Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:7488 
 
Datum uitspraak:22-10-2026
Datum gepubliceerd:22-10-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:C/01/426497 / KG ZA 26-16 C/01/426497 / KG ZA 26-16
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Collectieve actie boerenorganisaties wegens onrechtmatige regelgeving (Omgevingsverordening m.b.t. stikstof reducerende maatregelen; aanpassen verouderde huisvestingsystemen) Strijd met rechtszekerheidsbeginsel; Eind januari 2027 zal naar verwachting duidelijkheid bestaan over landelijk randvoorwaarden stikstofbeleid; daarom veroordeling provincie om zich tot en met 1 februari 2027 te onthouden van handhavingsmaatregelen die zijn gegrond op artikel 3.98 Omgevingsverordening. Andere eisende partijen niet ontvankelijk wegens niet voldaan aan overlegvereiste.
Trefwoorden:agrarisch
ammoniakemissie
biologisch
landbouw
melkveehouderij
melkveehouders
natuur- en landschapsbeheer
natuurbeschermingswet
omgevingsvergunning
rundvee
stallen
stikstofdepositie
subsidies
veehouderij
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/426497 / KG ZA 26-160


Vonnis in kort geding van 22 oktober 2026


in de zaak van




1STICHTING STIKSTOF CLAIM,
te Lelystad,2. NEDERLANDSE MELKVEEHOUDERS VAKBOND,
te Putten,3. STICHTING AGRACTIE NEDERLAND,
te Ede,4. NEDERLANDSE VAKBOND PLUIMVEEHOUDERS,
te Barneveld,5. DUTCH DAIRYMEN BOARD,
te Slagharen,6. [eiser 6],
te [plaats ] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: SSC c.s.,
advocaten: mr. A.C. Hoogmoed, mr. R.P. van den Broek en mr. I. Gerritsen,

tegen


PROVINCIE NOORD-BRABANT,
te 's-Hertogenbosch,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de provincie,
advocaten: mr. M.J.W. Timmer en mr. R.D. Reinders.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 juni 2026 met 30 producties- de conclusie van antwoord met 3 producties.



1.2.
De mondelinge behandeling op 23 juni 2026, waar de zaak gezamenlijk is behandeld met de zaak KG ZA 26-179, door SSC c.s. en de provincie pleitnota’s zijn overgelegd en door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Het kort geding is ter zitting aangehouden in afwachting van de aangekondigde presentatie door het kabinet van het maatregelenpakket voor landbouw, natuur en stikstof op 26 juni 2026.



1.3.
Bij brief van 3 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter aan partijen medegedeeld dat het maatregelenpakket van het kabinet naar het oordeel van de voorzieningenrechter relevant kan zijn voor de beoordeling van de ingestelde vorderingen en dat daarom een voortzetting van het kort geding zal worden bepaald. De voorzieningenrechter heeft partijen daarbij verzocht om in te gaan op de vraag in hoeverre de Brabantse aanpak aansluit op het aangekondigde kabinetsbeleid op een aantal nader in de brief van 3 juli 2026 genoemde onderdelen. Daarnaast is de provincie verzocht om een actueel overzicht te geven van het aantal ontvangen meldingen en de wijze waarop deze zijn afgehandeld.



1.4.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de nadere akte van SSC c.s. van 21 september 2026
- de nadere akte van de provincie van 21 september 2026
- de akte van SSC c.s. van 23 september 2026 met aanvullende productie 31
- de voortgezette mondelinge behandeling op 24 september 2026, waarbij de zaak gezamenlijk is behandeld met KG ZA 26-179 en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van SSC c.s.- de pleitnota van de provincie.



1.5.
Tenslotte is vonnis bepaald op vandaag.





2De feiten


2.1.
SSC is in 2019 opgericht en heeft blijkens haar statutaire doelstellingen (artikel 3) als doel:
“a. het behartigen van belangen van de belanghebbenden op het gebied van de Milieumaatregelen en de gevolgen daarvan;

b. het behartigen van de belangen van agrariërs.”




2.2.
De NMV is opgericht in 1996 en behartigt de belangen van melkveehouders.



2.3.
Agractie is in 2019 opgericht om de belangen van de agrarische sector te
behartigen.



2.4.
De NVP is opgericht in 2004 en heeft als doel het behartigen van de belangen van pluimveehouders.



2.5.
De DDB is opgericht in 2006 en heeft blijkens haar statutaire doelstellingen (artikel 2) als doel:
“Een goede melkprijs te behalen voor het betreffende lid”



2.6.
Op grond van de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn heeft de Nederlandse Staat in Nederland 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. In de aanwijzingsbesluiten is per gebied vastgelegd wat de beschermde habitattypen en/of (vogel)soorten zijn. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd.



2.7.
Het doel van de Europese richtlijnen is om bij te dragen aan het waarborgen van de biologische diversiteit en om daartoe de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen.



2.8.
In Noord-Brabant zijn 17 van de 21 aangewezen Natura 2000-gebieden overbelast door stikstofverbindingen. Dit betekent dat er meer stikstofverbindingen (stikstof) neerslaan op de stikstofgevoelige arealen dan de natuur aan kan.



2.9.
Begin 2023 zijn in Noord-Brabant de natuurdoelanalyses (NDA's) afgerond. Uit de NDA's blijkt dat voor een groot aantal stikstofgevoelige habitats sprake is van verslechtering of van dreigende verslechtering. Overbelasting door stikstofdepositie is daarvan de oorzaak of één van de bepalende oorzaken.



2.10.
De verplichting om maatregelen te nemen in geval van (dreigende) verslechtering, volgt uit de Habitatrichtlijn. Artikel 6 lid 2 Habitatrichtlijn bepaalt:

"De Lid-Staten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben."




2.11.
Tot 2017 waren de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998 en tot 1 januari 2024 in de Wet natuurbescherming. Sinds 1 januari 2024 zijn de verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn opgenomen in de Omgevingswet.



