Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:4553 
 
Datum uitspraak:15-07-2026
Datum gepubliceerd:04-11-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:C/17/176505 HA ZA 20-276
Rechtsgebied:Burgerlijk procesrecht
Indicatie:Koper exploiteert een nertsenfokkerij. Deze nertsenfokkerij gaat door brand teniet. Na deskundigenonderzoek stelt de rechtbank vast dat de oorzaak van de brand gelegen is in een transporter die koper vlak voor de brand had gekocht van verkoper om te verhuren aan toeristen. Deze transporter blijkt behept te zijn met een intern gebrek, namelijk een interne fout in één van de batterijen. Verkoper is hiervoor aansprakelijk. De procedure draait vervolgens om de vraag naar de omvang van de door de koper geleden schade.
Trefwoorden:koopovereenkomst
nertsen
 
Uitspraak
RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer: C/17/176505 / HA ZA 20-276


Vonnis van 15 juli 2026


in de zaak van




1 [eiser sub 1] B.V.,
te [vestigingsplaats ] ,2. [eiser sub 2] B.V.,
te [vestigingsplaats ] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] ,
advocaat: mrs. E.J. Eijsberg en M. Ripmeester,

tegen


FRISIAN MOTORS B.V.,
te Bakkeveen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Frisian Motors,
advocaat: mr. C. Banis.





1De procedure


1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 november 2025- de akte na tussenvonnis, tevens akte vermeerdering eis van [eiser 1]- de antwoordakte na tussenvonnis, tevens antwoordakte na vermeerdering van eis van Frisian Motors
- de akte uitlaten productie van [eiser 1] .



1.2.
Ten slotte is weer vonnis bepaald.





2De verdere beoordeling van het geschil


Vermeerdering van eis



2.1.

[eiser 1] heeft bij akte na tussenvonnis, tevens akte vermeerdering van eis haar bij dagvaarding onder IV ingestelde vordering die strekt tot betaling van een bedrag van € 5.455,00 (vermeerderd met rente) vermeerderd met bedragen van € 14.336,00 en
€ 3.856,00. De vordering onder IV strekt - na deze vermeerdering van eis - dus tot betaling van een bedrag van in totaal € 23.647,00 (vermeerderd met rente). Frisian Motors heeft bij antwoordakte na tussenvonnis, tevens antwoordakte na vermeerdering van eis bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging. Anders dan Frisian Motors heeft betoogd, acht de rechtbank deze vermeerdering van eis niet in strijd met de eisen van een behoorlijke procesorde. Het betreffen volgens [eiser 1] de kosten die zij heeft moeten maken voor het uitbrengen van de ná de dagvaarding opgestelde rapportages van de door haar ingeschakelde partijdeskundige [deskundige 1] van [bedrijf 1] , welke kosten door laatstgenoemde pas op 24 december 2025 aan haar zijn gefactureerd (productie 35 bij die conclusie). Anders dan Frisian Motors heeft aangevoerd, hadden die kosten dus niet al veel eerder gevorderd kunnen worden. De rechtbank zal dus recht doen op deze vermeerderde eis.


Uitgangspunten schadebegroting




2.2.
Bij de begroting van de door [eiser 1] geleden schade als gevolg van de brand stelt de rechtbank het navolgende voorop.



2.3.
Als uitgangspunt voor de berekening van de omvang van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding dient dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Hieruit volgt dat de schade in beginsel moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. In beginsel gelden de gewone bewijsregels, waarbij de rechter ingevolge artikel 6:97 BW bevoegd is de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard van deze schade in overeenstemming is, of de schade te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld.



2.4.
Met toepassing van deze normale regels voor de begroting van schade moet er naar het oordeel van de rechtbank in dit geval een vergelijking worden gemaakt tussen de financiële situatie waarin [eiser 1] zich na de brand bevindt (de werkelijke situatie) en de hypothetische situatie waarin [eiser 1] zich zou hebben bevonden indien de brand niet had plaatsgevonden. Aan de stellingen van [eiser 1] over de hypothetische situatie mogen - hoewel op haar de stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade rusten - geen strenge eisen worden gesteld omdat Frisian Motors aan [eiser 1] de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen over wat haar financiële positie zou zijn geweest in de hypothetische situatie. Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het dan ook aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten viel. In dat verband dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft.


