|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2026:4676 | | | | | Datum uitspraak | : | 25-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 03-11-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | LEE 26/2946 en 26/2948 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Woo, voorlopige voorziening hangende beroep. geen bijzonderen omstandigheden aangevoerd die uitzondering op de regel dat openbaar wordt gemaakt rechtvaardigen. Dat er nog een juridsche procedure loopt over sommige stukken, is in dit geval geen bijzondere omstandigheid | | Trefwoorden | : | landbouw | | | landbouw, natuur en voedselkwaliteit | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 26/2946 en LEE 26/2948
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 september 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[naam 1 uit woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: [naam 2] ),
en
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, NVWA, de minister
(gemachtigde: mr. P.E. van der Werf).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om informatie openbaar te maken naar aanleiding van een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de zaken.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Totstandkoming van het besluit en procesverloop
2. Eiseres is bij besluit van 1 september 2023 een boete opgelegd van € 2.500,- voor een overtreding van de Wet dieren. Bij besluit op bezwaar van 16 november 2023 is dit besluit gehandhaafd. Eiseres heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. Bij uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 juni 2025 is het beroep ongegrond verklaard. Eiseres heeft op 22 juli 2025 hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Deze procedure loopt nog.
3. De Stichting Eyes on Animals (de Stichting) heeft de minister op 17 juni 2024 gevraagd om informatie openbaar te maken op grond van de Woo. Het verzoek betreft informatie over het welzijn van slachtzeugen en slachtbiggen tijdens het transport, op verzamelcentra en in slachterijen over de periode van 2021 tot en met 17 juni 2024.
3.1.
De minister heeft bij besluit van 20 november 2025 aangegeven een deel van de door de Stichting gevraagde informatie, die onder meer betrekking heeft op het bedrijf van eiseres, openbaar te maken. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
3.2.
Met het bestreden besluit van 25 augustus 2026 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
4.1.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en gelet op hetgeen ter zitting is besproken, beslist hij ook op het beroep van eiseres.
Standpunt partijen
Standpunt van eiseres
5. Eiseres verzet zich tegen openbaarmaking van het rapport waarop de boete die haar is opgelegd is gebaseerd. De inhoud van dit rapport is naar haar mening niet juist en onbetrouwbaar. Zij is van mening dat gewacht moet worden op de uitspraak in hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 19 juni 2025 die betrekking heeft op de boete. In haar verzoekschrift heeft zij benadrukt dat het haar in deze procedure niet gaat om het definitief vaststellen van de juistheid van het rapport. Het gaat haar om de constatering dat er objectief bewijsmateriaal bestaat dat een wezenlijke passage uit het rapport rechtstreeks weerspreekt. Dat gegeven maakt het naar haar mening onwenselijk om het rapport openbaar te maken voordat de bestuursrechter in hoger beroep de mogelijkheid heeft gehad om dit bewijs te beoordelen. Eiseres is van mening dat zij door publicatie op dit moment onevenredig nadeel zal lijden.
Standpunt van de minister
6. De minister verwijst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 8 februari 2023. In de zaak waar die uitspraak op ziet, ging het ook over het toezicht op dierenwelzijn. In de uitspraak is overwogen dat het onderwerp dierenwelzijn in de maatschappelijke belangstelling staat en dat het verstrekken van bij de overheid aanwezige informatie over welke onderneming welke bedrijfsactiviteiten op welke wijze in deze bedrijfssector uitoefent, een bijdrage levert aan het voeren van het maatschappelijke debat hierover en de transparantie van het toezicht hierop vergroot. In uitzonderingssituaties kan van het uitgangspunt van openbaarheid worden afgewezen. Dan moet er sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Lopende beroepsprocedures vormen in die zin geen bijzondere omstandigheid.
6.1.