2.12.
In de Omgevingswet is voorzien in resultaatsverplichtende omgevingswaarden (stikstofdoelen) en in het opstellen van een programma voor stikstofreductie en natuurverbetering, waarbij monitoring en zo nodig bijsturing plaatsvindt.



2.13.
De resultaatverplichtende omgevingswaarden (hierna ook wel: wettelijke stikstofdoelen) houden in dat iedere vijf jaar een toenemend deel van het areaal van de voor stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden onder de toepasselijke KDW moet zijn gebracht. In artikel 2.15a Omgevingswet is daartoe het volgende opgenomen:


“
Artikel 2.15a. (omgevingswaarden stikstofdepositie)


1. Het percentage van het areaal van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden waarop de depositie van stikstof niet groter is dan de hoeveelheid in mol per hectare per jaar waarboven verslechtering van de kwaliteit van die habitats niet op voorhand is uit te sluiten, bedraagt:


a.in 2025: ten minste 40%;


b.in 2030: ten minste 50%;


c.in 2035: ten minste 74%.


2. De in het eerste lid bedoelde omgevingswaarden zijn resultaatsverplichtingen.


3. In ieder geval in 2028 wordt bezien of met het programma kan worden voldaan aan de omgevingswaarde voor 2035.


4. Uiterlijk in 2033 en vervolgens steeds uiterlijk twee jaar voor het verstrijken van de termijn waarbinnen aan de omgevingswaarde, bedoeld in het eerste lid, onder c, moet zijn voldaan, dient de regering een voorstel van wet in tot wijziging van het eerste lid ten behoeve van de vaststelling van de omgevingswaarde voor de volgende periode, zodat de depositie op termijn wordt verminderd tot een niveau dat nodig is voor een gunstige staat van instandhouding van de betrokken natuurlijke habitats en soorten op landelijk niveau.(…)”




2.14.
In artikel 2.18 lid 1 en onder g van de Omgevingswet is bepaald dat het de taak van het provinciebestuur is om 1.) dier- en plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen, van hun biotopen en habitats, en van in Nederland voorkomende typen natuurlijke habitats, in overeenstemming met de internationaalrechtelijke verplichtingen te behouden en te herstellen, en 2.) zorg te dragen voor het treffen van maatregelen voor onder andere Natura 2000-gebieden in overeenstemming met de Vogel- en Habitatrichtlijn. Dit is uitgewerkt in afdeling 3.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Hierin is de verplichting om maatregelen voor behoud of herstel van habitats en soorten te nemen en instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen te nemen in het geval van (dreigende) verslechtering neergelegd bij het provinciebestuur (art. 3.57 en 3.59 BKL). De minister heeft voor de te treffen maatregelen een aanwijzingsbevoegdheid (art. 3.62 BKL).



2.15.
De provincie werkt aan de reductie van stikstofemissies door de uitvoering van de Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof (BOS). De BOS 2.0, vastgesteld op 2 december 2024, bevat een pakket aan maatregelen om de stikstofuitstoot- en neerslag in de provincie te verminderen. Een van de belangrijke maatregelen is het stellen van ammoniakemissie-eisen voor veehouderijen in de Omgevingsverordening.



2.16.
In artikel 3.98 en de bijbehorende Bijlage VI van die verordening zijn emissiereductie-eisen voor huisvestingssystemen en een menukaart van reducerende maatregelen (waaronder het aanpassen van verouderde huisvestingssystemen) opgenomen. Op 31 december 2025 is een wijziging van artikel 3.98 Omgevingsverordening in werking getreden, waarna artikel 3.98 luidt als volgt:


Artikel 3.98 Maatwerkregel verminderen ammoniakemissie veehouderij


1. Vanwege de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden is het vanaf 1 juli 2026 op iedere veehouderij verplicht maatregelen te treffen als bedoeld in artikel 3.59 Besluit kwaliteit leefomgeving die ammoniakemissies verminderen zodat:
a. alle huisvestingssystemen die op een veehouderijlocatie worden toegepast of in werking zijn gemiddeld voldoen aan Bijlage VI, waarbij een huisvestingssysteem dat niet in bijlage Vl is opgenomen en waarvan de vrijwaringstermijn niet is verstreken, buiten beschouwing blijft: of,
b. ieder huisvestingssysteem dat op een veehouderij wordt toegepast of in werking is voldoet aan Bijlage VI behoudens een huisvestingssysteem waarvan de vrijwaringstermijn niet is verstreken.

(…)

3 Het is verboden de maatregel, bedoeld in het eerste lid, te verrichten zonder hiervoor een melding te doen als bedoeld in artikel 3.4.
4. De vrijwaringtermijn, bedoeld in het eerste lid, wordt gerekend vanaf het moment van onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of het doen van een melding ingevolge het besluit activiteiten leefomgeving, en betreft

a. 20 jaar voor de hoofdcategorie rundvee uit bijlage V van de Omgevingsregeling;


b. 15 jaar voor alle andere diercategorieën uit bijlage V van de Omgevingsregeling.

5. Bij de toepassing van het eerste lid is het niet toegestaan dat:

a. de diercategorie wordt gewijzigd of het aantal dieren toeneemt dat mag worden gehouden binnen de feitelijk gerealiseerde capaciteit op grond van de natuurtoestemming of de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit respectievelijk de melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, die gelden op het moment van indienen van de melding, bedoeld in het derde lid, toeneemt:


b. een huisvestingssysteem wordt toegepast met een lagere emissiereductie dan ten tijde van het verlenen van de natuurtoestemming was opgenomen in de Omgevingsregeling of een voorganger daarvan.


(…).




2.17.
Op grond van Omgevingsverordening moeten veehouderijen vanaf 1 juli 2026 ammoniakemissie verminderende maatregelen hebben getroffen zoals beschreven in bijlage VI. De wijze waarop een veehouderij voldoet aan de normen uit bijlage VI wordt op basis van een melding vastgelegd in een maatwerkbesluit. In het geval dat de veehouderij beschikt over een natuurvergunning, wordt het maatwerkbesluit via een wijziging van de vergunningvoorschriften opgenomen.
In het geval een veehouder gebruik wil maken van een gelijkwaardige maatregel die niet is opgenomen in de 'menukaart', waarmee wel aan de emissienormen kan worden voldaan, bestaat daartoe de mogelijkheid over de band van een verzoek om toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.8 van de Omgevingsverordening.



