|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2026:6083 | | | | | Datum uitspraak | : | 22-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 06-11-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 200.329.002 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2024:5741. Internationale koop (Weens Koopverdrag). Non-conformiteit. Het Nederlandse bedrijf DWC heeft aan het Indonesische bedrijf PTSL aardbeien-moederplanten en framboos-productieplanten geleverd. In de periode van 2013 tot en met 2016 heeft PTSL veel last gehad van infectie van de planten met de schimmels Fusarium en Rhizoctonia. Zij stelt dat deze schimmels aanwezig waren bij de aflevering door DWC van de planten. Na bewijslevering oordeelt het hof dat van één zending kan worden vastgesteld dat de aardbei-moederplanten bij aflevering besmet waren met deze schimmels en dat deze besmetting heeft geleid tot ziekte en sterfte van de planten. Ten aanzien van die zending wordt de vordering tot prijsvermindering en tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat toegewezen. Verder worden DWC en haar bestuurder veroordeeld tot schadevergoeding nader op te maken bij staat doordat zij een onderzoeksrapport hebben vervalst. De vorderingen uit productenaansprakelijkheid en uit tekortschieten in de adviesrelatie worden afgewezen. | | Trefwoorden | : | gewassen | | | kwekerij | | | uitkering | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.329.002
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 374297)
arrest van 22 september 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar Indonesisch recht
P.T. Strawberindo Lestari
die is gevestigd in Jakarta, Indonesië
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, verweerster in het incident
hierna: PTSL
advocaat: mr. B.D. Bos
tegen
1 [DWC]
die is gevestigd in Rossum, gemeente Maasdriel
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, eiseres in het incident
2. Killiberry B.V.
die is gevestigd in Rossum, gemeente Maasdriel
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiseres in het incident
3. Kwekerij De Westerbouwing B.V.
die is gevestigd in Rossum, gemeente Maasdriel
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiseres in het incident
4. [de bestuurder]
die woont in [woonplaats1]
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiser in het incident
5. [echtgenote]
die woont in [woonplaats1]
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiseres in het incident
die allen ook hoger beroep hebben ingesteld
hierna: gezamenlijk DWC c.s. en ieder afzonderlijk DWC, Killiberry, De Westerbouwing, [de bestuurder] en [echtgenote]
advocaat: mr. L. Koning
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 22 april 2025 hebben DWC c.s. op 16 oktober 2025 een getuige en een partijdeskundige doen horen. Op 23 maart 2025 hebben de tegengetuigenverhoren aan de zijde van PTSL plaatsgevonden. Ten behoeve van de verhoren hebben beide partijen producties overgelegd. DWC c.s. hebben daarna een memorie na enquête genomen - waarbij opnieuw producties zijn overgelegd - en PTSL een antwoordmemorie na enquête. Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
2De verdere toelichting op de beslissing van het hof
Het geschil in conventie; de bewijsopdracht
2.1.
Het hof heeft DWC c.s. toegelaten tot het navolgende tegenbewijs:
2.1.1.
laat DWC c.s. toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands als vaststaand aangenomen feit dat de schimmels Fusarium en Rhizoctonia al op het moment van risico-overgang (de afgifte aan de eerste vervoerder in Rossum) op de aardbei-moederplanten van de leveringen 1, 5 (2013), 7, 12 (2014) en 15 (2016) aanwezig waren en bij de aardbei-moederplanten (en de dochter- en productieplanten) tot ziekte en sterfte hebben geleid;
2.1.2.
laat DWC c.s. toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands als vaststaand aangenomen feit dat DWC in de persoon van [de bestuurder] de rapportage van Relab den Haan van 3 december 2015 heeft vervalst en de vervalste rapportage bij de e-mail van 5 december 2015 heeft meegezonden;
2.2.
PWC c.s. hebben [de zoon] als getuige en [de partij-deskundige] als deskundige laten horen. PTSL heeft [de zoon, koper] , [de vader, koper] en [de technische directeur] als getuigen laten horen.
Aanwezigheid van de schimmels Fusarium en Rhizoctonia op de aardbei-moederplanten
2.3.
Het hof zal eerst het onder 2.1.1 genoemde bewijsthema met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van Fusarium en Rhizoctonia op de aardbei-moederplanten bespreken. Getuige [de zoon] (hierna: [de zoon] ) heeft daarover samengevat weergegeven en voor zover relevant het volgende verklaard. [de zoon] is van januari 2015 tot en met mei 2015 op de kwekerij van PTSL geweest, alwaar hij heeft gewerkt als problemsolver. Vanaf februari 2015 is hij betrokken geweest bij de teelt van aardbeien. [de zoon] heeft daarvoor een nieuwe methode geïntroduceerd die inhield dat een plantje, anders dan voorheen, direct van de moeder werd verwijderd en in beschermende omstandigheden op zichzelf moest staan. Hij heeft ziekte of sterfte van planten waargenomen. De eerste vier tot zes weken zag de plant er mooi uit. Naarmate het gewas ouder werd, gingen er steeds meer planten dood. Het probleem ontstond op het moment dat de plant vrucht moest gaan dragen. Dan werd er te veel van de plant gevraagd en viel zij uit. De planten van verschillende grootte stonden door elkaar en te dicht op elkaar. Daarom was het moeilijk om iedere plant de voor die plant vereiste hoeveelheid water te geven en ook om de ruimte te ventileren. Daardoor was het vochtig. De planten die [de zoon] op zijn manier had geproduceerd, toonden minder uitval. Dat waren planten die door PTSL waren geproduceerd uit moederplanten van DWC. De ervaring leert dat aardbeien erg gevoelig zijn voor natte voeten. Dan zijn ze vatbaarder voor ziektes. Een groot pluspunt van de nieuwe methode van [de zoon] is volgens hem dat de dochters, omdat zij tegelijk van de moeder worden verwijderd en op een productieveld worden geplant, ieder evenveel water krijgen. Er is een lager risico op besmetting met Fusarium en Rhizoctonia in de nieuwe