De minister heeft vanwege de nog lopende beroepsprocedure op het openbaar te maken document de volgende context informatie vermeld:
“LET OP! ER LOOPT MOMENTEEL EEN BEROEPSPROCEDURE MET BETREKKING TOT DIT DOCUMENT. DE FEITEN DIE IN DIT DOCUMENT WORDEN BESCHREVEN, ZIJN NOG NIET IN RECHTE VASTGESTELD”
De minister is van mening dat voor zover eiseres enig nadeel zou ondervinden van de openbaarmaking van de tot haar bedrijf herleidbare informatie, met het vermelden van bovenstaande tekst geen sprake is van een onevenredige benadeling.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
7. De voorzieningenrechter beoordeelt het beroep van eiseres tegen het gedeeltelijk openbaar maken van documenten die onder meer op haar onderneming zien, aan de hand van de door haar ingediende gronden.
7.1.
De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt hij uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
8. In artikel 2.5 van de Woo is bepaald dat bij toepassing van deze wet wordt uitgegaan van het algemeen belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische samenleving. Dit belang weegt zwaar. In artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Woo zijn omstandigheden opgenomen waarbij openbaarmaking achterwege blijft of kan blijven. In het vijfde lid is bepaald dat openbaarmaking in uitzonderlijke gevallen achterwege kan blijven als openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een ander belang dan genoemd in het eerste of tweede lid en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt.
8.1.
Bij een beroep op artikel 5.1. vijfde lid, van de Woo, zoals eiseres heeft gedaan, is het aan haar om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen op het uitgangspunt dat openbaarheid de regel is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is zij daarin niet geslaagd.
8.2.
De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2023. De voorzieningenrechter ziet geen reden om in deze zaak af te wijken van dit oordeel van de Afdeling. Het risico op reputatieschade brengt geen onevenredige benadeling mee op basis waarvan de minister de stukken in het geheel niet zou mogen publiceren.
8.3.
Dat een deel van de inhoud van de stukken nog onderwerp is van een juridische procedure, is geen bijzondere omstandigheid zoals in dit verband bedoeld. De Afdeling heeft in haar uitspraak overwogen dat het bieden van contextinformatie de onevenredige gevolgen kan wegnemen. De minister heeft al aangegeven dat hij bij de publicatie contextinformatie zal verstrekken en dat hij dit in hoofdletters zal doen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan te nemen dat deze contextinformatie onvoldoende is om onevenredige gevolgen weg te nemen. Dat de juistheid van de inhoud van een document door eiseres in een juridische procedure wordt bestreden, neemt niet weg dat dit document inzicht biedt in de wijze waarop de minister (NVWA) de toezichthoudende taak uitoefent. Bovendien is de uitkomst van de juridische procedure een onzekere toekomstige gebeurtenis, waardoor er niet nu al gesproken kan worden van onevenredige benadeling. In dit verband merkt de voorzieningenrechter op dat in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 juni 2025 nadrukkelijk ook de door eiseres aangehaalde video is betrokken. Hierover is geoordeeld dat de video de waarnemingen van de toezichthouders op korte afstand van de zeug niet kan weerleggen, omdat de video daarvoor van een te grote afstand is gemaakt. Bovendien, zo oordeelt de rechter in die uitspraak, heeft de minister naast de positieve oogreflex ook reeds op basis van de overige waarnemingen de overtreding kunnen vaststellen. De still uit de video die door eiseres in de onderhavige procedure is overgelegd brengt in het voorgaande geen verandering. Het beroep slaagt niet.
8.4.
De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de minister terecht heeft besloten tot gedeeltelijke publicatie.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, wijst hij ook het verzoek om een voorlopige voorziening af. De voorzieningenrechter ziet wel grond om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de voorlopige voorziening te treffen dat de minister pas twee weken na bekendmaking van deze uitspraak over mag gaan tot openbaarmaking van de hier in geschil zijnde documenten. De voorzieningenrechter treft deze voorziening, om eiseres in de gelegenheid te stellen rechtsmiddelen tegen deze uitspraak in te stellen, omdat de minister heeft aangekondigd te wachten met openbaarmaking tot de dag van deze uitspraak. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- treft de voorlopige voorziening dat de minister niet eerder dan twee weken na
bekendmaking van deze uitspraak tot openbaarmaking van de stukken waarop de
voorgenomen openbaarmaking ziet, overgaat;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Zaaknummer ROT 23/8584.
Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
ECLI:NL:RVS:2023:489. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|