alle beginselen aparte behandeling behoeven.



4.12.
De rechtbank beperkt zich daarom tot een algemene beoordeling van de strekking van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en is van oordeel dat de inspecteur niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld.



4.13.
De inspecteur is bij het opleggen van de (navorderings)aanslagen uitgegaan van
concrete gegevens zoals de gegevens van het strafrechtelijk onderzoek. Belanghebbende is
verhoord en de processen-verbaal daarvan zijn aan de inspecteur verstrekt. Ook heeft een
belastingcontrole plaatsgevonden, de bankafschriften over beide jaren zijn opgevraagd en de
inspecteur heeft een vermogensvergelijking opgesteld. De bevindingen zijn vermeld in een
controlerapport waarvan belanghebbende een afschrift heeft ontvangen en in de gelegenheid
is gesteld om daarop te reageren.
Daarnaast heeft regelmatig overleg met de advocaat van belanghebbende plaatsgevonden door middel van de e-mailverkeer waarin diverse vragen zijn beantwoord. Ook heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. De stelling van belanghebbende dat de inspecteur onvoldoende zelfstandig onderzoek heeft gedaan, volgt de rechtbank daarom niet. Daarnaast is belanghebbende ook voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen.
Met betrekking tot de hoogte van de (navorderings)aanslagen verwijst de rechtbank naar
hetgeen zij hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de redelijke schatting.
Belanghebbende heeft niets aangevoerd waaruit de conclusie kan worden getrokken dat
hierdoor sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel. Ook van
vooringenomenheid van de zijde van de inspecteur is niet gebleken. Het beroep van
belanghebbende op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur slaagt daarom niet.”

Het hof acht dit oordeel juist en op goede gronden gegeven en maakt het tot het zijne.


Boetebeschikkingen




4.21.
De inspecteur heeft bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV over de jaren 2018 en
2019 vergrijpboetes opgelegd, omdat het volgens hem aan de (voorwaardelijke) opzet van belanghebbende is te wijten dat de (navorderings)aanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld of dat anderszins te weinig belasting is geheven. De rechtbank heeft de boetes gematigd tot € 6.300 per jaar vanwege de omstandigheid dat de boetegrondslag is komen vast te staan met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast en wegens overschrijding van de redelijke termijn.



4.22.
Met de rechtbank is het hof van mening dat de omstandigheid dat de boetegrondslag is komen vast te staan met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast aanleiding is om beide boetes te matigen. Gelet op de ter zitting toegelichte persoonlijke en financiële omstandigheden van belanghebbende, waaronder zijn pensionering en matige gezondheid, ziet het hof grond om de boetes verder te matigen tot € 5.000 per jaar.


Tussenconclusie




4.23.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.


Ten aanzien van het griffierecht




4.24.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 143 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank deels wordt vernietigd.


Ten aanzien van de proceskosten




4.25.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is. Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 punten x € 934 (waarde per punt) x 1 (gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is € 2.802.





5Beslissing

Het hof:


verklaart het hoger beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak van de rechtbank maar alleen voor de beslissingen over de boetebeschikkingen opgelegd bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2018 en 2019;


vernietigt de uitspraak op bezwaar maar alleen voor de boetebeschikkingen opgelegd bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2018 en 2019;


vermindert de boete opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 tot € 5.000;


vermindert de boete opgelegd bij de aanslag IB/PVV 2019 tot € 5.000;


bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 143 aan belanghebbende moet


vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 2.802.

De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, B.J. Rubbens en P.J. Wattel, in tegenwoordigheid van V.J. Weekers, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

V.J. Weekers J. Wessels


Het aanwenden van een rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.


(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;


Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:




de naam en het adres van de indiener;


de dagtekening;


een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


e gronden van het beroep in cassatie.


Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.



Het totaal van het reeds door belanghebbende op aangifte vermelde bedrag van € 35.694 en het door de inspecteur gestelde resultaat van € 56.031,28.


In het controlerapport staat € 91.810. Het hof gaat ervan uit dat dit een verschrijving is.


Het totaal van het reeds door belanghebbende op aangifte vermelde bedrag van € 35.509 en het door de inspecteur gestelde resultaat van € 56.031,28.


Art. 27h, lid 2 AWR bepaalt dat deze bewijsregel ook geldt in hoger beroep.


Hoge Raad 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8731, r.o. 4.2.


Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083, r.o. 2.3.3.


Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, r.o. 3.3.2


Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, r.o. 3.3.2.


O.a. Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401, r.o. 3.2.


1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht
Link naar deze uitspraak