De hypothetische situatie




2.5.
Wat betreft de hypothetische situatie waarin [eiser 1] zich zou hebben bevonden indien de brand niet zou hebben plaatsgevonden, overweegt de rechtbank dat redelijkerwijs te verwachten was dat [eiser 1] in dat geval, zoals zij stelt, de nertsenfokkerij had voortgezet tot 8 januari 2021, de dag waarop (vanwege de coronacrisis: 3 jaren vervroegd) een algeheel verbod op de pelsdierfokkerij is afgekondigd. De rechtbank begrijpt de stellingen van Frisian Motors aldus, dat zij zich op het standpunt stelt dat [eiser 1] - indien zij dat besluit ten tijde van de brand al niet had genomen - in de hypothetische situatie (net zoals zij in het werkelijke scenario volgens haar heeft gedaan) zou hebben besloten de nertsenfokkerij niet door te zetten. Dat [eiser 1] dit besluit vóór de brand (en dus los van deze brand) zou hebben genomen is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd door Frisian Motors. Frisian Motors heeft er slechts op gewezen dat [eiser 1] in 2018 de onderhavige transporters heeft gekocht, hetgeen er volgens haar op duidt dat [eiser 1] zich op een andere branche (het toerisme) wilde richten. [eiser 1] heeft hier echter tegen aangevoerd dat zij gelet op het verbod op de pelsdierfokkerij (dat toen nog gepland was per 2024) noodgedwongen haar blik is gaan richten op het aanboren van een alternatieve inkomstenbron. Dat zij voornemens was de pelsdierfokkerij te beëindigen vóór de inwerkingtreding van een dergelijk verbod, blijkt hieruit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Dat [eiser 1] dit besluit op enig later moment zou hebben genomen in de hypothetische situatie dat de brand niet had plaatsgevonden, acht de rechtbank eveneens onvoldoende onderbouwd. Het zou zo kunnen zijn dat de nertsenfokkerij in 2019 en in de jaren daarna in het algemeen niet meer (of minder) lucratief was geworden - wat Frisian Motors heeft gesteld en door [eiser 1] is weersproken - maar het gaat in dit geval om de concrete situatie van [eiser 1] . Dat de nertsenfokkerij voor [eiser 1] vanaf 2019 niet langer lucratief zou zijn geweest en wel zodanig dat [eiser 1] voortijdig (namelijk: vóór het algehele verbod op de nertsenfokkerij) haar nertsenfokkerij zou hebben beëindigd, is naar het oordeel van de rechtbank niet een scenario dat redelijkerwijs te verwachten was. Daarbij wijst de rechtbank erop dat de jaarrekeningen van [eiser 1] een positief beeld lieten zien en uit de berekeningen van beide partijen volgt dat [eiser 1] als gevolg van de brand aanzienlijke bedrijfsschade heeft geleden. Weliswaar heeft Frisian Motors er terecht op gewezen dat dit niet “het gehele verhaal is” omdat [eiser 1] zelf geen eigenaar is van de gebouwen, machines en de inventaris, zodat er in groepsverband (inclusief de eigenaar [eiser 2] ) wellicht een ander financieel beeld zou kunnen bestaan, maar de rechtbank is van oordeel dat de fictieve berekening die Frisian Motors in dit verband heeft gemaakt (productie 16 bij antwoordakte na tussenvonnis, tevens antwoordakte na vermeerdering van eis) onvoldoende is om van de meest “kwade kans” uit te gaan dat in groepsverband zou zijn besloten om “de stekker er vroegtijdig uit te trekken”. Die fictieve berekeningen leiden bovendien tot slechts een gering verlies per fokteef van € 0,36 in 2019. [eiser 1] heeft hier bij akte uitlaten productie een eigen berekening tegenover gezet, waaruit volgt dat er nog steeds sprake zou zijn van zeer lucratieve bedrijfsvoering (een brutowinst van
€ 556.516,00 per jaar bij 5.995 fokteven). Zij heeft daarbij bovendien terecht opgemerkt dat de vaste activa al aanwezig waren en de afschrijvings- en onderhoudskosten gelijk zouden blijven, ongeacht de aanwezigheid van nertsen. De rechtbank zal op grond van het voorgaande dus uitgaan van de hypothetische situatie waarin [eiser 1] haar nertsenfokkerij tot 8 januari 2021 zou hebben voortgezet.


De werkelijke situatie




2.6.
Wat betreft de werkelijke situatie staat vast dat [eiser 1] de bij haar aanwezige nertsen in november 2018 heeft geruimd. Ook staat vast dat zij daarna - tot het verbod op de nertsenfokkerij per 8 januari 2021 - haar normale activiteiten (de nertsenfokkerij) niet meer heeft uitgeoefend. Zij heeft enkel nog enige tijd pensionnertsen gehouden, met welke opbrengsten [eiser 1] rekening heeft gehouden bij de berekening van haar schade.