methode, want er is een lager risico op infectie tijdens de watergift. Het open klimaat voor de dochters is ook beter voor het voorkomen van besmetting. [de zoon] heeft zich in Indonesië voor het eerst bezig gehouden met besmetting door Fusarium en Rhizoctonia. Hij is er geen specialist in. Zoveel ziekte en sterfte had hij nog niet eerder gezien. Volgens hem was het een goed idee dat PTSL alle goten, waarin potten stonden, heeft voorzien van plastic of bamboe-ringen die ervoor zorgden dat het overtollige water makkelijker wegspoelden uit de potten. Daarmee voorkwam je dat de potten in het water stonden en ook dat een infectie in een hoger gelegen pot zich uitbreidde tot lager gelegen potten. Hij heeft gezien dat de planten uit Nederland eerst in de koeling werden gezet. Zij worden overgeplaatst naar de plantenproductiekas, zodra er ruimte was. Zij worden dan in potten – “broodjes” – met substraat gedaan. Vervolgens duurde het een maand voordat de planten begonnen te groeien. Na twee tot drie maanden werden de dochters losgemaakt van de moederplanten en verhuisden ze naar een soort wachtkas, waar het goed doorwoei. Daar konden de planten afharden. Als er weer ruimte in de productiekas was, werden ze in de goten geplaatst. Het hele proces duurde vier tot zes maanden. De aardbei-moederplanten werden na de vermeerderingsfase vernietigd. De kas werd gereinigd voordat nieuwe moederplanten werden geplaatst. Bij het schoonmaken werd net als in Nederland formaline gebruikt. Het is mogelijk dat cocopeat een potentiële besmettingsbron is. De cocopeat werd gesourced vanuit verschillende locaties en daar lag het open en bloot in de natuur. Daar kan potentieel een infectie optreden. Toen [de zoon] er was, was al duidelijk dat de planten niet te diep geplant moesten worden. Toch viel het hem op dat de planten nog steeds te diep werden geplant. Hij had het gevoel dat de mensen niet precies wisten wat de juiste diepte was. Als er zieke planten waren dan hoopte je dat de plant door het wegsnijden van een gespleten kroon het zou redden. Als zij 100% dood was, dan werd ze weggehaald. Als noodmaatregel werd dan op die plaats een dochter geplaatst. Het is wel een risico om planten te plaatsen op de plek waar een geïnfecteerde plant heeft gestaan.
2.4.
[de partij-deskundige] , die adviseur hard en zacht fruit bij Delphy is en die niet bij de gebeurtenissen betrokken was, heeft samengevat weergegeven en voor zover relevant het volgende verklaard. [de partij-deskundige] is adviseur voor teeltbedrijven. Hij doet schadetaxaties. In Nederland zorgt Fusarium niet voor problemen. [de partij-deskundige] heeft in de Amerikaanse literatuur opgezocht wat de stand van zaken is. Rhizoctonia is een schimmel die vaker voorkomt en die goed gedijt in vochtige omstandigheden, bijvoorbeeld rond de voet van de plant. Fusarium bestaat uit meer dan 300 soorten. Fusarium oxysporum fragariae is het enige type dat bij aardbeien schade kan aanrichten. Het is jammer dat Relab den Haan niet heeft opgenomen welke variant van Fusarium is aangetroffen op de planten van PTSL. Bij besmetting met Fusarium verwelken de bladeren, omdat het vocht niet meer naar boven kan. Bij Rhizoctonia solani zie je rode steeltjes, bij Rhizoctonia fragariae zwarte wortels. Besmetting met schimmels komt vaak door natte omstandigheden, zoals nat substraat of te natte grond. Dan krijgen de sporen een kans. Schimmelsporen kunnen in de grond zitten of hangen in de lucht. Zij kunnen overal vandaan komen. “Soilborne” wil zeggen dat dat type in de grond voorkomt. Dat betekent niet dat de schimmel niet ook in de lucht kan zitten. De schimmel kan ook met handen of gereedschap worden verspreid, of door water. Goede hygiëne is daarom heel belangrijk. Als de uiterlijke kenmerken van schimmelinfectie optreden (verwelking, rode steeltjes) kan gewasbescherming worden ingezet. Door analyse kan een schimmelinfectie worden vastgesteld voordat de uiterlijke symptomen zichtbaar zijn. Hij adviseert om kleine beetjes water verspreid over een dag toe te dienen. Dat voorkomt dat er te veel vocht is en het substraat te nat blijft. Ook een te droge plant kan ziek worden. Er worden hoge eisen gesteld aan het substraat: het mag niet te zout zijn. Er zijn veel omstandigheden van invloed, zoals temperatuur en luchtvochtigheid van de kas. Als de luchtvochtigheid te hoog is (boven 70-80%), kan de plant de normale stofwisseling niet kwijt en is het voor haar moeilijk om adem te halen. [de partij-deskundige] is geen expert in de teelt van planten in tropische omstandigheden. Hij is niet in Indonesië geweest en heeft de data van die locaties niet gekregen. Als planten in de ene zending besmet raken en in de andere niet, dan kan dat liggen aan transport en opslag. Een plant die in januari wordt geleverd reageert anders dan een plant die in maart wordt geleverd, omdat het klimaat dan anders kan zijn. De foto’s laten zien dat er bruine verkleuring is van het rizoom en dat klopt met hetgeen in de literatuur wordt beschreven. Op de moederplanten heeft [de partij-deskundige] niet gezien dat deze verwelkten, dat zou je wel verwachten. Dat zag hij wel bij de productieplanten. Dan ben je wel verder in de cyclus en dat kan je moeilijk herleiden tot de moederplant. Het beeld dat past bij de foto’s die zijn getoond aan [de partij-deskundige] , kan Fusarium zijn, maar ook Pestalotiopsis of Phytophtora. Je verwacht Fusarium in eerste instantie niet, omdat het een zwakke schimmel is. Je kunt planten behandelen tegen Fusarium, bijvoorbeeld met Topsin (niet meer in Nederland toegelaten), op het moment dat je ze in het substraat zet. Een alternatief is Ridomil, dat ook niet meer is toegelaten in Nederland. Hoe dat zit in Indonesië weet [de partij-deskundige] niet. Tegen Fusarium kan in principe niets curatief worden gedaan. Tegen Rhizoctonia kunnen preventief middelen tegen meeldauw en botritis worden ingezet. Er zijn ook middelen (met Fosetyl) die curatief werken. Die middelen worden door de plant opgenomen en de plant kan het transporteren. Andere middelen moet je op de bodem brengen of moet je op het blad spuiten. Fusarium is geen probleem in Nederland, maar bijvoorbeeld wel in