|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2025:6460 | | | | | Datum uitspraak | : | 07-11-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 04-11-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202503922/3/R2 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Bij besluit van 26 september 2023 heeft de minister voor Natuur en Stikstof een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming verleend aan Royal Schiphol Group N.V. (hierna: RSG) voor de exploitatie van luchthaven Schiphol. De Stichting Natuurbeschermingswacht heeft tegen de natuurvergunning beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het beroep van de stichting niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij geen zienswijze tegen het ontwerpbesluit heeft ingediend en geen belanghebbende is. Volgens de rechtbank is de stichting geen belanghebbende, omdat de stichting een zeer ruim geformuleerde doelstelling heeft, maar onvoldoende feitelijke werkzaamheden verricht die verband houden met het besluit tot verlening van de natuurvergunning aan RSG. Hierdoor wordt de stichting niet geraakt in een algemeen belang dat zij, volgens haar statuten en feitelijke werkzaamheden, in het bijzonder behartigt, aldus de rechtbank. De stichting kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank. Volgens de stichting voert zij veel feitelijke werkzaamheden uit en zijn deze raadpleegbaar op haar website. | | Trefwoorden | : | landbouw | | | | Uitspraak | 202503922/3/R2.
Datum uitspraak: 7 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van:
Stichting Natuurbeschermingswacht, gevestigd in Meppel,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juni 2025 in zaak nrs. 23/7413, 23/8122, 23/8219 en 24/722 in het geding tussen:
de stichting,
en
de minister voor Natuur en Stikstof (thans: de staatssecretaris voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur).
Procesverloop
Bij besluit van 26 september 2023 heeft de minister een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming verleend aan Royal Schiphol Group N.V. (hierna: RSG) voor de exploitatie van luchthaven Schiphol.
Bij uitspraak van 4 juni 2025 heeft de rechtbank onder meer het daartegen door de stichting ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.
De stichting heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een natuurvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om een natuurvergunning is ingediend op 1 oktober 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. De minister van Natuur en Stikstof (thans de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) heeft op 26 september 2023 aan RSG een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb verleend voor de exploitatie van luchthaven Schiphol.
De aangevallen uitspraak
3. De stichting heeft tegen de natuurvergunning beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het beroep van de stichting niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij geen zienswijze tegen het ontwerpbesluit heeft ingediend en geen belanghebbende is. Volgens de rechtbank is de stichting geen belanghebbende, omdat de stichting een zeer ruim geformuleerde doelstelling heeft, maar onvoldoende feitelijke werkzaamheden verricht die verband houden met het besluit tot verlening van de natuurvergunning aan RSG. Hierdoor wordt de stichting niet geraakt in een algemeen belang dat zij, volgens haar statuten en feitelijke werkzaamheden, in het bijzonder behartigt, aldus de rechtbank.
Het hoger beroep
4. De stichting kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank. Volgens de stichting voert zij veel feitelijke werkzaamheden uit en zijn deze raadpleegbaar op haar website. De stichting verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 juni 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:3813, omdat daaruit volgens de stichting volgt dat het op de weg van de rechtbank had gelegen om de website van de stichting te raadplegen om te zien welke feitelijke werkzaamheden zij uitvoert. Daarbij vermeld de stichting dat de lijst van feitelijke werkzaamheden niet compleet is, omdat enkele activiteiten geheim zijn. De stichting overlegt naar eigen zeggen met burgers, andere organisaties en Kamerleden en deze besprekingen zijn vertrouwelijk.
Daarnaast zijn beroepen van de stichting vele malen ontvankelijk verklaard in andere zaken en dat had de rechtbank kunnen zien door de website www.uitspraken.rechtspraak.nl te raadplegen, aldus de stichting.
5. Niet in geschil is dat de stichting geen zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit, zodat het beroep van de stichting alleen ontvankelijk is als zij belanghebbende is bij het besluit tot verlening van de natuurvergunning.
6. Voor het antwoord op de vraag of een rechtspersoon die opkomt voor een algemeen belang belanghebbende is bij een besluit, zijn de statutaire doelstelling en de feitelijke werkzaamheden van die rechtspersoon bepalend.
Met artikel 1:2, derde lid, van de Awb heeft de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II 1988/1989, 21 221, nr. 3, blz. 32-35) veilig willen stellen dat verenigingen of stichtingen als belanghebbende kunnen opkomen, mits een algemeen of collectief belang dat zij zich statutair ten doel stellen te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, bij het besluit rechtstreeks is betrokken.