Schadebeperkingsplicht




2.7.
Uit de stellingen van Frisian Motors volgt dat zij van mening is dat (eventueel) geleden bedrijfsschade van [eiser 1] in de jaren 2019 en 2020 aan haar zelf te wijten is omdat zij niet schadebeperkend heeft gehandeld. In feite komt dit verweer er op neer dat bij de onder 2.4. bedoelde vergelijking de hypothetische situatie niet moet worden vergeleken met de hiervoor onder 2.6. weergegeven werkelijke situatie maar met een andere hypothetische situatie, namelijk de situatie die volgens Frisian Motors in werkelijkheid had moeten optreden indien [eiser 1] aan haar schadebeperkingsplicht had voldaan.



2.8.
De rechtbank stelt voorop dat de schadebeperkingsplicht inhoudt dat de benadeelde binnen redelijke grenzen gehouden is tot het nemen van maatregelen ter beperking van schade. De schadebeperkingsplicht wordt wel aangeduid als een species van de eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW. Artikel 6:101 BW bepaalt dat, wanneer de schade een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade over benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Daarop kan nog de billijkheidscorrectie worden toegepast. Anders dan bij de “gewone eigen schuld”, waarbij het gaat om het bestaan (intreden) van de schade, gaat het bij de schadebeperkingsplicht om de omvang van de schade. Er dient voldoende causaal verband te zijn tussen de gedraging van de benadeelde en de verzwaring van de schadelijke gevolgen eer sprake kan zijn van een schending van de schadebeperkingsplicht. Daarvan is sprake als de schade, althans een deel daarvan, mede in zodanig verband staat met de omstandigheden van de zijde van de benadeelde, dat het redelijk is deze schade als een gevolg van die omstandigheden aan de benadeelde toe te rekenen. De bewijslast ten aanzien van eigen schuld (en dus ook ten aanzien van het beroep op het niet naleven van een schadebeperkingsplicht) rust (in beginsel) op degene die zich op eigen schuld van de wederpartij beroept, in dit geval op Frisian Motors.


Seizoen 2019




2.9.
Ten aanzien van het seizoen 2019 heeft Frisian Motors gesteld dat [eiser 1] niet aan haar schadebeperkingsplicht heeft voldaan door er niet voor zorg te dragen dat zij in dat seizoen beschikte over nieuwe nertsen. Vast staat dat [eiser 1] haar nertsen - die als gevolg van de brand kampten met gezondheidsproblemen - in november 2018 heeft geruimd en dat dit moment te laat was om nog voor het nieuwe seizoen 2019 nieuwe nertsen te kopen omdat in oktober de selectie van de nieuwe moederdieren al plaatsvindt. Volgens Frisian Motors had het al vóór deze selectie in oktober 2018 voor [eiser 1] duidelijk moeten zijn dat zij tot vervanging van haar nertsen over moest gaan. Indien zij daartoe eerder (namelijk vóór oktober 2018) had besloten, had zij tijdig tot aanschaffing van nieuwe nertsen kunnen overgaan, aldus nog steeds Frisian Motors.



2.10.