Californië. De incubatietijd van Fusarium bij warme temperaturen is 3-7 dagen, wat heel kort is. De als productie 7 overgelegde werkwijze klopt vrij goed. Cocopeat wordt in de aardbeienteelt in Nederland uitgebreid behandeld, omdat het zoutgehalte niet te hoog mag zijn. De concentraties kalium, natrium en magnesium moeten worden gebufferd. Op de foto’s ziet [de partij-deskundige] dat er geen gecertificeerde grond wordt gebruikt, en dat PTSL zelf buffert. De vraag is dan of dat effectief en voldoende gebeurd is: er is geen controle op. Het watergebruik lijkt hem goed. Omdat er geen analyse is van het water kan hij niet vaststellen of het geschikt is voor aardbeien. PTSL gebruikt potjes van piepschuim. Het is belangrijk dat die niet worden hergebruikt, want die krijg je niet goed schoon. Het personeel selecteert de planten, maar volgens hem moet de manager dat doen. [de partij-deskundige] heeft nog iets gelezen over opslag van planten in een ULO (Ultra Low Oxygen) koelcel. Dat is opvallend, want een ULO koelcel gebruik je om fruit te bewaren, niet planten, omdat die zuurstof nodig hebben. De foto’s in de rapportages van Relab den Haan waren van heel ziek materiaal. Het is beter om planten in te sturen die half ziek zijn. De actie die je moet nemen als je Fusarium of Rhizoctonia aantreft, hangt af van het stadium. Als je het vindt in moederplanten, moet je die isoleren en verwijderen. Als de schimmel in spoorvorm wordt aangetroffen, probeer je de plant zo goed mogelijk te behandelen en stress te voorkomen en overige preventieve maatregelen te nemen. Rhizoctonia op een moederplant gaat niet automatisch over op een dochterplant. Dat kan alleen via sporen. Het middelengebruik is gemeten aan de oppervlakte van de kas extreem hoog.
2.5.
Getuige [de zoon, koper] (hierna: [de zoon, koper] ) heeft samengevat weergegeven en voor zover van belang het volgende verklaard. Hij heeft in het veld de schimmels gezien, hoe de ziekte zich ontwikkelde en wat voor een impact dat had. Hij heeft de schimmels gezien in de planten die PTSL zelf had vermeerderd en die werden uitgeplant in de productiekassen. Opvallend was dat de planten er meestal gezond uitzagen en goed groeiden tot rond de bloei na drie tot zes weken. Dan begonnen de planten ineens te verwelken en af te sterven. Bij elke bloei (flush) werden dit meer planten, aanvankelijk 10 tot 20%, bij de volgende flush weer 10-20% en daarna weer. Na een aantal maanden was er nog maar weinig over van de planten. Bij het doorsnijden van de planten zat er een roodbruine kern in. Dat was het gevolg van Fusarium oxysporum. Soms bleven planten klein en een bossig uiterlijk vertonen, met kleine blaadjes, welke verschijnsel “stunting” heet. Deze symptomen associeerde [de zoon, koper] op basis van de literatuur met Rhizoctonia. Het begon in 2013. Toen de ziektes begonnen te ontstaan dacht PTSL dat het Phytophtora was. Dat was eerder gesignaleerd bij de frambozen. Er zijn toen veel maatregelen getroffen om de situatie te verbeteren, zoals het verbeteren van de drainage van de containers waarin het fruit staat. Ook werden er fungiciden ingezet (Ridomil, Previcur). Het hielp niets. Men wist niet meer wat er aan de hand was. Dat duurde tot november 2015. Uit het rapport van Relab den Haan volgde dat er een grote mate van besmetting met Rhizoctonia en Fusarium was. Dat was nieuw voor PTSL. Als een productievak voor een groot deel is afgestorven, wordt het vroegtijdig geruimd. Normaal is een productievak een tot anderhalf jaar in gebruik. Als er veel sterfte is, wordt dat niet gehaald. In veel gevallen werd al na zes maanden geruimd en werden de planten vernietigd. Vervolgens werden nieuwe planten uit onze vermeerdering geplant met nieuwe cocopeat. Deze versnelde inzet van planten zorgde voor een tekort aan planten. Als een plant ziek wordt en doodgaat wordt die verwijderd, maar de rest blijft staan. Idealiter wordt alles geruimd en begin je opnieuw. Dat is wel gebeurd, maar door een tekort aan planten was dat niet altijd mogelijk. Dat was ook financieel niet haalbaar. In de periode van besmettingen is gewerkt met formaline als ontsmettingsmiddel. Na de ontsmetting werden de containers gevuld met nieuw en ongebruikt cocopeat. Daarna werden de planten geplant. Vanaf medio 2015 zijn er geen piepschuim bakken meer gebruikt. De hier beschreven methode werd gebruikt voor moederplanten en productieplanten. De cocopeat kwam van een leverancier uit Zuid-Java, een kokosplantage. Bij ontvangst werd de cocopeat gewassen. Die werkwijze is gestart in de periode van de besmettingen, vermoedelijk in 2014. Daarna werd de cocopeat gebufferd, dat wil zeggen voorzien van nutriënten. De cocopeat hoefde niet behandeld te worden tegen schimmels. Wanneer de jonge planten werden geplant, werd er Ridomil aan het irrigatiewater toegevoegd, zodat het in de cocopeat terechtkwam. In de periode van de besmettingen was er een chronisch tekort aan planten. Als er nog iets geoogst moest worden, bleven planten staan. De schimmel die in de kwekerij van PTSL is aangetroffen is wel degelijk de voor aardbeien schadelijke variant van Fusarium. De rode kernen in de stelen wordt veroorzaakt door deze variant. De methode van [de zoon] was al bij PTSL bekend en is eerder toegepast. Het voordeel van herintroductie was dat er meer planten konden worden hergebruikt. De uitval bleef echter hetzelfde. Er werd voor gezorgd dat het substraat luchtig bleef, dus dat is niet de oorzaak van de sterfte geweest. De ringen onder de bakken zorgden ervoor dat het nooit te nat was. Vocht is geen oorzaak van besmetting met Fusarium. Omdat de schadelijke variant van Fusarium waardplantspecifiek is, moet die van andere aardbeien zijn gekomen. Er zijn in de buurt van PTSL geen andere aardbeientelers. Omdat Fusarium en Rhizoctonia bodemgebonden ziektes zijn, besmetten zij andere planten via de bodem. Het cocopeat is getest op aanwezigheid van de schimmels, maar die bleken daarin niet aanwezig te zijn. De besmettingen zijn in 2016-2017 afgenomen. Daarna zijn niet meer de problemen, zoals die in 2013-2015 waren opgetreden. De aardbeiplanten werden niet in de ULO-cellen bewaard, maar in conventionele koelcellen.