2.18.
Uit de toelichting op de wijziging van de Omgevingsverordening volgt dat (materieel) de kern van de wijziging is dat "het aanpassen van verouderde huisvestingssystemen” in alle gevallen gepaard moet gaan met verminderen van de ammoniakemissie uit dierenverblijven. Daarmee zorgen de ammoniakemissie-eisen voor veehouderijen voor een substantiële reductie van stikstofemissie en -depositie op Natura 2000-gebieden en zijn gericht op het tegengaan van verslechtering en het halen
van de natuurdoelen.



2.19.
Op 26 juni 2026 heeft het kabinet een maatregelenpakket voor landbouw, natuur en stikstof gepresenteerd. Het maatregelenpakket bestaat uit generieke maatregelen, een gebiedsgerichte inzet, maatwerk waarmee wordt ingespeeld op kenmerken van een gebied, en natuurherstel. De gebiedsgerichte inzet ziet op zones rond kwetsbare, overbelaste Natura 2000-gebieden waar aanvullende maatregelen worden getroffen die zich richten op meerdere drukfactoren (stikstof, hydrologie, gewasbeschermingsmiddelen en versnippering) en waarmee de natuur de kans krijgt zich te herstellen. Hierbij is maatwerk mogelijk voortkomend uit gebiedsprocessen.
Het aangekondigde maatregelenpakket voorziet ook in de invoering van een juridisch houdbare en wetenschappelijk onderbouwde rekenkundige ondergrens voor stikstofberekeningen, met een bijbehorend geborgd pakket met aanvullende specifieke beheersmaatregelen.



2.20.
Het kabinet wil met dit maatregelenpakket de vergunningverlening lostrekken en heeft de volgende stappen aangekondigd:
- In oktober 2026 dient het kabinet een spoedwet in met een programma van maatregelen waarmee handhavings- en intrekkingsverzoeken kunnen worden voorkomen.
- In januari 2027 komt het kabinet met instructieregels met voorschriften die gaan gelden in de zoneringsgebieden en komt er structureel geld vrij voor natuurbeheer. Deze stappen zijn van belang voor het stoppen van verslechtering van de natuur.
- Zo snel mogelijk, en uiterlijk in het vierde kwartaal van 2027, wil het kabinet een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens invoeren waarmee overal activiteiten met kleine deposities mogelijk worden.De provincies kunnen per direct per gebied starten met het opstellen van een plan waarmee zij additionaliteit kunnen onderbouwen. Als wordt aangetoond dat de natuur niet verslechtert en behoud wordt geborgd, kan - bij deze gebieden - intern en extern worden gesaldeerd en komt vergunningverlening los.



2.21.
Op 11 september 2026 heeft de minister naar aanleiding van de reflectie van het Planbureau voor de leefomgeving (PBL) en de landsadvocaat de Tweede Kamer nader bericht. Daarin zijn met betrekking tot de gebiedsgerichte aanpak (de zonering) en de financiering de volgende passages voor dit kort geding van belang:
m.b.t. de zonering

“Het PBL geeft in de uitwerking van zonering een belangrijk aandachtspunt mee, waarvoor het PBL verwijst naar de Landbouw- en Natuurverkenning (2025). Daarin werd geconcludeerd dat voor het landelijk behalen van de natuur-, milieu en waterdoelen in de zones rondom Natura 2000-gebieden zeer grote aanpassingen nodig zijn waarbij het landbouwkundig grondgebruik veel extensiever zal moeten zijn dan gemiddeld ‘biologisch’. Een verdienmodel gebaseerd op landbouwproductie is daar volgens het PBL dan niet altijd realistisch en dit kan inhouden dat er in die gebieden naar andere verdienmodellen of functies moet worden toegewerkt, zoals natuur- en landschapsbeheer. Het uitgangspunt van het kabinet is dat boeren rond Natura 2000-gebieden een volwaardige extensieve vorm van landbouw kunnen bedrijven. Het kabinet heeft er vertrouwen in dat met de concretere vormgeving van dit pakket en het bekend maken van de maatregelen in de zone stevig wordt bijgedragen aan de opgave. Daarnaast wordt via het faciliterend pakket ingezet op vrijwillig verdergaande extensivering richting natuurinclusief, bijvoorbeeld via het Agrarisch Natuurbeheer (ANB) en de extra middelen waar ik boeren voor deze verdergaande inspanningen wil belonen. Boeren rond Natura 2000-gebieden en in kwetsbare watergebieden moeten zoveel als kan mogelijkheden geboden krijgen om verder te boeren en een inkomen te hebben op een manier die past bij de opgaven in deze gebieden. Het kabinet werkt verschillende regelingen, ondersteuning en faciliterende maatregelen uit om boeren in de zone meerdere transitiepaden te kunnen bieden. Dat kan bijvoorbeeld door het verbreden van een bedrijfsmodel (denk hierbij aan een zorgboerderij, voedselbos, of kleinschalig wonen op boerenbedrijven); het biologisch laten certificeren van het bedrijf, waarbij er vanuit de overheid wordt gewerkt aan voldoende vraagprikkel voor een groeiend biologisch aanbod; het kiezen voor aan ander bedrijfsmodel dat past bij de regels in de zone. Denk hierbij aan natuurinclusieve landbouw, kringlooplandbouw, biodynamische landbouw, regeneratieve landbouw, agroforestry, permacultuur of precisielandbouw; het aanpassen van de bedrijfsvoering met een nadruk op (zwaar) agrarisch natuurbeheer met langjarige beheercontracten; inzet op lokale marktinitiatieven, zoals korte ketens & boer-naar-bord. Dit is geen limitatieve opsomming; de ondernemer maakt (ook als onderdeel van het gebiedsproces) zijn eigen bedrijfseconomische keuzes.”


m.b.t. de financiering

“Het kabinet is zich bewust van de gevolgen die dit maatregelpakket kan hebben voor individuele ondernemers. Om die reden stelt het kabinet een groot deel van het beschikbare budget van €20 miljard beschikbaar voor ondersteuning op het boerenerf. Het kabinet zal de aankomende tijd het ondersteunende pakket verder uitbouwen en versterken en focust daarbij op verschillende ontwikkelrichtingen. Het gaat bijvoorbeeld om vergoedingen voor het aanpassen van stallen, waarbij verschillende instrumenten worden verkend waaronder subsidies, fiscale instrumenten en instrumenten gericht op financiering.


