|
|
|
| ECLI:NL:RBLIM:2026:10049 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 03-11-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Limburg | | Zaaknummers | : | ROE 25/502 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Verleende omgevingsvergunning voor een proeflokaal voor wijn in de vorm van een nieuw te realiseren vrijstaand gebouw op grond van de kruimelgevallenregeling (artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo in combinatie met artikel 4, eerste en negende lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht). Verweerder heeft de kruimelgevallenregeling ten onrechte toegepast. Het nieuw te realiseren gebouw voor het proeflokaal kan niet als bijbehorend bouwwerk worden aangemerkt. Daarnaast wordt het gebruik van de woning als reeds bestaand hoofgebouw niet gewijzigd. Gecombineerde toepassing van artikel 4, eerste lid en negende lid, van bijlage II bij het Bor is daarom niet mogelijk. De vergunning kon slechts worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 3°, van de Wabo (uitgebreide voorbereidingsprocedure). Het beroep is gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit te herroepen. Verweerder moet opnieuw op de vergunningaanvraag beslissen. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/502
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] met [eiseres] en [eiser 2] ,
uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. R.V. Lie-A-Lien),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voerendaal (verweerder)
(gemachtigden: S. Autar en mr. E. Lochtman).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] uit [woonplaats] (vergunninghoudster)
(gemachtigde: drs. S.J. van de Venne)
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een proeflokaal voor wijn aan de [adres 1] in [woonplaats] . Eisers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder de omgevingsvergunning mocht verlenen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 e.v. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 8. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Bij het besluit van 22 juli 2024 (primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een proeflokaal voor wijn op haar woonadres aan de [adres 1] in [woonplaats] .
2.1.
De daartegen ingediende bezwaarschriften van eisers heeft verweerder bij de besluiten van 14 januari 2025 (bestreden besluiten) ongegrond verklaard. Eisers hebben daartegen op
25 februari 2025 gezamenlijk beroep ingesteld.
2.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Daarop hebben eisers op 11 april 2024 een aanvullende reactie gegeven.
2.3.
Op 29 april 2026 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend. Daarop hebben eisers op 5 mei 2026 schriftelijk gereageerd.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eisers met hun gemachtigde, de gemachtigden van verweerder en vergunninghoudster bijgestaan door haar gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
3. Vergunninghoudster heeft op 25 september 2023 een omgevingsvergunning bij verweerder aangevraagd voor de realisatie en ingebruikname van een proeflokaal aan de [adres 1] in [woonplaats] . De aanvraag ziet op de nieuwbouw van een proeflokaal voor wijndomein [naam] in [plaats] op de percelen kadastraal bekend [kadasternummer 1] en [kadasternummer 2] , waarvan vergunninghoudster eigenaar is. Vergunninghoudster heeft de aanvraag ingediend voor de activiteiten ‘bouwen’, ‘afwijken bestemmingsplan’ en ‘uitvoeren werk of werkzaamheden’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, onder b, en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
3.1.
Bij het primaire besluit heeft verweerder de omgevingsvergunning voor de aangevraagde activiteiten verleend. Eisers wonen op de nabijgelegen adressen [adres 2] en [adres 3] in [woonplaats] en hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
De bestreden besluiten
4. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaarschriften van eisers ongegrond verklaard onder verwijzing naar het uitgebrachte advies van de commissie bezwaarschriften. Verweerder heeft daarbij de verleende omgevingsvergunning onder aanvulling van de motivering in stand gelaten. Verweerder heeft daarbij de motivering aangevuld, in die zin dat verweerder (alsnog) expliciet als beslispunt heeft genoemd dat de omgevingsvergunning mede ziet op de activiteit ‘bouwen’ en dat voor de activiteit ‘afwijken bestemmingsplan’ gebruik is gemaakt van de bevoegdheid om (buitenplans) af te wijken van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a en onder 2°, van de Wabo in combinatie met artikel 4, eerste en negende lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), de zogenoemde kruimelgevallenregeling.
Standpunt eisers
5. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder bij het verlenen van de omgevingsvergunning de onjuiste procedure heeft toegepast. Eisers stellen dat verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de kruimelgevallenregeling uit artikel 4, eerste lid en negende lid van bijlage II bij het Bor. Zowel het eerste lid als het negende lid van artikel 4 is volgens eisers namelijk ten onrechte toegepast, waardoor volgens eisers ten onrechte niet de uitgebreide procedure is toegepast met de daarvoor vereiste ruimtelijke onderbouwing. Verder voeren eisers aan dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Eisers verwijzen daarvoor naar de aspecten geluid, parkeren en verkeer.