2.6.
Getuige [de vader, koper] (hierna: [de vader, koper] ) heeft samengevat weergegeven en voor zover relevant het volgende verklaard. Hij vond het idee van [de zoon] goed. Na drie à vier maanden bleek echter dat alle planten van het experiment doodgingen, dus er was geen verbetering te zien. Het systeem met het verbonden laten van de dochterplanten aan de moederplanten heeft PTSL jarenlang toegepast. Dat ging goed tot 2013. Toen ontstonden de problemen en daalde de productiviteit. Op den duur werd dit heel slecht. Tot de eerste DNA-analyses was onbekend wat de oorzaak was. Er werd geacht aan Phytophthora, te hoge zoutgehaltes of irrigatieproblemen. In de dode planten troffen we rode kernen in het rizoom aan. Relab den Haan vertelde dat de infectie genezen kon worden. Er werd rigoureus gespoten tegen de schimmels. [de bestuurder] gaf aan dat Fusarium niet dodelijk is, dat de oorzaak was gelegen in stress onder de planten. Fusarium en Rhizoctonia zijn bodemschimmels. PTSL heeft er geen rekening mee gehouden dat dit in het bedrijf zou optreden, omdat er niet in de bodem werd geteeld. Inmiddels is Fusarium een enorm probleem geworden. Schimmels vermeerderen zich via sporen en ook via stolonen. Daardoor krijgen de dochterplanten de besmetting van de moederplant. Planten werden ziek in het vermeerderingsproces. Er werd dan door PTSL gespoten. Als er symptomen waren, werd de plant uit de productiekas gehaald. Er stierven veel runners af. De verliezen werden steeds groter. [de bestuurder] is een aantal malen langs geweest en heeft de situatie kunnen zien. Moederplanten vielen af en toe uit en werden dan vervangen door runners. Bij binnenkomst werden de planten van DWC in een koelcel van -2 of -3 graden gezet. De moederplanten werden per batches geplant. Dan werd alles verschoond en ontsmet (trays met de cupjes). De bak werd ook ontsmet. Er werd nieuwe cocopeat gebruikt. Dit werd twee keer per jaar gedaan. Tussentijds werd gespoten. Nadat bekend was dat Fusarium en Rhizoctonia de oorzaak van de uitval waren, is het proces aangepast. Er waren twee kassen met moederplanten en een droge, open kas met veel beluchting, waar de dochterplanten werden geplaatst voor afharding. Dat proces duurde drie maanden, waarna de planten in de productiekas werden geplaatst. Er werd altijd al ontsmet. Door de schimmelinfecties is dat proces misschien intensiever geworden. Op veel punten is [de vader, koper] het niet eens met [de partij-deskundige] . Toen PTSL nieuwe variëteiten van een andere teler kreeg, loste het probleem zich vanzelf op. De sterfte van het materiaal uit Groningen lag absurd hoog. Bij Rhizoctonia sterft vaak de hoofdkroon af en dan krijg je neuzen die eruit schieten. De dichtstbijzijnde aardbeienteler is op een afstand van 15 à 17 km. PTSL betrekt sinds 2007 haar cocopeat van een leverancier op de grens tussen west en centraal Java. Voor de irrigatie heb je een streefdrain van 20-30%. Op een warme dag krijgen de planten een extra gift. De broodjes staan op ringen om de drain te bevorderen.
2.7.
Getuige [de technische directeur] heeft samengevat weergegeven en voor zover relevant het volgende verklaard: in de periode 2013 – 2015 was [de technische directeur] technisch directeur. PTSL kwam er pas laat achter wat de oorzaak van de uitval was. Het symptoom was dat de bladeren geel van kleur werden en daarna verwelkten. Het rizoom werd bruin of rood van kleur. PTSL elimineerde de zieke planten en er werden intensief fungiciden toegepast. De standaard hygiëneprocedure is dat alle planten worden weggehaald en besprenkeld met desinfectiemateriaal. Daarna wordt het nieuwe materiaal geplant. In de periode van de hoge uitval werden planten vaker vervangen en werd meer met fungiciden gespoten. Het hielp echter niet, het probleem bleef bestaan. De verklaring van [de zoon] gaat niet echt over het probleem waarmee PTSL te maken had. Zijn verklaring ziet niet op de gezondheid van de planten bij toezending. In een artikel staat dat ook andere schimmels uit de Fusarium-groep dan Fusarium oxysporum fragariae schadelijk zijn voor aardbeien. In het algemeen heeft de diepte waarop een plant geplant wordt geen invloed als de plant gezond is. [de technische directeur] heeft “stunting” waargenomen. Het lichaam van de plant blijft klein en de plant geeft minder vruchten af. Voor 2013 heeft hij de symptomen door Fusarium en Rhizoctonia niet gezien. De besmettingen gingen door totdat PTSL het had opgelost, door de herkomst van het plantmateriaal te veranderen. De veldleider met wie [de zoon] de proef heeft gedaan heeft verklaard dat de proef niet succesvol was. De nieuwe methode hielp niet. De planten gingen nog steeds dood, volgens de veldleider. De cocopeat wordt al twintig jaar gekocht van een lokale leverancier. Daarmee zijn tot op heden geen problemen.