[eiser 1] heeft naar aanleiding van een vraag van de rechtbank in het tussenvonnis van 12 november 2025 over de toen al in het geding gebrachte verklaring van haar dierenarts [dierenarts] van 20 februari 2025, bij akte na tussenvonnis, tevens akte vermeerdering eis een nadere verklaring van deze dierenarts van 30 december 2025 (productie 32 bij genoemde akte) in het geding gebracht. Uit die verklaring volgt dat het niet goed te voorspellen is of, wanneer en in welke mate verstoringen in een eerdere periode uiteindelijk gevolgen gaan hebben. Nertsen zijn in de ruiperiode - die in het algemeen eind september/begin oktober begint en enkele weken aanhoudt - volgens hem gevoeliger voor verstoringen die op dat moment of eerder hebben plaatsgevonden. [dierenarts] heeft bovendien uiteengezet dat het als nertsenfokker moeilijk is om op een gegeven moment een beslissing te nemen over het vervangen van de fokdieren. Een zorgvuldig opgebouwd fokbestand gaat dan teniet en je weet nooit zeker of de vervangende fokdieren op jouw bedrijf het net zo goed zullen doen. Volgens [dierenarts] heeft hij destijds telefonisch contact gehad met [eiser 1] (dhr. [eigenaar eiser sub 2] ) en kon hij op basis van het beeld dat ontstond in de ruiperiode de keuze van [eiser 1] voor een nieuw fokbestand goed begrijpen. [dierenarts] heeft hier bovendien aan toegevoegd dat dit besluit volgens hem gezien de omstandigheden niet veel eerder genomen had kunnen worden dan in oktober 2018, omdat de mogelijke gevolgen van de brand (onder andere het watertekort) toen pas zichtbaar werden. Frisian Motors heeft de juistheid van deze verklaring naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd weersproken. In het licht van deze verklaring is de rechtbank van oordeel dat van [eiser 1] in redelijkheid niet gevergd had kunnen worden dat zij de vergaande beslissing om haar zorgvuldig opgebouwde fokbestand teniet te doen al vóór oktober 2018 nam. Dat is immers helemaal aan het begin van de ruiperiode, terwijl juist in die periode de eventuele gevolgen van de brand (beter) zichtbaar zouden worden. Van [eiser 1] kon in redelijkheid niet gevergd worden dat zij een overhaast besluit zou nemen over haar zorgvuldig opgebouwde fokbestand, zeker nu uit de verklaring van [dierenarts] volgt dat het nog maar de vraag zou zijn of het alternatief (een nieuw nertsenbestand) goed zou uitpakken.



2.11.
Het beroep door Frisian Motors op het niet voldoen aan de schadebeperkingsplicht door [eiser 1] gaat ten aanzien van dit punt dus niet op. Dit houdt in dat bij het maken van de onder 2.4. bedoelde vergelijking in zoverre kan worden uitgegaan van de werkelijke situatie, namelijk de situatie waarin [eiser 1] in het seizoen 2019 niet de beschikking had over een nieuw nertsenbestand en zij haar normale bedrijfsactiviteiten (de nertsenfokkerij) in dat seizoen dus niet heeft kunnen uitoefenen.


Seizoen 2020




2.12.
Ook ten aanzien van het seizoen 2020 heeft Frisian Motors gesteld dat [eiser 1] niet heeft voldaan aan haar schadebeperkingsplicht en dat het dus aan haar zelf te wijten is dat zij haar normale activiteiten niet heeft kunnen uitoefenen.



2.13.
Volgens [eiser 1] is de verklaring voor de omstandigheid dat zij ook in dit seizoen niet over een nieuw nertsenbestand kon beschikken gelegen in de omstandigheid dat zij weliswaar moederdieren had gekocht in Denemarken maar dat deze moederdieren (met pups) vervolgens door de Covid-19 maatregelen niet naar Nederland konden worden getransporteerd.



2.14.
Frisian Motors heeft betwist dat [eiser 1] moederdieren had gekocht in Denemarken. Zij heeft er daarbij op gewezen dat [eiser 1] - ook na een vraag van de rechtbank in het tussenvonnis van 12 november 2025 - heeft volstaan met het in het geding brengen van een door de beweerde Deense verkoper en door [eiser 1] zelf ondertekende schriftelijke verklaring van 18 november 2025 (productie 33 bij akte na tussenvonnis, tevens akte vermeerdering eis) over de beweerdelijk in september 2019 mondeling (telefonisch) gesloten koopovereenkomst. Zij heeft daarbij haar verbazing uitgesproken dat er van deze beweerde koopovereenkomst geen nadere stukken, zoals een schriftelijke koopovereenkomst, voorhanden zijn.



2.15.
De rechtbank overweegt dat uit de hiervoor bedoelde stellingen van partijen kan worden afgeleid dat Frisian Motors zich op het standpunt stelt dat het op de weg van [eiser 1] had gelegen om haar schade te beperken door de koop van nieuwe nertsen in 2019 voor het seizoen 2020 en dat [eiser 1] op zichzelf niet betwist dat dit inderdaad op haar weg had gelegen. [eiser 1] stelt zich echter op het standpunt dat zij aan die verplichting heeft voldaan maar dat dat door een externe oorzaak - het vervoersverbod in het kader van de Covid-19 maatregelen - niet het beoogde gevolg heeft gehad. De rechtbank overweegt voorts dat Frisian Motors op zichzelf niet heeft weersproken dat indien [eiser 1] daadwerkelijk de door haar gestelde koopovereenkomst met de Deense verkoper heeft gesloten, [eiser 1] daarmee de juiste weg heeft bewandeld. Het betrof de koop van fokteven waarbij tevens afspraken met deze verkoper zouden zijn gemaakt over het dekken van die teven en over het transport naar Nederland van die teven met pups. Ook heeft Frisian Motors niet weersproken, zoals [eiser 1] bij akte na tussenvonnis, tevens akte vermeerdering eis heeft uiteengezet, dat een eerder transport dan juni/juli 2020 niet mogelijk was in verband met de jaarcyclus van de nerts, het welzijn van de dieren en de wettelijke regels op grond waarvan de pups pas na 8 weken getransporteerd mogen worden. Bovendien is niet tussen partijen in geschil dat in juni/juli 2020 een algeheel vervoersverbod voor pelsdieren gold in verband met de Covid-19 maatregelen, welk verbod namelijk al op 28 mei 2020 was ingegaan. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een bewijsopdracht over de vraag of [eiser 1] daadwerkelijk een koopovereenkomst met de door haar genoemde Deense verkoper had gesloten in de door haar bedoelde zin, niet opportuun is. Op grond van het voorgaande kan immers worden vastgesteld dat het voor [eiser 1] gelet op de Covid-19 maatregelen (het vervoersverbod) niet mogelijk was om haar schade voor het seizoen 2020 te beperken.



