|
|
|
| ECLI:NL:CBB:2026:143 | | | | | Datum uitspraak | : | 07-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 07-04-2026 | | Instantie | : | College van Beroep voor het bedrijfsleven | | Zaaknummers | : | 25/125 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Anders dan de landbouwer betoogt, bevat zijn Gecombineerde opgave geen kennelijke fout. Het bestreden besluit berust evenwel, voor zover het betrekking heeft op de door de minister verrichte toets aan het evenredigheidsbeginsel, niet op een deugdelijke motivering als vereist in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het College vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Beroep gegrond. | | Trefwoorden | : | gecombineerde opgave | | | glb | | | kennelijke fout | | | landbouw | | | landbouwbeleid | | | landbouwer | | | perceel | | Wetreferenties | : | Uitvoeringsregeling GLB 2023
| | | | Uitspraak | uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 25/125
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak tussen
[naam] V.O.F., te [woonplaats] (landbouwer)
(gemachtigde: mr. ing. A.N.M. van Bavel)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. I.M.H.G. van Lankveld en mr. S.H.B. van der Zalm)
Procesverloop
Met het besluit van 11 juni 2024 heeft de minister de aanvraag van de landbouwer voor de extra betaling van de eco-regeling afgewezen.
Met het besluit van 9 december 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de landbouwer daartegen ongegrond verklaard.
De landbouwer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De landbouwer heeft een nader stuk ingediend.
De zitting was op 18 februari 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
1.1
Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2023 van de Europese Unie is, voor
zover hier van belang, vastgelegd in Verordening 2021/2115, Verordening 2021/2116, Uitvoeringsverordening 2021/2290 en Gedelegeerde verordening 2022/1172. De nationale invulling van de GLB-verordeningen is neergelegd in de Uitvoeringsregeling GLB 2023.
1.2
De eco-regeling is een nieuw element van het GLB 2023 en betreft betalingen bovenop de basisinkomenssteun. Zij is bedoeld om gericht duurzame landbouwactiviteiten te belonen en ziet op vijf eco-doelen: klimaat, bodem en lucht, water, landschap en biodiversiteit. Voor elk van deze vijf doelen kan een landbouwer punten behalen. De betrokken landbouwer moet voor elk eco-doel afzonderlijk voldoende punten halen om in aanmerking te komen voor de extra betaling voor de eco-regeling.
1.3
De landbouwer heeft zich op 23 maart 2023 aangemeld voor deelname aan de eco-regeling en op 1 april 2023 en 22 juni 2023 wijzigingen daarin aangebracht. Vervolgens heeft de landbouwer op 8 november 2023, met zijn Gecombineerde opgave, rechtstreekse betalingen voor 2023 aangevraagd. Die Gecombineerde opgave wijkt op onderdelen af van de aanmelding, doordat de landbouwer op 31 augustus 2023 en 2 september 2023 wijzigingen daarin heeft aangebracht.
1.4
De minister heeft de aanvraag voor de extra betaling voor de eco-regeling afgewezen, omdat de landbouwer voor het eco-doel ‘klimaat’ onvoldoende punten had behaald.
2 Met het bestreden besluit heeft de minister de afwijzing van de extra betaling voor de eco-regeling in stand gelaten, omdat de landbouwer volgens de minister bij het niet opgeven van de eco-activiteit ‘groenbedekking’ voor perceel 131 geen kennelijke fout heeft begaan. Dit betekent dat de landbouwer niet in aanmerking komt voor de extra betaling voor de eco-regeling aangezien hij voor het eco-doel ‘klimaat’ onvoldoende punten heeft behaald. Verder is volgens de minister geen sprake van strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel, omdat de gevolgen van de afwijzing van de extra betaling voor de eco-regeling niet onevenredig zijn in verhouding tot het met het besluit te dienen doel, namelijk het belonen van landbouwers voor investeringen in de leefomgeving.
Standpunten van partijen
3.1.1
De landbouwer stelt zich op het standpunt dat sprake is van een kennelijke fout in zijn Gecombineerde opgave. In deze opgave is abusievelijk de eco-activiteit ‘groenbedekking’ voor perceel 131 niet opgegeven. Toen uit het aanvraagprogramma bleek dat hij, als gevolg van het abusievelijk verwijderen van deze eco-activiteit voor perceel 131, door de ondergrens van de eco-regeling was gezakt, heeft hij voor perceel 46 (ten onrechte) aangegeven dat de eco-activiteit ‘onderzaai vanggewas’ was toegepast. Daardoor had hij weer voldoende punten voor de eco-regeling. De landbouwer heeft zich hierbij niet gerealiseerd dat hij abusievelijk de eco-activiteit ‘groenbedekking’ voor perceel 131 had verwijderd.
