|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2026:7422 | | | | | Datum uitspraak | : | 20-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 29-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | 25/2992 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | WOZ, objectafbakening, appartementen, parkeerterrein en perceel grond, gegrond beroep. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | ozb | | | perceel | | | woz waarde | | | woz-beschikking | | | woz-waarde | | | | Uitspraak | RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2992
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde 1]),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Land van Cuijk,
(gemachtigde: [gemachtigde 2]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van de waarde van een aantal appartementen en een parkeerterrein in [plaats 1] en een perceel grond in [plaats 2] (de waardebeschikking) en de aan eiser opgelegde aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2025 (de aanslag). Eiseres is het niet eens met de waardebeschikking en de aanslag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de appartementen niet te hoog is vastgesteld. Dat geldt niet voor de waarde van het parkeerterrein en het perceel grond in [plaats 2]. Van deze twee onroerende zaken hebben zowel de heffingsambtenaar als eiseres de waarde niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank zal daarom de waarde in goede justitie vaststellen. Dit heeft tot gevolg dat de waardebeschikking en de aanslag worden verminderd. Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de volgende onroerende zaken vastgesteld met de beschikking van 25 februari 2025:
[adres 1] € 209.000
[adres 2] € 232.000
[adressen 1] € 165.000 (per object)
[adres 3] € 6.000
[adres 4] achter ([nummer]) in [plaats 2] € 129.000.
2.1.
De waarden zijn vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2024 en voor het kalenderjaar 2025. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. In dit aanslagbiljet heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerendezaakbelasting 2025 opgelegd.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 21 oktober 2025 de waarden gehandhaafd (de bestreden uitspraak).
2.3.
Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
2.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.5. Partijen hebben nadere stukken ingebracht.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde 1] als vertegenwoordiger van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.
Feiten
3. Eiseres is eigenaar van de onroerende zaken [adres 3], [adres 1], [adres 2], [adressen 1] in [plaats 1] en [adres 4] achter ([nummer]) in [plaats 2].
3.1.
[adres 1] is een appartement van 65 m². [adres 2] is een appartement van 73 m². [adressen 1] zijn appartementen van 50 m². De appartementen liggen allemaal in het zelfde appartementencomplex.
3.2.
[adres 3] is een (verhard) parkeerterrein van 69 m², gelegen achter de appartementen. Het parkeerterrein geeft ruimte voor drie personenauto’s.
3.3.
[adres 4] (achter) is een paardenstal (uit 1994) van 77 m² met een tredmolen (uit 2015) van 360 m², een buitenbak (uit 1990) van 1.600 m², een buitenbak (uit 2015) van 300 m² en werktuigenberging van 100 m² en een perceel grond van 11.058 m².
Beoordeling door de rechtbank
4. Partijen zijn het niet eens over de waarde van voormelde onroerende zaken voor het kalenderjaar 2025. De waardepeildatum is 1 januari 2024.
Heeft de heffingsambtenaar de appartementen terecht als afzonderlijke objecten beschouwd?
5. Eiseres heeft aangevoerd dat de heffingsambtenaar ten onrechte de appartementen als afzonderlijke objecten heeft aangeslagen voor de onroerendezaakbelasting. Zij vindt dat sprake is van een samenstel zoals bedoeld in artikel 16, aanhef en onder d, van de Wet WOZ en heeft erop gewezen dat de appartementen onderdeel uitmaken van één appartementencomplex. Het eigendom van dat complex ligt bij dezelfde eigenaar, namelijk eiseres. Het complex is niet gesplitst in appartementsrechten en er is dus ook geen Vereniging van Eigenaren. Eiseres beschikt ook niet over een splitsingsvergunning. Daarom zijn de appartementen niet afzonderlijk te verkopen. Verder heeft eiseres benoemd dat in het complex geen afzonderlijke aansluitingen voor elektra, water en internet aanwezig zijn. De appartementen delen deze aansluitingen.
5.1.