2.16.
Het beroep door Frisian Motors op het niet voldoen aan een schadebeperkingsplicht door [eiser 1] gaat ook ten aanzien van dit punt dus niet op. Dit houdt in dat bij het maken van de onder 2.4. bedoelde vergelijking ook in zoverre kan worden uitgegaan van de werkelijke situatie, namelijk de situatie waarin [eiser 1] in het seizoen 2020 niet de beschikking had over een nieuw nertsenbestand en dus haar normale bedrijfsactiviteiten (de nertsenfokkerij) ook in het jaar 2020 niet heeft kunnen uitoefenen.


Het vervolg




2.17.
De rechtbank gaat er vooralsnog van uit dat met het voorgaande de belangrijkste geschilpunten tussen partijen op het punt van de schadebegroting zijn beslecht. Partijen hebben zich beiden op het punt van de begroting van de schade laten bijstaan door partijdeskundigen, [eiser 1] door [deskundige 2] (werkzaam bij [bedrijf 2] ) en [deskundige 1] (werkzaam bij [bedrijf 1] ) en Frisian Motors door [deskundige 3] , voorheen werkzaam bij [bedrijf 3] en inmiddels bij [bedrijf 4] . De rechtbank gaat er vooralsnog van uit dat deze deskundigen in staat zullen zijn om in onderling overleg en aan de hand van al hetgeen hiervoor is overwogen tot een gezamenlijke berekening van de schade van [eiser 1] te komen. Tegelijkertijd realiseert de rechtbank zich dat partijen ook over andere (kleinere) punten, die meer liggen op het vlak van berekeningen en de toegepaste methodieken, verschil van mening hebben. De rechtbank ziet hierin aanleiding om voor het geval partijen niet (in het geval van een regeling) tot doorhaling van de zaak overgaan, de zaak naar de rol te verwijzen voor akte aan de zijde van beide partijen. Zij worden verzocht daarin een opgave te doen van de nog tussen hen resterende geschilpunten waarover zij een oordeel van de rechtbank wensen. Het is daarbij niet de bedoeling om de inhoudelijke discussie op die punten te heropenen. Ook worden zij verzocht om aan te geven of zij prijs stellen op een mondelinge behandeling over die punten, waarbij ook een minnelijke regeling kan worden beproefd of dat zij vonnis wensen. Partijen worden verzocht om een concept van hun akte twee weken vóór de roldatum naar de wederpartij te zenden zodat zij in hun definitieve akte ook kunnen reageren op de (concept)akte van de wederpartij.



2.18.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.





3De beslissing

De rechtbank


3.1.
verwijst de zaak naar de rol van woensdag 26 augustus 2026 voor akte aan de zijde van beide partijen zoals hiervoor onder 2.17 bedoeld,



3.2.
bepaalt dat partijen uiterlijk twee weken vóór de hiervoor genoemde roldatum een concept van hun akte aan de wederpartij zullen zenden, zodat zij in hun akte ook kunnen ingaan op de (concept)akte van de wederpartij,



3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Biesma, voorzitter, mr. T.P. Hoekstra en mr. P. van Eijk en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
82



Conclusie van A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2025:1328) voor Hoge Raad 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:232 onder 3: “Inleidende beschouwingen over schadebegroting”


HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1388 (Sports Entertainment Group Football BV)


A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2010:BL4084) voor HR 23 april 2010 ECLI:NL:HR:2010:BL4084
Link naar deze uitspraak