7. Het belang dat de stichting volgens haar statuten behartigt, is een wezenlijke bijdrage leveren aan het beschermen, duurzaam herstellen en verbeteren van de kwaliteit van de natuur, het milieu, het klimaat en leefomgeving, waaronder in ieder geval wordt verstaan het bevorderen van de naleving van bestaande wet- en regelgeving in Europa en in het bijzonder Nederland. Het bewaken en verhogen van de kwaliteit van nieuwe regelingen, maatregelen en beleid in Nederland en Europa en het bevorderen van de tijdige en juiste implementatie van het Unierecht. Het bevorderen van transparantie en het verbeteren van de toegang tot informatie en informatieverstrekking bij- en door overheden en andere organisaties en het bevorderen van de biodiversiteit in Europa, in het bijzonder Nederland alsmede het verhogen van het algemene kennisniveau en publieke bewustzijn. Deze doelstellingen heeft de stichting sinds 6 januari 2023. De stichting verwijst naar haar website voor de feitelijke werkzaamheden die zij zou verrichten om haar doelstellingen te bereiken.
8. Anders dan de stichting meent, heeft de rechtbank in dit geval terecht geoordeeld dat door de ruim geformuleerde doelstellingen, het aan de stichting is om aannemelijk te maken dat zij feitelijke werkzaamheden verricht waardoor zij de belangen die rechtstreeks bij het besluit zijn betrokken, in het bijzonder behartigt.
9. Op de website van de stichting, onder het kopje "activiteiten", staan onder andere de volgende feitelijke werkzaamheden vanaf 1 januari 2023: een beroep van de stichting tegen een biomassacentrale in Meppel, een blog over mest, samenwerkingen met Extinction Rebellion en de vereniging Meten=Weten tegen gewasbeschermingsmiddelen in Drenthe, een interview op RTV Drenthe over recreatie en natuur in die provincie, een interview op EenVandaag over de juridische procedures die de stichting voert. Ook staat genoemd dat de stichting beroep heeft ingesteld tegen de onderhavige natuurvergunning. De Afdeling ziet het bijhouden van de website van de stichting ook als feitelijke werkzaamheden.
10. Uit de feitelijke werkzaamheden zoals beschreven op de website volgt dat de werkzaamheden van de stichting vooral plaatsvinden in en zijn gericht op de provincie Drenthe en voor het merendeel lijken te zien op gewasbeschermingsmiddelen.
Weliswaar zijn de juridische procedures die de stichting voert gericht op een baaierd aan activiteiten, maar alleen het voeren van juridische procedures is onvoldoende om aan te nemen dat de belangen die de stichting in het bijzonder behartigt rechtstreeks zijn betrokken bij de aan RSG verleende natuurvergunning. Ook de stelling van de stichting dat zij overleggen voert met verschillende stakeholders over de implementatie van Europees recht en dat die overleggen geheim zijn, is hiertoe onvoldoende. Door de rechtbank is al gewezen op de mogelijkheid om op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb een verzoek te doen om bepaalde stukken onder geheimhouding te delen met de bestuursrechter. Van deze mogelijkheid heeft de stichting geen gebruik gemaakt.
Voor zover de stichting betoogt dat zij in andere procedures wel ontvankelijk is verklaard in haar beroep, overweegt de Afdeling het volgende. De vraag of de stichting belanghebbende is bij een besluit dient per zaak te worden bezien. Daarbij moet in elke zaak door aan de hand van de statutaire doelstellingen in samenhang met de feitelijke werkzaamheden worden bezien of de belangen die de stichting in het bijzonder behartigt rechtstreeks zijn betrokken het in die zaak voorliggende besluit. Het enkele feit dat beroepen van de stichting bij procedures bij de rechtbank (en de Afdeling) ontvankelijk zijn verklaard bij bepaalde besluiten, betekent dus niet dat zij in dit geval ook belanghebbende is bij dit besluit.
11. Gelet op het voorgaande worden de belangen die de stichting in het bijzonder behartigt niet geraakt door het besluit tot verlening van de natuurvergunning aan RSG. Het bovenstaande betekent dat de rechtbank terecht het beroep van de stichting niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd, voor zover aangevallen door de stichting.
12. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen door Stichting Natuurbeschermingswacht.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud , lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Pistoor, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pistoor
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2025
932 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|