Via de nieuwe Stimuleringsregelingen Managementmaatregelen Veehouderij voor emissiereductie (SMV) worden boeren ondersteund in het nemen van managementmaatregelen. Voor bedrijven in de zones wordt een fors budget beschikbaar gesteld om hen te ondersteunen richting bijvoorbeeld een extensiever bedrijfsmodel dat past binnen de zone. Buiten de zone geldt dat intensivering in de melkveehouderij wordt begrensd door de norm voor grondgebondenheid. Voor bedrijven geldt dat – bij een verbeter toestemmingsklimaat en indien dit mogelijk is binnen de normerende maatregelen - schaalvergroting kan helpen om tot een passend verdienmodel te komen.


Op basis van de normen die worden gesteld en de beschikbare ondersteuning zullen ondernemers een complexe afweging moeten maken over de toekomst van hun bedrijf. Voor sommige bedrijven zullen neveninkomsten belangrijk gaan worden. Onvermijdelijk zullen er ook bedrijven zijn die zullen besluiten hun agrarische bedrijf te beëindigingen. Als innoveren, extensiveren, omschakelen of verplaatsen geen uitkomst biedt, is er ook ondersteuning voor het beëindigen van een bedrijf.


Om goed in beeld te krijgen hoe de stapeling van opgaven in combinatie met het ondersteunende pakket bedrijfseconomisch uitpakt, heeft het kabinet de WUR gevraagd om een sociaaleconomisch reflectie te geven op het maatregelpakket. De inzichten die de WUR aanlevert zullen we betrekken in de uitwerking van het flankerend en ondersteunend beleid. De reflectie moet het kabinet helpen bij de wijze waarop de ondersteuning voor agrarische ondernemers het best ingericht kan worden. De sociaaleconomische reflectie door de WUR ontvangt u voor de begrotingsbehandeling van LVVN. Dit najaar ontvangt u ook het overzicht van ondersteunende maatregelen, zoals is toegezegd aan de Tweede Kamer tijdens het debat op 1 juli.”




2.22.
De provincie heeft inmiddels 1.550 meldingen ontvangen op grond van het op 31 december 2025 gewijzigde artikel 3.98 Omgevingsverordening. Van de ingediende meldingen zijn er inmiddels 290 meldingen afgehandeld, waarvan 21 meldingen zijn geaccepteerd.





3Het geschil


3.1.
SSC c.s. vorderen - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

primair:

De maatwerkregel inzake het verminderen van ammoniakemissie voor veehouderijen,
zoals neergelegd in artikel 3.98 van de Omgevingsverordening, buiten werking te stellen,
althans de uitvoering daarvan te staken en gestaakt te houden tot het moment dat een
passend en juridisch houdbare maatwerkregel kan worden gerealiseerd,

subsidiair:

De maatwerkregel inzake het verminderen van ammoniakemissie voor veehouderijen,
zoals neergelegd in artikel 3.98 van de Omgevingsverordening, jegens SSC c.s. buiten werking te stellen, althans de uitvoering daarvan jegens SSC c.s. te staken en gestaakt te houden tot het moment dat een passend en juridisch houdbare maatwerkregel kan worden gerealiseerd,

meer subsidiair:

De maatwerkregel(s) inzake het verminderen van ammoniakemissie voor veehouderijen,
zoals neergelegd in artikel 3.98 van de Omgevingsverordening op te doen schorten tot
het moment dat er zekerheid bestaat dat de (verplichte) stalsystemen zonder redelijke
wetenschappelijke twijfel ter zake het emissiereductiepercentage kunnen worden
gerealiseerd en daardoor passend zouden kunnen worden beoordeeld,

meest subsidiair:

een of meer zodanige voorlopige voorzieningen te treffen die de voorzieningenrechter
geraden acht;

primair, subsidiair en meer subsidiair:

- de provincie te veroordelen tot betaling van een dwangsom voor elke overtreding c.q. niet nakoming van de veroordeling, te vermeerderen met een dwangsom voor iedere dag, een gedeelte van de dag hieronder begrepen, dat deze overtreding c.q. niet nakoming voortduurt;
- de provincie te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de
nakosten en de wettelijke rente.