3.1.2
De landbouwer had bij de aanmelding de eco-activiteit ‘groenbedekking’ voor perceel 131 al uitgevoerd. Uit de vergelijking van de aanmelding met de Gecombineerde opgave blijkt dat duidelijk sprake is van een tegenstrijdigheid. Het was dermate onlogisch om bij de Gecombineerde opgave voor perceel 131 de eco-activiteit ‘groenbedekking’ niet op te nemen dat het als een ‘objectieve vergissing’ kan worden aangemerkt. De landbouwer heeft te goeder trouw gehandeld en er is geen sprake van opzet.
3.1.3
Door de afwijzing van de extra betaling voor de eco-regeling ondervindt de landbouwer onevenredig nadeel. Zoals gezegd heeft de landbouwer voor perceel 131 de eco-activiteit ‘groenbedekking’ al uitgevoerd maar loopt hij de beloning van circa € 13.000,- aan landbouwsteun desondanks mis.
3.2
De minister blijft, onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 20 mei 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:311), bij zijn standpunt dat er in de Gecombineerde opgave geen sprake is van een kennelijke fout. Ook blijft hij bij zijn standpunt dat van strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel geen sprake is.
Beoordeling door het College
Kennelijke fout
4.1.1
Van een kennelijke fout is sprake als er een tegenstrijdigheid zit in de door of namens de landbouwer verstrekte gegevens, die wijst op een vergissing, de tegenstrijdigheid eenvoudig kan worden geconstateerd tijdens een administratieve controle van de aanvraag of de bewijsstukken en de begunstigde te goeder trouw heeft gehandeld (zie artikel 47 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023).
4.1.2
Anders dan de landbouwer betoogt, bevat zijn Gecombineerde opgave naar het oordeel van het College geen tegenstrijdigheden. De minister is niet gehouden die aanvraag te vergelijken met eerdere door de landbouwer gedane aanmelding en bij eventuele niet voor de hand liggende afwijkingen daarover nadere vragen te stellen (vergelijk de uitspraak van het College van 20 mei 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:311, onder 4.4)). In dit geval was er geen reden voor twijfel bij de minister over de opgave. De enkele omstandigheid dat de landbouwer bij de aanmelding (volgens het aanvraagprogramma) wel voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de extra betaling voor de eco-regeling is niet voldoende. Er kunnen zich namelijk wijzigingen hebben voorgedaan in de periode tussen de aanmelding en de (definitieve) aanvraag. Dit betekent dat geen sprake is van een kennelijke fout.
Evenredigheidsbeginsel
4.2
Het College is van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betrekking heeft op de door de minister verrichte toets aan het evenredigheidsbeginsel, niet berust op een deugdelijke motivering als vereist in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het evenredigheidsbeginsel houdt in dat de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot het doel daarvan. De minister heeft in dit verband de nadelige gevolgen van de afwijzing van de extra betaling voor de eco-regeling afgezet tegen het doel van die regeling, te weten om landbouwers te belonen voor investeringen in de leefomgeving. Zoals de minister op zitting heeft erkend, moeten de nadelige gevolgen van de afwijzing van de extra betaling voor de eco-regeling worden afgezet tegen het doel dat wordt gediend met het vasthouden aan een uiterste aanvraagdatum, waardoor wijzigingen van aanvragen na die datum niet zijn toegestaan (zie artikel 11, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023). Het voorgaande betekent dat de door de minister verrichte toets aan het evenredigheidsbeginsel niet correct is.
Slotsom
5.1
Uit 4.2 volgt dat het beroep gegrond is. Het College zal het bestreden besluit vernietigen en de minister opdragen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
5.2
Het College zal de minister veroordelen in de door de landbouwer gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor deelname aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Ook moet de minister het door de landbouwer betaalde griffierecht aan hem vergoeden.
Beslissing
Het College:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van de landbouwer tot een bedrag van € 1.868,-;
- bepaalt dat de minister het betaalde griffierecht van € 385,- aan de landbouwer moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. H. Caglayankaya, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
R.C. Stam w.g. H. Caglayankaya
De voorzitter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|