Op grond van artikel 16, aanhef en onder c, van de Wet WOZ moet voor de toepassing van deze wet als één onroerende zaak worden aangemerkt een gedeelte van een gebouwd eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Een belastingobject moet worden afgebakend naar de kleinst mogelijke zelfstandige eenheid. Uit vaste rechtspraak van de hoogte rechter in dit soort zaken, de Hoge Raad, blijkt dat relevant is voor de afbakening van een object de afsluitbaarheid van het gedeelte. Daarnaast speelt een rol of het gedeelte beschikt over voor bewoning noodzakelijke voorzieningen, zoals een eigen kookgelegenheid, wasgelegenheid en sanitair. Er is dus sprake van een zelfstandige eenheid als een object apart afsluitbaar is en zelfstandig gebruikt kan worden zonder dat daarbij gebruik moet worden gemaakt van essentiële voorzieningen van andere gebruikers. Elke zelfstandige eenheid wordt als afzonderlijke onroerende zaak gezien en daarom apart gewaardeerd.
5.2.
Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat de appartementen allemaal apart verhuurd worden aan afzonderlijke huurders. De appartementen kunnen afzonderlijk afgesloten worden. Elk appartement beschikt over een eigen keuken en badkamer. Onder die omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat de heffingsambtenaar de juiste objectafbakening heeft toegepast. De heffingsambtenaar heeft dus terecht alle appartementen als afzonderlijke objecten beschouwd en terecht afzonderlijk aangeslagen voor de onroerendezaakbelasting. Hieraan doet niet af dat het complex niet gesplitst is in appartementsrechten, de appartementen geen afzonderlijke aansluitingen hebben en eiseres niet beschikt over een splitsingsvergunning. Die omstandigheden vormen namelijk niet het toetsingskader. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de heffingsambtenaar voor de appartementen uitgaan van de toestandsdatum van 1 januari 2025?
6. Eiseres heeft aangevoerd dat de heffingsambtenaar onterecht is uitgegaan van de toestandsdatum van 1 januari 2025. Ze wijst erop dat de appartementen pas in april 2024 gereed waren. Op de waardepeildatum van 1 januari 2024 waren de appartementen dus niet gereed. Eiseres ondervindt nadeel van deze berekeningswijze van de heffingsambtenaar.
6.1.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de appartementen op 1 januari 2024 gerenoveerd werden en op die datum dus nog niet gereed waren. Bij het bepalen van de waarde van een woning op de waardepeildatum (1 januari 2024 in dit geval) wordt in een dergelijke situatie gekeken naar de staat waarin de woning zich bevindt bij het begin van het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt vastgesteld (1 januari 2025 in dit geval), de zogenoemde toestandsdatum. Dat is bepaald in artikel 18, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet WOZ. Op die manier wordt rekening gehouden met de veranderingen die een woning in aanbouw heeft ondergaan in het jaar tussen de waardepeildatum en de toestandsdatum. De heffingsambtenaar is bij de waardebepaling van de appartementen per 1 januari 2024 dus terecht uitgegaan van de toestandsdatum 1 januari 2025. De beroepsgrond slaagt niet.
WOZ-waarde van de appartementen, het parkeerterrein en het perceel grond
7. Partijen zijn het niet eens over de WOZ-waarde van de appartementen, het parkeerterrein en het perceel in [plaats 2] voor het kalenderjaar 2025.
8. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".
8.1.
De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarden niet op te hoge bedragen heeft vastgesteld (bewijslast). Bij de beoordeling of de heffingsambtenaar in die bewijslast is geslaagd, betrekt de rechtbank ook wat eiseres hierover heeft aangevoerd. Als eiseres een beroep doet op feiten en omstandigheden die volgens haar tot een lagere waarde van de woning leiden, moet zij stellen, en bij betwisting bewijzen, dat die feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt zij daarin, dan moet de heffingsambtenaar vervolgens aannemelijk maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden. Alleen als de heffingsambtenaar niet aan de bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of eiseres de door haar verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Als ook dat laatste niet het geval is, kan de rechter de waarde zelf in goede justitie vaststellen.