Door partijen nog overgelegde producties
2.8.
In onderdeel 3.3 van het dictum van het derde tussenarrest hebben DWC c.s. tot 20 mei 2025 de mogelijkheid gekregen schriftelijke bewijsstukken in het geding te brengen. DWC c.s. hebben bij memorie na enquête van 21 april 2026 drie producties overgelegd. Dat is na het door het hof bepaalde moment en daarmee te laat. Het hof zal die producties buiten beschouwing laten. De producties die partijen uitsluitend ten behoeve van de verhoren hebben overgelegd behoren wel tot het procesdossier. Het gaat daarbij om de door DWC c.s. op 2 oktober 2025 als productie 21 ingebrachte foto’s van de tuinderij van PTSL en de bij brief van 7 oktober 2025 door PTSL ingebrachte producties 130 tot en met 132b. Voor zover PTSL in haar antwoordmemorie na enquête nieuwe stellingen aan de door haar ingebrachte producties heeft ontleend, zal het hof die in verband met de tweeconclusieregel buiten beschouwing laten.
Waardering van het bewijs
2.9.
Het hof zal eerst beoordelen of DWC c.s. erin is geslaagd tegenbewijs te leveren tegen het voorshands als vaststaand aangenomen feit dat de schimmels Fusarium en Rhizoctonia al op het moment van risico-overgang (de afgifte aan de eerste vervoerder in Rossum) op de aardbei-moederplanten van de leveringen 1 en 5 (2013) en 7 en 12 (2014) aanwezig waren en bij de aardbei-moederplanten (en de dochter- en productieplanten) tot ziekte en sterfte hebben geleid. Uitgangspunt daarbij is dat DWC c.s. onvoldoende hebben betwist dat er in de periode 2013 tot en met 2015 sprake is geweest van ziekte en sterfte bij de aardbeimoederplanten en dat eind 2015, begin 2016 Fusarium en Rhizoctonia zijn aangetroffen in het plantmateriaal van de tuinderij (rechtsoverweging 3.23 van het tussenarrest van 10 september 2024 (hierna: het tweede tussenarrest)). Het door het hof gegeven voorshandse bewijsoordeel dat Fusarium en Rhizoctonia bij de vier hier bedoelde leveringen ten tijde van de risico-overgang op de planten aanwezig was, is gebaseerd op de onvoldoende weersproken stelling van PTSL dat de schimmels “soilborne” zijn en dat de aardbei-moederplanten bij haar niet in de grond zijn geplaatst, maar in substraat van cocopeat, mede in het licht van de door PTSL op advies van DWC in 2013 ingevoerde en sindsdien ongewijzigde werkwijze en van de rapporten van Relab den Haan van eind 2015, begin 2016.
2.10.
[de partij-deskundige] , die schades aan fruit taxeert, heeft verklaard naar aanleiding van door hem verricht literatuuronderzoek dat Fusarium en Rhizoctonia niet alleen in de grond voorkomen, maar ook in de lucht en in het water en ook kunnen worden verspreid via besmette handen en gereedschap. Deze verklaring wordt ten dele gesteund door het door PTSL zelf overgelegde artikel van Adriaan Vermunt, Gezonde aardbeiplanten maken het grote verschil (productie 8 bij de dagvaarding), waarin is opgemerkt dat hygiëne de enige remedie is en dat het bij de aardbeienteelt nodig is om regelmatig gereedschap en machines te ontsmetten en schoon schoeisel of wegwerphoezen, schone werkkleding en schone handen of wegwerphandschoenen te gebruiken. Er is daarom een kans dat de door DWC in februari en december 2013 en in april en december 2014 geleverde planten bij aflevering niet waren besmet met een of beide schimmels, maar dat deze schimmels in een later stadium via lucht, water, gereedschap of handen de planten hebben geïnfecteerd, hoezeer ook besmetting via de grond of via plantmateriaal de normale manier is. Relab den Haan heeft immers pas vanaf november 2015, derhalve één à twee jaar na aflevering van de vier partijen in Nederland, vastgesteld dat het plantmateriaal besmet was met Fusarium en Rhizoctonia. Dat is voor snel bederfelijke waar als aardbeien een erg lange periode om nog met voldoende graad van zekerheid te kunnen vaststellen dat de besmetting in Nederland heeft plaatsgevonden.
2.11.
Ook al is in rechtsoverweging 3.23 van het tweede tussenarrest overwogen dat DWC c.s. de stelling van PTSL dat de schimmels “soilborne” zijn – en besmetting via de grond en de wortel van de plant plaatsvindt – onvoldoende hebben weersproken, dat staat er niet aan in de weg dat DWC c.s. in het kader van het te leveren tegenbewijs de mogelijkheid hebben om tegen te werpen dat de schimmels ook via lucht, water, gereedschap of handen de grond of het plantmateriaal kunnen bereiken en besmetten. Voor zover PTSL aanvoert dat zij daardoor in haar procespositie wordt geschaad doordat zij niet meer de gelegenheid heeft gehad te onderbouwen dat dit onjuist is, gaat zij eraan voorbij dat zij die mogelijkheid in het tegenverhoor heeft gehad en zelf de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om een eigen partijdeskundige te (doen) horen. Onvoldoende tegenwicht biedt de stelling van PTSL dat zij sinds 2014 schimmel dodende aquahorts in het irrigatiewater heeft gebruikt. De besmetting kan dan nog steeds via andere kanalen zijn opgetreden. Datzelfde geldt voor de opmerking dat het dichtstbijzijnde bedrijf van een andere aardbeienteler op een afstand van 15 tot 20 kilometer ligt en voor de opmerking dat de uit de Verenigde Staten geïmporteerde planten of de van Flevoland gekochte planten niet waren besmet met de schimmels. Door de lange periode tussen aflevering enerzijds en identificatie van het gebrek anderzijds kan over de daadwerkelijke besmetting van de planten van PTSL tegen de achtergrond van de verschillende manieren waarop de besmetting kan plaatsvinden, niets met voldoende zekerheid worden vastgesteld. Het hof ziet geen aanleiding om PTSL nader bewijs op te dragen over de aanwezigheid van Fusarium en Rhizoctonia tijdens de aflevering van de aardbeimoederplanten in de vier bewuste leveringen, omdat haar bewijsaanbod daarop niet ziet en omdat zij niet heeft uitgewerkt hoe dat na zoveel jaar nog zou kunnen worden vastgesteld of wat getuigen hierover nog aanvullend zouden kunnen verklaren. Omdat niet is komen vast te staan dat in de vier bewuste leveringen de schimmels Fusarium en Rhizoctonia op het moment van risico-overgang aanwezig waren, komt het hof niet toe aan de vraag of het causaal verband tussen die aanwezigheid en het ontstaan van ziekte en sterfte van de aardbeiplanten aan de hand van het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid moet worden vastgesteld.