3.2.
SSC c.s. leggen aan de vorderingen ten grondslag dat artikel 3:98 Omgevingsverordening onmiskenbaar onverbindend is. Artikel 3.98 e.v. Omgevingsverordening verplichten veehouders om uiterlijk 2 juni 2026 een melding in te dienen en uiterlijk 1 juli 2026 te voldoen aan de Omgevingsverordening door doorvoering van de reductiemaatregelen. Het is echter feitelijk voor veehouders onmogelijk om aan deze verplichtingen te voldoen. De in de Omgevingsverordening voorgeschreven stalsystemen vergen een enorme investering van veehouders en het is maar de vraag of zij hiervoor een financiering kunnen verkrijgen. De Nederlandse Vereniging van Banken heeft laten weten dat zij de risico’s te hoog vinden om de nieuwe stallen te financieren. Op voorhand is onmiskenbaar dat de meldingensystematiek juridisch onhoudbaar is en zal leiden tot vernietiging van individuele maatwerkbesluiten en besluiten tot wijziging van vergunningvoorschriften van bestaande natuurvergunningen. Gelet hierop grijpt artikel 3.98 Omgevingsverordening op een met artikel 1 Eerste Protocol EVRM (hierna: artikel 1 EP) strijdige wijze in in het eigendomsrecht van de veehouders en is daardoor onrechtmatig.
Daarnaast is artikel 3:98 Omgevingsverordening in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. SSC c.s. betwisten verder dat het nemen van preventieve maatregelen voor veehouders daadwerkelijk nodig is. Zo volgt uit een statenmelding van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 4 november 2025, dat er sinds 2022 een daling te zien is in de stikstofemissie op Brabantse Natura 2000-gebieden en dat de stikstofemissie de komende jaren juist verder zal gaan afnemen. Om deze reden bestaat er volgens SSC c.s. dan ook geen noodzaak voor het nemen van preventieve maatregelen zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Nu de veehouders per 1 juli 2026 dienen te voldoen aan de bepalingen uit de Omgevingsverordening hebben SSC c.s. een spoedeisend belang bij de door hen ingediende vorderingen.



3.3.
De provincie voert verweer.





4De beoordeling


ontvankelijkheid



4.1.
Dit kort geding is een artikel 3:305a BW procedure. SSC, NMV, Agractie, NVP en DDB komen immers niet op voor hun eigen belang, maar voor de belangen die zij stellen te behartigen voor haar achterban. Dit betekent dat niet tevens individuele leden van SSC c.s. (zoals in dit geval [eiser 6] ) aan de procedure kunnen deelnemen. Van SSC c.s. mag immers worden verwacht dat zij óók al opkomt voor de belangen van [eiser 6] , die bovendien geen eigen vorderingen heeft ingesteld, álle vorderingen zien op het volledig buiten werking stellen van artikel 3.98 Omgevingsverordening, geen enkele vordering gaat over (bijvoorbeeld) het alleen van toepassing laten van de bepaling jegens [eiser 6] . Alleen in dat laatste geval zou denkbaar zijn dat [eiser 6] ook nog een zelfstandige rol in deze procedure zou kunnen spelen. Nu hij dat echter niet doet, moet hij niet-ontvankelijk worden verklaard.



4.2.
De provincie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat SSC c.s. niet voldoen aan de vereisten van artikel 3:305a, lid 2 BW om als ontvankelijke belangenbehartiger in rechte op te treden. Dit verweer faalt. Met SSC c.s. is de voorzieningenrechter van oordeel dat zij een beroep kunnen doen op de uitzondering van artikel 3:305a lid 6 BW. Op grond van die bepaling hoeft niet te worden voldaan aan de vereisten van artikel 3:305a lid 2 en lid 5 BW, wanneer de rechtsvordering wordt ingesteld met een ideëel doel en een zeer beperkt financieel belang of wanneer de aard van de vordering van de rechtspersoon als bedoeld in lid 1 of van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, daartoe aanleiding geeft. Gelet op de aard van de rechtsvorderingen van SSC c.s., die er in de kern toe strekken artikel 98 Omgevingsverordening buiten werking te stellen en niet strekken tot schadevergoeding, kan SSC een beroep doen op de uitzondering van lid 6. Het kort geding van SSC c.s. houdt verband met de manier waarop de provincie invulling geeft aan het behalen van natuurdoelen en het voldoen aan de verplichtingen uit onder meer de Habitatrichtlijn, maar ook met de toepassing van artikel 1 EP van het EVRM. Ook hieruit kan worden afgeleid dat met de volledige procedure een maatschappelijk belang gemoeid is, zodat toepassing moet worden gegeven aan het lichte ontvankelijkheidsregime.



4.3.
Het voorgaande laat onverlet dat SSC moet voldoen aan de vereisten van 3:305a lid 3 BW. Ten aanzien van deze vereisten is terecht niet in geschil dat SSC daaraan voldoet. SSC heeft verklaard dat haar bestuurders geen winstoogmerk hebben en ook in de statuten van SSC vindt de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor het aannemen van een dergelijk winstoogmerk. Daarnaast hebben de vorderingen van SCC voldoende band met de Nederlandse rechtssfeer. Ook is, anders dan de provincie stelt, voldaan aan de overlegverplichting, omdat SSC met de brief van 27 april 2026 de provincie in de gelegenheid heeft gesteld om vrijwillig aan het in dit geding gevorderde te voldoen.



4.4.
Uit het voorgaande volgt dat SSC in haar vorderingen kan worden ontvangen. Dat geldt echter niet voor NMV, Agractie, NVP en DDB. Nog daargelaten of zij voldoen aan de overige vereisten van artikel 3:305a, lid 3 BW, heeft de provincie onweersproken gesteld dat zij van deze partijen voorafgaand aan het kort geding niets heeft vernomen, zodat van enige poging tot overleg vanuit NMV, Agractie, NVP en DDB geen sprake is geweest. De uitzondering van artikel 3:305a lid 6 BW kan niet worden toegepast om dit gebrek te zuiveren. Nu daarmee niet is voldaan aan het vereiste van artikel 3: 305a lid 3 sub c BW, zullen NMV, Agractie, NVP en DdB niet ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen.


bevoegdheid




4.5.
SSC dient in haar vorderingen te worden ontvangen. Deze procedure heeft betrekking op de vraag of artikel 3.98 e.v. Omgevingsverordening onrechtmatig in strijd is met artikel 1 EP en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en derhalve buiten toepassing moet worden verklaard, omdat de regeling jegens veehouders onrechtmatig is. Voor de beantwoording van die vraag is bij uitstek de civiele rechter bevoegd. In dat kader is van belang dat op grond van artikel 8:3 Awb is bepaald dat geen beroep en bezwaar (op grond van artikel 7:1 Awb), bij de bestuursrechter kan worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een algemeen verbindend voorschrift.