WOZ-waarde van de appartementen [adres 1], [adres 2], [adressen 1] in [plaats 1]
9. De heffingsambtenaar heeft de waarde in de beroepsfase onderbouwd met drie vergelijkingsobjecten, namelijk [adressen 2] in [plaats 1] en [adres 5] in [plaats 3]. De waardeonderbouwing is opgenomen in de waardematrix. De vergelijkingsobjecten zijn ook appartementen, verkocht binnen een jaar van de waardepeildatum. De heffingsambtenaar heeft de transactieprijzen geïndexeerd naar de waardepeildatum. De vergelijkingsobjecten hoeven niet identiek aan de woning te zijn. De heffingsambtenaar heeft hiermee aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat de waardebepaling van de heffingsambtenaar in zoverre niet op onjuiste uitgangspunten berust.
10. Eiseres heeft aangevoerd dat de vergelijkingsobjecten niet voldoende vergelijkbaar zijn met de appartementen. Zo wijst zij erop dat de appartementen aan [adressen 2] over een externe berging beschikken. Dat is niet het geval bij de appartementen van eiseres. Verder heeft ze benoemd dat het appartement aan het [adres 5] in [plaats 3] niet goed vergelijkbaar is, omdat [plaats 3] veel meer voorzieningen heeft dan [plaats 1]. Daarom zal een appartement in [plaats 3] meer waard zijn dan een appartement in [plaats 1]. Verder zijn de vergelijkingsobjecten beter geïsoleerd en hebben ze een hoger energielabel.
11.1
De rechtbank volgt eiseres niet haar standpunt dat de vergelijkingsobjecten onvoldoende bruikbaar zijn. Dat de vergelijkingsobjecten over externe bergingen van 3, 5 en 7 m² beschikken, maakt de woningen niet ongeschikt als vergelijking. Zoals hiervoor vermeld staat, hoeven de vergelijkingsobjecten niet identiek te zijn aan de appartementen van eiseres. De heffingsambtenaar heeft verder toegelicht dat [plaats 1] een kleine woonplaats is waar niet veel verkopen van vergelijkbare appartementen plaatsvinden waardoor het nodig was om één vergelijkingsobject uit [plaats 3] te gebruiken. Verder heeft de heffingsambtenaar gewezen op de matrixen waaruit blijkt dat de m²-prijs van de appartementen veel lager ligt dan de gemiddelde m²-prijs van de referentiewoningen. De gemiddelde m²-prijs van de referentiewoningen bedraagt € 4.263. Indien die prijs wordt gecorrigeerd voor de grootte van de appartementen blijkt volgens de heffingsambtenaar dat m²-prijs van de appartementen aanzienlijk lager ligt dan de m²-prijs van de vergelijkingsobjecten. Voor het appartement aan de [adres 1] had de heffingsambtenaar uit mogen gaan van een m²-prijs van € 3.886 terwijl de WOZ-waarde is gebaseerd op een prijs van € 3.215 per m². Voor het appartement aan de [adres 2] bedraagt de gecorrigeerde gemiddelde m²-prijs van de vergelijkingsobjecten € 3.667 en is de WOZ-waarde gebaseerd op een prijs van € 3.178 per m². Voor de appartementen aan de [adressen 1] bedraagt de gecorrigeerde m²-prijs voor de vergelijkingsobjecten € 4.430 en is de WOZ-waarde gebaseerd op een prijs van € 3.300 per m². De rechtbank kan deze toelichting van de heffingsambtenaar volgen. Wat betreft de isolatie van de woningen oordeelt de rechtbank dat niet gebleken is dat de vergelijkingsobjecten onvergelijkbaar zijn. De appartementen van eiseres zijn immers in 2024 grootschalig gerenoveerd en de vergelijkingsobjecten zijn (veel) ouder (1999 en 2008).
11.2.
Eiseres heeft nog gewezen op de WOZ-waarde van woningen aan de [adressen 3] in [plaats 3]. Omdat deze woningen niet zijn verkocht kunnen die niet gebruikt worden als bruikbare vergelijkingsobjecten bij de waardebepaling in het kader van de Wet WOZ.