2.12.
Daarentegen hebben DWC c.s. niet het vermoeden kunnen ontzenuwen dat de schimmels Fusarium en Rhizoctonia al op het moment van risico-overgang (de afgifte aan de eerste vervoerder in Rossum) op de aardbei-moederplanten van levering 15 (2016) aanwezig waren en bij de aardbei-moederplanten (en de dochter- en productieplanten) tot ziekte en sterfte hebben geleid. Uit het rapport van Relab den Haan van 3 december 2015 in zijn authentieke vorm blijkt dat de onderzochte, van DWC afkomstige aardbeiplanten al voor verzending besmet waren met Fusarium en Rhizoctonia. Deze besmettingen zijn ook geconstateerd in de door Relab den Haan onderzochte monsters van de zending die begin maart 2016 is aangekomen in de tuinderij van PTSL (rapporten van 28 april 2016 en 19 en 26 mei 2016). [de partij-deskundige] heeft verklaard dat Fusarium oxysporum fragariae het enige type is dat bij aardbeien schade kan aanrichten en dat Relab den Haan niet heeft opgenomen welke variant is aangetroffen op de planten van PTSL. Naar het oordeel van het hof is aannemelijk - en door DWC c.s. niet ontzenuwd - dat de aangetroffen Fusarium oxysporum de forma specialis fragariae is geweest. Het onderzoek van Relab den Haan is aangevraagd in verband met het eerder optreden van ziekte en sterfte bij aardbeiplanten. Relab den Haan adviseert daarvoor ook behandeling en het ziektebeeld is bijpassend. Het hof volgt de door [de partij-deskundige] geopperde mogelijkheid dat de ziekte en sterfte zou zijn veroorzaakt door Pestalotiopsis of Phytophtora niet, omdat die schimmels niet zijn aangetroffen in de aan Relab den Haan verstrekte monsters van de aardbei-moederplanten, afgezien van een geringe concentratie van Phytophthora in het op 28 april 2016 onderzochte monster. Deze geringe concentratie gaf de onderzoekers geen aanleiding om te adviseren over te gaan tot bestrijding daarvan. De door DWC c.s. opgeroepen getuigen hebben overigens niets verklaard dat het voorshandse bewijsoordeel zou ontzenuwen, evenmin als DWC c.s. dat hebben gedaan in hun memorie na enquête. Hetgeen is verklaard over de omstandigheden bij PTSL doet niets af aan de al voor verzending geconstateerde besmetting. Daarmee staat vast dat de aardbei-moederplanten van levering 15 (maart 2016) non-conform waren zoals bedoeld in artikel 35 CISG en dat DWC aansprakelijk is voor de schade die PTSL daardoor heeft geleden. In zoverre zal de vordering van PTSL tot verwijzing naar de schadestaatprocedure worden toegewezen. Aannemelijk is immers de kans dat PTSL door de non-conformiteit van de aardbei-moederplanten schade heeft geleden.
2.13.
Het hof zal verder het door PTSL gedane beroep op prijsvermindering op grond van artikel 50 CISG honoreren wat de levering van begin maart 2016 betreft en de prijs op nihil vaststellen. Relab den Haan heeft onder andere de schimmels Fusarium en Rhizoctonia in de monsters van die levering meerdere malen in “very high detection” vastgesteld. Gezien de besmettelijke aard van de schimmels had deze levering daarom geen economische waarde voor PTSL. Dat betekent dat factuur 20160048 van 22 maart 2016, voor zover betrekking hebbend op de levering van de aardbeimoederplanten, te weten € 9.712,50 (€ 2.742,50 + € 6.720 + € 250), niet voor vergoeding in aanmerking komt en zal worden afgetrokken van hetgeen DWC in reconventie vordert. Grief H is daarom gegrond.
De vervalsing van het rapport van Relab den Haan van 3 december 2015
2.14.
DWC c.s. hebben geen tegenbewijs geleverd tegen het voorshands als vaststaand aangenomen feit dat DWC in de persoon van [de bestuurder] de rapportage van Relab den Haan van 3 december 2015 heeft vervalst en de vervalste rapportage bij de e-mail van 5 december 2015 heeft meegezonden (het onder 2.1.2 genoemde bewijsthema). Dit betekent dat DWC en [de bestuurder] hoofdelijk aansprakelijk zijn uit onrechtmatige voor de schade die PTSL als gevolg daarvan geleden heeft (rechtsoverweging 3.45 van het tweede tussenarrest). Het hof zal ook deze zaak naar de schadestaatprocedure verwijzen, omdat de kans aannemelijk is dat PTSL hierdoor schade heeft geleden.
Recapitulatie van de beoordeling van de vorderingen in conventie
2.15.
Het hof heeft eerder beslist dat de vorderingen tegen [echtgenote] zullen worden afgewezen, omdat in het petitum van PTSL geen vorderingen tegen haar zijn opgenomen (rechtsoverweging 3.5 van het tweede tussenarrest). In die rechtsoverweging is ook beslist dat PTSL vorderingen tegen De Weert Beheer B.V. heeft gericht, maar dat die niet zullen worden toegewezen, omdat De Weert Beheer B.V. geen partij is in dit geding. Ten slotte is in die rechtsoverweging beslist dat ten aanzien van De Westerbouwing geen vorderingen kunnen worden toegewezen.