spoedeisend belang




4.6.
De provincie heeft op 30 december 2025 de Omgevingsverordening aangepast. Op grond van artikel 3.98 Omgevingsverordening moeten veehouderijen met verouderde stalsystemen per 2 juni 2026 voldoen aan een meldingsplicht. Daarbij moet een keuze worden gemaakt welke maatregelen zij gaan treffen, zoals omschreven op de menukaart van bijlage VI van de Omgevingsverordening. Per 1 juli 2026 moet aan de gemelde keuze ook daadwerkelijk uitvoering worden gegeven. Nu SSC van mening zijn dat de veehouderijen niet kunnen worden verplicht om per 1 juli 2026 te voldoen aan deze vereisten en de veehouderijen, als zij niet op 1 juli 2026 voldoen, het risico lopen dat de provincie handhavend optreedt, is het spoedeisend belang bij de vorderingen gegeven.


context




4.7.
Nederland kampt al enige jaren met een grote uitdaging op het gebied van stikstof en depositie van stikstof in beschermde Natura-2000 gebieden. In artikel 2.15a, eerste lid, van de Omgevingswet zijn wettelijke stikstofdoelen vastgesteld, die erop gericht zijn vóór bepaalde jaartallen (2025, 2030 en 2035) een bepaald percentage van de oppervlakte van de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden onder de KDW te brengen. Vóór 2025 dient tenminste 40 % onder de KDW te zijn gebracht; vóór 2030 ten minste 50 % en vóór 2035 tenminste 74 %.



4.8.
De in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerde verplichtingen uit de Habitatrichtlijn richten zich direct tot de lidstaten en dus ook (en vooral) tot de Staat. De provincie is daarbij verantwoordelijk voor de uitvoering van de vereiste maatregelen waarbij de minister (eind)verantwoordelijkheid heeft voor het nakomen van deze verplichtingen. Die (eind)verantwoordelijkheid ligt besloten in de verplichtingen en bevoegdheden die de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving aan de Minister van LVVN hebben toegekend inzake de monitoring en de bijsturing van de uitvoering door decentrale overheden van het programma stikstofreductie en natuurverbetering (zie r.o. 2.10).



4.9.
De rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 22 januari 2025 - onder meer - geoordeeld dat de Staat door de wettelijke stikstofdoelen voor 2025 niet te halen en door, met de huidige ontoereikende maatregelen, het stikstofdoel voor 2030 zeer waarschijnlijk niet te halen, onrechtmatig handelt jegens Greenpeace. De rechtbank heeft in het vonnis geoordeeld dat de maatregelen die onder het vorige kabinet zijn vastgesteld, ruim onvoldoende zijn om de wettelijke doelen voor 2025 en 2030 te behalen.



4.10.
Het is te prijzen is dat de provincie, daar waar passende maatregelen op landelijk niveau om de gestelde stikstofdoelen te halen de afgelopen jaren uitbleven, voor de eigen regio de verantwoordelijkheid heeft genomen met de vastgestelde BOS aanpak, om zo een bijdrage te leveren aan de wettelijk vastgestelde stikstofdoelstellingen.



4.11.
Inmiddels heeft het kabinet op 26 juni 2026 het eerdergenoemde maatregelenpakket voor landbouw, natuur en stikstof gepresenteerd, waarvoor voldoende politiek draagvlak aanwezig lijkt te zijn.
Op het landelijke en het provinciale bestuur rust nu de taak om bij de uitwerking van het maatregelenpakket te komen met een samenhangend en op elkaar afgestemd stikstof-beleid dat recht doet aan alle betrokken belangen.


beoordeling van de vorderingen




4.12.
Hoewel aan SSC kan worden toegegeven dat de depositie op de Brabantse Natura 2000-gebieden niet alleen wordt veroorzaakt door de veehouderij maar ook door andere sectoren in het bedrijfsleven, het buitenland en het verkeer, staat deze omstandigheid, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, niet in de weg aan de door de provincie gestelde noodzaak om ten aanzien van de veehouderij aangescherpte maatregelen te nemen. Uit de BOS 2.0 waarin ook de depositie van Brabantse veehouderijen op de Natura 2000-gebieden in en nabij Noord-Brabant in kaart is gebracht, volgt dat de totale emissie uit stallen van Brabantse veehouderijen weliswaar verschilt per Natura 2000-gebied, maar dat de Brabantse veehouderijen in belangrijke mate bijdragen aan de berekende totale depositie op de Natura 2000-gebieden in en nabij Noord-Brabant.



4.13.
Ook de stelling van SSC dat er sinds 2022 een daling te zien is in de stikstofemissie op Brabantse Natura 2000-gebieden, betekent niet dat er geen noodzaak bestaat om aanvullende maatregelen te nemen. Uit de NDA's (r.o. 2.9.) en uit de rechtspraak volgt dat een substantiële, aanvullende daling van stikstofdepositie nodig is om (dreigende) verslechtering te voorkomen en op termijn aan de instandhoudingsdoelstellingen te voldoen. Gezien het aandeel van stalemissies in de totale ammoniakemissie, is een reductie van stalemissies noodzakelijk voor het beheer van de Brabantse Natura 2000-gebieden.



4.14.
Met de in de artikel 3.98 Omgevingsverordening neergelegde aanscherping van de emissiereducerende maatregelen streeft de provincie er naar meer zekerheid te creëren dat de instandhoudingsdoelstellingen worden gehaald. De provincie heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat sprake is van een beheer- of instandhoudingsmaatregel en dat (daarom) geen natuurvergunning is vereist.



4.15.
De Omgevingsverordening betreft wetgeving in materiële zin. Volgens vaste rechtspraak dient de rechter in kort geding bij een vordering om dergelijke wetgeving buiten toepassing te verklaren strikte terughoudendheid te betrachten. Voor toewijzing van die vordering is slechts plaats indien de wettelijke regeling onmiskenbaar onverbindend is wegens strijd met wetten in formele zin, een ieder verbindende bepalingen van verdragen, besluiten van volkenrechtelijke organisaties en/of algemene rechtsbeginselen. Van onmiskenbare onverbindendheid is sprake indien die onverbindendheid buiten redelijke twijfel staat; alleen dan is het verantwoord om in kort geding in te grijpen.



