|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:9958 | | | | | Datum uitspraak | : | 13-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 23-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | BRE 26/5243 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Vovo hangende beroep. Doornstaartagamen. CITES-Verordening. Belangenafweging. Verzoek toegewezen, schorsing BOB en BIP tot twee weken na uitspraak in de bodemprocedure. | | Trefwoorden | : | bestuursdwang | | | landbouw | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/5243 WET
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 oktober 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, namens deze de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de aan hem opgelegde last onder bestuursdwang wegens het overnemen en in bezit hebben van diverse doornstaartagamen.
1.1.
Bij besluit van 30 juli 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd, omdat verzoeker volgens verweerder diverse doornstaartagamen onrechtmatig heeft overgenomen en onrechtmatig in bezit heeft. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Met het bestreden besluit van 8 december 2025 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoed
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening aanwezig. Blijkens het verzoekschrift waren toezichthouders van de NVWA op 17 september 2026 voornemens twee Somalische doornstaartagamen (Uromastyx princeps), een Irakese doorstaartagame (Saara loricata) en de nakomeling daarvan mee te voeren en in bewaring te nemen. Dit is niet uitgevoerd, onder de voorwaarde dat verzoeker diezelfde dag nog een verzoek om een voorlopige voorziening zou indienen. Dat heeft hij gedaan. Afwijzing van het verzoek leidt ertoe dat de doornstaartagamen alsnog worden meegenomen en in bewaring worden genomen. Aannemelijk is dat dit gevolgen heeft voor het welzijn van de dieren.
Toetsingskader
3. Dier- en plantsoorten in het wild die door handel worden bedreigd met uitsterven, hebben een beschermde status gekregen in The Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora (het CITES-verdrag). Dit verdrag is in de Europese Unie uitgewerkt in de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening. In de bijlagen A tot en met D bij de CITES-basisverordening zijn de dier- en plantsoorten aangewezen die Europees zijn beschermd. De doornstaartagamen die verzoeker bezit, zijn genoemd in Bijlage B van de CITES-basisverordening.
3.1.
De CITES-regelgeving is door de Nederlandse wetgever opgenomen in de Omgevingswet en uitgewerkt in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In artikel 8, eerste en vijfde lid, van de CITES-basisverordening en artikel 11.93, eerste lid, artikel 11.96, tweede en derde lid, en artikel 11.99, tweede lid, aanhef en onder a, onder 1°, van het Bal, is (onder meer) bepaald dat het in bezit hebben en verhandelen van dieren van de soorten genoemd in Bijlage B bij de CITES-basisverordening verboden is, tenzij kan worden aangetoond dat die dieren verkregen werden overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde flora en fauna.
Beoordeling
4. Het bestreden besluit ziet op in totaal zes doornstaartagamen. Blijkens het aanvullend beroepschrift is het beroep beperkt tot de vier doornstaartagamen die hiervoor onder 2 zijn benoemd. De beoordeling van de voorzieningenrechter is daarom eveneens beperkt tot deze vier doornstaartagamen.
5. De kern van het geschil ziet op de vraag hoe ver de bewijslast van verzoeker tot het aantonen van de legale herkomst van de doornstaartagamen reikt en of hij daar met de door hem overgelegde stukken aan heeft voldaan. Deze vraag leent zich door onder meer de complexiteit van de regelgeving minder goed voor beantwoording in deze voorlopige voorzieningprocedure en zal in de bodemprocedure onderzocht moeten worden. Daarom zal de voorzieningenrechter afzien van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel en de vraag of in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening beantwoorden aan de hand van een belangenafweging.
6. Het belang van verzoeker is erin gelegen dat de vier doornstaartagamen bij hem mogen blijven tot er uitspraak is gedaan op het beroep. Hij heeft daarbij het belang van het welzijn van de dieren benadrukt. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat de doornstaartagamen stress zullen ervaren als zij elders in bewaring worden genomen. Verweerder stelt daar geen dringende belangen tegenover die maken dat het besluit niet kan worden geschorst tot uitspraak is gedaan in de bodemprocedure. Als het beroep ongegrond wordt verklaard, kan verweerder alsnog overgaan tot handhaving. Naar verwachting zal het beroep in het eerste kwartaal van 2027 op zitting worden behandeld. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoeker de doornstaartagamen al sinds 2019 in zijn bezit heeft en hij de dieren onweersproken goede specialistische zorg biedt. Er is geen spoedeisend belang om aan de door verweerder gestelde overtreding een einde te maken. Verweerder heeft bovendien geen actie ondernomen tussen het nemen van het bestreden besluit op 8 december 2025 en de beoogde inbeslagname door de NVWA op 17 september 2026 (ruim 9 maanden).Verweerder heeft ook geen specifiek belang genoemd waarom niet zou kunnen worden gewacht op de uitspraak in de bodemzaak. Het belang van verzoeker bij het vooralsnog niet hoeven voldoen aan de last onder bestuursdwang weegt dan ook zwaarder dan het belang van verweerder dat hangende het beroep de gestelde overtreding ongedaan wordt gemaakt.
Conclusie en gevolgen
7. Het verzoek is kennelijk gegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe en zal het bestreden besluit en het primaire besluit schorsen. Dat betekent dat de vier doornstaartagamen niet in bewaring mogen worden genomen tot twee weken na de uitspraak in de bodemprocedure.
8. Verweerder moet het betaalde griffierecht van € 200,00 aan verzoeker vergoeden. Verder is niet gebleken dat verzoeker proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De voorzieningenrechter
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
schorst het bestreden besluit van 8 december 2025 en het besluit van 30 juli 2025tot twee weken na de uitspraak in de bodemprocedure, voor zover dit ziet op de vier onder 2 genoemde doornstaartagamen;
bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden van € 200,00.
Deze uitspraak is gedaan op 13 oktober 2026 door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Geregistreerd onder zaaknummer 26/751
Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit
Verordening (EG) nr. 338/97
Verordening (EG) nr. 865/2006 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|