11.3.
Gezien het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de appartementen niet te hoog is vastgesteld. Al het overige dat eiseres heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
WOZ-waarde van het parkeerterrein
12. De heffingsambtenaar heeft de waarde van het parkeerterrein aan de [adres 3] in [plaats 1] onderbouwd met een verkoopadvertentie voor een perceel grond aan de [adres 6] in [plaats 1]. Dit perceel is aangeboden voor € 100 per m². Nu het parkeerterrein 69 m² groot is, is de vastgestelde waarde van € 6.000 in elk geval niet te hoog, aldus de heffingsambtenaar.
12.1.
Eiseres heeft aangevoerd dat de waarde te hoog is vastgesteld. Ze wijst erop dat het terrein enkel gebruikt kan worden als parkeerplaats en noodzakelijk was om de appartementen te kunnen realiseren. Eiseres bepleit een waarde van € 3.000.
12.2.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van het parkeerterrein niet te hoog is vastgesteld. De verkoopadvertentie biedt onvoldoende onderbouwing. Het betreft allereerst een advertentie van een niet verkocht perceel, zodat onduidelijk is welke prijs uiteindelijk bij de (eventuele) verkoop is betaald. Daarnaast is het perceel 529 m² groot, terwijl het parkeerterrein van eiseres 69 m² groot is. Daardoor is het onvoldoende vergelijkbaar. De toelichting van de heffingsambtenaar dat parkeerplaatsen over het algemeen worden gewaardeerd op € 6.000 per plaats en verkocht worden voor € 10.000, is onvoldoende nu de heffingsambtenaar deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd.
12.3.
Omdat de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of eiseres de door haar gestelde waarde van € 3.000 aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Eiseres heeft slechts een bedrag van € 3.000 genoemd, zonder enige onderbouwing.
12.4.
Omdat geen van beide partijen naar het oordeel van de rechtbank er in is geslaagd het van haar gevraagde bewijs te leveren, bepaalt de rechtbank de waarde van het parkeerterrein op de waardepeildatum in goede justitie op € 5.800.
WOZ-waarde van het perceel in [plaats 2]
13. De heffingsambtenaar heeft voor de onderbouwing van de WOZ-waarde van het perceel grond aan de [adres 4] achter ([nummer]) in [plaats 2] verwezen naar een overzicht met daarin de op het perceel aanwezige zaken en de daaraan toegekende waarde. Dit overzicht is conform de Taxatiewijzer Agrarisch opgesteld. Verder heeft de heffingsambtenaar een aantal verkoopcijfers van paardenhouderijen overgelegd. Tijdens de zitting heeft de heffingsambtenaar nog toegelicht dat de waardering ook gebaseerd is op de ervaring en kunde van de taxateur.
13.1.
Eiseres heeft aangevoerd dat de waarde te hoog is. Volgens eiseres is het perceel bosgrond en kan de waarde niet hoger zijn dan € 3,50 - € 4,50 per m². Eiseres bepleit een waarde van € 40.000. Verder vindt eiseres dat de opstallen niet meegerekend mogen worden in de waardebepaling, omdat eiseres de opstallen niet zelf gebruikt. Ook daarom moet de waarde lager zijn.
13.2.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar de opstallen op het perceel terecht in de waardering heeft betrokken. Niet ter discussie staat dat het perceel grond eigendom van is eiseres. Verder is niet in geschil dat de opstallen onroerende zaken zijn. Tijdens de zitting heeft eiseres desgevraagd toegelicht dat voor de opstallen op het perceel geen recht van opstal is gevestigd. Er is dus geen splitsing aangebracht tussen de eigendom van de grond en de eigendom van de opstallen. Dat betekent dat eiseres door natrekking eigenaar is van de opstallen. De heffingsambtenaar heeft de opstallen daarom terecht betrokken meegerekend bij het bepalen van de waarde.
13.3.