2.16.
Het hof heeft in de rechtsoverwegingen 3.18 tot en met 3.21 van het tweede tussenarrest beslist dat de vorderingen van PTSL voor zover die zien op gebrekkigheid van de framboos-productieplanten zullen worden afgewezen. In rechtsoverweging 3.24 en 3.26 van het tweede tussenarrest heeft het hof beslist dat de vorderingen van PTSL worden afgewezen voor zover die zien op de beweerdelijke gebrekkigheid van levering 14 uit 2015 en de leveringen 17, 18 en 19 uit 2016. Het hof heeft in rechtsoverweging 3.39 van het tweede tussenarrest beslist dat het hof, net zoals de rechtbank, zal beslissen dat de vorderingen van PTSL, onder meer tegen Killiberry, voor zover zij zijn gebaseerd op productenaansprakelijkheid, zullen worden afgewezen. Het heeft in rechtsoverwegingen 3.40 en 3.41 van datzelfde tussenarrest beslist dat PTSL geen belang heeft bij haar vorderingen voor zover die ertoe strekken dat DWC haar verplichtingen uit de adviesrelatie met PTSL zou hebben geschonden.
De vorderingen van DWC in reconventie; verjaring
2.17.
DWC heeft in reconventie nakoming van een aantal facturen tot een beloop van € 362.037 gevorderd. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 5.57 beslist dat alle opeisbare facturen van vóór 29 maart 2012 van in totaal € 86.141.24 zijn verjaard. Zij heeft het verschil van € 275.895,76 toegewezen, vermeerderd met rente. DWC is het daarmee niet eens en stelt in de eerste plaats dat het e-mailbericht van haar van 26 juni 2014, gelezen in de context van het e-mailbericht van PTSL van eerder die dag, wel degelijk moet worden beschouwd als een schriftelijke aanmaning of mededeling waaraan stuitende werking toekomt. Het hof verwerpt dit argument. Het feit dat PTSL eerder die dag had gevraagd of haar cijfers overeenstemmen met die van DWC, is niet toereikend om de reactie daarop te beschouwen als een aanmaning of mededeling van de schuldeiser als bedoeld in artikel 3:317 BW. Dat is vooral zo omdat de uitwisseling van cijfers plaatsvond in de context van een discussie over omzetting van door de aandeelhouders van PTSL in de onderneming gestoken geld in aandelen. Als de aandeelhouders daartoe zouden besluiten, zou PTSL de vorderingen niet meer behoeven te betalen. Daarom kan de e-mail van PTSL van 26 juni 2014 ook niet worden gelezen als een ondubbelzinnige erkenning van de vordering. Het idee waarvan PTSL uitging was immers dat de vorderingen niet zouden hoeven te worden betaald. Gezien deze context heeft DWC verder onvoldoende toegelicht waarom het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat PTSL zich op verjaring beroept. Vrij kort na de discussie over omzetting van vorderingen in aandelen is de verhouding tussen partijen bekoeld en is er kennelijk geen vervolg gegeven aan dit initiatief. Dat bracht mee dat DWC er zelf op moest toezien dat haar rechtsvorderingen niet verjaarden. Dat zij meer dan eens uitstel van betaling aan PTSL had verleend, maakt dat niet anders. De incidentele grief is daarom niet gegrond.
2.18.
In 2.13 heeft het hof beslist dat de factuur voor de levering van aardbei-moederplanten van 22 maart 2016 van € 9.712,50 niet voor vergoeding in aanmerking komt in verband met het geslaagde beroep op prijsvermindering in de zin van artikel 50 CISG door PTSL. Daaruit volgt dat de som van de in beginsel voor vergoeding in aanmerking komende facturen zal worden bijgesteld naar € 275.895,76 - € 9.712,50 = € 266.183,26.
Opschorting en verrekening
2.19.
PTSL heeft zich op opschorting en verrekening beroepen. Dit beroep moet het hof in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep thans beoordelen. Hiervoor heeft het hof immers, anders dan de rechtbank, beslist dat PTSL een tegenvordering heeft op DWC. Het beroep op verrekening slaagt niet, omdat de vordering van PTSL op DWC niet liquide is (artikel 6:136 BW). In de schadestaat zal moeten worden beoordeeld wat de omvang van haar vordering is. Wel slaagt haar beroep op opschorting, omdat er voldoende samenhang bestaat tussen de vorderingen van DWC en de tegenvorderingen van PTSL, nu zij over en weer voortvloeien uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan (artikel 6:52 lid 2 BW). Het hof moet een schatting maken tot welk bedrag het nog proportioneel is dat PTSL zich op haar opschortingsrecht beroept in afwachting van de vaststelling van de vergoeding van de door DWC (en De Weerd) veroorzaakte schade. De schadevergoedingsvordering van PTSL is gebaseerd op non-conformiteit van de aardbei-moederplanten in de levering van begin maart 2016. Schade die PTSL stelt te hebben geleden vóór maart 2016 komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking. PTSL heeft de schadevergoeding die zij heeft geleden vanaf december 2015 door ziekte en sterfte van aardbeiplanten, begroot op € 1.349.134. Aannemelijk is dat die schade ook is ontstaan door ziekte en sterfte van aardbeiplanten die niet tot de bewuste levering behoorden of door ziekte en sterfte met een andere oorzaak. DWC heeft in de periode van 2013 tot begin 2016 vijf zendingen van aardbei-moederplanten geleverd die in omvang in dezelfde orde van grootte lagen als de zending van begin maart 2016 (36.000 aardbei-moederplanten). Volgens de stellingen van PTSL was ziekte en sterfte onder de aardbeiplanten alom tegenwoordig in die periode. Daarin ziet het hof aanleiding om in dit verband 20% van de door PTSL begrote schade toe te rekenen aan de levering van de 36.000 met Fusarium en Rhizoctonia besmette aardbei-moederplanten. Dat leidt tot een bedrag van circa € 270.000. PTSL heeft de schade begroot aan de hand van het verschil tussen de voorheen gerealiseerde opbrengst per m2 en de feitelijke opbrengst per m2 in de periode van ongewone ziekte en sterfte, verminderd met bespaarde kosten. In de schadestaat zal moeten blijken of deze methode adequaat is. Alles tegen elkaar afwegende ziet het hof aanleiding het beroep van PTSL op opschorting te honoreren voor een bedrag van € 150.000. Dit bedrag zal worden afgetrokken van het in 2.18 genoemde bedrag van € 266.183,26, zodat een verschil resteert van € 116.183,26. Dit bedrag zal in reconventie worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 29 maart 2017. Het voorgaande brengt mee dat de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten conform het wettelijke tarief moet worden verlaagd tot € 1.936,83.