Omvang geschil
6. Tussen partijen is in geschil of verweerder bevoegd was de omgevingsvergunning op grond van de kruimelgevallenregeling te verlenen. Als dat mogelijk is, dan is verder in geschil of de verleende omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Eisers hebben geen beroepsgronden aangevoerd tegen de vergunde activiteiten ‘bouwen’ en ‘uitvoeren werk of werkzaamheden’. Het geschil spits zich toe op de vraag of verweerder de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijking van het bestemmingsplan’ heeft mogen verlenen.
Toetsingskader
7. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden en is de Wabo ingetrokken. Gelet op artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet moet dit geschil worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht. Dat is de Wabo.
7.1.
Het te realiseren nieuwe bijgebouw ligt deels binnen het plangebied van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013’ met de bestemming ‘Agrarisch met Waarden’ (perceel [kadasternummer 2] ) en deels binnen het plangebied van het bestemmingsplan ‘Kernen Klimmen, Ransdaal, Ubachsberg e.o.’ met de bestemming ‘Woongebied’ en dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ (perceel [kadasternummer 1] ). Het plan is strijdig met deze bestemmingsplannen vanwege (onder meer) de bestemming ‘Woongebied’ en de daarop van toepassing zijnde bouwregels en vanwege (onder meer) artikel 6.2.1 van het bestemmingsplan Buitengebied 2013, waarin is bepaald dat binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ geen gebouwen mogen worden gebouwd.
7.2.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo – voor zover hier van belang – is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit (c) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.
7.3.
Op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.
7.4.
Op grond van artikel 2.12, eerste lid en aanhef, van de Wabo - voor zover van belang - kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met (1) een goede ruimtelijke ordening en (2)
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).
7.5.
Op grond van artikel 4, eerste en negende lid, van bijlage II bij het Bor komen voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking:
1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
b. de oppervlakte niet meer dan 150 m²;
(…)
9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;
7.6.
De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan, behoort tot de bevoegdheid van verweerder waarbij verweerder beleidsvrijheid heeft en de rechtbank terughoudend moet toetsen.
Beoordeling door de rechtbank
De bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan
8. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verweerder op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 º, van de Wabo in combinatie met artikel 4, eerste en negende lid, van bijlage II van het Bor (de kruimelgevallenregeling), bevoegd was om van het bestemmingsplan af te wijken.
8.1.
Eisers voeren daarover aan dat verweerder daartoe niet bevoegd was omdat volgens eisers de procedure zoals opgenomen in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° van de Wabo (uitgebreide procedure) had moeten worden gevolgd. Eisers stellen daartoe dat verweerder het negende lid van artikel 4 van bijlage II bij het Bor niet had mogen toepassen, omdat sprake is van nieuwbouw en daardoor een toename van de bebouwde oppervlakte en het bouwvolume. Ook heeft verweerder volgens eisers ten onrechte het eerste lid van artikel 4 van bijlage II bij het Bor toegepast. Ten eerste voeren eisers aan dat op de percelen voor het proeflokaal geen hoofdgebouw aanwezig is, waardoor het nieuw te realiseren proeflokaal niet kan worden aangemerkt als bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan als bedoeld in het eerste lid. Daarnaast voeren eisers aan dat, nu het proeflokaal buiten de bebouwde kom ligt, de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 150 m² terwijl de totale oppervlakte 200 m² bedraagt, waardoor ook om die reden het eerste lid niet van toepassing is.
8.2.
De rechtbank overweegt dat het in beginsel mogelijk om de verschillende onderdelen van artikel 4, bijlage II van het Bor gecombineerd toe te passen voor het toekennen van een aanvraag omgevingsvergunning – dit is tussen partijen ook niet in geschil. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) eerder heeft overwogen, is het mogelijk om tegelijkertijd een omgevingsvergunning te verlenen voor een bepaald gebruik, bedoeld in artikel 4, negende lid, van een bestaand hoofdgebouw en voor de bouw en het gebruik van een bijbehorend bouwwerk, bedoeld in artikel 4, eerste lid.
8.3.
Op grond van artikel 4 eerste lid, van bijlage II bij het Bor komt voor de verlening van een omgevingsvergunning in aanmerking een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf en b. de oppervlakte niet meer dan 150 m². Het geschil over het eerste lid spitst zich toe op de voorwaarde dat sprake moet van een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan én, gelet op de ligging buiten de bebouwde kom volgen eisers, de eis dat de oppervlakte niet meer bedraagt dan 150 m². Artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het Bor ziet op de wijziging van het gebruik van een bestaand hoofdgebouw, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten. Het geschil over het negende lid spitst zich toe op de voorwaarde dat de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet mag worden vergroot.