4.16.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de provincie op grond van de Omgevingswet een grote mate van vrijheid heeft bij de keuze welke (soort) maatregelen zij treft om de natuurhersteldoelen te halen. Wel wordt de keuzevrijheid van de provincie begrensd door het door SSC ingeroepen artikel 1 EP en door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waarop SSC zich eveneens beroept.



4.17.
In dat kader stelt de voorzieningenrechter vast dat het op 26 juni 2026 door het kabinet gepresenteerde maatregelenpakket bestaat uit generieke maatregelen, maar ook uit een gebiedsgerichte inzet die ziet op het aanwijzen van zones rond kwetsbare, overbelaste Natura 2000-gebieden waar aanvullende maatregelen worden getroffen. Uit de plannen blijkt ook dat het kabinet voornemens is een groot deel van het beschikbare budget van € 20 miljard beschikbaar te stellen voor ondersteuning op het boerenerf. Het gaat bijvoorbeeld om vergoedingen voor het aanpassen van stallen, waarbij verschillende instrumenten worden verkend waaronder subsidies, fiscale instrumenten en instrumenten gericht op financiering. Ook voor bedrijven in de zones wordt een fors budget beschikbaar gesteld om hen te ondersteunen richting bijvoorbeeld een extensiever bedrijfsmodel dat past binnen de zone. Als innoveren, extensiveren, omschakelen of verplaatsen geen uitkomst biedt, is er volgens de gepresenteerde plannen ook ondersteuning voor het beëindigen van een bedrijf.



4.18.
De keuze van de rijksoverheid voor het instellen van zoneringsgebieden rondom Natura 2000-gebieden, alsmede de aangekondigde substantiële financiële compensatie voor - onder meer - het aanpassen van stallen, maar ook voor bijvoorbeeld bedrijfsbeëindiging, heeft onmiskenbaar grote invloed op de keuze die veehouders met verouderde stallen op grond van artikel 3.98 Omgevingsverordening nu gedwongen zijn te maken.
Gelet op de inhoud van de gepresenteerde kabinetsplannen is niet uitgesloten dat onverkorte toepassing van artikel 3.98 Omgevingsverordening meebrengt - dit is door de provincie ook niet betwist - dat een veehouder nu (zonder financiële compensatie) investeert in nieuwe aangepaste stallen, terwijl over enige tijd blijkt dat die veehouder moet omschakelen of zijn bedrijf moet beëindigen, bijvoorbeeld omdat de veehouderij in een aangewezen zone is gelegen, waar het landbouwkundig grondgebruik veel extensiever zal moeten zijn dan nu is voorgeschreven.
Daarbij dient een veehouder nu de afweging te maken om zijn stallen al dan niet aan te passen, zonder duidelijkheid of hij daarvoor een financiële compensatie kan verkrijgen. Dit klemt temeer daar het kabinet substantiële financiële compensatie in het vooruitzicht heeft gesteld waarvan de voorwaarden nu nog niet bekend zijn.



4.19.
Het rechtszekerheidsbeginsel brengt mee dat rechtsnormen eenduidig moeten worden geformuleerd zodat een burger weet waar hij aan toe is en hij zijn handelen daarop kan afstemmen. Overheidsoptreden moet voorspelbaar zijn.



4.20.
De provincie handelt in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel door nu onverkort uitvoering te willen (blijven) geven aan de Brabantse aanpak zoals neergelegd in de Omgevingsverordening. De minister heeft de Tweede Kamer bericht dat het kabinet in januari 2027 komt met instructieregels met voorschriften die gaan gelden in de zoneringsgebieden en dat er structureel geld vrij komt voor natuurbeheer (waaronder financiële compensatie voor veehouders). Deze binnenkort te verwachten informatie is van cruciaal belang voor de keuzes die veehouders nu moeten maken (zie r.o. 2.20 en 2.21).



4.21.
De provincie heeft in haar nadere akte aangevoerd: “Het is aan de individuele agrariërs rondom Natura meldingen om – als zij over verouderde huisvestingssystemen beschikken – zelf te bepalen wat hun instreek is bij de gebiedsprocessen” en “De Provincie kan daar niet op vooruit lopen”. Het past de provincie niet om individuele veehouders te verplichten een keuze voor aanpassing van hun stallen te laten maken zonder de veehouders op voorhand duidelijkheid te verschaffen of hun bedrijven zijn gelegen in zoneringsgebieden waarvoor strengere regels zullen gelden en zonder inzicht te geven in ondersteunende (financiële) maatregelen die aangeboden zouden kunnen worden.



4.22.
De provincie heeft in dit verband nog naar voren gebracht dat zij overleg voert met de rijksoverheid om de maatregelen op rijksniveau nader op elkaar af te stemmen en daarbij onder andere in gesprek is om de compensatie te behouden voor agrariërs die nu investeringen moeten doen. Vooralsnog is echter van enige concrete toezegging op dit vlak geen sprake. De veehouder kan daar nu dus (nog) niet op vooruit lopen, terwijl de provincie van de veehouder wel verwacht dat hij nu de investeringen doet. Voor ondernemers die een complexe afweging moeten maken over de toekomst van hun bedrijf dienen de te stellen normen en beschikbare ondersteuning op voorhand duidelijk te zijn.



4.23.
De provincie heeft verder nog het verweer gevoerd dat het belang van natuurherstel en van het voorkomen van verdere verslechtering maakt dat aan de artikelen 3.98 Omgevingsverordening onverkort uitvoering dient te worden gegeven. Ook aan dit verweer gaat de voorzieningenrechter voorbij.



4.24.
Dat de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn, zoals geïmplementeerd in de Omgevingswet, de provincie dwingt om (vergaande) maatregelen te treffen om de beoogde natuurherstel doelen te behalen, ontslaat haar niet van de gebondenheid aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel.