Geen schuldeisersverzuim van DWC
2.20.
Partijen hebben een bedrag in depot gezet op de derdengeldrekening van de advocaat van PTSL. PTSL heeft aan DWC voorgesteld dat zij uit het depot het bedrag zou betalen waartoe de rechtbank haar veroordeeld heeft. DWC heeft dat geweigerd. PTSL stelt bij grief I dat DWC daardoor in schuldeisersverzuim is gekomen en dat zij daardoor vanaf de datum van weigering geen rente meer is verschuldigd. DWC heeft aangevoerd dat de afspraak tussen partijen inhoudt dat uitkering uit het depot zal plaatsvinden als het geschil is beslecht bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak. Daarvan is nog geen sprake, omdat PTSL in hoger beroep is gegaan. PTSL heeft in haar weergave van de depotafspraak ook vermeld dat betaling uit het depot zal plaatsvinden na in kracht van gewijsde gegane uitspraak. Daarvan is inderdaad nog geen sprake, zodat de partijafspraken meebrachten dat DWC niet behoefde mee te werken aan betaling van het bedrag waartoe PTSL was veroordeeld uit het depot. Grief I is daarom ongegrond.
De conclusie
2.21.
Het hoger beroep van PTSL tegen Killiberry, De Westerbouwing en [echtgenote] is niet gegrond. PTSL zal in de proceskosten van deze partijen worden veroordeeld, die het hof begroot op nihil. Het principale hoger beroep, voor zover gericht tegen DWC en [de bestuurder] , slaagt (deels), zodat het vonnis van de rechtbank Gelderland van 22 maart 2023 moet worden vernietigd. Tegen DWC en [de bestuurder] zullen alsnog vorderingen worden toegewezen en de tegenvordering van DWC wordt voor een lager bedrag toegewezen. Het incidentele hoger beroep van DWC slaagt niet. Omdat DWC en De Weerd in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof DWC en De Weerd tot betaling van de proceskosten in de procedure in conventie bij de rechtbank veroordelen. Hoewel het hof in de procedure in reconventie een lager bedrag zal toewijzen dan de rechtbank heeft gedaan, blijft PTSL de overwegend in het ongelijk gestelde partij en zal het hof PTSL veroordelen in de kosten van het geding in reconventie bij de rechtbank, echter wel gerelateerd aan dit lagere bedrag. PTSL enerzijds en DWC en De Weerd anderzijds zijn over en weer in het ongelijk gesteld in het principaal hoger beroep. Het hof zal de proceskosten tussen hen compenseren. DWC is in het ongelijk gesteld in het incidenteel hoger beroep en zal worden veroordeeld in de proceskosten van dat geding. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
2.22.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
3De beslissing in het principaal en incidenteel hoger beroep
Het hof:
3.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 22 maart 2023, voor zover gewezen tussen PTSL enerzijds en Killiberry, De Westerbouwing en [echtgenote] anderzijds;
3.2.
veroordeelt PTSL in de proceskosten in het principaal hoger beroep van Killiberry, De Westerbouwing en [echtgenote] , die het hof begroot op nihil;
3.3.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 22 maart 2023, voor zover gewezen tussen PTSL enerzijds en DWC en [de bestuurder] anderzijds, en beslist als volgt:
in conventie
3.3.1.
veroordeelt DWC tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat, die PTSL heeft geleden, doordat de zending van 36.000 aardbei-moederplanten die omstreeks 1 maart 2016 is verzonden naar PTSL, niet aan de overeenkomst beantwoordde, nu zij besmet was met de schimmels Fusarium en Rhizoctonia;
3.3.2.
veroordeelt DWC en [de bestuurder] hoofdelijk – wat wil zeggen dat wat de een al heeft betaald de ander niet meer hoeft te betalen – tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat, die PTSL heeft geleden, doordat DWC en [de bestuurder] op een onrechtmatige manier bij e-mail van 5 december 2015 een vervalste versie van het rapport van Relab den Haan van 3 december 2015 aan PTSL hebben gezonden;
in reconventie
3.3.3.
veroordeelt PTSL tot betaling aan DWC van € 116.183,26, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 29 maart 2017;
3.3.4.
veroordeelt PTSL om aan DWC te betalen een bedrag van € 1,936,83 aan buitengerechtelijke incassokosten;
3.4.
veroordeelt DWC en [de bestuurder] hoofdelijk tot betaling van de volgende proceskosten van PTSL in het geding in conventie tot aan de uitspraak van de rechtbank:
€ 656 aan griffierecht
€ 121,76 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan DWC en [de bestuurder]
€ 1.495 aan salaris van de advocaat van PTSL (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief € 598)
3.5.
veroordeelt PTSL tot betaling van de proceskosten van DWC in het geding in reconventie van € 1.880 (1 punt x het toepasselijke tarief € 1.880);
3.6.
compenseert de proceskosten in het principaal hoger beroep voor het overige aldus dat PTSL enerzijds en DWC en [de bestuurder] anderzijds ieder de eigen kosten draagt;
3.7.
veroordeelt DWC in het incidenteel hoger beroep tot betaling van € 2.352,00 aan salaris van de advocaat van PTSL (2 x 0,5 procespunt voor het geschil in incidenteel hoger beroep x het toepasselijke tarief IV));
3.8.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
3.9.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.10.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. de Vries, G.D. Hoekstra en J.C.J. Luijten en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|