Artikel 4, eerste lid, bijlage II bij het Bor
9. Eisers stellen zich allereerst op het standpunt dat geen sprake is van een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in het eerste lid van artikel 4 van bijlage II bij het Bor. Eisers stellen daartoe dat het te realiseren proeflokaal in het nieuwe bijgebouw niet als bijbehorend bouwwerk kan worden aangemerkt gelet op de definitie van ‘bijbehorend bouwwerk’ in artikel 1, eerste lid van bijlage II bij het Bor. Verder stellen eisers dat het te realiseren proeflokaal niet functioneel verbonden is met de bestaande woning als hoofdgebouw, dat het proeflokaal zelfstandig wordt gebruikt en dat het ook niet als bij de woning behorend bouwwerk kan worden aangemerkt.
9.1.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat artikel 4, eerste lid, van bijlage II bij het Bor niet de beperking bevat dat het moet gaan om een uitbreiding van een al bestaand gebouw. Ook is niet de beperking opgenomen, dat de uitbreiding functioneel of bouwkundig moet zijn te onderscheiden van de rest van het gebouw. Verder heeft de Afdeling overwogen dat uit dit artikel ook niet volgt dat de uitbreiding aan de rest van het gebouw ondergeschikt moet zijn. Voor de toepassing van artikel 4, eerste lid, van bijlage II bij het Bor moet, aldus de Afdeling, simpelweg zijn voldaan aan het vereiste dat sprake is van een ‘bijbehorend bouwwerk’, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor. Dat is het geval, als het gaat om een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. Onder ‘hoofdgebouw’ wordt op grond van artikel 1, eerste lid, bijlage II bij het Bor verstaan: een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder artikel 4, eerste lid, van bijlage II bij het Bor niet kon toepassen. Het te realiseren proeflokaal is naar het oordeel van de rechtbank namelijk geen bijbehorend bouwwerk in de zin van het Bor. De rechtbank motiveert dat oordeel als volgt.
9.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de woning van vergunninghoudster (in ieder geval voor het deel van het proeflokaal dat ligt op het perceel binnen de bestemming ‘Woongebied’) het hoofdgebouw is. Het is overigens ook het enige gebouw op dat perceel.
9.4.
De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat met het te realiseren bijgebouw voor het proeflokaal sprake is van een uitbreiding van de woning als hoofdgebouw of dat sprake zou zijn van functionele verbondenheid tussen de woning en het proeflokaal. De rechtbank overweegt daarover als volgt. Ter zitting is gebleken dat de woning geen enkele rol speelt bij het gebruik van het losstaande proeflokaal en andersom ook niet. Zo verloopt de toegang naar het proeflokaal niet via de woning van vergunninghoudster, maar is er een aparte toegangsweg gerealiseerd op grotere afstand van de woning. Ook is het proeflokaal exclusief bedoeld voor het ontvangen van gasten van het proeflokaal, zijnde de bezoekers van de wijngaard. Die bezoekers komen niet in de woning van vergunninghoudster. Het enkele feit dat verweerder en vergunninghoudster ter zitting hebben gesteld dat sprake is van hobbymatig gebruik omdat de wijngaard (nog) onvoldoende inkomsten zou opbrengen, wat daar ook van zij, acht de rechtbank onvoldoende om functionele verbondenheid aan te nemen tussen de woning en het proeflokaal.
9.5.
Het nieuw te realiseren proeflokaal heeft bovendien een volledig andere gebruiksfunctie dan de woonfunctie van de woning van vergunninghoudster. Het proeflokaal is in essentie een horecagelegenheid en de woning heeft een woonfunctie. Dat het gebruik van het proeflokaal zodanig zou zijn dat het moet worden aangemerkt als ondergeschikt aan de woonbestemming omdat sprake zou zijn van een aan huis gebonden beroep en daarmee sprake zou zijn van functionele verbondenheid, zoals door verweerder is gesteld, volgt de rechtbank ook niet. Ook daar is namelijk voor nodig dat sprake is van een beroep waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Daargelaten of het ontvangen van bezoekers van een wijngaard een beroep als bedoeld in het bestemmingsplan is, moet het gaan om een beroep dat wordt uitgeoefend in de woning. Dat is in het geval van het proeflokaal niet aan de orde.
9.6.
Ook is de rechtbank van oordeel dat het deel van het proeflokaal dat binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ wordt gerealiseerd, niet kwalificeert als een bijbehorend bouwwerk. Immers, niet ter discussie staat tussen partijen dat er zich op dat perceel met die bestemming geen hoofdgebouw bevindt. Zonder hoofdgebouw is er ook geen bijbehorend bouwwerk.
9.7.