4.25.
De provincie heeft ervoor gekozen de randvoorwaarden; de zonering en de beschikbare (financiële) ondersteuning niet op voorhand bekend te maken maar de landelijke ontwikkelingen op dit punt af te wachten. Die ontwikkelingen, zo blijkt uit de brief van 11 september 2026 van de Minister van LVVN, zijn dat het kabinet:
- in oktober 2026 een wetsvoorstel zal indienen voor een spoedwet waarin de sectorale emissiereductiedoelen worden geborgd, met een ontwerpprogramma met maatregelen om de sectorale emissiereductiedoelen te halen en;
- in januari 2027 komt met instructieregels met voorschriften die gaan gelden in de zoneringsgebieden
- met betrekking tot de beschikbare ondersteuning dit najaar een overzicht heeft toegezegd.



4.26.
Dit betekent dat naar verwachting eind januari 2027 meer duidelijkheid bestaat over de onder 4.25 bedoelde landelijke randvoorwaarden. Nu de provincie die randvoorwaarden op voorhand niet zelf heeft willen vaststellen, brengt het rechtszekerheidsbeginsel mee dat van de provincie mag worden verlangd nu een pas op de plaats te maken en de komende maanden (tot en met januari 2027) in samenspraak met het rijk te komen tot duidelijkheid met betrekking tot de zonering en de financiële ondersteuning. Alsdan kunnen veehouders met verouderde stallen op dat moment op basis van die informatie een weloverwogen keuze maken. De voorzieningenrechter zal de primaire vordering op die grond toewijzen zoals hierna geformuleerd. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de ordemaatregel te beperken tot een verbod op het treffen van handhavingsmaatregelen, omdat, gelet op de urgentie, voorkomen moet worden dat onnodig tijd verloren gaat om verslechtering of dreigende verslechtering voor een groot aantal stikstofgevoelige habitats tegen te gaan. Daartoe heeft de overheid zich verplicht en zij zou onrechtmatig handelen wanneer ontoereikende maatregelen zouden worden genomen.



4.27.
De voorzieningenrechter ziet vooralsnog onvoldoende aanleiding om in dit kort geding artikel 3.98 Omgevingsverordening buiten werking te stellen of op te schorten, zoals door SSC ook is gevorderd. In dat kader speelt onder meer de vraag naar de juridische houdbaarheid van de in de artikel 3.98 Omgevingsverordening gekozen systematiek van een maatwerkmaatregel en meer in het bijzonder de vraag of dit als een beheer- of instandhoudingsmaatregel kan worden beschouwd in de zin van artikel 6, lid 2 van de Habitatrichtlijn. Door de provincie wordt bepleit dat dit het geval is en dat daarom - kort gezegd - geen vergunningsplicht geldt, hetgeen door SSC gemotiveerd wordt betwist.



4.28.
Uit het op 26 juni 2026 gepresenteerde stikstofmaatregelenpakket komt naar voren dat het kabinet bij het benutten van bestaande milieuregelgeving onder de Omgevingswet om verouderde stallen te verduurzamen kiest voor een generieke aanpak en eenduidigheid (waarbij het kabinet onder meer het gesprek zal voeren met provincies die stappen vooruit hebben gezet zoals Gelderland en Noord-Brabant).
Of de door de provincie gekozen juridische route uiteindelijk zal vallen onder de door het kabinet gekozen uitgangspunt van een generieke aanpak en eenduidigheid, valt nu nog niet te beoordelen omdat de gesprekken hierover met de provincies plaatsvinden. Op de uitkomsten van dat overleg en de vervolgstappen van het kabinet wil de voorzieningenrechter nu nog niet vooruitlopen. De vorderingen voor zover deze ertoe strekken artikel 98 Omgevingsverordening buiten werking te stellen of op te schorten zullen worden afgewezen.



4.29.
Bij toewijzing van de primaire vordering zoals hierna omschreven, wordt vooralsnog in voldoende mate tegemoetgekomen aan de belangen van de veehouders. De subsidiaire en (meer) subsidiaire vorderingen behoeven om deze reden geen verdere bespreking meer.



4.30.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan de veroordeling van de provincie een dwangsom te verbinden zoals door SSC is gevorderd. Van de provincie, als overheidslichaam, mag worden verwacht dat zij een veroordeling in een rechterlijke uitspraak, nakomt. De voorzieningenrechter ziet in dit geschilgeen aanleiding om daarover anders te oordelen.



4.31.
De provincie is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van SSC worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


151,94







- griffierecht


€


735,00







- salaris advocaat


€


1.766,00







Totaal


€


2.652,94











4.32.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding de proceskosten ten aanzien van het geschil tussen [eiser 6] , NMV, Agractie, NVP alsmede DDB en de provincie te compenseren nu namens deze procespartijen dezelfde processtukken zijn ingediend.



4.33.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



4.34.
Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert.





5De beslissing

De voorzieningenrechter


5.1.
verklaart [eiser 6] , NMV, Agractie, NVP en DDB niet ontvankelijk in hun vorderingen jegens de provincie,



5.2.
compenseert ten aanzien van het geschil tussen de onder 5.1. genoemde partijen en de provincie de proceskosten tussen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.



5.3.
veroordeelt de provincie om zich tot en met 1 februari 2027 te onthouden van handhavingsmaatregelen die zijn gegrond op artikel 3.98 Omgevingsverordening,



5.4.
veroordeelt de provincie jegens SSC in de proceskosten van € 2.652,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



5.5.
veroordeelt de provincie tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T. Zuidema en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2026.





Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand


Richtlijn 92/43/EEG van De Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna


ECLI:NL:RBDHA:2025:578 (Greenpeace/de Staat)


Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof (BOS) 2.0, p. 24 e.v.


ECLI:NL:RBDHA:2025:578 (Greenpeace/de Staat), rechtbank Oost-Brabant 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2330 r.o. 1.5 en 5.10 en ABRVS 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969.


vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237 en HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
Link naar deze uitspraak