De rechtbank oordeelt vervolgens dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van het perceel niet te hoog is vastgesteld. Voor de rechtbank is op basis van deze stukken niet te herleiden hoe de waardebepaling tot stand is gekomen. Dat geldt met name voor de prijs per eenheid van de opstallen en de grond. Niet is toegelicht waar de waarde van € 8,23 per m² grond van is afgeleid. De enkele verwijzing naar de Taxatiewijzer Agrarisch en de ervaring en kunde van de taxateur is onvoldoende. De verwijzing naar de verkoopcijfers van paardenhouderijen maakt dit niet anders. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat deze verkopen niet aan de waarde ten grondslag hebben gelegen. Bovendien stelt de rechtbank vast dat de verkoopcijfers zeer veel hoger liggen dan de vastgestelde waarde van het perceel van eiseres, de meeste verkopen te ver verwijderd zijn van de waardepeildatum en de verkochte paardenhouderijen door het gehele land zijn gelegen. De verkoopcijfers geven daarmee onvoldoende onderbouwing van de vastgestelde waarde van het perceel van eiseres.
13.4.
Omdat de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of eiseres de door haar gestelde waarde van € 40.000 aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Ook eiseres heeft geen onderbouwing van de door haar bepleite waarde verstrekt. De gewenste m²-prijs van € 3,50 - € 4,50 per m² heeft zij niet verder toegelicht.
13.5.
Omdat geen van beide partijen naar het oordeel van de rechtbank er in is geslaagd het van haar gevraagde bewijs te leveren, bepaalt de rechtbank de waarde van de onroerende zaak aan de [adres 4] (achter) in [plaats 2] op de waardepeildatum in goede justitie op € 115.000.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is gegrond, omdat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van het parkeerterrein [adres 3] in [plaats 1] en het perceel aan de [adres 4] (achter) in [plaats 2] niet te hoog zijn vastgesteld. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Aangezien geen van beide partijen erin is geslaagd de door hen voorgestane waarde aannemelijk te maken, ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door de waarde van het perceel aan de [adres 3] in [plaats 1] voor kalenderjaar 2025 in goede justitie vast te stellen op € 5.800 en de waarde van het perceel aan de [adres 4] achter ([nummer]) in [plaats 2] voor kalenderjaar 2025 in goede justitie vast te stellen op € 115.000. De heffingsambtenaar zal worden opgedragen de betreffende aanslag OZB overeenkomstig die waarde te verminderen.
14.1.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van haar proceskosten. Op het proceskostenformulier heeft eiseres gevraagd om vergoeding van kosten door beroepsmatige bijstand van een derde. Daarbij staat de naam [naam 1]. Nu op geen enkele wijze is gebleken dat deze gemachtigde rechtsbijstand heeft verleend en eiseres ook overigens geen concrete vergoeding vraagt wordt dit verzoek afgewezen. Ook de verletkosten worden afgewezen. De gemachtigde van eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zelf verletkosten heeft gemaakt. De enkele stelling dat zulke kosten bestaan zonder onderbouwing of ondersteunende bewijsstukken is onvoldoende. De reiskosten van € 25,20 worden toegewezen conform het tarief van € 0,28 per kilometer.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- stelt de waarde van het perceel aan de [adres 3] in [plaats 1] voor het kalenderjaar 2025 per waardepeildatum 1 januari 2024 vast op € 5.800 en vermindert de daarop gebaseerde aanslag OZB overeenkomstig deze waarde;
- stelt de waarde van het perceel aan de [adres 4] achter ([nummer]) in [plaats 2] voor het kalenderjaar 2025 per waardepeildatum 1 januari 2024 vast op € 115.000 en vermindert de daarop gebaseerde aanslag OZB overeenkomstig deze waarde;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 25,20 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.C. Veelenturf, rechter, in aanwezigheid van E.H.J.M.T. van der Steen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Als u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.
Wet waardering onroerende zaken.
Hoge Raad, 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4850 en Gerechtshof Amsterdam, 9 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ2231. Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1459. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|