De rechtbank is aldus van oordeel dat het proeflokaal geen bijbehorend bouwwerk, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van bijlage II bij het Bor, is. Deze beroepsgrond slaagt. Verweerder heeft het plan alleen al daarom ten onrechte vergund met toepassing van artikel 4, eerste lid, van bijlage II bij het Bor. De rechtbank komt, gelet hierop, niet toe aan de bespreking van de verdere beroepsgronden van eisers die zien op de toepassing van artikel 4, eerste lid, van bijlage II bij het Bor. Meer specifiek gaat het dan over de ligging van het proeflokaal binnen of buiten de bebouwde kom en of voldaan is aan de eis dat de oppervlakte van het proeflokaal niet meer bedraagt dan 150 m².
Artikel 4, negende lid, bijlage II bij het Bor
10. Eisers stellen zich verder op het standpunt dat verweerder ook artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het Bor ten onrechte heeft toegepast. Eisers stellen daartoe dat sprake is van een toename van de bebouwde oppervlakte en het bouwvolume.
10.1.
De rechtbank ziet zich daarom vervolgens voor de vraag gesteld of verweerder artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het Bor kon toepassen voor het gedeelte van het bouwplan dat qua gebruik afwijkt van het bestemmingsplan. Zoals reeds overwogen (onder 8.2 en 8.3) kan
artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het Bor in combinatie met het eerste lid worden toegepast bij de wijziging van het gebruik van een bestaand hoofdgebouw. De rechtbank overweegt op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling dat op grond van het negende lid geen vergunning kan worden verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan gebruiken van een gebouw dat niet feitelijk aanwezig en vergund is.
10.2.
De rechtbank is uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat in dit geval sprake is van een nieuw te realiseren proeflokaal, zonder dat daarbij het gebruik van het reeds bestaande hoofdgebouw wordt gewijzigd. Een gebruikswijziging met toepassing van artikel 4, negende lid in combinatie met het eerste lid van bijlage II bij het Bor is echter, gelet op het voorgaande, naar het oordeel van de rechtbank alleen mogelijk als daarbij ook het gebruik van het reeds bestaande hoofdgebouw, in dit geval de woning van vergunninghoudster, wordt gewijzigd. Hiervan is geen sprake. Zoals reeds overwogen (onder 9.4 en 9.5), wordt het bijgebouw namelijk zelfstandig gebruikt als proeflokaal en wordt het gebruik van de woning van vergunninghoudster hierdoor niet gewijzigd. Nu in dit geval alleen sprake is van een nieuw te realiseren bijgebouw dat qua gebruik afwijkt van het bestemmingsplan, doet de situatie waarin het gebruik van een reeds bestaand hoofdgebouw wordt gewijzigd, waarvoor artikel 4, negende lid, van bijlage II Bor is bedoeld, zich niet voor. Verweerder heeft daarom ook artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het Bor ten onrechte toegepast. Ook deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie
11. Het voorgaande brengt mee dat verweerder de omgevingsvergunning niet mocht verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 2°, van de Wabo in combinatie met de kruimgelgevallenregeling uit artikel 4, eerste en negende lid, van bijlage II bij Bor. De vergunning kon slechts worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 3°, van de Wabo. Verweerder had, gelet op artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de Wabo, de uitgebreide voorbereidingsprocedure moeten volgen, waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. Verweerder heeft het besluit dus ten onrechte voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure. De rechtbank ziet daarom aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen. Dit betekent dat verweerder met in achtneming van deze uitspraak opnieuw op de vergunningaanvraag moet beslissen. Het ligt daarbij op de weg van verweerder om te beoordelen of de omgevingsvergunning alsnog op een andere grondslag kan worden verleend.
11.1.
Gelet op het voorgaande, behoeven de andere beroepsgronden van eisers over strijd met een goede ruimtelijke ordening vanwege de aspecten geluid, parkeren en verkeer, geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond omdat de omgevingsvergunning niet had kunnen worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit te herroepen. Verweerder dient dan ook opnieuw op de aanvraag te beslissen.
12.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1814,- omdat de gemachtigde van eisers een (gezamenlijk) beroepschrift heeft ingediend en is verschenen ter zitting. Van gemaakte proceskosten in de bezwaarfase en van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de bestreden besluiten;
herroept het primaire besluit;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1814,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.A.M. Bergmans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 23 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 23 september 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld uitspraken van 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:744 en 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3875.
Zie bijvoorbeeld uitspraken van 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3875 en 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1515.
Met functionele verbondenheid, als bedoeld in de definitie van bijbehorend bouwwerk in artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor, is bedoeld dat sprake moet zijn van een gebruik van het bijbehorende bouwwerk dat in planologisch opzicht is gerelateerd aan het gebruik van het hoofdgebouw.
Zie bijvoorbeeld uitspraken van 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3875 en 4 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:338.
1 punt voor het indienen van het gezamenlijk beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een wegingsfactor 1. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|